Man van het moment: Een politieke biografie van Henck Arron 9789035142367

Henck Arron (1936-2000), sleutelfiguur in de Surinaamse politiek, diende zijn land als voorzitter van de Nationale Parti

115 3 31MB

Dutch Pages [760] Year 2014

Report DMCA / Copyright

DOWNLOAD FILE

Polecaj historie

Man van het moment: Een politieke biografie van Henck Arron
 9789035142367

Citation preview

PETER MEEL

MAN

EEN POLITIEKE BIOGRAFIE VAN

ARRON

PROMETHEUS • BERT BAKKER

mzwzslïi

Man van het moment

PETER MEEL

Man van het moment Een politieke biografie van Henck Arron

2014 Prometheus • Bert Bakker Amsterdam

© 2014 Peter Meel Omslagontwerp cmrb Foto’s omslag van links naar rechts: Henck Arron bij de toetreding van Suriname tot de vn (1975), op verkiezingstournee (1973) en bij het uitspreken van de regeringsverklaring van de Nationale Partij Kombinatie (1974). De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden te achterhalen. Aan hen die desondanks menen aanspraak te kunnen maken op enig recht, wordt verzocht contact op te nemen met Uitgeverij Prometheus 'Bert Bakker, Postbus 1000 BR

Amsterdam.

Foto auteur Bob Bronshoff Zetwerk en opmaak Willem Morelis www.prometheusbertbakker. nl ISBN 978 90 351 4236 7

1662,

Inhoud

Woord vooraf • 9 Inleiding • n I Opvoeding, scholing en voorbereiding op een maatschappelijke loopbaan • Pastoor bakadyari • 19

19

Algemene Middelbare School • In Nederland • 43

34

II Politiek bewustzijn, partijlidmaatschap en parlementaire vorming • 51 Betrekkingen in het bankwezen • Familieaangelegenheden •

52

59

Toetreding tot de nps • 63 Een nieuwe omgeving • 68 Politieke kernmomenten • De val van Pengel •

72

78

III Leider van de np s • 85 De opvolging van Pengel • 86 Brede basis-politiek •

97

Onafhankelijkheid als historische opdracht van de partij • Stakingen • 121

110

IV Vader van de onafhankelijkheid: Aanloop • Verkiezingen •

129

129

Kabinetsformatie • 132 Regeringsverklaring • 136 Voorbereidingen richting de onafhankelijkheid •

149

Spanningen tussen coalitie en oppositie naar een hoogtepunt •

168

V Vader van de onafhankelijkheid: Finale • i8i Machtsverhoudingen ter discussie • 182 Gijzeling • 196 Hindori • 203 Parlementaire debatten in Nederland • Het slotdebat in de Staten •

211

221

De soevereiniteitsoverdracht • 232

VI Het primaat van de partijpolitiek: Zelfverzekerd voorwaarts • 239 Toetreding tot de Verenigde Naties • 240 Verbreking van de belofte aan Lachmon • 245 De eerste verjaardag van de onafhankelijkheid • 257 De smeergeldenaffaire • 260 De pnr uit de coalitie • 267 De verkiezingen van

1977

• 272

Publiek en privé • 280

VII Het primaat van de partijpolitiek: Bilaterale betrekkingen • 287 Continuïteit en verandering • 288 Nederland • 290 Verenigde Staten ■ 302 Brazilië • 303 Venezuela • 306 Frans-Guyana • 311 Guyana • 318

VIII Het primaat van de partijpolitiek: In het defensief •

327

Parlementaire machine vastgelopen • 328 Onderofficieren in staking • 341 Opzegging vertrouwen in legerleiding • 353 Op verkiezingscampagne • 367

IX Aan de zijlijn van het politieke bedrijf: Uit de roulatie • De begrafenis van de democratie • 373 De administratieve coup • 386

373

Gevangenschap • 397 Bijzonder Gerechtshof • 412

X Aan de zijlijn van het politieke bedrijf: Herkansing • De

nps

421

in een nieuw krachtenveld • 422

Het Front voor Democratie en Ontwikkeling • 443

XI Terug in het politieke machtscentrum: Regeren met de rem erop • 455 Formatie regering-Shankar • 456 Het machtsvraagstuk • 462 Economische wederopbouw en ontwikkelingsrelatie met Nederland • 479

XII Terug in het politieke machtscentrum: Kerstcoup en nasleep • Partij interne perikelen en particuliere aangelegenheden • 506 Kerstcoup • 521 Verkiezingen en formatie regering-Venetiaan • 535 Raamverdrag • 545 Overdracht voorzitterschap

nps

XIII Ambteloos burger • 561 Blessuretijd • 561 Het drama op Grun Dyari • 568 In Nederland • 582 Crematie • 592 Naleven • 600

Slot • 609 Noten • 619 Afkortingen • 716 Chronologie • 718 Fotoverantwoording • 720 Bronnen • 721 Register • 736

• 553

505

,



4

'

Woord vooraf

Het omvangrijke project dat aan deze monografie ten grondslag ligt, zou nooit van de grond zijn gekomen als ik niet de hulp en medewerking had gekregen van een groot aantal mensen. In de eerste plaats ben ik dank verschuldigd aan Henck Arron, die van meet af aan het belang van dit project onderkende, geduldig inging op mijn vele vragen en zijn vertrouwen uitsprak in mij als biograaf. Ik betreur het dat hij reeds kort na aanvang van dit project overleed en dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het eindresultaat van mijn onderzoek. Netty Arron-Leeuwin ben ik erkentelijk voor haar onvermoeibare steun tijdens de lange vervolgfase van dit project. Haar rollen als vraagbaak, klankbord en intermediair vervulde zij met verve. Geen onderwerp was onbespreekbaar, geen verzoek haar teveel. Ik prijs mij gelukkig van haar kennis en ervaring te hebben kunnen profiteren. Ook alle andere informanten (zie hoofdstuk Bronnen) betuig ik mijn dank voor hun welwillende medewerking. De meesten van hen nam ik (niet zelden zeer uitgebreide) interviews af. Met een aantal van hen sprak ik telefonisch. Ten slotte correspondeerde ik met enkelen per e-mail of per brief. Allen droegen op hun manier bij aan het meerstemmige beeld van Arron dat ik in deze biografie heb willen schetsen. Meerdere personen waren mij behulpzaam bij het leggen van contacten en het verstrekken van aanvullende informatie: Hans Breeveld, Robin Derby, Hugo Enser (f), Eva Essed-Fruin, Anand Girjasing, Prem Girjasing, Sabine van der Greft, Gerold Jiawan, Roy Khemradj, Ellen Klinkers, William Man A Hing, Annika Ockhorst, Nancy de Randamie, Johan Roozer, Judy Samson, Peter Sanches, Jan van Schaik, Subhas en Cheryl Singh, Ronald Tjoe Nij, Joop Vernooij, Ellen de Vries en Sigi Wolf (f). De bijdrage van Joop Vernooij was van vitaal belang tijdens de aanloopfase van het project. Ik ben ook dank verschuldigd aan de kritische meelezers van deze biografie. Netty Arron-Leeuwin, Eva Essed-Fruin, Rosemarijn Hoefte en Hans Ramsoedh lazen het gehele manuscript en voorzagen het van zorgvuldig

9

commentaar. Gedeelten van het manuscript werden gelezen door Rob Arron, Reuben Essed, Ramon de Freitas, Ellen Klinkers, Glenn Oehlers en Jim Walker. Allen droegen bij aan de kwaliteit van de voorliggende tekst en de betrouwbaarheid van de hierin opgenomen gegevens. Medewerkers van de navolgende instellingen maakten het mij mogelijk om het archief- en literatuuronderzoek op een efficiënte wijze en onder prettige omstandigheden te verrichten: Rini Hogewoning, Irene Rolfes en Josephine Schrama (kitlv), Ramon Cumberbatch, Tanya Sitaram en Rita Tjien-Fooh (Nationaal Archief Suriname) en Karin Boven, Peter van der Geer en Hans den Hollander (ministerie van Buitenlandse Zaken Den Haag). Niet minder belangrijk was de ondersteuning die ontving ik van wotro, nwo,

het kitlv en het Instituut voor Geschiedenis van de Universiteit

Leiden, wotro kende mij in 2000, 2002 en 2004 een reisbeurs toe om archiefonderzoek te verrichten en interviews af te nemen in Suriname. nwo

stemde ermee in dat ik in de eerste helft van 2004 verlof opnam om

het archiefonderzoek voort te zetten en een aantal concepthoofdstukken te schrijven. Ik verbleef in deze verlofperiode als gastonderzoeker op het kitlv.

Ten slotte s telde het bestuur van het Instituut voor Geschiedenis

van de Universiteit Leiden mij vrij van het geven van onderwijs in het academisch jaar 2012-2013 om de voltooiing van het boek in een hogere versnelling te brengen. Ik dank de vier instellingen voor de ondervonden steun en de bijbehorende waardering. Mai Spijkers liet mij in 2005 weten de biografie van Henck Arron graag te willen uitgeven. Het stelt mij gerust dat ik de afspraak die wij toen maak¬ ten gestand heb kunnen doen. Lisanne Mathijssen navigeerde mij met opgewekte voortvarendheid door de redactie- en productiefase van dit boek. Een goed humeur is inderdaad het halve werk. Ik draag deze biografie postuum op aan mijn vriend Hugo Enser, die intens heeft meegeleefd met dit project en van wiens nooit aflatende betrokken¬ heid en hulpvaardigheid altijd een grote stimulans zijn uitgegaan. Dit boek is tevens voor Maya, Deborah, Miguel en Rogier. Zij weten waarom.

WOORD VOORAF

Inleiding

In de dagen na zijn overlijden op 4 december 2000 werd de Surinaamse politicus Henck Alphonsus Eugène Arron uitgebreid herdacht. In deze terugblikken overheerste ontsteltenis over zijn ontijdige verscheiden. Arron werd niet ouder dan 64 jaar. De plaats waar hij overleed - Alphen aan den Rijn - riep eveneens reacties van ongeloof op. Hoe bestond het dat een overtuigd patriot als Arron uitgerekend in Nederland de laatste adem had uitgeblazen? Het nieuws was voor veel Surinamers moeilijk te bevatten, te meer omdat Arron de dag vóór zijn overlijden nog met over¬ gave zijn rol bij de onafhankelijkheid van Suriname had verdedigd. Tij¬ dens een publiek debat in Amsterdam had hij ten overstaan van een volle zaal andermaal uit de doeken gedaan wat hem als minister-president had bewogen om de onafhankelijkheid te realiseren. Ook bij die gelegenheid had Arron er geen geheim van gemaakt de totstandkoming van de Republiek Suriname te beschouwen als het hoogtepunt in zijn politieke carrière. In de necrologieën die aan hem werden gewijd, werden de verdien¬ sten van Arron vooral opgehangen aan zijn voortrekkersrol bij de realise¬ ring van de onafhankelijkheid. Voor een belangrijk deel reproduceerden de beschouwingen standpunten en overtuigingen uit de jaren rond de soevereiniteitsoverdracht. Voorstanders van onafhankelijkheid putten zich uit in loftuitingen aan het adres van de overledene en onthielden zich van een duidelijk oordeel over de ontwikkelingen in de republiek na 1975. Tegenstanders herhaalden hun bezwaren tegen het doorsnijden van de staatkundige banden met Nederland en laakten Arrons beleid in de twee¬ de helft van jaren zeventig, volgens hen de opmaat tot de staatsgreep van 1980. Deze laatste kritiek werd overwegend ingehouden gepresenteerd. De gedempte toon was niet alleen ingegeven door respect voor de overle¬ dene, maar ook door de actuele politieke verhoudingen in Suriname. De opponenten van 1975 trokken sinds 1987 succesvol met elkaar op in een politiek samenwerkingsverband. De standpunten die in 2000 naar voren werden gebracht, worden

11

door veel mensen in Suriname en binnen de Surinaamse gemeenschap in Nederland nog altijd ingenomen. De stellingen die betrokken worden, markeren de onafhankelijkheid als een omstreden ijkpunt in de Surinaam¬ se geschiedenis en onthullen een gepolariseerde en geïdeologiseerde kijk op de persoon die zich het meest nadrukkelijk met deze gebeurtenis ver¬ eenzelvigde. Oordelen over Arron staat voor veel Surinamers gelijk aan het onvoorwaardelijk betuigen van adhesie of het genadeloos ventileren van kritiek. Van gedocumenteerd praten - om een uitdrukking van Arron zelf te lenen - is zelden sprake. Te dikwijls wordt het respecteren van de feiten ondergeschikt gemaakt aan het etaleren van (in beton gegoten) partijstandpunten en het berijden van (vaak nauwelijks met de werkelijk¬ heid in overeenstemming te brengen) stokpaardjes. Nog tijdens zijn le¬ ven was Arron voor menigeen een mal geworden waarin naar believen gevoelens van geestdrift en afkeer over de loop van de Surinaamse ge¬ schiedenis konden worden gegoten en waarin voor verdieping of nuance vrijwel geen plaats was. Voor zover onderzoekers zich al met Arron bezig¬ hielden, volstonden zij met het recyclen van bekende wetenswaardig¬ heden en onthielden zij zich van het verrichten van nieuw onderzoek. Hierdoor verdween de historische Arron, de mens van vlees en bloed, met zijn gevoelens en gedachten, ambities en idealen, triomfen en ne¬ derlagen, langzaam maar zeker uit beeld.1 Dit boek biedt het levensverhaal van een man die in al zijn vezels ver¬ groeid was met politiek, politiek beschouwde als zijn levensvervulling en politiek bedreef met een ongebreidelde passie, een onbegrensde eer¬ zucht en een tomeloze energie. Arron was 23 jaar voorzitter van de Nationale Partij Suriname

(nps)

- tijdens zijn loopbaan samen met de

Vooruitstrevende Hervormings Partij

(vhp)

de meest prominente poli¬

tieke partij van Suriname - en diende zijn land als parlementariër, minis¬ terpresident en vicepresident. Zijn naam is verbonden met de geboorte van de republiek Suriname en de beginperiode van het land als onafhan¬ kelijke staat. De ontwikkelingen in de tweede helft van de jaren zeventig maakten onder de bevolking een kortstondig enthousiasme los, maar de regering slaagde er niet in de hooggespannen verwachtingen waar te ma¬ ken. Een hoogoplopend conflict tussen de regering en de Surinaamse krijgsmacht leidde in 1980 tot een militaire machtsovername. Na een pe¬ riode van gevangenschap werkte Arron actief mee aan het herstel van de democratie en de rechtsstaat in Suriname. Toch leverde zijn rentree in de politiek als vicepresident niet de resultaten op die hij zich ten doel had gesteld. Een tweede staatsgreep door militairen in 1990 sterkte hem in

12

INLEIDING

zijn voornemen om het voorzitterschap van de

nps

over te dragen en de

politiek vaarwel te zeggen. In 1993 voegde hij de daad bij het woord. Het afscheid viel hem zwaarder dan hij publiekelijk wilde erkennen. Zijn be¬ langstelling voor politieke aangelegenheden, zeker waar die de

nps

aan¬

gingen, bleef intens. Vlak vóór zijn overlijden ontving Arron bij gelegen¬ heid van de viering van vijfentwintig jaar onafhankelijkheid zijn laatste officiële onderscheiding. De aantrekkelijkheid van Arron voor een biograaf stoelt op een drietal za¬ ken: hij was een vooraanstaand politicus, hij leefde in een politiek turbu¬ lente tijd en hij was nauw betrokken bij een aantal sleutelmomenten in de geschiedenis van zijn land. Bij het schrijven van zijn biografie heb ik mij laten leiden door de volgende vragen: wie was Henck Arron, hoe heeft hij zich in de Surinaamse politiek gemanifesteerd en wat heeft hij voor Suriname betekend? Door leven en werk van Arron te beschouwen tegen de achtergrond van de sociaal-economische, politieke en culturele ontwikkelingen in zijn land en te verbinden met de samenleving waarvan hij deel uitmaakte, is het mogelijk om de vinger te leggen op de eigenheid van zijn optreden en de onderscheidende bijdrage die hij als politicus heeft geleverd.2 Het kader waarbinnen zijn handelen wordt geanaly¬ seerd, wordt in belangrijke mate gevormd door het Surinaamse politieke systeem en de Surinaamse politieke cultuur.3 Een levensbeschrijving van Arron is daarmee onvermijdelijk ook een analyse van de naoorlogse poli¬ tieke geschiedenis van Suriname.4 Een biografïe-in-context veronderstelt aandacht voor de verrichtin¬ gen van Arron, maar ook voor die van tijdgenoten met wie hij samen¬ werkte en van opponenten met wie hij politieke strijd leverde. De nadruk ligt daarbij als vanzelf op binnenlandse politieke verwikkelingen. Die legden het grootste beslag op Arrons tijd en eisten het leeuwendeel van zijn aandacht op. Toch zullen ook de relaties van Suriname met het Caraibisch Gebied, de Verenigde Staten, Latijns-Amerika en Europa, in het bijzonder Nederland, aan bod komen, al was het maar omdat Arron in de tweede helft van de jaren zeventig behalve als minister-president ook op¬ trad als minister van Buitenlandse Zaken en tussen 1988 en 1990 als vicepresident verantwoordelijk was voor het onderhouden van de betrekkin¬ gen met Nederland. Het schrijven van een biografie heeft alleen betekenis als de auteur het publieke en het private van de gebiografeerde met elkaar verbindt en uit die verbinding een inzichtelijk beeld construeert van zijn hoofdpersoon.5

13

In deze biografie wil ik aantonen dat Arron gedreven werd door een ver¬ langen naar vrijheid en vooruitgang. Dat verlangen loopt als een rode draad door zijn leven. In de persoonlijke sfeer lagen de idealen van vrij¬ heid en vooruitgang in hoofdzaak in eikaars verlengde, versterkten zij el¬ kaar en zorgden zij voor een positieve dynamiek. Uit de doorwerking van deze idealen in het publieke domein rijst een gedifferentieerder beeld op. Het najagen van het vrijheidsideaal resulteerde in ontwikkelingen die voor Suriname een nieuwe fase leken in te luiden. Maar gaandeweg deden zich situaties voor waarin vrijheid en vooruitgang in een meer gespannen verhouding tot elkaar stonden en elkaar in de wielen reden.6 In zijn persoonlijk leven kwam Arrons vrijheidsdrang naar voren in de hartstocht waarmee hij het leven omarmde en de eigenzinnigheid waarmee hij zijn privéleven inrichtte, soms tegen heersende conventies in. Daarbij hoorde dat hij vooruitgang nastreefde op maatschappelijk ge¬ bied. Hij wenste de sociale ladder te beklimmen en was vastbesloten het beter te doen dan zijn vader die het als politieman nooit tot een noe¬ menswaardige positieverbetering had weten te brengen. In het publieke domein demonstreerde Arron zijn vrijheidsdrang het meest nadrukkelijk door voor zijn land de onafhankelijkheid te realiseren. Met die politieke daad overtrof hij een andere vader: zijn leermeester Johan Adolf Pengel. Vooruitgang voor Suriname vereenzelvigde Arron vooral met ontwikke¬ ling. Het door hem voorgestane beleid botste echter niet zelden met de deelbelangen en het korte termijngeheugen van de Surinaamse partijpo¬ litiek. Die verhinderden uiteindelijk de realisering van een ontwikkelingsagenda die de republiek behalve staatkundige onafhankelijkheid ook uitzicht op een grotere mate van economische onafhankelijkheid had kunnen bieden. Hoewel de persoonlijkheid van Arron zijn optreden in het publieke en het private domein in belangrijke mate bepaalde, is er in deze biogra¬ fie vanaf gezien zijn opvattingen en handelingen nadrukkelijk psycholo¬ gisch te duiden. Nog los van de vraag of de verzamelde gegevens het zou¬ den toelaten deze aanpak met vrucht te volgen, houdt deze opstelling verband met reserves die er bij de auteur bestaan ten aanzien van de pre¬ tenties van de psychobiografie. Bij het analyseren van Arrons drijfveren en strategieën zal hij onvermijdelijk raken aan psychologische dimen¬ sies, maar hij heeft niet de intentie noch de illusie de lezer de sleutel tot Arrons persoonlijkheid aan te reiken. De kenbaarheid van de mens is be¬ grensd en noopt de onderzoeker zich te hoeden voor al te stellige uitspra¬ ken over diens identiteit en karakter.7 Het politieke handelen van Arron kenmerkte zich door beslissingen

14

INLEIDING

die hij op grond van rationele overwegingen nam. Maar evenzeer werden zijn verrichtingen gestuurd door impulsen en instincten. Politiek is niet alleen ratio. Als je alles rationeel wilt verklaren, dan ga je aan teveel wezenlijke dingen voorbij, liet Arron zich tijdens zijn leven bij herhaling ontvallen.8 Hij verwees met die uitlating vooral naar zijn intuïtie, waarop hij veelvul¬ dig een beroep deed en die hem zelden in de steek liet. Daarbij weigerde hij zich in de kaarten te laten kijken. Waar het ging om diepere gevoelens of emoties reageerde hij stoïcijns: Men gaat nooit weten wie de mens Arron is. Personen die hem goed hebben gekend en hem na stonden, beamen dit. Arron was een einzelganger, die zijn eigen plan trok en het niet toe¬ stond dat men zijn particuliere universum betrad. Wie hij werkelijk was, bleef hierdoor grotendeels een raadsel.9 In deze biografie zal er aandacht zijn voor de rationele en irrationele kanten van Arrons denken en hande¬ len, maar zal, zoals aangegeven, het accent liggen op politieke analyse, niet op psychologische duiding. Bij het schrijven van mijn biografie heb ik gebruik gemaakt van een grote verscheidenheid aan bronnen. Voor een belangrijk deel zijn deze in de nationale archieven in Paramaribo en Den Haag te vinden en voor iedere geïnteresseerde toegankelijk. Een deel van de bronnen is echter niet openbaar en werd ook niet eerder door onderzoekers geraadpleegd. Het gaat om archiefcollecties in Suriname en Nederland, in het bijzonder de veelomvattende collectie-Arron (de nagelaten papieren van Arron, die veel uniek materiaal bevatten en zonder beperkingen konden worden ge¬ raadpleegd)10 en de omvangrijke Suriname collecties van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken (waaruit de jaren 1975-1993 werden bestudeerd, met enige beperkingen, namelijk die ten aanzien van docu¬ menten over de staatsgreep van 1980). Veel gegevens werden ook ontleend aan interviews die ik maakte, in de eerste plaats met de gebiografeerde zelf. Het onderhavige project ging feitelijk van start met een serie semi-gestructureerde gesprekken die ik in Paramaribo met Arron voerde en waarin systematisch werd terugge¬ blikt op zijn leven en werk. Deze gedachtewisselingen vonden plaats tus¬ sen 2 en 16 november 2000, enkele weken vóór het eerder aangestipte debat in Amsterdam. Uitspraken van Arron afkomstig uit deze interviews (in totaal 35,5 uur aan opnamen) zijn in cursief in de biografie terug te vinden. Bij het opmaken van de balans van zijn leven greep Arron deels terug op een vertrouwd repertoire van observaties en zienswijzen, maar ging hij daarnaast openhartig de discussie aan over onderwerpen waar¬ over hij tot dat moment publiekelijk het stilzwijgen had bewaard. Niet

15

zelden liet hij tijdens deze gesprekken een kant van zichzelf zien die het overgeleverde beeld van de mens en politicus Arron aanvult of corri¬ geert. Door hun reflectie op een veelheid van onderwerpen en hun on¬ vermijdelijk apologetische karakter beschouw ik de interviews met Arron als een uniek egodocument.11 Los van deze gesprekken voorzagen ruim honderd andere informan¬ ten - in hoofdzaak maar niet uitsluitend aan de Surinaamse politiek geli¬ eerd - mij van belangrijke gegevens die eveneens een plaats in de biogra¬ fie hebben gekregen.12 Veel van deze informatie, eveneens verkregen via semi-gestructureerde interviews, is gebruikt ter ondersteuning of nuan¬ cering van uitlatingen van Arron, voor het verkrijgen van een beter begrip van de partijpolitieke verhoudingen en voor het analyseren van besluit¬ vormingsprocessen. Hoewel de medewerking van mijn gesprekspartners boven iedere lof verheven was, bleek het desondanks niet altijd gemakke¬ lijk om aan de hand van deze gesprekken de toedracht van gebeurtenis¬ sen te achterhalen of bepaalde handelingen tot de kern van de zaak terug te brengen. De werking van het geheugen is grillig en de menselijke her¬ innering onbetrouwbaar. Niet alle informanten bleken bovendien bereid of in staat hun waarnemingen en oordelen los te koppelen van courante partijstandpunten. In sommige gevallen, zo zal duidelijk worden, maak¬ ten de beschikbare orale bronnen het onmogelijk om eensluidende con¬ clusies te trekken.13 Een veelomvattend krantenonderzoek was cruciaal voor het vaststel¬ len van de chronologie van gebeurtenissen en voor het doorgronden van politieke debatten en bestuurlijke processen. De bestudering van jaar¬ gangen van De West, De Ware Tijd en De Vrije Stem - de drie grootste Surinaamse kranten in de beschreven periode met een respectievelijk behoudende, neutrale en liberale signatuur14 - heeft veel relevante infor¬ matie opgeleverd, die steeds na zorgvuldige toetsing aan andere bronnen (voor zover beschikbaar) is gebruikt. In meerdere gevallen wordt ook naar een Nederlandse krant of een Nederlands tijdschrift verwezen. Aan¬ gezien de biografie zich beweegt op het terrein van de politiekvoering in Suriname ligt in deze biografie het accent op het gebruik van Surinaamse kranten als primaire bron en wordt teruggegrepen op Nederlandse dag¬ en weekbladen ingeval deze belangrijke complementaire informatie be¬ vatten.15 Ook enkele audiovisuele bronnen bleken waardevolle gegevens te bevatten. Het gaat hier om door Nederlandse en Surinaamse journalisten vervaardigde en deels in Nederland en deels in Suriname uitgezonden ra¬ dio- en televisiedocumentaires. Als gevolg van klimatologische omstan-

16

INLEIDING

digheden verkeerde de verzameling videobanden die in de collectieArron werd aangetroffen in een dusdanig slechte staat dat raadpleging in de meeste gevallen niet meer mogelijk was. Secundaire literatuur had bij het voorbereiden en uitvoeren van dit project vooral een ondersteunende functie. Boeken en artikelen kwamen in het bijzonder van pas bij het schetsen van de politieke en sociaal-maatschappelijke context waarbin¬ nen Arron opereerde.16 Dit boek werpt nieuw licht op episoden die tot de meest dramatische, maar ook tot de slechtst gekende van de hedendaagse Surinaamse geschiede¬ nis behoren. Het gaat terug tot de bronnen om aan de hand van zoveel mogelijk (schriftelijke en orale) getuigenissen tot een evenwichtig beeld van de historische Arron en zijn tijd te komen. De biografie draagt bij tot een verdiept inzicht in de politieke loopbaan van Arron en de werking van het Surinaamse politieke systeem en de Surinaamse politieke cul¬ tuur. Daarnaast vult deze studie een aantal leemten en rekent zij af met verschillende mythen, meer specifiek waar het gaat om de onafhankelijk¬ heid van Suriname17, de rol en betekenis van de

nps

in de periode vanaf

197018 en de politiek-bestuurlijke transities (1975,1980,1987,1992/1993) die Suriname sinds 1954 heeft doorgemaakt.19 Ten slotte wil deze publi¬ catie bijdragen aan de verdere ontwikkeling van het in de Surinamistiek nog tamelijk jonge genre van de politieke biografie.20 De realisering van de onafhankelijkheid van Suriname is het moment waarnaar in de titel van deze monografie wordt verwezen. Het is de onaf¬ hankelijkheid waarmee Arron zich als politicus verbonden achtte, die het richtsnoer was van zijn handelen en die het fundament vormt waarop het Surinaamse politieke gebouw sinds 1975 rust. Tegelijk duidt ‘moment’ in zijn meervoudsvorm op de Surinaamse politieke cultuur waarbinnen deelbelangen onevenredig veel aandacht krijgen, beslissingen vaak op detailniveau worden genomen en de betrokkenheid van politici bij inci¬ denten niet zelden ten koste gaat van de focus op meer structurele ont¬ wikkelingen. Hoewel hij in zijn beleid het accent probeerde te leggen op de grote lijnen lukte het Arron veel minder dan hij had gehoopt om zich te onttrekken aan de dagelijkse politieke beslommeringen die hem van zijn onafhankelijkheidsproject afhielden. Het is dit spanningsveld dat een te¬ rugkerend bestanddeel van deze biografie zal zijn. Tot besluit enkele woorden over de auteur. Zijn Europese wortels laten zich onmogelijk wegpoetsen, zijn wetenschappelijke vorming in Nederland is

17

onloochenbaar en zijn middenklasse achtergrond zal in de voorliggende tekst ongetwijfeld aanwijsbaar zijn. Hij is zich ervan bewust dat hij als bakra (witte Nederlander) meeschrijft aan de contemporaine geschiedenis van Suriname, met de gevoeligheden die daarbij horen en eventuele misver¬ standen die hieruit kunnen voortvloeien. Hij hoopt dat zijn persoon niet hinderlijk tussen de lezer en zijn onderwerp in zal staan en dat zijn be¬ vindingen het inzicht in de hedendaagse Surinaamse geschiedenis zullen verdiepen en de discussie over deze geschiedenis een impuls zullen ge¬ ven.21 Geschiedschrijving gaat in essentie niet over het verleden als zodanig, maar over manieren om het verleden te verbeelden en te construeren.22 De voorliggende levensbeschrijving - die een lineair-thematische opzet kent - is bij uitstek een creatie van de auteur. De keuze van de beschikbare bronnen, de ordening en presentatie van de geselecteerde gegevens en de visie op de gebiografeerde zijn onlosmakelijk met zijn persoon verbon¬ den. Hij beschouwt zichzelf vóór alles als een historicus die beoogt een afgerond beeld van zijn hoofdpersoon aan te reiken23, maar erkent dat een biografie uit de aard van het genre van tijdelijke waarde is en een beperk¬ te houdbaarheidsdatum heeft.24 Het geconstrueerde beeld vraagt immers om herziening op het moment dat er belangrijke nieuwe feiten boven ta¬ fel komen, andere geschiedkundige perspectieven de overhand krijgen of de samenleving niet eerder gestelde vragen beantwoord wenst te zien. In die zin is niet alleen de hoofdfiguur, maar ook de auteur van deze studie een man van het moment.

18

INLEIDING

I

Opvoeding, scholing en voorbereiding op een maatschappelijke loopbaan

Het leven van Henck Arron, hoe druk en veelbewogen ook en hoezeer ook geografisch vertakt naar plaatsen buiten de landsgrenzen, heeft zich in hoofdzaak in Paramaribo afgespeeld. Arrons persoonlijk leven is verbon¬ den met twee wijken net buiten de oude stadskern: de straten in de nabij¬ heid van de Combé, waar hij zijn jeugd- en jongelingsjaren doorbracht, en de omgeving ten noordwesten van de Wanicastraat1, waar hij vanaf 1965 met zijn echtgenote zou wonen. Behalve in de Wanicastraat, waar het centrum van de Nationale Partij Suriname

(nps)

is gevestigd, bracht

Arron zijn arbeidzame leven grotendeels door in de historische panden en kantoren in het hart van de stad. Het gezin waarin Arron opgroeide, kenmerkte zich door een hechte familieband, een bescheiden sociale status en een rooms-katholieke levens¬ overtuiging. Zijn jaren op de St. Paulusschool en de Algemene Middel¬ bare School (am s ) verzekerden hem van een degelijke scholing en brachten hem in aanraking met uiteenlopende sociale activiteiten. Een intermez¬ zo in Arrons leven vormen de jaren 1956-1959, toen hij in Amsterdam een bankopleiding volgde. Werkelijk thuis voelde hij zich er niet. Het ontbrak hem materieel aan niets en hij amuseerde zich er goed, maar het binnen¬ leven stond hem niet aan en de ruimtelijke vrijheid die hij in Suriname gewend was, vond hij er niet terug. Arrons verblijf in Nederland versterkte het kennisfundament dat al in Paramaribo was gelegd en zorgde voor een verbreding van zijn horizon. Als Surinamer was hij echter vastbesloten naar zijn geboorteland terug te keren. Met het afsluiten van zijn Nederlandse jaren kwam een einde aan Arrons voorbereiding op een maatschappelijke loopbaan. Met Nederland, waar hij nadien nog veelvuldig te gast zou zijn, zou hij als politicus een gecompliceerde relatie onderhouden.

PASTOOR BAKADYARI

In de Surinaamse geschiedschrijving staan de jaren dertig van de twintig¬ ste eeuw te boek als een periode van onrust, malaise en verzet tegen de

19

Nederlandse kolonisator. De jaren worden vereenzelvigd met economi¬ sche neergang, sociaal-politieke spanningen en repressie van de kant van het toenmalige moederland. Vooral de arbeidersklasse werd door de eco¬ nomische wereldcrisis getroffen. Door de snel toenemende werkloos¬ heid raakten veel arbeiders hun betrekking kwijt. De koloniale overheid deed weinig om hun noden te lenigen. Het voeren van een strikt bezuini¬ gingsbeleid had tot gevolg dat veel werklozen in grote armoede leefden. Vakbondsleiders als Anton de Kom en Louis Doedel maakten zich tot spreekbuis van de arbeiders, maar werden door de koloniale overheid op beschuldiging van politieke opruiing monddood gemaakt. De Kom werd in 1933 Suriname uitgewezen. Doedel kwam in 1937, naar later zou blij¬ ken voor de rest van zijn leven, in ’s Lands Psychiatrische Inrichting te¬ recht.2 Werd Henck Alphonsus Eugène Arron, die op zaterdag 25 april 1936 ter wereld kwam in het St. Vincentius ziekenhuis in Paramaribo, onder een ongunstig gesternte geboren? Hoewel na het vertrek van De Kom uit Suriname de spanningen langzaam luwden, gistte het nog altijd in de ko¬ lonie. De Staten van Suriname onderhielden moeizame betrekkingen met de autocratische gouverneur Kielstra. De week na Arrons geboorte ver¬ wierpen zij de ontwerpbegroting 1937 uit protest tegen wat zij beschouw¬ den als het voortdurend negeren van dit college door Kielstra in belang¬ rijke aangelegenheden.3 De verhouding tussen het vertegenwoordigend lichaam en de hoogste vertegenwoordiger van de Kroon in Suriname zou nog jarenlang een bron van conflicten blijven.4 Elders in de wereld lieten de politieke verwikkelingen een niet minder somber beeld zien. Suri¬ naamse kranten berichtten uitvoerig over de gebeurtenissen in naziDuitsland, de opmars van Mussolini in Abessinië (het huidige Ethiopië), de dreiging van het Chinese communisme, de toegenomen militaire slag¬ kracht van Japan en de verkiezingen in Spanje, die volgens de rooms-katholieke krant De Surinamer gewonnen waren door ‘anti-clericale com¬ munisten en sociaal-democraten’.5 Los van het tijdsgewricht waarin Arron ter wereld kwam, was zijn ge¬ boortedag nog in een ander opzicht opmerkelijk te noemen. In de nacht van vrijdag op zaterdag, maar ook op zaterdagochtend, werd Suriname getroffen door zware regenval, die in combinatie met springvloed voor ernstige overstromingen zorgde. De binnenstad van Paramaribo kwam voor een belangrijk deel onder water te staan. De West, een avondblad dat toen drie keer per week verscheen, schreef: ‘In de Dominéstraat zag men de straatjeugd zwemmen in de straat. [...] Mensen konden hun wonin¬ gen slechts verlaten, met behulp van planken en kisten. Op verschillende

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

punten maakten drijvers van ezelkarren er hun werk van, om, voor een paar centen, menschen over te zetten van den eenen kant naar den ande¬ ren kant van de straat.’6 Maar ook in de districten zorgde de overvloedige regen voor problemen. In Commewijne stroomden velden en plantages onder en in Saramacca braken dammen door, met als gevolg dat scholen, woningen en pelmolens onder water liepen en bewoners grote moeite hadden om huisraad en goederen tijdig in veiligheid te brengen.7 Henck Arron, die onmiddellijk na zijn geboorte in hetzelfde St. Vincentius ziekenhuis rooms-katholiek werd gedoopt, was de oudste in een gezin dat uiteindelijk uit vier zonen en vier dochters zou bestaan.8 Op het moment van zijn geboorte woonden vader en moeder Arron in de nabij¬ gelegen Costerstraat. Een jaar na de geboorte van hun zoon verhuisden Sylvain Leonard Henri Arron en Josephina Maria Constantia Halfhide met hem naar een parallelweg van de Costerstraat, de Julianastraat. Eerst verbleven zij in het ouderlijk huis van grootvader en grootmoeder Arron op nummer 78. Dit is aan het einde van de straat, waar deze uitkomt op de Verlengde Mahonylaan. Vervolgens betrok het gezin een huis in het midden van wat toen nog een santi pasi, een zandweg, was. Op dit laatste adres, Julianastraat 62a, zou Arron tot 1963 blijven wonen. De Julianastraat is een bekende straat in de nabijheid van de Combé. In de Surinaamse geschiedenis staat de ‘voorstad Combé’ te boek als de eerste buitenwijk van Paramaribo. De wijk, gelegen ten noorden van de

1. Julianastraat 6ia (2004)

21

Palmentuin, is vernoemd naar Nicolaes Combé, een Nederlandse be¬ stuursambtenaar die zich in Suriname vestigde kort na de verovering van de kolonie door de Staten van Zeeland in 1667.9 Vanaf het einde van de achttiende eeuw werden in de Combé de eerste vrije woonhuizen ge¬ bouwd, die aanvankelijk dienden als buitenverblijven voor de gegoede burgerij. Na de afschaffing van de slavernij, maar in toenemende mate na de beëindiging van de contractarbeid uit India, zou de wijk een gemê¬ leerd karakter krijgen, in sociaal en etnisch opzicht.10 In Arrons jeugd maakte de Julianastraat deel uit van wat in de volks¬ mond pastoor bakadyari heette, de achtertuin van de paters. Deze uit¬ drukking verwees naar de rooms-katholieke kerk, die een stempel drukte op het sociaal-religieuze leven in de wijk. In het stadsdeel dat begrensd werd door de Gravenstraat, de Grote Combéweg, de Verlengde Mahonylaan en de Tourtonnelaan was veruit de meeste grond eigendom van de rooms-katholieke kerk. Vader Arron wist dit uit eigen ervaring. Hij had in de Julianastraat zijn kavel gekocht van de paters, de grond opgehoogd en er een huis op laten bouwen. In de directe omgeving waren er talrijke panden en gebouwencomplexen, waar paters, fraters en zusters woonden en werkten. Hoog boven alles uit torende de Petrus en Paulus-kathedraal in de Gravenstraat. Behalve door het gebruik van hout als bouwmateriaal was dit godshuis architectonisch bijzonder vanwege de neoromaanse en neogotische stijlkenmerken, die opvielen door hun traditionele Surinaam¬ se vormen. Enige panden van de kathedraal verwijderd lag aan dezelfde straatkant het huis van de apostolisch vicaris, vanaf 1958 de woning van de bisschop. Schuin tegenover de kathedraal bevond zich de pastorie van de paters redemptoristen.11 De orde van de redemptoristen was een van de congregaties in Suri¬ name die zich inzetten voor het gemeentewerk van de rooms-katholieke kerk. Sinds 1866 was zij op vele terreinen in de kolonie werkzaam, onder meer in de eredienst, de zielzorg, de armenzorg en het onderwijs. De re¬ demptoristen werden geholpen door de zusters franciscanessen van Roo¬ sendaal, die tien jaar eerder al in Suriname met hun missiewerk waren begonnen. Zij richtten zich vooral op onderwijs en opvoeding. Ook de zusters en fraters van Tilburg vormden respectievelijk sinds 1894 en 1902 een belangrijke steunpilaar voor de kerk van Rome. De zusters waren speciaal aangetrokken voor het werk onder de melaatsen, de fraters voor het verzorgen van onderwijs en voor het opvoeden van kinderen van rooms-katholieke ouders. De zusters franciscanessen van Oudenbosch - die in 1925 naar Suriname waren gekomen - waren eveneens actief op het terrein van onderwijs en opvoeding. Ten slotte manifesteerden de

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP.EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

zusters van Paramaribo, een congregatie die in Suriname was ontstaan, zich vanaf 1932 in het onderwijs, het internaatwerk en de bejaardenzorg. Het hoogste niveau van onderwijs in Paramaribo werd aangetroffen op de scholen voor het meer uitgebreid lager onderwijs (mulo). Hier heerste een concurrentiestrijd tussen de scholen van de rooms-katholieke kerk, de Evangelische Broeder Gemeente

(ebg)

valiteit tussen Lomsu (rooms-katholiek) en Anitri

en de overheid. De ri¬

(ebg)

had, behalve met

religieuze verschillen, te maken met de bevoorrechte positie die de

ebg,

langer actief in Suriname, bij de koloniale overheid genoot. Maar doordat de missie haar educatieve doelstellingen van het begin af serieus opvatte en rond de eeuwwisseling veel bevoegde leerkrachten aantrok, versterkte zij haar positie in het onderwijs gestaag.12 De trots van het rooms-katholieke onderwijs was de St. Paulusschool in de Gravenstraat. Vele later be¬ kend geworden Surinamers, onder wie Arron, kregen hun opleiding op deze mulo. Voor het rooms-katholieke verenigingsleven en voor het jeugd¬ werk vervulden de Katholieke Verkenners Suriname

(kvs),

de Brutusclub

en het Rooms-Katholieke Jongelingen Patronaat St. Aloysius een belang¬ rijke rol.13 De betrekkingen van het gezin Arron met pastoor bakadyari dateer¬ den al van vóór de geboorte van zoon Henck. Beide ouders hadden om te beginnen hun eigen jeugd in dit deel van Paramaribo doorgebracht. Het ouderlijk huis van vader Arron stond, zoals gezegd, eveneens aan de Julianastraat, terwijl moeder Arron was opgegroeid aan de Grote Combéweg. Zowel de Arrons als de Halfhides waren rooms-katholiek, maar de band met de kerk trad bij de Halfhides het duidelijkst naar voren. Zo werkte grootvader Johannes Gerrit Halfhide als voorman in de timmerloods van de fraters aan de Wulfinghstraat14 en als koster in de Petrus en Paulus-kathedraal. Tot op hoge leeftijd woonde hij, tamelijk onopvallend, in zijn huis aan de Grote Combéweg. Kleine kinderen waren bang voor opa Halfhide. Zij wisten dat het timmeren van doodskisten tot zijn dage¬ lijkse arbeid behoorde.15 De familie Arron komt oorspronkelijk uit Coronie. John Arron, oud¬ ste broer van Henck en tweede kind in het gezin: ‘Coronie speelde bij ons thuis geen rol van betekenis. Behalve door onbekendheid met het district en met onze familiegeschiedenis had dit vooral te maken met het beeld dat er van Coronianen bestond. Ze zouden lui en dom zijn. Met hen wilde je niet geassocieerd worden. Wij voelden ons stadsmensen en keken neer op mensen van boiti (het platteland). Natuurlijk ten onrechte, maar zo ging dat in die tijd. Onze overgrootvader van vaders kant was volgens de overlevering een Chinees, die van zijn achternaam A Sjong heette. Hij

23

zou kinderen hebben verwekt bij een huisbediende, waarna de naam A Sjong verbasterd zou zijn tot Arron en Aron. Dit verhaal werd ons verteld door onze grootmoeder van vaders kant. Maar het is nergens gedocu¬ menteerd.’16 Dit laatste klopt. Het stukje familiegeschiedenis, dat als verhaaltype in menige Surinaamse familie circuleert en niet zelden een verlangen naar sociale mobiliteit uitdrukt, wordt inderdaad niet door de beschikba¬ re gegevens ondersteund. Dat wil niet zeggen dat er geen Chinees bloed door de aderen van de familie Arron stroomde. Al in 1858 vestigden Chi¬ nese immigranten zich in Coronie en stichtten er gezinnen met Creoolse vrouwen.17 Gegevens uit de burgerlijke stand laten de mogelijkheid dat er etnische vermenging binnen de familie optrad ook nadrukkelijk open.18 Afgaande op de gelaatstrekken van de gezinsleden kon daar bovendien nauwelijks twijfel over bestaan. Hoewel de wortels van de familie in Coronie lagen, zijn er geen aanwijzingen dat het district noemenswaar¬ dig doorwerkte in de opvoeding van de kinderen Arron. Hoogstens zou de liefde voor het buitenleven die zij meekregen als een uitvloeisel hier¬ van kunnen worden beschouwd.19 In de koloniale tijd werd er omzichtig over het verleden gesproken, zeker als dit betrekking had op de slaventijd. Dit had te maken met de vernederingen van de slavernij, die ook aan het district Coronie niet voorbij waren gegaan, en met de behoefte van veel mensen om deze trau¬ matische periode achter zich te laten.20 Deze houding werd aangemoedigd in het basis- en voortgezet onderwijs. De fraters, bij wie de kinderen Arron op school gingen, onderwezen hun leerlingen niet het eigen verle¬ den, maar feiten en denkbeelden die ontleend waren aan de Europese ge¬ schiedenis en normen en waarden die verbonden waren met een ambiti¬ eus Bildungsideal. Slaafgemaakten, voor zover die al in dit wereldbeeld figureerden, stonden op een lagere trap van ontwikkeling. Marrons waren geen verzetsstrijders en rolmodellen, maar raddraaiers en brandstich¬ ters. Wie maatschappelijk aanzien wilde verwerven, distantieerde zich als vanzelf van hen die in de ogen van de gevestigde orde met een aureool van onbeschaafdheid waren omgeven. De overgrootouders van Arron hadden Coronie in de tweede helft van de negentiende eeuw voor Paramaribo verruild, zoals zo veel Surinamers die in die jaren het district verlieten in de hoop in de hoofdstad een beter bestaan te kunnen opbouwen. Sindsdien was de familie in Para¬ maribo woonachtig. Arron zou zich als volwassen man, als het onder¬ werp al ter sprake kwam, vaak schertsend uitlaten over zijn band met Coronie. Hij ging er graag vissen, vooral op kwie kwie, en hij betreurde het

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

dat Coronie, ondanks zijn natuurlijke hulpbronnen, maar niet tot bloei wilde komen. Tegelijk stond hij als stedeling op afstand van het districtsleven. De schoonheid van de oude huizen op neuten en de majestueus wuivende kokospalmen bekoorden hem en ook als voorvaderlijke grond had het district een zekere betekenis voor hem. Maar met Coronie als dunbevolkte achterafplaats, weggestopt tussen zwamp (moeras) en man¬ grove, had Arron weinig affiniteit. De heersende gemoedelijkheid spoor¬ de niet met zijn temperament en het gevoel van stilstand ervoer hij als ontmoedigend. Al te nadrukkelijke verwijzingen naar zijn Coroniaanse wortels achtte hij vooral onverenigbaar met zijn streven naar maatschap¬ pelijke vooruitgang. De grootvader van Arron, Johannes Marius Arron, werd in Parama¬ ribo geboren en was politieagent van beroep. In die functie werkte hij in de stad en soms in het district. Zo was hij enige tijd gestationeerd in Nickerie. Zijn vrouw, Francis Henriëtte Lemmers, beter bekend als Ma Sies, was huisvrouw. Eline Wolf, nicht van Arron, over haar peetoom: ‘Papa Arron, zoals we hem noemden, was een grote, zware man, die recht door zee was, niet van flauwekul hield en je altijd voorhield dat je aan je mede¬ mens moest denken. Hij had veel gevoel voor humor en was begaan met het lot van minder bedeelden. Ik herinner mij dat hij opkwam voor de vrouwen en kinderen van Chinezen die betrapt waren op het spelen van piauw piauw, een illegaal gokspel. Deze mannen werden doorgaans tot een gevangenisstraf veroordeeld en hun winkel werd verkocht, maar pa¬ pa Arron pleitte er dan voor dat hun gezinnen niet alles verloren. Vaak met succes. Hij had een grote tuin, die helemaal doorliep van de Julianastraat naar de Louiselaan. Die leverde een overvloed aan groente en fruit op. Wat de familie niet nodig had, werd in de voortuin gezet. Voorbijgan¬ gers mochten ervan meenemen wat ze wilden.’21 Marius Arron stond, behalve als sociaal voelend politieman, ook be¬ kend als meubelmaker, die van mahoniehout de prachtigste dingen wist te maken. Daarnaast praatte hij graag over politiek. Hij was een bewon¬ deraar van Anton de Kom, zijns inziens een geschikte uitdager van het verfoeilijke koloniaal regime.22 Hij maakte van zijn hart geen moordkuil en bracht zijn standpunten luid en met verve naar voren. Vrienden die hem tot kalmte probeerden te manen - een gezagskritisch politieman liep onder Kielstra een reëel risico zijn baan te verliezen - vonden bij hem geen gehoor. Los van deze principiële opstelling zat er ook een lu¬ dieke kant aan oom Marius. Bij kinderen oogstte hij bewondering vanwe¬ ge de perken die hij in zijn tuin van lege bierflesjes placht aan te leggen. Erkend liefhebber van een borrel breidde het aantal perken zich tijdens

25

zijn leven gestaag uit. Kleinzoon Henck had zeker bepaalde trekken met grootvader Arron gemeen, maar heeft hem nooit gekend. De laatste over¬ leed op 10 juni 1937 op 52-jarige leeftijd aan de gevolgen van suikerziekte. Grootmoeder Arron zou haar man ruimschoots overleven (zij over¬ leed in 1976) en tot op hoge leeftijd als spil van de familie fungeren. Tijdgenoten herinneren haar als een grote, slanke vrouw, met een leven¬ dig karakter en een ondernemende geest, die graag de touwtjes in han¬ den hield. Als vraagbaak van de familie gaf zij gevraagd en ongevraagd advies. Haar kennis van oso dresi (huismiddeltjes tegen ziekten en kwalen) was vermaard en als haar kinderen uitstapjes organiseerden, was zij stee¬ vast van de partij. Zeker met het gezin van haar oudste zoon onderhield zij innige betrekkingen. Zij beschouwde Henck en John als haar lievelingskleinzonen. Op hun beurt waren de jongens zeer op haar gesteld en kwamen zij graag bij haar over de vloer. Het matriarchaat in de familie was bij uitstek in haar persoon verankerd. Vader Arron was eveneens werkzaam in de politiedienst. Hij beëin¬ digde zijn loopbaan, evenals Arrons grootvader, in de rang van adjunctinspecteur. Arron: Mijn vader heeft lange tijd gedacht dat ik in de voetsporen van de familie zou treden en ook in de politiedienst zou gaan, maar daar heb ik bewust niet voor gekozen. Overigens vond hij persoonlijk dat ik er ook maar beter vanaf kon zien, omdat hij niet helemaal tevreden was over de ontwikke¬ lingen binnen het korps. Deze houding kwam voor een belangrijk deel voort uit frustratie. Het behalen van de benodigde politie-examens ging vader Arron niet gemakkelijk af, waardoor hij er relatief lang over deed om zich voor de promotie naar een volgende rang te kwalificeren. Daarnaast had bij hem de overtuiging postgevat dat hem op ondeugdelijke gronden be¬ paalde bevorderingen werden onthouden. Dit deed niet alleen afbreuk aan zijn arbeidssatisfactie, maar droeg ook bij aan het gevoel dat hij als oudste zoon tekortschoot en anders dan zijn broers Louis en Leo, die res¬ pectievelijk arts en boordwerktuigkundige waren geworden, het niet had gemaakt.23 Als politieagent was vader Arron in Paramaribo gestationeerd. Hij werkte, verspreid over de jaren, voor alle dienstonderdelen: de verkeersafdeling, de vreemdelingendienst en de recherche. Onder de vreemde¬ lingendienst vielen in die jaren onder andere de paspoortcontrole in de haven van Paramaribo en op luchthaven Zanderij en de controle op de naleving van de vuurwapenwet en de bouwvergunningenwet. D.E. Wek¬ ker, die ook lange tijd in de Julianastraat woonde en het tot inspecteur van politie had gebracht toen hij in 1951 naar Nederland vertrok: ‘Jules Arron was een fors gebouwde man, die indruk maakte met zijn postuur

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

en het uniform dat hij droeg. Ook zijn sonore stem viel op. Hij was een aardige, beminnelijke collega, die zich coöperatief opstelde en op wie nooit iets aan te merken viel. Wat niet wil zeggen dat hij soft was. Dat zou een onjuiste typering zijn.’24 E.T. Cooman, die ruim veertig jaar in de poli¬ tiedienst werkzaam zou zijn en de familie Arron eveneens als medebe¬ woner van de Julianastraat kende, onderschrijft dit oordeel: ‘Hij was een verdomd goede politieman. Zijn houding was correct, hij trad beschaafd op en had gezag. Veel mensen vonden hem streng, maar ik zou eerder zeggen dat hij gedisciplineerd was.’25 Zoon Henck was stelliger in zijn oordeel: Mijn vader was, mede door zijn beroep, zeer streng. Deze strengheid heeft hij echter in de loop der jaren - ik ben de oudste en dus op mij is de meeste strengheid toegepast - wel een beetje laten varen. De jongeren in het gezin mochten meer. Laat ik de streng¬ heid van mijn vader met een voorbeeld illustreren. Toen ik voorzitter was van de Vereniging van Algemene Middelbare Scholieren, de vams, organiseerden we feestjes, die echt niet voor twaalf uur ’s nachts waren afgelopen. Maar ik moest het niet in mijn hoofd halen, ondanks het feit dat ik voorzitter was, om na twaalven thuis te komen. Toch deed ik dit wel. Ik ging toen naar school op een bromfiets. Als ik dan ’s nachts terug naar huis reed, haalde ik vlak voordat ik de Julianastraat in draaide de ketting van mijn bromfiets weg. Dan kwam ik met zwarte handen thuis. Had ik zogenaamd de hele weg naar huis moeten lopen (lacht). Het beeld van de dominante vader wordt door andere getuigenissen ondersteund. Sigi Wolf, neef van Arron en later in Nederland als journa¬ list werkzaam: Alle kinderen waren bang voor oom Jules. Als politieman dwong je in die tijd sowieso respect af, maar de vader van Arron reed, toen hij bij de verkeerspolitie werkte, op een Harley-Davidson met zij¬ span, wat heel bijzonder was. Niet alleen had hij er veel bekijks mee, het versterkte ook het overwicht dat hij op mensen had.’26 Wolf herinnert zich dat zijn ouders hem op zaterdag naar oom Jules stuurden om te leren timmeren. Die had in de familie de terechte reputatie daar erg bedreven in te zijn. Zoon Henck kreeg timmeronderricht van zijn vader, maar ook van grootvader Halfhide. Dit zou zijn uitwerking niet missen. Zijn leven lang zou Arron graag meubels maken en knutselen. Was het niet in en rond het huis, dan wel in overdrachtelijke zin: in de politiek. Ook als hengelaar trad zoon Henck in de voetsporen van zijn vader. Deze nam zijn zonen regelmatig mee naar de Tweede Rijweg, waar op de percelen van deurwaarder Richard Wolf, vader van Eline en Sigi, werd gevist. In de zwampen op dit terrein werd ook gejaagd. Daarnaast gingen de mannen uit het gezin af en toe op leguanenjacht op Ma Retraite, een

27

voormalige koffieplantage. Wat toen een ruige, onbebouwde en tamelijk verlaten omgeving was, is thans een bekende woonwijk in Paramaribo.27 De groene hagedissen - in de volksmond ook wel ‘boomkip’ genoemd (kaaimannen gingen door voor ‘waterkip’) - werden met een Winchestergeweer geschoten. Het vlees van de dieren werd gegeten, de eieren - als deze in de buik van vrouwelijke exemplaren werden aangetroffen - leeg¬ gedronken. Vader Arron nam doorgaans het initiatief tot deze uitstapjes (‘Jongens, meekomen!’), waarbij hij zijn zonen als dragers liet optreden. Met verwijzing naar diens voornaam noemden de twee oudste zonen hun vader soms spottend Jules Verne, als deze in zijn verhalen over het vissen en jagen al te zeer een loopje met de waarheid nam. Eline Wolf: ‘Ik herinner mij dat als hij vroeger bij ons thuiskwam, hij altijd een grote zak pinda’s bij zich had. Wij gingen dan naar hem toe en vroegen: “Oom Jules, hoeveel dieven hebt u vandaag gevangen?” Altijd antwoordde hij: “Ga eerst baden en aankleden, dan ga ik je vertellen.” Daarna volgden sterke verhalen over boeven die hij persoonlijk gevangen had. Wij vonden het prachtig, want wij mochten hem heel graag en hin¬ gen aan zijn lippen als hij op zijn praatstoel zat. Achteraf denk ik dat je zou kunnen zeggen dat hij net als zijn vader graag het centrum van het heelal wilde zijn. Hij wilde schitteren en gloriëren. Die trek zie je later ook bij Henck terug.’28 De behoefte om in het middelpunt van de belang¬ stelling te staan en intens van het leven te genieten, verklaart ook de po¬ pulariteit van vader Arron bij vrouwen. Er is met zekerheid één buiten¬ echtelijke relatie van hem bekend waaruit een dochter werd geboren. Zij werd liefdevol door het gezin geaccepteerd. Behalve door de vaderfiguur werd het gezin Arron evenzeer beïnvloed door de moederfiguur, in het bijzonder waar het ging om de opvoeding. Dankzij moeder Arron bestond er een goede verstandhouding tussen het gezin en wat vanaf 1958 het bisdom Paramaribo heette. Tante Joosje, zo¬ als Arrons moeder werd genoemd, was het op één na jongste kind uit een gezin van acht kinderen. Zij verloor op tienjarige leeftijd haar moeder en werd onder de directe hoede van de zusters grootgebracht. Evenals haar vader wist zij wat het betekende om geestelijk en materieel afhankelijk te zijn van de rooms-katholieke kerk. Arron: Mijn moeder heeft zich meer dan ten volle aan ons gezin gegeven. Ze was een typisch Surinaamse huismoeder, voor wie het belangrijkste was haar kinderen te geven wat binnen de grenzen van haar mogelijkheden lag. In haar ijver en toewijding om het gezin in stand te houden, was ze totaal opofferend. Ik kan niet zeggen dat ze streng was, maar je kon haar geen knollen voor citroenen verkopen, ook op latere leeftijd niet. Anders dan vader Arron was moeder Arron actief in politiek geïnte-

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

resseerd. Tante Joosje was een propagandiste van de Progressieve Suri¬ naamse Volkspartij

(psv),

Weidmann. De

afficheerde zich onder leiding van Weidmann als een

psv

in 1946 opgericht door de Nederlandse pater

christelijk-sociale partij en wierp zich op als kampioen van het algemeen kiesrecht in Suriname. De partij vond haar aanhang vooral onder Creolen van rooms-katholieke huize. Volgens zoon John was de voorkeur van zijn moeder voor de

psv

niet zozeer politiek als wel religieus geïnspireerd. Ze

was naar zijn zeggen een vrome vrouw en een trouw kerkgangster, die de partij vooral zag als een verlengstuk van de kerk.29 Eline Wolf deelt deze interpretatie. Ma Joosje stond sympathiek tegenover de

psv,

maar het

ontbrak haar aan de strijdbaarheid en gedrevenheid om de straat op te gaan en mensen over te halen lid te worden van de partij.30 De invloed van de moederfiguur op de jonge Arron liet zich onder an¬ dere aflezen uit de keuze voor scholen met een rooms-katholieke signa¬ tuur. Arron bezocht de fröbelschool van de ‘binnenlandse zusters’ - de zusters van Paramaribo - in de Gravenstraat en ging vervolgens naar de Petrusschool in de Wulfinghstraat. Deze lagere school was een ‘blotevoetenschool’, die voornamelijk door jongens uit minder welgestelde fami¬ lies en jongens uit weeshuizen en internaten werd bezocht. Rooms-ka¬ tholieke jongens uit de meer gegoede milieus gingen doorgaans direct naar de Paulusschool, waar zij na ‘de eerste fröbel’ en ‘de tweede fröbel’ (de kleuterschool) de achtjarige mulo doorliepen. Dat Arron naar de Petrus¬ school ging, had te maken met de bescheiden financiële positie van zijn vader - zeker gelet op de grootte van het gezin - en met de geringe loop¬ afstand tussen school en huis. De Petrusschool was het domein van paters en fraters, maar ook de vrijetijdsbeoefening van de pupillen werd voor een belangrijk deel door de clerus bepaald. Tijdens zijn lagere schooltijd was Arron lid van de Katholieke Verkenners Suriname. Bij wat in de volksmond de verkenne¬ rij werd genoemd, trad hij aan als welp en klom hij op tot patrouilleleider. De verkennerij kwam in jongenspatronaat St. Aloysius bijeen.31 Er was nog een andere activiteit waardoor de band met pastoor bakadyari werd bestendigd. Arron zong in het koor van de Petrus en Paulus-kathedraal onder leiding van meester Alvares. Behalve dirigent/organist in de kathe¬ draal en in de St. Rosa Kerk was meester Alvares leraar Frans op de Pau¬ lusschool.32 Op 25 juni 1944 deed Arron zijn eerste communie. Enige tijd hierna ontving hij het vormsel. Eind jaren veertig trad Arron aan als misdienaar in de kathedraal. In het ongeschilderde binnenste van het houten bouwwerk domineerde de strengheid van zuilenrijen, rondbogen, kruisgewelven en sierhekken. De

29

kleur van het verweerde cederhout schiep bij kunstlicht een geheel eigen sfeer, waardoor de ruimte op een vreemde manier groter, eerbiedwaardi¬ ger en geheimzinniger leek. Herkenningspunten in de kathedraal waren de doopkapel onder de torens, de Mariakapel en Gerarduskapel in het dwarsschip, het altaar met de wit marmeren tafel en de bijbehorende nis¬ sen met houten beelden. In het verlengde van het koor bevond zich de sa¬ cristie, met daarin de kasten voor de altaargewaden. Jarenlang was deze omgeving voor Arron vertrouwd terrein en vormden de ervaringen die hij er op deed een vast bestanddeel van zijn weekprogramma. Hebben de betrokkenheid van de jonge Arron bij de voorbereiding en uitvoering van de gewijde rituelen en zijn ervaringen met de macht van het woord, on¬ bedoeld faculteiten bij hem ontwikkeld of versterkt die hem later in de politiek van pas zouden komen?33 Natuurlijk boden de uren in de kathedraal ook ruimte voor plezier maken. Misdienaars ravotten met elkaar en haalden kwajongensstreken uit. De omgang met verheven zaken kon niet zonder een speels contra¬ punt. Er heerste ook een gevoel van saamhorigheid. Bij de activiteiten in de kathedraal hoorden gedragscodes die onder de jongens een bijzondere kameraadschap kweekten. Dit alles nam niet weg dat het kerkelijk re¬ gime strikt was. Op maandagochtend werd op school gecontroleerd of kinderen op zondagochtend om zeven uur de mis hadden bijgewoond. Er werden kaartjes uitgereikt tijdens de dienst, die de kinderen verplicht waren de volgende dag op school weer in te leveren. De clerus had de wind eronder, maar stond bij de parochianen in hoog aanzien. Evenals veel andere moeders in pastoor bakadyari koesterde moeder Arron de in¬ nige wens dat haar zoon Henck later pater zou worden. Hoewel zij zich wat afzijdig hielden van hun directe omgeving geno¬ ten Arrons ouders een goede naam. Zij stonden bekend als hardwerken¬ de mensen, die zich inspanden om hun acht kinderen zo goed mogelijk naar volwassenheid te begeleiden. Het meegeven van christelijke nor¬ men en waarden speelde daarbij een belangrijke rol, maar minstens zo belangrijk was het creëren en handhaven van een harmonieuze sfeer in het gezin. De ouders hadden hierin een gelukkige hand. Er werd in huize Arron veel gelachen en gezelligheid stond hoog in het vaandel. Traditie¬ getrouw werd er op i januari altijd een op zijn Chinees geroosterd speen¬ varken door vader Arron gekapt en rondgedeeld aan familieleden en vrienden, wat gepaard ging met veel vrolijkheid. Ook naar buiten toe was het gezin Arron sterk familiegericht. Zowel de ouders als hun kinderen onderhielden nauw contact met familieleden van beide kanten. Neefjes en nichtjes speelden met elkaar en gingen bij

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

elkaar logeren. Zo was Henck Axron vaak te vinden in de Weidestraat waar zijn neef Sigi woonde. Omgekeerd verbleef neef Sigi regelmatig in de Julianastraat. De grote vakantie bracht de familie Arron door op Repu¬ bliek, een recreatieoord in het district Para. Daar logeerde het gezin in het huisje van de familie Wolf of huurde een huisje van moeder Ma Ajong. Haar zoon Sonny was een vriend van Henck.34 Ook de familie Leeuwin, die evenals opa Halfhide aan de Grote Combéweg woonde en van wie zoon Roël op de

ams

bij Henck in de klas zat, had op Republiek de be¬

schikking over een vakantiehuisje en stond op goede voet met de Arrons. Een andere tak van de familie Leeuwin zou pas later bij Arron in beeld ko¬ men.35 John Arron: ‘Meestal verbleven we de hele maand oktober op Repu¬ bliek. Grootmoeder Arron vergezelde ons. Met de trein gingen we dan van het Vaillantsplein naar station Ma Ajong. Een ezelwagen bracht eerst alle bagage van ons huis naar het Vaillantsplein. Daarna volgden wij in een taxi. Het was een hele volksverhuizing. Vader bleef meestal korter dan wij, omdat hij niet zo’n lange vakantie had. Vanuit de stad stuurde hij ons voedselpakketten, die we bij station Ma Ajong in ontvangst namen. Ik herinner me dat er vaak Polakbeschuit in zat. Als je er daar twee van at en er water bij dronk, dan vulde dat je maag voor uren. We zwommen de hele dag. Henck trok vooral op met de Ma Ajongs en de Leeuwins.’36 Buiten schooltijd speelde Arron met zijn broertjes en zusjes of met vriendjes uit de Julianastraat, onder wie zijn leeftijdgenoot Eugène Bottse, die op nummer 36A woonde.37 Op straat rondhangen werd door Arrons ouders zoveel mogelijk ontmoedigd. Vriendjes werden bij voorkeur uit¬ genodigd om bij zoon Henck thuis op het erf te komen spelen. Daar de¬ den zij spelletjes als djul (pakkertje), bonsbak (knikkeren) en schuiltje (ver¬ stoppertje), maar er werd ook in bomen geklommen, gevoetbald, gevliegerd en cowboytje gespeeld. Het verbod voor de kinderen om zich in hun vrije tijd buiten de grenzen van het eigen erf te begeven, had, be¬ halve met standsbesef, ook te maken met de voorbeeldfunctie die vader Arron als politieman op zich voelde rusten. Pas in de tweede klas van de mulo werd het ouderlijk regime iets vrijer. Onder het mom van studeren bij vriendjes kon er dan wel op straat worden gevoetbald of kattenkwaad worden uitgehaald. Waren Henck of John hun boekje te zeer te buiten ge¬ gaan en dreigde er straf, dan wilden zij nog wel eens tijdelijk hun toe¬ vlucht zoeken bij grootmoeder Arron, verderop in de Julianastraat. John Arron: ‘Na mijn vader was Henck “de commandeur” thuis. Laat me een voorbeeld geven. Op zondag werden bij ons alle planken van onder het huis gehaald, schoongemaakt en netjes weer teruggezet. Mijn vader

gebruikte dat hout onder andere om meubels van te maken. Dat meubelmakerstalent hebben Henck en Robby van hem geërfd. Het schoonma¬ ken was een werkje waaraan iedereen geacht werd mee te doen. Dat ging niet van harte, want het was een vieze bedoening door de insecten die on¬ der het huis zaten, vooral in de regentijd. En ook door de bladeren die we er hadden weggemoffeld als we het erf hadden schoongeharkt. Iedereen deed mee, behalve Henck. Die gaf opdrachten, maar deed zelf niets. Hij verschool zich achter zijn schoolwerk om zich aan zijn verplichtingen te kunnen onttrekken. Mij noemde hij mi p’kin brada, mijn kleine broertje, terwijl wij maar twee jaar verschillen. Hij was al jong een haantje de voor¬ ste, die zich overal gemakkelijk uitkletste.’38 Arron zelf bewaarde goede herinneringen aan de buurt waarin hij op¬ groeide: De Julianastraat was in mijn jeugd één grote mengpot. Creolen, Hindostanen, Chinezen en Javanen leefden er naast elkaar en met elkaar. Be¬ halve etnisch was de buurt ook sociaal gemengd. Alle klassen waren er wel ver¬ tegenwoordigd. Dit heeft voor mij ongelooflijke voordelen gehad op latere leef¬ tijd. Want spelenderwijs leerde ik toen al de zeden en gewoonten van al deze mensen kennen en de betekenis van hun rituelen bij geboorte, huwelijk en overlijden. Vergeet niet: je nam deel aan de hoogtijdagen van de verschillende bevolkingsgroepen. Phagwa bijvoorbeeld werd in die tijd anders gevierd dan tegenwoordig. Toen kon je niet een poeder gaan kopen of een watertje om el¬ kaar te bestrooien. Nee, die dingen werden door de mensen thuis gemaakt. Het gevolg was datje een paar dagen in het rood of paars rondliep. De kleur¬ stof ging niet uitje kleren! Doordat de mensen eikaars vreugde, maar ook ei¬ kaars verdriet deelden, waren de onderlinge banden hecht. Ik durf zelfs te spreken van familiebanden. De directe buren duidde je aan als oom en tante. Je kwam bij hen over de vloer, babbelde over vertrouwde dingen en at een bordje eten mee. Dat was vanzelfsprekend. Nu zijn de verhoudingen heel an¬ ders. De maatschappij is veel zakelijker geworden.39 Hoewel hij in een mul¬ ticulturele omgeving opgroeide en die onderdompeling intens beleefde en waardeerde, vond hij zijn vrienden vooral onder Creolen en Chinezen. Op latere leeftijd zou hij zich in toenemende mate met zijn Chinese wor¬ tels identificeren. Die vereenzelviging beperkte zich niet tot zijn voor¬ liefde voor de Chinese keuken, maar uitte zich ook in een belangstelling voor Chinese geschiedenis en cultuur. Deze interesses weerspiegelden zich in de toespraak die hij zou houden ter gelegenheid van de onafhan¬ kelijkheid van Suriname en werden versterkt tijdens een bezoek dat hij in 1992 aan China zou brengen.40 Tussen 1948 en 1952 bezocht Arron de Paulusschool. Hij volgde er de alfarichting. Een werkelijke keuze was dit niet. De exacte vakken lagen

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

hem niet waardoor de bètarichting automatisch als mogelijkheid afviel. De klassen in de alfarichting waren klein. Ze telden zo’n twaalf tot vijf¬ tien leerlingen. Dit kwam doordat de meeste kinderen de bètarichting deden. De exacte vakken hadden status, voor de alfavakken bestond wei¬ nig belangstelling. Volgde je de alfarichting, dan werd je onderwijzer of - als je geluk had - advocaat. Kinderen die ingenieur, landmeter of arts wilden worden, beroepen die in aanzien stonden, deden de bètarichting. Hoewel leerlingen van de alfarichting de naam hadden minder intelli¬ gent te zijn en door medeleerlingen met een bèta-achtergrond niet altijd voor vol werden aangezien, kregen ze relatief veel aandacht van de docen¬ ten, juist omdat de klassen waarin ze zaten een geringer aantal leerlingen telden. Op de Paulusschool was in Arrons tijd het stempel van de fraters van Tilburg overheersend. Evenals op de Petrusschool zat Arron alle jaren die hij op de Paulusschool doorbracht in een jongensklas, want aan het ge¬ scheiden onderwijs voor jongens en meisjes werd strikt de hand gehou¬ den. Hierin verschilden de rooms-katholieke scholen van concurrerende scholen. Arron herinnerde zich het onderwijs op de Paulusschool als po¬ sitief: Als ik terugdenk aan de leskwaliteiten van mijn docenten kan ik niet zeggen dat er één docent was die er voor mij uitsprong. Pedagogisch gezien wa¬ ren ze equal. Vanuit het oogpunt van gezelligheid was er wel één leraar die er bovenuit stak, die van het vertellen van sterke verhalen een deel van zijn leven had gemaakt. Dat was meester Lobo. Hij woonde ook in de Julianastraat. Dat was echt een figuur apart (lacht). De anderen waren wat ze geacht werden te zijn: streng maar rechtvaardig. Ik ging met plezier naar school. Het leren ging me betrekkelijk gemakkelijk af en er was voldoende tijd voor leuke dingen. Frits Lobo staat ook John Leefmans, drie jaar ouder dan Arron en eveneens een oud-leerling van de Paulusschool, nog helder voor de geest: ‘Lobo gaf Engels en was inderdaad een schilderachtige figuur. Hoewel hij lichtgekleurd was en enige tijd in Nederland woonde, was hij in alles een echte Surinamer. Zijn vrouw dreef een band- en garenzaakje in de Julianastraat. Lobo was een heel geestige man, vertelde idiote moppen en grap¬ pen, en hield van woordspelingen. Daarnaast was hij pedagogisch uitste¬ kend. Hij wist de aandacht vast te houden en probeerde echt het beste uit leerlingen te halen.’41 Een klasgenoot van Leefmans op de Paulusschool, Ronny Rens: ‘Frits Lobo was een redi bonkoro, die opviel omdat hij iets ar¬ tistieks over zich had. Hij bewoonde met zijn vrouw de bovenverdieping van een huis, voorop in de Julianastraat. Als hij zin had, dan organiseerde hij daar op zaterdagavond feestjes. Lobo was een beetje een rare vent. Hij beschikte over een grote fantasie en kon geweldig overdrijven. Ik geloof

33

niet dat hij zich als pedagoog zo onderscheidde. Hij was vooral een bui¬ tenbeentje.’42 Samen met zijn latere politieke kompaan Ronald Venetiaan43 speelde Arron op de Paulusschool in het toneelstuk ‘Hoe raak ik mijn geld kwijt?’, onder regie van frater Vincentius. Arron lachend: Ik kon toen natuurlijk niet vermoeden dat ik later in het financiële circuit terecht zou komen en er daarjuist voor moest zorgen mijn geld niet kwijt te raken. Het stuk werd op¬ gevoerd in het gebouw van jongenspatronaat St. Aloysius. Arron speelde de hoofdfiguur die met een grote erfenis is bedacht en Venetiaan de rol van makelaar. De laatste gaat er vanuit dat hij het geld van de erfgenaam moet beleggen, totdat hij erachter komt dat hij deze juist moet helpen het geld zo snel mogelijk uit te geven, waarna zijn cliënt de erfenis kan incas¬ seren.44

ALGEMENE MIDDELBARE SCHOOL

Na het voltooien van de Paulusschool werd Arron ingeschreven als leer¬ ling van de Algemene Middelbare School

(ams).45

Hij behoorde tot de

eerste lichting studenten die er in 1952 de alfarichting gingen volgen. Aan de toelating tot de

ams,

die gehuisvest was in de nieuwe wijk Zorg en

Hoop, ging een examen vooraf. Alleen de beste leerlingen van de Suri¬ naamse muloscholen slaagden hiervoor,

ams-leerlingen

werden opge¬

leid in het besef dat zij de toekomstige elite waren die het land vooruit ging helpen. Zij vormden een intellectuele voorhoede die zich enigszins verheven voelde boven leeftijdgenoten die aan andere schooltypen on¬ derwijs volgden of die al op jonge leeftijd waren gaan werken. De meeste ams-leerlingen

waren leergierig, probeerden het beste uit zichzelf te ha¬

len en bereidden zich voor op een vervolgstudie in Nederland. In de jaren vijftig waren de docenten op de

ams

nog overwegend

Nederlanders, deels uit het voormalige Nederlands-Indië afkomstig. Arron herinnerde zich met name Ferrari: Hij was mijn aardrijkskundeleraar. Tijdens een van zijn lessen moest ik op een blinde kaart die voor de klas hing, reizen van Limburg naar Groningen. En ik moest precies de hoofdplaatsen aanwijzen op het traject dat ik aflegde. Het lukte me niet. Een andere keer moest ik op die kaart aanwijzen waar de Regge liep. Ik kon die met geen moge¬ lijkheid vinden. Later in Nederland vroeg ik vrienden om me naar de Regge te brengen. Ik zei: laat me die rivier zien. Ze wisten niet waar deze lag. Ze had¬ den er nog nooit van gehoord! We hebben de kaart erbij gepakt en zijn vervol¬ gens op pad gegaan. Wat bleek? De Regge, dat was een beekje. De Sommelsdijckkreek is breder geweest! Maar Ferrari gaf me een onvoldoende. Het voorval typeert het onderwijssysteem van die dagen. Ook waar

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

het ging om de leerstof die werd aangeboden, verschilde de

ams

nauwe¬

lijks van de Nederlandse hbs, waarnaar de school was gemodelleerd. Kennis van de topografie van Nederland veronderstelde onder meer dat leerlingen bekend raakten met het Nederlandse stelsel van waterwegen. Hiertoe behoorde ook de Regge, een rivier in Twente, die inderdaad veel weg had van een brede, op sommige plaatsen drooggevallen, sloot. Men kan zich nu verwonderen over de ernst waarmee gedetailleerde geografi¬ sche kennis van Nederland aan Surinaamse scholieren werd onderwezen. In de begindagen van de autonomieperiode gingen er echter nog geen stemmen op om het onderwijscurriculum te surinamiseren. Het aanpas¬ sen van het onderwijs aan de eigen Surinaamse behoeften en omstandig¬ heden zou pas vanaf het begin van de jaren zestig ter hand worden geno¬ men. Frans Ferrari, een ondernemende leraar die in de jaren zestig directeur van de

ams zou

worden, had minder affiniteit met dit proces.

Na de onderwijsstakingen van 1969 zou de gezagsgetrouwe en licht ont¬ vlambare docent (lijfspreuk: ‘De Bijbel en Rennies (maagtabletjes), daar leef ik op.’) het veld ruimen voor een nieuwe directeur, Ronald Venetiaan, en als gepensioneerd onderwijsman terugkeren naar Nederland. Directeur van de ams in de jaren vijftig was G.K. Lub. Volgens Arron was hij een goede directeur, maar streng in zijn optreden: Hij heeft me voor een aantal lessen geschorst. Waarom? Praten over de onafhankelijkheid van Suriname was op de middelbare school taboe. We trokken ons er niets van aan en zijn toen gepakt. Voor straf mochten we vier of vijf keer de les niet bij¬ wonen. Boekhouden en handelsrekenen, nota bene twee hoofdvakken, hebben we toen gemist. De docent in deze vakken, de heer Gout, een ex-KNiL-offcier, leerde ons een wijze les. Als je later in een bedrijf controlewerk wilt gaan doen, eet en drink dan niets dat je tijdens je controlewerkzaamheden krijgt aange¬ boden. Dit soort dingen blijft je bij. Zoiets wordt niet zomaar gezegd door zo’n oude heer. Waren politieke uitlatingen inderdaad de reden waarom Arron op de ams

van deelname aan een aantal lessen werd uitgesloten? Cynthia Mc-

Leod, onder haar meisjesnaam Ferrier klasgenoot van Arron op de

ams

en heden ten dage een gevierd schrijfster van historische romans: Tk kan me niet herinneren dat Arron door de heer Lub geschorst is, omdat hij over de onafhankelijkheid had gesproken. Ik kan het me ook nauwelijks voorstellen. Maar Arron provoceerde wel eens, dus het kan zijn dat die schorsing eigenlijk voor iets anders was bedoeld, maar dat hij daarbij nog een opmerking over de onafhankelijkheid heeft gemaakt op een manier die Lub niet aanstond. Had een leerling in die tijd iets over de onafhanke¬ lijkheid van Suriname gezegd, dan zou Lub eerder belangstellend hebben

35

geluisterd. Praten daarover was niet taboe, er werd gewoon niet over ge¬ sproken. Bedenk dat we toen nog maar net aan het Statuut toe waren, dat was in die dagen al heel wat.’46 Ook andere oud-leerlingen achtten het niet waarschijnlijk dat de directeur van de ams zich zou hebben gestoord aan discussies over onafhankelijkheid.47 Mogelijk had de schoolleiding geen moeite met het gespreksonder¬ werp, maar wel met de vrijmoedige wijze waarop leerlingen, onder wie Arron, het debat hierover aangingen. Een directe en onverschrokken wij¬ ze van communiceren - of het nu ging om de ondergeschikte positie van Suriname in het Koninkrijk of om de rechten en vrijheden van leerlingen viel niet op voorhand in goede aarde bij de directie. Deze was niet onge¬ negen de jongeren een bepaalde speelruimte te gunnen en wilde daarnaast een zekere stoerheid als behorende bij hun adolescentie wel accepteren, maar stelde tegelijk duidelijke grenzen waar het ging om het handhaven van gezagsverhoudingen en fatsoensnormen. Arron behoorde tot de leer¬ lingen die deze grenzen graag opzochten, evenals Robin Raveles, een jaar¬ genoot op de

ams,

die de bètarichting deed en later een bekend nationa¬

list zou worden.48 Met genegenheid zou Arron later terugdenken aan zijn scheikundelerares, mevrouw De Quant, van wie hij alleen in het eerste jaar les kreeg, maar met wie hij een persoonlijke band opbouwde: Ik mocht haar graag en zij mij ook. We groetten elkaar altijd en maakten dan een praatje met elkaar. Andere leraren liepen je gewoon voorbij, maar zij nam altijd de moeite even met me te babbelen. Ze was een Nederlands-Indische vrouw, die later naar Holland is gegaan en op het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister is gaan werken. Dat heeft ze jarenlang gedaan. Ze behartigde daar de belangen van de Surinaamse studenten. Andere ex-leerlingen van deze docente bevestigen dat mevrouw De Quant bijzonder geliefd was. Ze deed veel voor de school, onderhield goede contacten met het bestuur van de vams en gaf extra be¬ geleiding aan leerlingen die moeilijk mee konden komen. Tegen leerlin¬ gen die iets stoms zeiden, riep ze op luide toon door het klaslokaal: ‘Maar lieveling toch!’ Bijgevolg was iedereen als de dood om door haar met ‘lie¬ veling’ te worden aangesproken. Mevrouw De Quant had in Delft gestu¬ deerd en was daarna gepromoveerd. Een lerares bij wie Arron drie jaar in de klas zat, was mevrouw O’Herne-Joaquim. Ook zij was oorspronkelijk uit Nederlands-Indië af¬ komstig. Ze gaf Nederlands. Het was een publiek geheim dat veel jongens, maar ook mannelijke collega’s, verliefd op haar waren. Door hen werd de aantrekkelijke lerares liefkozend Joosje (een verbastering van haar ach¬ ternaam) genoemd. Arron kon goed met mevrouw O’Herne overweg,

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

maar ook omgekeerd ervoer de lerares de verstandhouding met de aima¬ bele en opgewekte leerling als prettig. Het effect van haar lessen was ech¬ ter beperkt. Het lukte haar niet Arron veel liefde voor de letteren bij te brengen.49 Bij mevrouw O’Herne kwamen leerlingen af en toe thuis om toneel¬ stukjes in te studeren en op te voeren. Dergelijke activiteiten waren aan Arron welbesteed. Bij de vakken Nederlands en Engels werden leerlin¬ gen daarnaast getraind in declameren. Arron oogstte bewondering met het voordragen van de rede van Marcus Antonius uit William Shakespeares Julius Caesar. Engels werd in die jaren gedoceerd door een van de weinige Surinaamse docenten die bevoegd waren om op de ams les te ge¬ ven: L.L.E. Rens. Hij was in 1953 aan de Universiteit van Amsterdam cum laude gepromoveerd op een dissertatie over de historische en sociale ach¬ tergronden van het Sranantongo (Surinaamse taal).50 Als joviaal karakteriseerde Arron zijn gymnastiekleraar Stemerdink. Onder zijn leiding werd er op de

ams

veel aan teamsport gedaan, zoals

slagbal, basketbal, volleybal, badminton en voetbal. Voor zijn docente Spaanse taal en literatuur, ook van Surinaamse afkomst, bedacht Arron de bijnaam piscadoria, een speelse vertaling van haar achternaam, die Visser luidde. Mevrouw Visser-Zeiler, zoals zij voluit bekendstond, werd in de regel echter gato genoemd. Die aanduiding verwees naar haar makeup die haar volgens leerlingen de trekken van een kat gaf.51 Een van Arrons meest illustere docenten was Jaap Meijer. Deze in Nederland ge¬ promoveerde historicus van joodse afkomst woonde tussen 1953 en 1956 met zijn gezin in Suriname, gaf geschiedenis op de

ams

en verwierf bij

het lokale establishment bekendheid met een veelheid aan activiteiten op cultureel, wetenschappelijk en religieus gebied. Meijer nodigde inci¬ denteel leerlingen bij zich thuis uit en stond hun toe titels uit zijn biblio¬ theek te bekijken. Boeken over Surinaamse geschiedenis die leerlingen op zijn verzoek aan hem uitleenden, werden niet altijd door hem terug¬ bezorgd.52 Er was op de ams een toneelgroep die zich inzette voor het organise¬ ren van bonte avonden en het verzorgen van toneelopvoeringen. C.N. Dubelaar, ook als leraar Nederlands aan de school verbonden, stond de groep bij als regisseur. Arron en Venetiaan waren lid van de toneelgroep, evenals Cynthia McLeod. Alle drie speelden op zeker moment onder re¬ gie van Dubelaar in hetzelfde stuk, maar geen van de betrokkenen wist zich desgevraagd nog de titel of de plot van het werk te herinneren. Arron hield het voor mogelijk dat het stuk Zo liep het af heette, maar wist dit niet zeker. Venetiaan stond alleen nog bij dat Arron de rol van lover man speel-

37

de en hijzelf de rol van sjouwer.53 Op een bewaard gebleven foto van de toneelgroep, genomen vlak vóór of net na de voorstelling, staan twaalf leden afgebeeld, vergezeld van Dubelaar. Arron constateerde: Vene en ik hebben dus twee keer samen op het toneel gestaan, voordat we allebei op het politieke toneel terecht zouden komen. Zowel op de Paulusschool als op de ams

waren we jaargenoten, want ik ben maar een paar maanden ouder dan

hij. Maar we zaten niet bij elkaar in de klas. Vene deed namelijk de bètarichting. Af en toe hadden we contact met elkaar. Hij hielp me dan met m’n alge¬ bra. Ik was daar erg zwak in. Maar het was voor studenten van de alfarichting verplichte stof, anders kon je geen handelsrekenen volgen. Ik heb veel aan Vene’s uitleg gehad. Bij Venetiaan was de herinnering aan deze bijlessen vervaagd.54 Een andere klasgenoot, zowel op de Paulusschool als op de

ams,

was

Michaël Slory. Deze introverte leerling, wiens familie eveneens afkom¬ stig was uit Coronie, zou het uiteindelijk niet tot een hoge maatschappe¬ lijke positie brengen, maar wel een reputatie opbouwen als dichter en uitgroeien tot een moeilijk meer weg te denken figuur in het straatbeeld van Paramaribo, verzen voordragend op middelbare scholen en bundels uitventend aan voorbijgangers. Arron had persoonlijk weinig met de dichter gemeen. Diplomatiek: Laat ik het zo zeggen: er traden toen al symp¬ tomen van de huidige Slory naar voren, zeker op het stuk van het dichten. Dat bleef toen overigens vooral binnenskamers. Slory, die af en toe thuiskwam bij de familie Arron en dan graag een hapje mee at, zou in 1958 bij aan¬ komst in Nederland van de boot worden gehaald door Arron. De laatste, op dat moment al twee jaar in Nederland woonachtig, escorteerde Slory naar de kamer in Amsterdam-Oost die hij voor hem had weten te organi¬ seren. Naderhand zou Slory zijn AMS-tijd vereeuwigen in een lofdicht op mevrouw O’Herne.55 De AMS-tijd van Arron was een gelukkige. De klassen waren klein, de verhoudingen overzichtelijk en de sfeer gemoedelijk. Had hij op de Petrus- en Paulusschool alleen met jongens in de klas gezeten, op de ams volgde hij de lessen in gemengde klassen. Vooral jongens die de alfarich¬ ting deden, wisten zich verzekerd van het gezelschap van vele vrouwelij¬ ke medeleerlingen. Arron leefde zich uit, ook in zijn rol als voorzitter van de Vereniging van Algemene Middelbare Scholieren, de vams. Deze was verantwoordelijk voor de ontgroeningsrituelen waaraan eerstejaarsleer¬ lingen onderworpen werden en organiseerde een paar keer per jaar een feest. Venetiaan, in deze periode zelf penningmeester van de

vams:

‘De

vereniging organiseerde ook culturele evenementen en disputen, die de¬ batclubs werden genoemd. Heel berucht waren de algemene ledenverga-

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

deringen. Daarin roerden oppositiegroepen zich vaak duchtig tegen het zittende bestuur. In die vergaderingen demonstreerde Arron over de gave van het woord te beschikken. Hij deed dat groots en met veel flair. Eigen¬ lijk deed hij hier zijn eerste voor de politiek relevante ervaring op. Later, toen ik zelf directeur van de ams was geworden, bleek mij uit het archief dat de schoolleiding deze bijeenkomsten niet zo’n succes had gevonden. Ze zouden te veel onrust hebben gecreëerd.’56 Hans Lim A Po, die evenals Venetiaan de bètarichting volgde maar een klas lager zat, bewaart eveneens herinneringen aan Arron als voorzit¬ ter van de vams : ‘Ik was toen ondervoorzitter van de vereniging en raakte op een gegeven moment met hem in conflict. Arron ontpopte zich in die zaak als een charismatisch leider, die krachten wist te mobiliseren en stemming wist te maken, in dit geval dus tegen mij. Hij liet toen al merken over een goede politieke feeling te beschikken.’57 Volgens Boicy Teunis, eveneens leerling van de

ams

in deze periode, kopieerde de

vams

de

werkwijze van het parlement: ‘Je zag dezelfde onrust en dezelfde verhitte emoties. Er werden moties van wantrouwen ingediend, mensen gingen zich aan kretologie te buiten en er was een totaal gebrek aan program¬ ma’s. De besturen wisselden hierdoor vaak van samenstelling. Het enige gestructureerde bij de vams waren eigenlijk de feesten. Maar ja, we had¬ den de mondigheid ontdekt en die nam niemand ons meer af.’58 De reserves van de schoolleiding met betrekking tot de

vams

had¬

den, behalve met de handhaving van de orde en discipline, juist met de politieke aspecten van het optreden van de vereniging te maken. Hele¬ maal onbegrijpelijk was dit niet. Van de nationalisten van Wie Eegie Sanie (wes),

een culturele vereniging met een sterk antikoloniaal profiel, werd

in die dagen aangenomen dat zij hun aanhangers vooral onder scholieren en studenten rekruteerden. Hun voorman Eddy Bruma was na zijn terug¬ keer in Suriname in 1955 door het establishment als een communist be¬ stempeld en in de ban gedaan. Zijn activiteiten stonden sindsdien in een kwade reuk. De schoolleiding, die voornamelijk uit Nederlanders bestond, wilde niet dat de

ams

een voedingsbodem voor de verwezenlijking van

Bruma’s idealen zou worden en deed wat in haar vermogen lag om het na¬ tionalisme buiten haar poorten te houden.59 Trok vader Arron aandacht met zijn Harley-Davidson, zoon Henck maakte goede sier met een (tweedehands door zijn vader van Richard Wolf gekochte) bromfiets. Evenals zijn boezemvriend George Brahim was Arron een van de weinige leerlingen op de am s die in het bezit waren van een dergelijk transportmiddel. Arron en Brahim golden als de gangma¬ kers van de klas. Met hun aanstekelijke enthousiasme en jeugdige over-

39

moed bepaalden zij voor een belangrijk deel de sfeer tijdens en buiten de lessen. Eugène Bottse, die, zoals gezegd, Arron uit de Julianastraat kende en met hem zowel de Paulusschool als de ams doorliep: ‘Het was een on¬ bezorgde tijd van dansen, zingen en fuiven. Arron was een echt feestbeest. Plezier maken met vriendinnetjes stond bij hem hoog aangeschreven. En hij lag goed bij de vrouwen, zo goed dat het nog wel eens voorkwam dat hij afspraken met verschillende meisjes tegelijk maakte. Meer dan eens heb ik hem uit hachelijke situaties moeten redden.’60 Buiten schooltijd voetbalde Arron in een vriendenclub die Fielos Amigos heette. Eens in de zoveel tijd speelde de club ééndagscompetities op Lelydorp. Arron, geen groot sportief talent, stond tijdens die wedstrij¬ den in het doel. Fielos Amigos was een club van rooms-katholieke jon¬ gens. Voetbalenthousiastelingen van EBG-huize waren bij Jolly Kids aan¬ gesloten. Van een strikt onderscheid was overigens geen sprake. Morris Tuur, een vriend van Arron met wie hij op zondag voetbalwedstrijden in het Suriname-stadion61 bezocht, was

ebg’er,

maar voetbalde bij Fielos

Amigos. Het omgekeerde kwam ook voor. Regelmatig voetbalden Jolly Kids en Fielos Amigos tegen elkaar om kistjes bier. Ook organiseerden de clubs samen feestjes waar gedanst werd op Zuid-Amerikaanse muziek en vóór vertrek op soepgroente werd gekauwd om bij thuiskomst te kunnen verhullen dat er alcohol was ge¬ consumeerd. Overigens rangschikten de feestgangers naar goed gebruik het dansen, drinken en flirten eveneens onder de noemer sport.62 Fielos Amigos kwam bijeen in een zolder boven een garage aan de Jodenbree¬ straat. Deze ruimte was de vriendenclub ter beschikking gesteld door de moeder van een andere vriend van Arron, Sonny Ma Ajong, die de jon¬ gens wat verloren op straat had zien rondhangen. Het pand behoorde toe aan de bekende firma Ma Ajong, groot- en detailhandel in levensmidde¬ len en dranken. Hoewel Arron op de

ams

en met Fielos Amigos duidelijk aan de vrij¬

heid geroken had, bleef de band met pastoor bakadyari bewaard door zijn lidmaatschap van de Brutusclub. Deze club was het geesteskind van fra¬ ter Guibert Smits, leraar Engels op de Paulusschool, die met zijn klassika¬ le behandeling van Julius Caesar van William Shakespeare op zijn leerlin¬ gen indruk had gemaakt en de bijnaam Brutus had gekregen.63 De club, die in 1948 was opgericht, werd bezocht door oud-leerlingen van de rooms¬ katholieke mulo- en uloscholen in Paramaribo. Bijeenkomsten van de Brutusclub vonden, afhankelijk van het type activiteit, plaats in een lokaal van de Paulusschool of in het jongenspatronaat St. Aloysius. De patrona¬ ten waren in het begin van de twintigste eeuw door de missie in het leven

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

geroepen om jongens en meisjes buiten schooltijd ‘godsdienstig en maat¬ schappelijk verder te ontwikkelen, hun een krachtigen steun te geven in de gevaarvolste jaren en dat door nuttig en aangenaam bezig te houden’.64 Evenals de meeste andere leden van de Brutusclub boeiden Arron vooral de sociale activiteiten en de mogelijkheden tot ontspanning die de club bood. In het bijzonder de toneelopvoeringen en ontmoetingsavonden waren bij hem in trek. Ook ging hij er regelmatig tafeltennissen. Een enkele keer het hij zich verleiden tot een partijtje basketbal of voetbal. Dansen in de Brutusclub was niet mogelijk. Arron: Dat zou betekenen dat je zou moeten dansen onder de rokken van de paters en fraters. Als ik wilde dansen, ging ik naar Fielos Amigos. De lezingen en debatten die de Brutus¬ club organiseerde, trokken over het algemeen minder belangstellenden. Ook Arron bezocht deze activiteiten alleen bij uitzondering. Tijdgenoten karakteriseren Arron als een vlotte, geestige en goed ge¬ luimde jongen, die graag het initiatief nam en nooit om een woord verle¬ gen zat. Zijn voorkomen had iets slungelachtigs, maar zijn optreden ken¬ merkte zich, ook vanwege zijn luide stem en zijn voorkeur om met docenten in discussie te gaan, door zelfverzekerdheid, flair en een zekere geldingsdrang. Neef Sigi Wolf: ‘Die manifesteerden zich al toen we bij de verkennerij waren. Henck wist het altijd beter. Hij stond overal met zijn mondje vooraan en drong zich als vanzelfsprekend op de voorgrond. Als Henck iets vond, dan had hij gelijk, ook als hij het niet had en zelfs als ie¬ dereen een heel andere mening was toegedaan. Daarin kon hij heel kop¬ pig zijn.’65 Rita Fuchs, geboren Leeuwin: ‘Mijn broer Roël zat op de

ams

bij

Henck in de klas. Ik zat één klas hoger. Roël en Henck trokken veel met elkaar op en lagen goed in de vriendenkring die zich om hen heen had ge¬ vormd. Het waren leuke jongens. Henck deed het ook uitstekend als voorzitter van de

vams.

Die leidersrol nam hij graag op zich. Met zijn

vlotte babbel had hij veel succes. Ook de leraren mochten hem graag. De ams

was een fantastische school. Er was veel toegestaan, maar er was ook

veel moreel besef.’66 Ook bij Cynthia McLeod is het beeld blijven hangen van een vrolijke Frans: ‘Arron was populair, een graag geziene gast op feestjes en ook echt een aardige jongen. Ik kan me niet herinneren dat hij ooit bewust onaar¬ dig tegen een leraar of medeleerling is geweest. Het staat mij bij dat we op een gegeven moment in de eerste weken van onze vakantie stage moes¬ ten lopen bij een bedrijf. Toen ons dat werd meegedeeld, maakte Arron bezwaar. Hij liet weten dat hij niet van plan was om in zijn vakantie te werken en zeker niet ergens in een ver oord buiten de stad. Directeur Lub

41

zond hem toen met opzet naar plantage Waterland. Die lag dermate ver van de stad dat hij er tijdens zijn stage moest overnachten. Maar Arron was iemand die de grap wel kon waarderen en die aan zijn verblijf op Waterland een positieve wending wist te geven.’67 Jeugdvriend Eugène Bottse: ‘Henck bezat de gave van het woord. Hij kon een Eskimo op de Noordpool nog een ijskast verkopen. Ook had hij een perfect gevoel voor timing. Hij was op het juiste moment daar en voelde uitstekend aan wanneer hij anderen de baas kon zijn. Een sterk punt was verder dat hij lef had en er niet voor terugdeinsde zijn verant¬ woordelijkheid te nemen. Een trekje dat daarbij hoorde, was dat hij wel eens een loopje met de waarheid nam. Uit een behoefte aan zelfbescher¬ ming, maar ook omdat hij ervan hield verhalen te vertellen en een smeuig verteld verhaal waarin een beroep op de verbeelding wordt gedaan nu eenmaal meer waardering oogst dan een saaie tori waarin braaf de werke¬ lijkheid wordt naverteld.’68 De leerprestaties van Arron op de

ams

waren niet slecht, maar hiel¬

den ook niet over. Hij was geen hoogvlieger en had ook niet de ambitie die te worden. De reglementaire drie jaar die de opleiding duurde, wer¬ den door Arron in vier jaar afgelegd. Hij zakte één keer voor het eindexa¬ men.69 Ronald Venetiaan, die als een briljante leerling te boek stond, en Robin Raveles verlieten hierdoor één jaar eerder de school dan Arron. George Brahim: ‘Henck kon vooral goed uit het hoofd leren. Zijn beste vakken waren geschiedenis, aardrijkskunde en economie.’70 Toen Arron als twintigjarige met het AMS-diploma zijn middelbareschooltijd afsloot, had hij de best denkbare opleiding achter de rug die men zich in die da¬ gen wensen kon. Toch was zijn vreugde hierover van korte duur. Het ont¬ brak hem aan een helder toekomstbeeld: Ik wist niet wat ik na de

ams

moest gaan doen. Ik had geen voorliefde voor welke richting dan ook. Maar ik had geluk. De directeur van de Vervuurtsbank, nu de Hakrinbank, de heer Woutman, had de directeur van de ams, de heer Lub, gevraagd om na te gaan welke van zijn leerlingen hij zou willen voordragen voor een bancaire oplei¬ ding in Nederland. Lub heeft mij toen voorgedragen. Het idee sprak mij on¬ middellijk aan. Boekhouden en economie hadden me op school wel gelegen en in die zin lag het aanbod in het verlengde van mijn belangstelling, al was die nog niet erg ontwikkeld of gericht. Ook mijn ouders waren enthousiast. Zij vonden dat ik deze kans niet voorbij mocht laten gaan. Wat de beslissing van Lub positief had beïnvloed, was dat Arron, evenals George Brahim, eerder stage had gelopen bij de Vervuurtsbank. Leerlingen van de ams volgden tijdens hun opleiding twee keer een stage: een keer tijdens de overgang van het eerste naar het tweede schooljaar en

42

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

een keer tijdens de overgang van het tweede naar het derde jaar. Deze sta¬ ges werden door de school geregeld. In de praktijk bepaalde de directeur waar de leerlingen tewerk werden gesteld en welke vergoeding zij hier¬ voor ontvingen. De filosofie achter de stages was dat

ams-leerlingen

tij¬

dig op hun plaats in de maatschappij dienden te worden voorbereid. Na plantage Waterland was Arron de Vervuurtsbank als stageplaats toegewe¬ zen. Daar liet hij een goede indruk achter. De strenge Lub, die behalve om zijn leiderscapaciteiten en integriteit erom bekendstond op zonda¬ gen, gehuld in een wit pak, meerdere malen ter kerke te gaan, bewees hiermee een goed oog te hebben voor de kwaliteiten van zijn leerlingen en begaan te zijn met hun toekomst. De Vervuurtsbank stelde zich garant voor de kosten van de overtocht, het verblijf in Nederland en een opleiding bij de Amsterdamsche Bank, destijds na de Hollandse Bank Unie

(hbu)

de grootste bank van Neder¬

land. De financiële draagkracht van vader Arron was niet van dien aard dat hij deze kosten voor eigen rekening had kunnen nemen. De rooms¬ katholieke kerk zocht het gezin uit waar Arron bij in de kost zou komen. De ouders van Arron gingen ervan uit dat in een kinderrijk gezin en in een vertrouwde rooms-katholieke omgeving hun zoon zich snel op zijn gemak zou voelen en over een veilige basis zou beschikken. Bij de zoon lokte vooral het avontuur. De vrijheid waarmee hij als middelbare scho¬ lier kennis had gemaakt, verwachtte hij in Nederland met volle teugen te zullen genieten. In dat opzicht zou hij in het land van de overheerser niet teleurgesteld worden.

IN NEDERLAND

Dankzij de grondige voorbereiding vanuit Suriname verliep de entree van Arron in Nederland soepel: In Nederland woonden geen mensen die ik kende, uitgezonderd een tante van mij, een zuster van mijn moeder die er al jaren verbleef, en mijn neefSigi. Maar vergeet niet: Surinamers maken snel familie. De reis ging per boot, met een stuk of zestig, zeventig studenten. Dat gaf volop gelegenheid om contacten te leggen. Die studenten op hun beurt hadden ook zo hun relaties in Nederland. Dus je was snel opgenomen in een kring van mensen en gaandeweg breidde dat netwerk zich uit. Ik had boven¬ dien het geluk dat de oudste zoon van mijn hospita, Gerard Middelkoop, van mijn leeftijd was. Die zoon heeft mij in contact gebracht met verwanten van hem, maar ook met de Nederlandse gemeenschap in bredere zin. Ik heb wei¬ nig pilsjes zelf hoeven te betalen als ik in het weekend uitging (lacht). En eer¬ lijk is eerlijk: ik heb nooit met discriminatie te maken gehad. Nooit, nooit. Het zou de grootste leugen van mij zijn als ik het tegendeel zou beweren. Nergens

43

waar ik toen ging, heb ik iets van discriminatie gemerkt. Maar bedenk wel dat de verhoudingen in Nederland toen volstrekt anders lagen. Dit laatste is juist. Nederlanders waren in die jaren nog nauwelijks bekend met ‘rijksgenoten van overzee’. De Surinaamse gemeenschap in Nederland was klein en bestond vooral uit arbeiders die al dan niet tijde¬ lijk in Nederland verbleven en studenten die onderwijs genoten en na het behalen van hun bul of diploma weer naar Suriname terugkeerden. Van concurrentie met autochtone Nederlanders op de arbeidsmarkt was geen sprake en ook op de huizenmarkt, waar het aanbod van woonruimte overigens beperkt was, deden zich geen noemenswaardige spanningen voor. Dit wil niet zeggen dat discriminatie niet voorkwam. Die was er, al dan niet in latente vorm, wel degelijk, maar hing sterk samen met het op¬ leidingsniveau, de sociale achtergrond en de bereidheid tot aanpassing van de desbetreffende migranten. In het bijzonder beter opgeleide Surinamers, die in Nederland verbleven voor verdere scholing en geen moeite hadden zich, al was het maar tijdelijk, naar de Nederlandse cultuur te voegen, ondervonden weinig problemen. Ook Arron behoorde tot deze groep.71 Het gezin waar Arron was ondergebracht, bewoonde een eenvoudig huis aan de Vegastraat 156. Deze straat maakte deel uit van het stadsdeel Tuindorp Oostzaan. Behalve vader en moeder Middelkoop telde het ge¬ zin vijf kinderen. Vader Middelkoop, een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken, had wisselende betrekkingen in fabrieken in Amster¬ dam en omgeving. Zijn inkomen was bescheiden. Oudste zoon Gerard, in hetzelfde jaar geboren als Arron, werkte als huisschilder. Tweede zoon Ad zat op het seminarie in Venlo, een opleiding die merkbaar op de gezinsfinanciën drukte. Aangezien er met zijn vertrek uit huis een plek vrij was gekomen op de kamer die hij met zijn broer Gerard deelde, ging het echtpaar Middelkoop in op een oproep van een rooms-katholieke stich¬ ting die Nederlandse gezinnen aanmoedigde een ‘rijksgenoot’ in huis op te nemen. De gedachte een Surinaamse student tijdelijk kost en inwo¬ ning te kunnen bieden en enige ondersteuning bij zijn studie, sprak het echtpaar aan. De bijbehorende financiële tegemoetkoming was een wel¬ kome meevaller. Vanaf het moment dat de Cottica aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam aanmeerde en het gezin Middelkoop met een tevoren toege¬ stuurde foto in de hand de jonge Arron had geïdentificeerd, had het tus¬ sen het gezin en de nieuwkomer geklikt. De familie was duidelijk gechar¬ meerd van de jonge Surinamer, die gemakkelijk in de omgang was, een grote mate van welgemanierdheid aan de dag legde en goed met de kleine kinderen uit het gezin overweg kon. Vooral de vriendschap tussen de

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

schuchtere Gerard Middelkoop en de meer flamboyante Arron bepaalde de nieuwe verhoudingen in huize Middelkoop. Beide kamergenoten lagen elkaar uitstekend en trokken veel met elkaar op. De invloed van de rooms-katholieke kerk deed zich in het gezin dui¬ delijk gelden. Om te beginnen huurden de Middelkoops hun kleine een¬ gezinswoning van een rooms-katholieke woningbouwvereniging. Het was in het verzuilde Nederland van die jaren ondenkbaar dat zij met een levensbeschouwelijk afwijkende vereniging in zee zouden zijn gegaan. Ook een abonnement op de Volkskrant maakte als vanzelfsprekend onder¬ deel uit van de toenmalige rooms-katholieke cultuur. Op zondag woonde het gezin de mis bij. Ook Gerard Middelkoop en Arron gingen naar de kerk aan de Oostzanerdijk, al bezochten zij doorgaans, na een lange avond stappen, de mis pas om twaalf uur ’s middags. Dansen deden de twee in ‘de instuif’ van de kerk. Er waren in Amsterdam in totaal vijf in¬ stuiven, waar bandjes optraden en platen werden gedraaid. Het tweetal maakte geregeld zijn opwachting in een van deze parochiezalen. Beide jongens voetbalden ten slotte in het eerste elftal van de rooms-katholieke vereniging tob (Tuindorp Oostzaanse Boys). Was Arron bij Fielos Amigos keeper geweest en had hij in sportief opzicht weinig indruk gemaakt, bij

2. Gerard Middelkoop en Henck Arron in Tuindorp Oostzaan, Amsterdam, eindjaren vijftig

45

tob, tegenhanger van de neutrale vereniging Meteoor, speelde hij niet onverdienstelijk op afwisselend een middenpositie of in de voorhoede van het elftal. Arron zou gedurende één seizoen het shirt van tob dragen.72 De huisregels bij de Middelkoops waren helder: gezinsleden werden geacht op tijd aan te schuiven voor het avondeten en op zaterdag- en zon¬ dagavond, als ze uitgingen, om twaalf uur binnen te zijn. Vooral aan het eerste werd strikt de hand gehouden en alle betrokkenen zorgden er dan ook wel voor dit tafelgebod niet te overtreden. Arron paste zich moeite¬ loos aan de Hollandse keuken aan. Boerenkool, zuurkool, snert: het was hem om het even. Hij at mee met de pot en liet zich de maaltijden goed smaken. Moeder Middelkoop leerde hij enkele Surinaamse recepten, waaronder rijst met bruine bonen. Deze gerechten vielen in goede aarde, zelfs in die mate dat het gezin Middelkoop na verloop van tijd één keer in de week Surinaams at. Soms haalde Arron Surinaamse gerechten in een winkel in de stad, die hij mee naar huis nam en daar gezamenlijk met zijn huisgenoten consumeerde. Verder was hij ingenomen met de peper en whisky die zijn ouders hem één keer in de maand toestuurden, samen met onder andere kleren, fruit en cassettes met Surinaamse muziek.73 Gerard Middelkoop herinnert zich dat Arron er altijd buitengewoon verzorgd uitzag: ‘Henck kon je gerust ijdel noemen. Hij stond ’s ochtends lang voor de spiegel. Dan werkte hij met zorg aan zijn kapsel. Eén voor één legde hij zijn haren in de goede richting. Na het scheren fatsoeneerde hij zijn snorretje en deed hij een luchtje op. Ook hier nam hij alle tijd voor. Ik zei wel eens plagend tegen hem dat hij op een vrouw leek als hij zijn toilet maakte. Hij viel verder op door de fleurige overhemden die hij droeg. Hij kreeg die uit Suriname opgestuurd of kocht ze op de markt. Ook als hij uitging, besteedde hij veel aandacht aan zijn uiterlijk. Vaak droeg hij dan een wit pak, waarmee hij vooral bij vrouwen veel succes had.’74 Evenals op de ams viel Arron ook in Nederland op door zijn opge¬ ruimde karakter. Het was maar zelden dat hij op een slecht humeur kon worden betrapt. Ook was hij niet snel kwaad te krijgen. Met zijn vlotte babbel, zijn grappen en grollen, en de olijke gezichten die hij wist te trek¬ ken, maakte hij zich bij anderen snel geliefd. Arron hield ervan te plagen en uit te dagen, maar zijn kwinkslagen waren goedmoedig van aard. Ze waren niet bedoeld om te kwetsen. Bovendien stelde hij zich sportief op. Hij kon goed uitdelen, maar ook incasseren. Zijn sociale vaardigheden, een zeker acteertalent en een sterke retorische begaafdheid gaven hem zelfvertrouwen en stimuleerden hem om initiatieven te nemen en op de voorgrond te treden. Ongeacht of hij zich in zijn vertrouwde Amsterdam-

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

se omgeving bevond of met Gerard Middelkoop vakantie vierde (beiden bezochten in deze jaren Zuid-Limburg en Heidelberg) de rol van gang¬ maker was hem op het lijf geschreven. Deze vrijmoedigheid manifesteer¬ de zich tegenover vrouwen in goedlachse charme en aandoenlijke stoer¬ heid.75 Suriname was niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk ver weg in deze jaren. Arron correspondeerde met zijn ouders en kreeg, zoals gezegd, regel¬ matig pakketten met levensmiddelen toegestuurd. Hoewel deze atten¬ ties voor hem belangrijk waren, liet hij zich er niet te veel door afleiden. Hij stond het zichzelf niet toe dat Suriname hem in beslag ging nemen en zijn leven in Nederland uit balans trok. Als hij met Gerard Middelkoop al over zijn vaderland sprak, dan was het in algemene termen. Tegenover vader en moeder Middelkoop was hij iets mededeelzamer, maar ook de verhalen die hij hun vertelde gingen in hoofdzaak over de buitenkant van de Surinaamse samenleving en waren weinig specifiek. Het gevoel dat zij de dingen die hem vertrouwd waren - zo zij hier al werkelijk belangstel¬ ling voor hadden - niet zouden begrijpen, speelde bij deze zwijgzaam¬ heid zeker een rol.76 Het opgaan van Arron in het hier en nu bood niettemin alle gelegen¬ heid om contacten met landgenoten te onderhouden. Die ontmoette hij bijvoorbeeld in de destijds befaamde jazzclub Casablanca op de Zeedijk. Gerard Middelkoop: Tk mocht daar van mijn ouders niet naartoe. Eén keer ben ik met Henck meegegaan. De ruimte die we betraden, was erg donker. Je kon er bijna geen hand voor ogen zien. Niet alleen brandde er nauwelijks licht, er waren bijna alleen maar donkergekleurde mensen aanwezig. Ze spraken Sranantongo en Papiamento, talen die ik herkende, maar die ik niet kon verstaan. Ik voelde me er niet thuis. Ook toen Henck had uitgelegd wie ik was en de aanwezigen ineens Nederlands bleken te kunnen praten, voelde ik me nog steeds als een kat in een vreemd pak¬ huis. Maar Henck was in Casablanca echt het heertje. Al bij het binnen¬ gaan merkte je aan de manier waarop hij de gasten begroette en aan de re¬ acties die dit uitlokte, dat hij zich er zeer op zijn gemak voelde.’77 Buiten het gezichtsveld van de familie Middelkoop zou Arron in de sfeer van ont¬ spanning en vermaak frequent met landgenoten optrekken. Hoewel de ontwikkelingen in Suriname hem niet onverschillig lieten, volgde Arron de gebeurtenissen in zijn land in hoofdzaak als toeschou¬ wer, dat wil zeggen via kranten, radio-uitzendingen en gesprekken met landgenoten. Er was geen sprake van dat hij de Surinaamse politiek ooit op zichzelf betrok. Sowieso voelde hij zich niet aangetrokken tot activi¬ teiten in georganiseerd verband. Illustratief voor Arrons geringe engage-

47

ment in Nederland was de afstand die hij behield tot Surinaamse vereni¬ gingen die in de jaren vijftig in Nederland met uiteenlopende activiteiten aan de weg timmerden: Ja, je had Wie Eegie Sanie, Ons Suriname, de Suri¬ naamse Studenten Vereniging en nog zo wat, maar het was, hoe zal ik het zeg¬ gen, ik had er geen behoefte aan. Ik had genoeg uitjes waarbij ik Surinamers trof. Het heeft ermee te maken dat ik überhaupt geen verenigingsmens ben. Met uitzondering van mijn Leo Victor-tijd ben ik ook in Suriname nooit lid van een vereniging geweest. Het ligt me niet. Of je moet een politieke partij als een vereniging beschouwen, want dan moet ik natuurlijk de nps met ere noe¬ men. Maar geen andere club. Hoewel Arron met dit antwoord een treffende karakteristiek van zichzelf gaf, ging hij gemakshalve voorbij aan de vams, Fielos Amigos en de Brutusclub waarvan hij, toegegeven als scholier, lid was geweest, en vergat hij ook de vereniging Labor Omnia Vincit te noemen waarbij hij zich, eenmaal terug in Suriname, zou aansluiten. Het lidmaatschap van de rooms-katholieke voetbalclub Leo Victor, op weer latere leeftijd, was van een andere orde. Het betrof het voorzitterschap van het bestuur van de vereniging.78 Een bijkomende reden die Arron ervan weerhield om toe treden tot Wie Eegie Sanie, Ons Suriname of de Surinaamse Studenten Vereniging was het politieke radicalisme van deze organisaties. Dit stond ver af van de nog weinig uitgesproken, maar gematigde opvattingen die hij er over de toekomst van zijn land op na hield. Om van de Vegastraat bij het hoofdkantoor van de Amsterdamsche Bank aan de Herengracht te komen, was Arron doorgaans een uur onder¬ weg. Eerst nam hij bus

b

tot aan de pont over het IJ, vervolgens stak hij

met de pont het IJ over, waarna hij met tram 4 het laatste gedeelte van het traject naar zijn werk aflegde. In de winter, als het gevroren had en de pont niet uitvoer, was deze route onbegaanbaar en had hij een vrije dag. Af en toe ging Arron ook wel met de fiets naar zijn werk. Van de kou had hij geen last. Zelfs bij extreem lage temperaturen begaf hij zich met open jas op straat. ‘De zon zit nog in mijn bloed,’ grapte hij tegen vrienden die hem op zijn nonchalance wezen. Ook de terugweg van de bank naar huis duurde gemiddeld een uur. Sigi Wolf: ‘Henck woonde vrij geïsoleerd. Wij noemden Amsterdam-Noord spottend boiti (platteland) of pranasi (plan¬ tage) en waren verbaasd dat een Surinamer het er kon uithouden. Zelf was Henck er heel laconiek over. “Ik hoef alleen maar met het pontje over te steken en dan ben ik er al,” zei hij altijd. Maar toch merkten we dat het hem niet altijd gemakkelijk viel zo ver van het centrum af te wonen.’79

OPVOEDING, SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

3- Sigi Wolf en Henck Arron op de Dam in Amsterdam, maart 1959

Volgens Gerard Middelkoop praatte Arron weinig over de opleiding die hij volgde. Deze bestond feitelijk uit twee onderdelen: een praktijkoplei¬ ding bij de Amsterdamsche Bank en een schriftelijke opleiding bij de Stichting tot bevordering van de studie van het bank- en effectenbedrijf. Moeder Middelkoop stimuleerde haar inwonende gast om in de avond¬ uren serieus werk te maken van zijn studie, iets wat deze met gemengde gevoelens deed. Naar eigen zeggen had Arron een leerrijke tijd bij de Amsterdamsche Bank: Mijn opleiding was erg praktijkgericht. Ik doorliep afdeling na afdeling, steeds onder de directe begeleiding van de desbetreffende chef. Dat ging prima. Ik kon goed met de mensen overweg en kreeg een grondi¬ ge kennismaking met alle facetten van het bankwezen. Dat is mij in mijn late¬ re carrière zeer van pas gekomen. Het was geen vetpot hoor. Ik kreeg een soort presentiegeld, een zakcentje als aanvulling op datgene wat ik uit Suriname ontving van de Vervuurtsbank. Dat laatste bedrag herinner ik mij nog goed: 1^0 Nederlandse guldens per maand. Amsterdam was leuk. Tijdens de lunch¬ pauzes gingen we wandelen in de stad. Van de Herengracht naar de Kalverstraat en terug via de Zeedijk. Dat was vaste prik, met een paar vrienden. En onderweg babbelden we wat. Er was een goed sociaal contact.

49

Ten bewijze dat hij de praktijkopleiding met succes had doorlopen, ontving Arron van de Amsterdamsche Bank een getuigschrift.80 Zijn stu¬ dieresultaten bij de Stichting tot bevordering van de studie van het bank¬ en effectenbedrijf stelden teleur. Hij sloot deze opleiding niet met een di¬ ploma af. Hoewel hem heimwee bespaard was gebleven en hij beslist zijn draai had gevonden in Amsterdam, was duidelijk dat Arrons verblijf in Nederland van tijdelijke aard was. Hij had zich hier ook op ingesteld. Geen moment had hij met de gedachte gespeeld in Bakrakondre (Nederland) te blijven. Het stond voor hem vast dat hij, het AMS-ideaal indachtig, naar Suriname zou terugkeren. Los van deze principiële opstelling kwam het idee zich in het voormalige moederland te moeten vestigen, hem ook om een andere reden onaantrekkelijk voor. Buitenmens in hart en nieren ging van de krap bemeten woningen in de Randstad, het bijbehorende gebrek aan privacy en de beperkte variatie in het landschap voor hem een be¬ klemmende werking uit. De beslotenheid van zijn Amsterdamse kamer was voor enige tijd wel overkomelijk, maar bood op de lange termijn geen perspectief. Het afscheid van de familie Middelkoop viel het gastgezin zwaar. In het bijzonder zoon Gerard had het er moeilijk mee zijn vriend Henck uit¬ geleide te moeten doen. Ook Arron ervoer de scheiding als pijnlijk, maar bij hem overheerste toch het gevoel dat hij toe was aan een nieuwe fase in zijn leven en dat die fase in Suriname gestalte diende te krijgen. Na zijn vertrek uit Nederland, op 27 maart 1959, zouden Arron en de familie Mid¬ delkoop elkaar voorgoed uit het oog verliezen. Pogingen van Gerard Mid¬ delkoop om in de jaren zeventig het contact weer aan te halen, zouden stranden. Een zoektocht die wéér later op initiatief van Arron werd on¬ dernomen, leverde evenmin iets op.

OPVOEDING. SCHOLING EN VOORBEREIDING OP EEN MAATSCHAPPELIJKE LOOPBAAN

II Politiek bewustzijn, partijlidmaatschap en parlementaire vorming

Het einde van Arrons verblijf in Nederland viel samen met bewegingen in de Surinaamse politiek die beoogden aan de autonomie, die het rijks¬ deel sinds 1954 bezat, een ruimere inhoud te geven. De Nationale Partij Suriname

(nps)

had in dit proces het voortouw genomen. In deze partij,

die sinds 1949 prominent aan de weg timmerde, had inmiddels een wisse¬ ling van de wacht plaatsgevonden. De lichtgekleurde Creoolse elite die het tot dan toe voor het zeggen had gehad, had plaatsgemaakt voor represen¬ tanten van de donkergekleurde Creolen, die het grootste deel van de volks¬ massa vormden in Paramaribo. Johan Adolf Pengel was de voornaamste exponent van deze groep. Bij zijn terugkeer in Suriname wees niets erop dat Arron een boven¬ gemiddelde belangstelling had voor politiek, laat staan dat hij in de Suri¬ naamse politiek een rol wilde spelen of een bepaalde functie ambieerde. In de lijn der verwachting accepteerde hij betrekkingen in het bankwezen, eerst bij de Vervuurtsbank, vervolgens bij de Surinaamse Volkscredietbank (vcb). In 1960 liet Arron zich door Pengel overhalen om zijn eerste schreden te zetten in de Surinaamse politiek. Zijn aansluiting bij de

nps

betekende het begin van een politieke carrière, die hem al snel in het hoofd¬ bestuur van de partij zou brengen en vervolgens in het parlement. Verliep de maatschappelijke loopbaan van Arron voorspoedig, in zijn persoonlijk leven wisselden tegenslag en voorspoed elkaar af. Het overlij¬ den in 1960 van vader Arron betekende voor het gezin, in het bijzonder voor diens oudste zoon, een gevoelig verlies. Het vroegtijdige wegvallen van de vaderfiguur zou Arrons visie op het leven fundamenteel beïnvloe¬ den, al bleef de buitenwereld hier onkundig van. Zijn huwelijk in 1963 met Netty Leeuwin bracht de nodige rust en stabiliteit in zijn bestaan. Tege¬ lijk schonk deze verbintenis Arron aanzien en respect. Deze hadden een positieve weerslag op zijn welzijn.

51

BETREKKINGEN IN HET BANKWEZEN

Arron had in Nederland zijn kennis over bancaire zaken uitgebreid, zijn gevoel voor discipline aangescherpt en met volle teugen van zijn vrijheid genoten. Toch bestond er geen twijfel over dat zijn toekomst in Suriname lag. Eind maart 1959 keerde hij dan ook naar zijn geboorteland terug. Zijn herintegratie in de Surinaamse samenleving verliep soepel. Door zijn praktische instelling kostte het Arron weinig moeite om weer aan het fysieke klimaat, de omgangsvormen en de economische en politieke om¬ standigheden te wennen. De Amsterdamsche Bank had een verslag van zijn werkzaamheden en opleidingsresultaten naar de directie van de Vervuurtsbank gestuurd. De aard van deze rapportage was voor de Vervuurtsbank aanleiding Arron een functie aan te bieden. Arron: Ik ging onmiddel¬ lijk bij de Vervuurtsbank aan de slag en trad na een maand of vier toe tot de staf. De bank was toen gevestigd aan de Keizerstraat en was na de Surinaamse Bank de grootste bank van Suriname. Er werkten toen zo’n zestig mensen. Woutman, een Nederlander, was er directeur, Drielsma, onderdirecteur. Ik kreeg de afdeling buitenland onder mij, bestaande uit een deel documentaire kredieten en een incassodeel. Het was verantwoordelijk werk, op het salaris¬ niveau van een academicus. Ik verdiende er Sf 450,- per maand. Het ging om het geheel van transacties tussen Suriname en het buitenland in valuta. Drie landen waren veruit het belangrijkste: Nederland, de Verenigde Staten en Japan. Daarnaast had je landen als Duitsland, China en Brazilië. Wat dit laat¬ ste land betreft: we deden veel zaken met handelaren, die, met behulp van schoeners, koffie, cacao en zwarte peper uit Brazilië importeerden en auto’s naar Brazilië exporteerden. Er gingen vele miljoenen guldens om in die han¬ del. Daarover was je in voortdurend contact met je buitenlandse correspon¬ denten. Er was in die jaren de nodige kritiek op de handel met Brazilië. Vol¬ gens De West, die er in zijn kolommen regelmatig tegen in het geweer kwam, ging het vooral om smokkelhandel. De krantenartikelen leidden soms tot vragen in het parlement.1 Arron herinnerde zich dat de berich¬ ten vooral op geruchten waren gebaseerd en niet zelden overtrokken wa¬ ren: Als het werkelijk om grootschalige illegale handel zou zijn gegaan, dan zou de regering ongetwijfeld hebben ingegrepen. En dat heeft ze altijd nagela¬ ten. We hebben ook nooit waarschuwingen van de Centrale Bank gehad of van de deviezencommissie. Het ging allemaal op basis van import- en exportvergun¬ ningen. Voor Brazilië was het illegale export, pertinent. Maar voor Suriname was het géén illegale import. Voor zover ik weet, heeft Holland zich er ook nooit mee bemoeid. De Vervuurtsbank was ondergebracht in een statig gebouw op de hoek

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

van de Keizerstraat en de Waterkant en nam in het stadsbeeld een voor¬ name plaats in. Het royale onderkomen werd goed onderhouden en had onmiskenbaar uitstraling en allure. Aan de overkant van de bank was het handelshuis van Van der Voet gevestigd, in een niet minder imposant pand, dat eveneens op karakteristieke wijze de laatkoloniale sfeer van het toenmalige Paramaribo ademde. Aandeelhouders van de Vervuurtsbank waren naamgever Otto Vervuurt, onderdirecteur Henny Drielsma, advo¬ caat en voormalig NPS-voorzitter Gerard van der Schroeff, zakenman Arnold van der Voet en nog enkele andere notabelen. De leiding van de bank was in handen van directeur Woutman en zijn rechterhand Drielsma. Toenmalig medewerker Boicy Teunis: ‘Woutman werd beschouwd als een rechtlijnige Hollander. Het personeel vergaapte zich aan de verkreu¬ kelde pakken die hij droeg, de versleten schoenen waarop hij liep en de Volkswagen-kever waarmee hij naar het werk kwam. Die vielen nogal uit de toon bij de verzorgde kledij en chique Amerikaanse wagens waarin zijn collega Drielsma zich verplaatste. Die werden meer in overeenstem¬ ming geacht met de status van een bankdirecteur.’2 De emancipatie van de donkergekleurde Creolen die onder Pengel gestalte kreeg, tekende zich behalve in de publieke sector ook in toene¬ mende mate af in de vrije beroepen. In het personeelsbeleid van de Ver¬ vuurtsbank kwam dit steeds duidelijker tot uitdrukking. Lange tijd waren medewerkers vooral geworven onder Nederlanders, lichtgekleurde Cre¬ olen en Libanezen. Arron behoorde tot de eerste lichting donkergekleur¬ de Creolen, die langzaam maar zeker hun plaats in deze sector gingen op¬ eisen. Personeelschef Stanley Egger had een werkzaam aandeel in het openbreken van het tot dan toe nogal behoudende wervings- en selectie¬ beleid bij de bank. Dit bleek ook uit het aantal vrouwen bij de Vervuurts¬ bank, dat in zijn periode merkbaar toenam. De stijging van dit percentage vloeide overigens minder voort uit overwegingen van emancipatie. Het had in hoofdzaak te maken met de omstandigheid dat vrouwelijke arbeids¬ krachten relatief goedkoop waren. Medewerkers die in de jaren vijftig en zestig aan de Vervuurtsbank verbonden waren, onder wie Arron, waren vol lof over de collegiale ver¬ houdingen op de bank, de arbeidsvoorwaarden en de sociale voorzienin¬ gen. De aanvangssalarissen lagen er bijna twee keer zo hoog als bij de over¬ heid, de werkgelegenheidsperspectieven waren er gunstig en in de sfeer van ontspanning en vermaak werden er diverse activiteiten ontplooid. Er werd gevoetbald, er werden uitjes georganiseerd en na afloop van het werk werd er regelmatig geborreld. Arron voelde zich thuis op de bank en genoot er een goede reputatie. Niet alleen was hij een toegewijd mede-

53

werker, hij gold ook als gemakkelijk in de omgang en had veel vrienden. Waar sommigen van zijn generatiegenoten een betrekking bij de Vervuurtsbank naar het hoofd steeg, bleef Arron zichzelf. Kapsones waren hem vreemd.3 Toen Arron in 1963 toetrad tot het parlement achtte de directie van de Vervuurtsbank het raadzaam dat hij van betrekking veranderde. De di¬ rectie stelde zich op het standpunt dat het lidmaatschap van de Staten van Suriname niet verenigbaar was met een staffunctie bij een particulie¬ re bank. Iedere schijn van politieke vooringenomenheid of belangenver¬ strengeling diende te worden vermeden. Arron: In overleg met de heer Curiël van de Volkscredietbank en de directie van de Vervuurtsbank werd toen besloten dat ik zou overstappen naar de Volkscredietbank. Ik ben daar begon¬ nen als junior staflid, vervolgens werd ik senior staflid en in ig68 werd ik on¬ derdirecteur. Die functie heb ik neergelegd toen ik premier werd. Na de staats¬ greep van 1980 mocht ik niet terug naar de bank. Pas in 1982 hebben de militairen toegestaan dat ik mijn functie bij de Volkscredietbank weer opnam. Ik ben daar onderdirecteur gebleven tot ik in 1988 vicepresident werd. Na de kerstcoup werd ik in 1991 regeringsadviseur. Die functie, die ik tot 1996 heb bekleed, was niet te combineren met een bancaire functie. Anders dan de Vervuurtsbank, die zich vooral als handelsbank profi¬ leerde, was de vcb geen bank in de zin van de bankwet. Het was een over¬ heidsinstelling in de vorm van een stichting, die leningen verstrekte aan beginnende ondernemers en aan de ‘kleine man’. Het ging om kortlopende en langlopende kredieten, aanvankelijk tegen een lagere rente dan con¬ currerende banken berekenden, maar al gauw marktconform. De maat¬ schappelijke oriëntatie van de bank bleek vooral bij de beoordeling van kredietaanvragen. De

vcb

was bereid meer risico te nemen dan andere

banken, wat echter niet betekende dat zij haar cliënten geen waarborgen vroeg voor de terugbetaling van leningen. Daarnaast had de bank de func¬ tie van pandhuis. Feitelijk was de bank, vooral door het ijveren van het toenmalige Statenlid Wim Bos Verschuur, in 1949 met dit oogmerk op¬ gericht.4 De

vcb

controleerde de andere pandhuizen doordat het ijken

van goud daar plaatsvond en had een dermate dominante positie dat de particuliere pandhuizen geleidelijk aan zouden verdwijnen. Door het verstrekken van leningen op relatief gunstige voorwaarden en het func¬ tioneren als pandhuis slaagde de

vcb

erin een dam op te werpen tegen

woeker en een tastbare bijdrage te leveren aan het sociale klimaat in Suriname.5 Als parastatale instelling viel de vcb onder het ministerie van Sociale Zaken. De directeur van dit departement was ambtshalve voorzitter van

54

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

de commissie van toezicht van de bank. De secretaris van de commissie van toezicht was eveneens een ambtenaar van sociale zaken. Deze functietoedeling gaf de overheid een ferme greep op het doen en laten van de vcb.

De politiek had een directe bemoeienis met de activiteiten van de

bank op het moment dat het parlement de begroting van sociale zaken behandelde. Later, toen de instelling onder het ministerie van Financiën viel, was de vcb onderwerp van bespreking bij de behandeling van de be¬ groting van dit departement. Er werd daarnaast politiek bedreven op het niveau van de leiding van de bank. Kwam de top van de

vcb

bij haar op¬

richting uit Indonesië (van de algemeene volkscredietbank die in dit land al enkele tientallen jaren in bedrijf was)6, de directiefuncties werden vanaf de tweede helft van de jaren vijftig door landskinderen vervuld. De eerste Surinaamse directeuren van de

vcb

- achtereenvolgens Smith,

Curiël en Ensberg - waren prominente leden van de

nps.

De politieke kleur van deze directeuren, maar ook van stafleden die door hen in dienst werden genomen, deed de reputatie van de

vcb

geen

goed. Sterker, de bank lag door haar partijpolitieke imago in het parle¬ ment en in de pers regelmatig onder vuur. Niet ten onrechte beschouwde de bevolking de

vcb

als een NPS-bank. Zeker in de jaren vijftig en begin¬

jaren zestig konden NPs’ers er op vertoon van hun lidmaatschapskaart gemakkelijk een lening afsluiten in de wetenschap dat er met de aflossing van hun krediet de nodige soepelheid zou worden betracht. NPS-Statenleden stuurden mensen langs met een briefje met daarin het verzoek hun een lening te verstrekken en vcb-personeel, geïntimeerd door de politieke kleur van de aanvragers, werkte gewillig mee, ook als deze leningen niet of onvoldoende gedekt waren.7 Deze praktijken bezorgden de vcb de bij¬ naam Sinterklaasbank. Het op gemakkelijke voorwaarden verstrekken van leningen vond vooral plaats in verkiezingstijd, wanneer NPs’ers geacht werden geld in de verkiezingskas van de partij te storten. Sommige partijtoppers waren stipt in het aflossen van hun lening, andere kwamen hun verplichtingen pas na talloze aanmaningen na. Arron erkende de verstrengeling van politieke en zakelijke belangen bij de

vcb,

maar meende de beeldvorming op een aantal punten te moe¬

ten nuanceren: Er was sprake van politieke beïnvloeding, zeker. Ik heb er in mijn tijd persoonlijk niet mee te maken gehad. Gelukkig niet, want dat zou mij erg tegen de borst zijn gestuit. Maar daarvóór waren er inderdaad dingen ge¬ beurd, al wist het grote publiek daar niet altijd het fijne van. Ik herinner mij een accountantsrapport uit ig68 of ig6g, dat uitwees dat verschillende nps ’ers leningen hadden lopen bij de

vcb,

die al lang hadden moeten zijn terugbe¬

taald. Maar de namen die toen in de publiciteit kwamen, waren van mensen

55

die op persoonlijke gronden die leningen hadden gekregen, niet als NPs’ers. Het waren Surinamers die toevallig ook NPs’er waren. Onder hen bevonden zich een aantal handelslieden, vooral uit de hout- en balatasector, die hun verplich¬ tingen tegenover de

vcb

niet nakwamen. De nps ’ers over wie het rapport zich

kritisch uitliet, hadden in 1955 leningen gekregen om te kunnen bijdragen aan de verkiezingskas van de partij. In de loop derjaren waren die leningen maar mondjesmaat of zelfs helemaal niet terugbetaald. Deze leningen werden toen geboekt op de post dubieuze debiteuren. Uiteindelijk hebben al deze debiteu¬ ren hun schulden met de bank vereffend, zij het met grote vertraging. Na de val van het kabinet-Pengel kreeg je op de vcb grote schoonmaak. Ze hebben mij toen niet weggehaald, terwijl ik toch duidelijk NPs’er was. Andere personen raakten hun baan wel kwijt. Er heeft toen een drama plaatsgevon¬ den dat mij zeer heeft geschokt. De Vrije Stem van Lionarons, die de

vhp-

PNP-regering steunde, heeft op een gegeven moment alle debiteurenlijsten van de

vcb

waarop het de hand kon leggen in de krant gepubliceerd. Dat was een

grove schending van het bankgeheim, die ik de redactie nooit heb kunnen ver¬ geven. Ik beschuldig niemand van de toenmalige regeringscoalitie, maar hier werd voor mij duidelijk een grens overschreden.8 De behuizing van de vcb was aanmerkelijk bescheidener dan die van de Vervuurtsbank. Een kleine twintig jaar was de bank gevestigd aan het Kerkplein, in een geprefabriceerd onderkomen, enigszins weggestopt achter het Postkantoor. De keet, welbeschouwd een noodvoorziening, was overgebracht van Zanderij, waar de Amerikanen hem tijdens de Twee¬ de Wereldoorlog voor eigen doeleinden hadden neergezet. Voor Arron betekende de verandering van werkomgeving in zekere zin een stap te¬ rug. Hoewel - zoals nog zal blijken - het verwerven van status voor hem in de politiek een belangrijke drijfveer was, had zijn afscheid van het statige pand aan de Keizerstraat geen effect op zijn persoonlijk welbevinden. Er stond immers tegenover dat hij als administrateur deel uitmaakte van de staf van de vc b . Het prestige dat hij hieraan ontleende, was voor het mo¬ ment voldoende. Belangrijk was ook dat hij een goed salaris verdiende, evenals zijn echtgenote (zie volgende paragraaf), die als medisch analiste bij het Bureau voor Openbare Gezondheidszorg

(bog)

aan de Rode Kruis¬

laan werkte. Hun gezamenlijk inkomen stelde hen in 1963 in staat om een eigen auto te kopen en een eigen huis aan de Gravenberchstraat te laten bouwen waar zij in april 1965 introkken.9 De afstand van hier naar de vcb - ook toen deze in 1967 naar haar huidige onderkomen tegenover de Cen¬ trale Markt was verhuisd - was aanmerkelijk verder dan van zijn ouder¬ lijk huis naar de Vervuurtsbank. Maar deze afstand overbrugde hij nu niet meer per bromfiets, maar per Volkswagen.

56

POLITIEK BEWUSTZIJN. PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

Het belangrijkste verschil met zijn tijd op de Vervuurtsbank was dat Arron zijn werk op de

vcb

combineerde met het lidmaatschap van de

Staten van Suriname. Aanvankelijk waren deze tijdsbestedingen gemak¬ kelijk op elkaar af te stemmen. Maar naarmate Arron langer in het parle¬ ment zat en beter ingewerkt raakte, trok hij steeds meer taken en verant¬ woordelijkheden naar zich toe. Dit vergde een tijdsinvestering, die gaandeweg ging wringen met zijn verplichtingen voor de bank. Waar bei¬ de activiteiten met elkaar conflicteerden - bijvoorbeeld als Arron tot diep in de nacht een partij- of Statenvergadering had bijgewoond en onmoge¬ lijk weer om 7.30 uur zijn opwachting bij de

vcb

kon maken - gaf hij

voorrang aan de politiek. Hij verscheen dan later op het werk en compen¬ seerde de uren die hij te weinig had gewerkt door op de bank over te wer¬ ken of werk mee naar huis te nemen. De directie van de

vcb,

begripvol

als het ging om de politieke ambities van haar medewerker, stond Arron toe flexibel met zijn werktijden om te gaan. Taken werden intern opge¬ vangen in het geval de politiek hem dwong voor langere tijd te verzuimen. Bij vcB-collega’s viel Arron op door zijn loyale opstelling en menselijke eenvoud. Dit laatste weerspiegelde zich ook in zijn kleding. Droeg hij eerst, zoals voor stafleden was voorgeschreven, pak en das, later hulde hij zich bij voorkeur in guyabera-hemden. Zijn taken voerde Arron nauwgezet en plichtsgetrouw uit, met veel gevoel voor de inhoud van het werk en voor de sociale verhoudingen binnen de bank, naar tevredenheid van de direc¬ tie en de cliënten. Hij gold als accuraat, gedisciplineerd en hulpvaardig.10 Het vuur en de overgave die Arron als Statenlid aan de dag legde, ontbra¬ ken echter in zijn vcb-werk. De politiek kwam nu eenmaal het meest te¬ gemoet aan zijn ambities en idealen, het bankwezen beschouwde hij in toenemende mate als een achtenswaardige manier om in zijn bestaan te voorzien, al zou hij dat in die jaren nooit openlijk toegeven. Ook nadien legde hij er de nadruk op dat hij zich voor beide professies steeds optimaal had ingezet. Met die constatering deed hij de waarheid geen geweld aan. Binnen de bank legde hij een voor zijn leeftijd opmerkelijk verant¬ woordelijkheidsgevoel aan de dag. Floor van de Berg-Schoonhoven, me¬ dewerkster van het eerste uur bij de

vcb,

vertrouwelinge van Arron en

naast haar bankwerk actief in de sportbeoefening (basketbal) en het ver¬ enigingsleven (Spes Patriae, Basketbalbond): ‘Henck was zeer sociaal voelend. Hij had te doen met minder bedeelden en wilde op zijn manier iets doen om hun nood te lenigen. ‘Tk kom ook uit een poti (arm) gezin,” zei hij dan. Een groep personen kon financieel op hem rekenen. Die gaf hij maandelijks uit eigen zak een bepaald bedrag als toelage. Het waren merendeels bejaarde vrouwen.11 Ik herinner me een vrouw die in het pand-

57

huis een pipiti (ruwe goudklomp) had beleend voor Sf 10,-. Al tien jaar betaalde ze rente hierover. Hoewel deze belening haar dus al onevenre¬ dig veel geld had gekost, lukte het haar maar niet om Sf 10,- bij elkaar te krijgen om de pipiti terug te kopen. Henck heeft dit bedrag toen voor haar betaald. Maar de vrouw mocht niet weten dat hij de persoon achter de schenking was. Deze instelling typeerde hem. Henck regelde wanneer de gelegenheid zich voordeed graag dingen voor mensen, maar nooit voor zichzelf. Ook familie en vrienden hadden in dit opzicht niets van hem te verwachten. Hij was er veelvuldig voor in de gelegenheid, maar trok hier een strikte lijn. Dit gevoel voor wat oorbaar was en wat niet, sprak ook uit zijn weigering om directeur van de vcb te worden. Meermalen had hij de kans, maar hij heeft deze nooit willen grijpen. Hij zou er zijn vrijheid in de politiek door kwijt zijn geraakt en dat had hij er niet voor over.’12 Principieel was Arron niet zelden ook. Toenmalig collega Eugène Noordpool: ‘Toen het niet goed ging met de

vcb

aan het einde van de ja-

ren zestig eiste Arron dat de jaarlijkse periodiek van alle medewerkers gehalveerd zou worden. Hij vond bovendien dat het aandeel van de bank in de opbouw van het voorzieningsfonds - een soort pensioenfonds - met de helft moest worden teruggebracht. Het personeel kon zich met de eer¬ ste maatregel verenigen, maar ging in staking tegen de tweede. Tijdens die staking werd een vakbond opgericht die ging onderhandelen met de directie. Bij dat overleg sneuvelden beide plannen van Arron. Hij legde zich neer bij deze uitkomst, maar ging trouw aan zijn opvattingen niet akkoord met de correctie op zijn salaris. De helft van zijn periodiek stort¬ te hij op rekening van een charitatieve instelling. Dat typeerde hem. Zijn nederlaag accepteerde hij, maar zijn beginselen weigerde hij op te geven, overigens met behoud van zijn goede relaties met het personeel.’13 Het bankwezen was voor Arron een respectabele broodwinning, maar geen roeping. Hij was zich bewust van zijn bevoegdheden en verantwoor¬ delijkheden en leverde prestaties waar zijn superieuren en klanten tevre¬ den over waren. De gelijkmatigheid van de parafencultuur woog voor hem echter niet op tegen de dynamiek van het politieke bedrijf dat in de jaren zestig steeds meer beslag op zijn tijd ging leggen. Had hij zich in zijn werkzame leven tot het plegen van bancaire handelingen beperkt, dan had hij mogelijk in deze sector carrière gemaakt, maar had hem verder een ta¬ melijk anoniem bestaan gewacht. In het licht van zijn politieke loopbaan werden zijn bancaire activiteiten in toenemende mate een onderstroom in zijn bestaan waar hij belang aan hechtte en die hem financiële zekerheid verschafte, maar waar hij uiteindelijk een verminderd persoonlijk genoe¬ gen aan ontleende.

58

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJ LIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

FAMILIEAANGELEGENHEDEN

Twee gebeurtenissen die in de jaren zestig plaatsvonden, hadden grote betekenis voor Arrons persoonlijk leven. Zij confronteerden hem met de eindigheid van het menselijk bestaan, maar verschaften hem ook de vreug¬ de van het opbouwen van een toekomst met een zelfgekozen levenspartner. Beide gebeurtenissen waren uiteindelijk van invloed op Arrons besluit om zijn geluk te beproeven in de politiek. In 1956, toen hij nog bij de verkeerspolitie werkte, ging het met de ge¬ zondheid van vader Arron langzaam bergafwaarts. Hij had last van nier¬ stenen gekregen en zijn bloeddruk was zorgwekkend gestegen. De gevol¬ gen hiervan had hij aan den lijve ondervonden. Meerdere keren was zoon John er getuige van dat zijn vader, huilend en wel, zich in allerlei bochten wrong om van zijn pijn verlost te raken. Toen de klachten aanhielden, achtten artsen een operatie noodzakelijk. Vader Arron werd opgenomen in ’s Lands Hospitaal. Daar moest een chirurgische ingreep halverwege worden gestaakt, omdat de levensbedreigende risico’s te groot waren. De nierstenen werden niet verwijderd, maar de patiënt kreeg medicijnen voorgeschreven en hij werd op een streng dieet gezet.14 De medicijnen stelden vader Arron in staat zijn werk te hervatten, maar zijn gezondheidsproblemen bleven hem parten spelen. Er waren terugkerende momenten van benauwdheid, waarbij de zuurstoftoevoer dreigde te worden afgesneden en de opkomende paniek slechts met moei¬ te kon worden bedwongen. Aan zijn rookgewoonten hield de patiënt ech¬ ter onverminderd vast. Het hielp ook niet dat vader Arron zich niet aan zijn dieet hield. Naar buiten toe deed hij het voorkomen alsof hij de me¬ dische voorschriften strikt in acht nam, maar ingewijden wisten dat hij, als hij op straat was, vaak geen weerstand kon bieden aan de verleidingen van een portie (Chinese maaltijd). Ook frustraties over examens waar¬ voor hij zakte en promoties die hij misliep - naar zijn overtuiging het ge¬ volg van jaloezie en achterklap in het politiekorps - deden zijn gezond¬ heid geen goed. In januari 1960 was zijn conditie zo verslechterd, dat hij opnieuw in ’s Lands Hospitaal moest worden opgenomen. Daar ging zijn fysieke gesteldheid steeds verder achteruit. Langzaam raakte hij in een coma waaruit hij niet meer zou bijkomen. Op 31 januari overleed hij, 48 jaar oud.15 Arron beleefde de dood van zijn vader als een onwerkelijke gebeurte¬ nis. Het nieuws had hem overvallen en uit zijn evenwicht gebracht. Teke¬ nend voor zijn houding was zijn reactie geweest op een voorspelling van zijn oom Louis. Deze broer van zijn vader had zijn neef John eerder mee¬ gedeeld dat diens vader nog maar zes maanden te leven had. Toen John

59

dit aan zijn broer Henck doorvertelde, had deze zijn schouders opge¬ haald en geantwoord dat niemand zo’n voorspelling kon doen. Hij had ook niet geloofd dat het einde van zijn vader nabij was. Hij verwierp de gedachte, omdat hij deze niet logisch kon verbinden met de feiten zoals hij deze kende en verzette zich ertegen, omdat de voorspelling niet strookte met het beeld van de ondernemende en levenslustige vader dat hem dierbaar was. Vader Arron, bij zijn leven adjunct-inspecteur, kreeg een politiebegrafenis op het rooms-katholieke kerkhof aan de Tourtonnelaan. Zijn colle¬ ga’s, in groten getale aanwezig, traden aan in uniform en volledige uitrus¬ ting, de politiekapel speelde en tromgeroffel begeleidde de rouwstoet. Door een communicatiestoornis verscheen de dienstdoende pater van de kathedraal niet op het afgesproken tijdstip. De honneurs werden waarge¬ nomen door de pater van Rajpur (een internaat voor Hindostaanse kinde¬ ren aan de nabijgelegen Mahonylaan) die inderhaast voor de ceremonie was opgetrommeld. Bij de teraardebestelling was ervoor de zonen Henck en John geen bijzondere rol weggelegd. Moeder Arron had niet toege¬ staan dat haar kinderen zich te veel met de voorbereidingen bemoeiden en stond erop de regie in eigen hand te houden. Behalve de vader van Arron zouden op de begraafplaats aan de Tourtonnelaan ook Arrons moe¬ der en zijn grootmoeder van vaderskant worden begraven. Het overlijden van zijn vader liet bij Arron uiterlijk geen sporen na. Hij droeg zijn verdriet stil en waardig, en kweet zich van zijn verantwoor¬ delijkheden als oudste zoon, maar sprak verder niet over hetgeen er voor¬ gevallen was, ook niet met intimi. Zijn diepere gevoelens hield hij voor zichzelf, zoals hij dit ook nadien bij ingrijpende gebeurtenissen zou doen. Pas veel later zou hij erkennen dat hij er grote moeite mee had gehad dat zijn vader zo jong was gestorven en de ontwikkeling van zijn kinderen tot meerdere zelfstandigheid niet had kunnen meemaken. Het was ook pas op oudere leeftijd dat Arron toegaf dat hij de gebeurtenis veel directer op zichzelf had betrokken dan hij anderen had laten blijken.16 De wetenschap dat zijn grootvader op 52-jarige leeftijd en zijn vader op 48-leeftijd was overleden, had hem tot de slotsom gebracht dat hem een vergelijkbaar lot was beschoren. Dat dit ten diepste getuigde van een fatalistische levenshouding, daarvan was hij zich aanvankelijk nauwelijks bewust. Maar de gedachte dat hij niet oud zou worden, had vanaf dat mo¬ ment vat op hem en drong zich aan hem op wanneer hij in zijn privéleven voor belangrijke keuzes kwam te staan. De overtuiging dat zijn lot vastlag, verdiepte zich in de tweede helft van de jaren zeventig, toen Arron zelf tegen gezondheidsproblemen opliep. Het denkbeeld van een vroegtijdig

60

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

levenseinde kon hij nu nog moeilijker van zich afzetten. Paradoxaal ge¬ noeg weerhield deze gedachte hem er niet van om in het openbare leven optimisme uit te stralen en welomlijnde ambities na te streven. Hij besef¬ te dat wilde hij een aantal idealen kunnen verwezenlijken, hij de hem toebemeten tijd zo effectief mogelijk diende te benutten. Het wegvallen van zijn vader attendeerde Arron op de tijdelijkheid van het bestaan, maar was onbewust en vooral achteraf gezien voor hem ook een bevrijding. Vader Arron drukte - hoe goed de relatie met zijn kin¬ deren ook was - een dominant stempel op hun leven, ook waar het ging om hun beroepskeuze. Hij verlangde dat zijn oudste zoon een respectabele functie zou bekleden en verzette zich tegen zijn eventuele toetreding tot de politiedienst. Een aanbod van het toenmalige hoofd van de gewapende politie in Suriname, een Nederlander, om zoon Henck de politieopleiding in Apeldoorn te laten volgen, wees hij resoluut van de hand. Wat vader Arron persoonlijk bij de politie aan tegenwerking had ondervonden, wens¬ te hij voor geen van zijn kinderen. De mogelijkheid dat zijn oudste zoon zijn kaarten op een politieke carrière zou zetten, zou bij hem evenmin veel enthousiasme hebben los¬ gemaakt. Waarschijnlijk is dat de vader zich ook tegen deze beroepskeu¬ ze zou hebben verzet. Het machtsspel in de Staten van Suriname stond hem niet aan en het toekomstperspectief van een politicus beoordeelde hij als ongewis. Het is twijfelachtig of de zoon bereid zou zijn geweest op dit punt tegen het ouderlijk gezag in opstand te komen. Natuurlijk mag niet worden uitgesloten dat deze zijn zin hoe dan ook zou hebben door¬ gedreven. Tegelijk kan moeilijk worden ontkend dat het verscheiden van de vader het de oudste zoon heeft vergemakkelijkt een politieke carrière na te streven.17 Een andere belangrijke gebeurtenis in Arrons leven was het huwelijk dat hij op 27 juli 1963 sloot met Antoinette Emelie Francis (Netty) Leeu¬ win. Arron had haar in 1958 in Amsterdam leren kennen, toen zij daar een opleiding tot medisch analiste volgde. Al tijdens hun eerste kennisma¬ king had hij haar met veel bravoure meegedeeld: met jou ga ik trouwen. Op de aangesprokene had dit in eerste instantie een averechts effect ge¬ had. Maar de zelfverzekerde houding van Arron had haar ook vertederd. Allengs was zij een grote liefde voor de energieke en welbespraakte jonge¬ man gaan opvatten.18 Omgekeerd was Arron onder de indruk van de uit¬ straling van zijn vriendin. Haar zachtaardige en ingetogen verschijning ontwapende hem. Bovendien waardeerde hij het dat zij uit een gerespec¬ teerde onderwijzersfamilie kwam. Was hij rooms-katholiek opgevoed, zij was in de traditie van de ebg grootgebracht. In Nederland begonnen, zou

61

hun relatie zich in Suriname verder verdiepen. Voor Arron betekende de kennismaking met Netty Leeuwin het begin van een nieuwe liefde. Eerder had hij in Suriname een verhouding met Nadia Bergen gehad, die hij uit kringen rond Fielos Amigos kende. Deze verhouding was in 1956 in Nederland gestrand op verschillen van mening over hun beider toe¬ komst. Nadia zocht deze in Nederland en voelde er niet voor om naar Suriname terug te keren. Arron was vastbesloten te repatriëren en bij te dragen aan de opbouw van zijn land.19 Bij de voltrekking van het burgerlijk huwelijk tussen Henck Arron en Netty Leeuwin traden Caesar Seedorf, evenals de bruidegom een aanko¬ mend NPs-coryfee, en Johan Rozenblad, studerend voor arts en peetzoon van de ouders van de bruid, op als getuigen.20 Een broer van Netty’s moe¬ der, Sam Heide, hield als directeur van de Burgerlijke Stand de bij de ce¬ remonie horende toespraak. De inzegening van het huwelijk vond plaats in de Petrus en Paulus-kathedraal. Dat opa Halfhide hier koster was, hielp bij het verkrijgen van de benodigde toestemming. De dienst werd geleid door de Nederlandse pater Willebrands. Veel NPs’ers luisterden de plech¬ tigheid met hun aanwezigheid op. Ook woonden veel partijgenoten de receptie in het gebouw van de Chinese vereniging Chung Fa Foei Kon in de Keizerstraat bij. Arron: Toen was de oecumenische gedachte nog niet zo sterk uitgebouwd als vandaag de dag. Je moest als katholiek toestemming hebben van de bisschop om een gemengd huwelijk te kunnen aangaan. Kreeg je die toestem¬ ming, dan trouwde je niet in de kathedraal, maar in de pastorie tegenover de kathedraal. Dit gold ook voor ons. Bovendien diende mijn vrouw te beloven dat als wij kinderen zouden krijgen, deze katholiek zouden worden gedoopt. Maar wat gebeurde er? We moesten tekenen dat onze kinderen katholiek zouden worden gedoopt. We hebben niet getekend. We zouden moeten trouwen in de pastorie. We zijn niet getrouwd in de pastorie. We zouden niet kunnen trouwen in de kathedraal. We zijn getrouwd in de kathedraal, met klokkengelui en alle pracht en praal daaraan verbonden. Wat wil ik hiermee zeggen? Wij waren het eerste religieus gemengde echtpaar dat op zijn trouwdag het altaar van de Petrus en Paulus-kathedraal mocht betreden. Voor hun huwelijk bezochten beide geliefden om en om eikaars kerk. Henck vergezelde Netty naar diensten van de

ebg,

Netty ging met Henck

mee naar de mis, doorgaans in de kathedraal. Het was Arron die Netty overhaalde om belijdenis te doen. Volgens het reglement van de

ebg

be¬

tekende dit dat zij vooraf deelnam aan het heilig avondmaal. Deze viering werd beschouwd als een sleutelmoment in het lidmaat-worden en vond in besloten kring plaats. Omdat zijn vriendin voor het eerst in haar leven

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

aan de maaltijd van brood en wijn zou aanzitten, vroeg Arron toestem¬ ming aan het kerkbestuur om hierbij aanwezig te mogen zijn. Het kerk¬ bestuur weigerde. Arron voelde zich diep gekwetst en bezwoer nooit meer bij de

ebg

te zullen kerken. Tegelijk drong hij er bij Netty op aan de belij¬

denis door te laten gaan. Onder protest en in tranen gaf zij aan zijn ver¬ zoek gehoor. De betrokken predikant, dominee Hessen, toonde zich be¬ gripvol, maar verklaarde vanwege het kerkelijk reglement niets aan het besluit te kunnen veranderen. Bij het avondmaal zou Arron tegen zijn zin ontbreken, maar bij de belijdenisplechtigheid in de Rust en Vredekerk was hij aanwezig. Zijn voornemen omgeen reguliere diensten van de ebg meer te bezoeken, deed hij gestand. Wel zou hij als minister-president en vicepresident op uitnodiging nog bijzondere diensten van dit kerkgenoot¬ schap bijwonen.21 Het huwelijk zou tot de dood van Arron standhouden. Hoewel het vanaf de jaren zeventig, door verschillende oorzaken, steeds meer onder druk kwam te staan en beide echtlieden in toenemende mate hun eigen weg gingen, bleven zij bij elkaar en sleepten zij elkaar, ondanks alles, door moeilijke perioden heen. Zeker is dat de verbintenis een belangrijke sta¬ biliserende factor was in Arrons bestaan. Deze droeg bij aan de persoon¬ lijke rust die hij zocht, zeker na het overlijden van zijn vader, en vormde al gauw een onmisbaar tegenwicht voor de hectiek van zijn politieke be¬ staan. Tegelijk schonk deze verbintenis hem respectabiliteit en status, die een positieve weerslag hadden op zijn maatschappelijk welbevinden. Toch zat er ook een tragisch aspect aan hun relatie. Tot verdriet van beide partners zou hun huwelijk kinderloos blijven. Hoe hun leven er met kin¬ deren zou hebben uitgezien en wat dit voor hun verhouding zou hebben betekend, daarnaar kan men alleen maar gissen. Er stond tegenover dat de onvervulde kinderwens het Arron mogelijk maakte volledig op te gaan in zijn politieke werk.

TOETREDING TOT DE NPS

Kort na zijn terugkeer in Suriname had Arron zich als student aangemeld bij de Surinaamse Rechtsschool. Hoewel hij een betrekking had aanvaard bij de Vervuurtsbank verwachtte hij dat een avondopleiding rechten hem zou helpen zich verder te ontwikkelen en zijn maatschappelijke kansen te vergroten. Op de Rechtsschool kwam Arron in aanraking met de studentenver¬ eniging Labor Omnia Vincit (Arbeid overwint alles): Binnen deze vereni¬ ging was toen een strijd gaande tussen aanhangers van wat later de Partij Nationalistische Republiek, de pnr, is gaan heten en aanhangers van de nps.

63

Ik zat daartussen, want ik behoorde niet tot een van beide clubs. Bij Labor zat ook Karei Arah, lid van de partijraad van de

nps.

Pengel, toen nog geen voor¬

zitter van de nps, maar wel fractieleider, dat wil zeggen: politiek leider, was al enige tijd bezig om jongeren in de partij aan te moedigen bij leeftijdgenoten belangstelling te kweken voor de partij. Hij had zich geen betere figuur kunnen wensen dan Karei Arah, die erg actief was en ons, Arnold Kruisland, Humphrey Berggraaf en mij, op een gegeven moment in contact heeft gebracht met Pengel. Daar is het begonnen. Voordat Arron begin 1961 als penningmeester tot het bestuur van Labor toetrad en in 1962 in die functie werd herkozen, had Robin Raveles naam gemaakt als voorzitter van de vereniging. Onder diens aanvoering had Labor zich sterk vereenzelvigd met het nationalistische gedachtegoed van Eddy Bruma en sympathiek gestaan tegenover ‘progressieve’ landen als Rusland en Cuba. In de periode dat Arron en Kruisland onder voorzit¬ terschap van Humphrey Berggraaf deel uitmaakten van het bestuur ver¬ anderde dit. Hoewel eveneens voorstander van ontwikkelingen in de rich¬ ting van grotere politieke en culturele zelfstandigheid voor Suriname weigerden de bestuursleden om Bruma te volgen. Niet alleen hielden zij er andere ideologische opvattingen op na, zij wilden bovendien geen be¬ schuldigingen van communisme over zich afroepen. In het koudeoorlogsklimaat van die jaren was dat vragen om uitsluiting en marginalisering. Het bestuur stelde zichzelf ten doel een gematigd nationalisme uit te dra¬ gen en hiervoor een breed draagvlak te vinden. Pogingen van de Ravelesgroep om de bestuursleden daarbij alsnog in het kielzog van Bruma te trek¬ ken, mislukten.22 Arron herinnerde zich zijn Labor-periode als een roerige tijd. Het be¬ stuur onder leiding van Berggraaf viel het niet altijd gemakkelijk om de oppositie van de Raveles-groep te weerstaan. De ervaringen die Arron als vam s-voorzitter

had opgedaan, kwamen hem bij Labor goed van pas. Eind

1960 zorgde een incident op de Rechtsschool in de Surinaamse samen¬ leving voor de nodige beroering: Ik was erbij toen het portret van koningin Juliana, aangeboden door Suralco en bestemd om te worden opgehangen in het nieuwe clubgebouw van Labor, werd vernield. Raveles is daarvan het slacht¬ offer geworden en werd weggestuurd van de Rechtsschool, maarAtta Mungra was de dader. Pertinent. Maar we konden er niets aan doen, want Mungra hield zijn mond. Ik kende Mungra overigens niet goed. We kwamen elkaar af en toe in de wandelgangen tegen en wisten van eikaars bestaan, maar onder¬ hielden geen persoonlijk contact. Wel viel hij op als een van de weinige Hindostanen binnen de nationalistische beweging. Doordat de direct betrokke¬ nen tegenstrijdige verklaringen aflegden, zou nooit helemaal duidelijk

64

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

worden wie verantwoordelijk was voor de vernieling van het portret van Juliana.23 Dat Karei Arah het drietal Arron, Berggraaf en Kruisland polste voor het lidmaatschap van de

nps

staat vast. Maar volgens Berggraaf was hij

niet de enige die als tussenpersoon optrad: ‘Omdat wij stelling durfden te nemen tegen Bruma en een opvallende groep waren in de samenleving, als werkenden én studerenden, zocht Pengel contact met ons. Dat liep via een oom van mij, Jacques Esajas. Hij was een zwager van Pengel. Esajas deed een ernstig beroep op mij. Hij zei: “Pengel heeft je nodig. Wil je naar oom Jopie gaan, met het bestuur van Labor?” We hebben toen als bestuur een voorbespreking met Esajas gehad in de soos van Labor, op de hoek van de Waaldijkstraat en de Hogestraat. Daar ging Esajas na wie van ons inte¬ resse had om toe te treden tot de

nps.

Drie personen bleken daarvoor be¬

langstelling te hebben: Arron, Kruisland en ikzelf. Via Esajas is toen een afspraak gemaakt met Pengel.’24 Behalve Arah en Esajas speelden ook Walter Lim A Po en Jacques Proeve een rol in het werven van nieuwe bestuursleden voor de

nps.

Met name

Berggraaf onderhield goede contacten met Lim A Po, vertegenwoordiger van de

nps

in de Staten van Suriname, sleutelfiguur in de rekrutering van

nieuwe leden voor de partij en namens de

n p s -leiding

coördinator van de

propaganda in Paramaribo Zuid tijdens Statenverkiezingen. Aan de Drambrandersgracht, in de werkplaats van aannemer Jacques Proeve, kwamen leden van Labor af en toe bij elkaar voor een praatje. Proeve, jarenlang penningmeester van de

nps

en daarmee een erkende stonfutu (steunpi¬

laar) van de partij, onderhield zich op een ongedwongen, vaderlijke wijze met de jongeren en bracht verslag uit aan Pengel wanneer hem dit van belang leek. Ook via dit kanaal oefende Pengel invloed uit op wat hij zag als potentiële aanwas voor de nps. De afspraak van Berggraaf, Arron en Kruisland met Pengel vond plaats in sociëteit Het Park. Kruisland: ‘Hier waren we door Pengel ontboden. Toen we binnenkwamen, werden we door Walter Lim A Po en Chris Calor opgevangen. Hetwas duidelijk dat Pengel, om de psv te verzwakken, voor¬ al uit was op het binnenhalen van een rooms-katholieke jongere in de partij. Want Lim A Po en Calor gingen gewoon het rijtje af: ben jij katho¬ liek, jij, jij? Zij haalden Henck eruit om als eerste naar Pengel te gaan. Berggraaf en ik hadden de “pech” van huis uit protestant te zijn.’25 Berg¬ graaf: ‘Pengel zei ons: ik heb verwachtingen van jullie. Hij liet ook weten dat we moesten studeren. Hij wilde ons maatschappelijk verder zien ko¬ men en tegelijk bevorderen dat er in de ontstaan voor de intellectuelen in de

nps

psv.’26

een politiek tegenwicht zou

Arron zou in 1960 lid worden

65

van de

nps

en in 1961 toetreden tot het hoofdbestuur van de partij.27 Ook

Berggraaf werd in dat jaar tot hoofdbestuurslid gekozen. Kruisland zou in 1963 privésecretaris van Pengel worden. Na het mislukken van de ronde¬ tafelconferentie van 1961 haalde Pengel het drietal op 26 juli 1961 tijdens een massameeting van de

nps

op het podium. Onder de leuze onafhanke¬

lijkheid nu’ mochten zij in Grun Dyari het woord voeren. Drie politieke carrières waren geboren.28 Waarom koos Arron voor de

nps

en niet voor de

psv,

de partij waar¬

mee hij van huis uit zoveel vertrouwder was? Daar zijn verschillende re¬ denen voor. De uitnodiging van Pengel was eervol en kon met goed fat¬ soen niet worden afgeslagen. Voor jongeren als Arron was Pengel op dat moment de meest aansprekende politieke leider in Suriname. Hij nam duidelijk stelling, beschikte over veel charisma en oefende een groot ge¬ zag uit. De

nps

was bovendien een gematigd progressieve partij, waarvan

de doelstellingen veel dichter bij die van Arron lagen dan die van de behou¬ dende en dominant roomse binnen de

nps

psv.

Het proces van verjonging dat Pengel

op gang wilde brengen, kwam Arron daarnaast aanlokke¬

lijk voor. Het bood zicht op een langetermijnperspectief, temeer daar Pengel voor katholieken in de partij een speciale rol zag weggelegd. De handreiking kwam ten slotte op het juiste moment. Deze gaf invulling aan de ongerichte ambities van Arron, die verder wilde, maar niet wist hoe en die erkenning zocht, maar niet wist waar. Omgekeerd was Pengel geïntrigeerd door de potentie van Arron. Deze was jong, werkte én studeerde, en kon zich vanwege zijn rooms-katholieke afkomst ontwikkelen tot een serieus tegenwicht voor de jonge intellectuelen in de rivaliserende

psv.

Belangrijke troeven waren zijn flair

en zijn sociale en oratorische vaardigheden. Gaandeweg kwam Pengel er¬ achter dat Arron behalve een loyaal, toegewijd en gedreven partijlid ook een vooruitstrevend politicus was. Als zodanig kon hij stemmen afsnoe¬ pen van de concurrent, maar mogelijk ook van betekenis zijn bij het ver¬ volgen van het dekolonisatieproces waarin Suriname verwikkeld was. Het leertraject dat Arron onder de vleugels van Pengel doorliep en de ver¬ trouwensband die Pengel met Arron opbouwde, deden de NPS-voorzitter beseffen dat zijn inschatting juist was. Arron: Door mijn keuze voor de

nps

hield ik op politiek neutraal te zijn.

Maar binnen Labor bleef ik wel vriendschappelijk omgaan met de andere leden, ook met degenen die ideologisch tot het kamp van Bruma behoorden. Dat ver¬ klaart misschien dat nogal eens is gezegd dat ik lid van de

pnr

ben geweest.

Maar dat is niet correct. Ik ben nooit lid geweest van een andere partij dan van de nps. Sinds ik ben toegetreden tot deze partij ben ik de nps trouw gebleven.

POLITIEK BEWUSTZIJN. PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

Daarvoor was ik partijloos. Ze hebben me ook nooit op sleeptouw kunnen ne¬ men, de nationalistische jongeren. Ze hebben het wel geprobeerd hoor. Met een borrel, een gesprek, noem maar op. Maar ik ben er nooit op ingegaan. Hun stijl van actievoeren was niet de mijne. Ik veroordeelde hun politieke strijd niet, maar ze waren een stuk progressiever dan ik. Ik was gematigd, zeg links van het midden. Zij waren uiterst links. De NPS-jongeren trokken ook in hun vrije tijd met elkaar op. In de auto van de vader van Arnold Kruisland maakten zij menig uitstapje. Eenmaal zou het gezelschap, met Berggraaf aan het stuur en Arron, Kruisland, Morris Tuur en Jules Wijdenbosch als medepassagiers, bij Leonsberg een aantal malen over de kop slaan, maar als door een wonder ongedeerd blij¬ ven. In december 1962 publiceerden ‘de jongeren van de

nps’

een com¬

muniqué waarin zij protest aantekenden tegen de ‘desorganisatie’ in de partij en tegen ‘de funeste machtsconcentratie’ in handen van één persoon. De ondertekenaars, onder wie Berggraaf en Wijdenbosch, pleitten voor een

nps

op moderne leest geschoeid, werkend vanuit ideologische prin¬

cipes en openstaand voor vernieuwing en verdergaande democratisering. Wat algemeen werd beschouwd als een aanval op Pengel - en waarin naar verluidt vooral nps-coryfee Frank Essed de hand had - zorgde voor ver¬ deeldheid onder de NPS-jongeren. De NPS-leiding ondernam snel actie en wist op 9 december tijdens een vergadering van de partijraad de jonge¬ ren ertoe te bewegen hun verklaring in te trekken. Onder druk publiceer¬ den zij een tweede communiqué waarin zij de tekst van het eerste com¬ muniqué herriepen.29 Met hun actie hadden Berggraaf, in de partij ook wel de tweede lopie Pengel genoemd, en Wijdenbosch zichzelf als coming men aanmerkelijke schade toegebracht. Daarentegen was de ster van Arron - die volgens on¬ bevestigde berichten Pengel op de hoogte had gehouden van de intriges, wat de ondertekenaars van het communiqué als verraad bestempelden stijgende. Wijdenbosch: ‘Essed, Berggraaf en ik hadden duidelijk andere ideeën over de verhouding tussen de partijleiding en de leden dan Arron, die in deze kwestie een meer pragmatisch standpunt innam. Hoewel hij niet op voorhand afwijzend stond tegenover onze kanttekeningen was hij te veel een tacticus om de partijleiding onwelgevallig te willen zijn. Berg¬ graaf stond nummer twee op de lijst in Paramaribo voor de verkiezingen van 1963, maar raakte na het incident die plek kwijt, terwijl Arron, met steun van de ouderen in de partij, juist een positie op de lijst wist te be¬ machtigen. Politiek, zo zou je kunnen zeggen, scheidden onze wegen zich. Maar onze persoonlijke vriendschap heeft hier nooit onder geleden. We hebben altijd een goed contact onderhouden.’30

67

EEN NIEUWE OMGEVING

De toetreding van Arron tot de

nps

vormde een keerpunt in zijn leven.

De uitnodiging van Pengel bleek de handreiking waarop hij had gewacht. Langzaam begonnen de stukjes van zijn loopbaanpuzzel op hun plek te vallen. Hij had zijn bestemming nog niet bereikt, maar wel een beslissen¬ de stap in de goede richting gezet. Zijn studie aan de Rechtsschool, waar¬ van hij nooit serieus werk had gemaakt, gaf hij eraan. Hij vertrouwde erop dat zijn bancaire en politieke activiteiten hem voldoende mogelijk¬ heden zouden bieden om maatschappelijk vooruit te komen. Wel bleef hij nog enige tijd vertoeven in kringen van Labor. Als trefpunt voor politiek geïnteresseerden behield de vereniging haar aantrekkingskracht, of zijn gesprekspartners nu gelijkgestemde zielen waren of niet. In Arrons directe omgeving waren de reacties op zijn overstap ge¬ mengd. Zijn eigen familie had er geen moeite mee. Ondanks het feit dat moeder Arron haar politieke lot verbonden had met dat van de p s v, ging zij er niet vanuit dat haar kinderen haar hierin automatisch zouden volgen. Zij liet haar zoon niet alleen vrij in zijn politieke keuze, maar zou hem tij¬ dens zijn loopbaan onvoorwaardelijk steunen. Bij zijn schoonfamilie maak¬ te Arrons besluit weinig geestdrift los. De bezorgdheid van vader Leeu¬ win, die mede aan de wieg had gestaan van de nps, gold vooral de druk die de politiek op het privéleven van het jonge echtpaar zou leggen. In de ogen van het toenmalige establishment was de

nps

een machopartij en namen

niet alle leden het even nauw met gedragscodes die in het algemeen voor betamelijk doorgingen. Vader Leeuwin - zuinig op zijn enige dochter wenste dat zijn schoonzoon afstand zou bewaren tot partijgenoten voor wie een hedonistische levensstijl als een begerenswaardig levensdoel gold. Veel mensen in de Julianastraat beschouwden Arrons keuze voor de nps

niet ten onrechte als een breuk met pastoor bakadyari. De ontkoppe¬

ling van geloofsopvatting en maatschappelijke overtuiging viel bij hen niet altijd in goede aarde. In enkele gevallen trad een verwijdering op tus¬ sen Arron en zijn vrienden. De oppositie van de de

psv

psv

tegen Arron was fel. Het lag voor de hand dat

haar pijlen met grote precisie richtte op NPs’ers die in stelling wa¬

ren gebracht juist om aanhangers bij eerstgenoemde partij weg te lokken. Gelet op zijn religieuze achtergrond kon Arrons stap bovendien gemak¬ kelijk als een verraad aan de roomse zaak worden verkocht aan de achter¬ ban van de partij. Veel succes had de

psv

echter niet met haar aanvallen.

De partij liep steeds minder in de pas van de tijdgeest, die aan geloofs¬ overtuiging als ordenend principe in de politiek allengs een verminderd belang toekende. Toen in 1963 de psv’er Guda in het partijgebouw aan de

68

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

4- Henck Arron en Johan Adolf Pengel tijdens een Nps-bespreking ten huize van de familie ManAHing, eerste helft van 1962

Keizerstraat hard naar Arron uithaalde, had dit op moeder Arron een ont¬ nuchterend effect. Niemand komt aan mijn kind, reageerde ze, en van het ene op het andere moment hield ze op de

psv

mijn moeder nooit geprest om toe te treden tot de

te steunen. Arron: Ik heb nps.

Ik heb haar ook nooit

een lidmaatschapskaart van de partij aangeboden. Het was niet nodig. Ik wist: zij gaat daar waar haar zoon is. In mijn politieke filosofie is een lidmaatschaps¬ kaart niet het bewijs datje waarachtig lid bent van een partij. Want ik kan je ze zo opnoemen. Afhankelijk van waar ze komen, gooien ze een lidmaatschapskaartje voor je op tafel (lacht). Ik heb te veel meegemaakt en te veel gezien. Lidmaatschapskaarten spelen voor mij in de politiek geen enkele rol. De omgang van Arron met Pengel was intensief. Vanaf het moment dat hij toetrad tot de

nps

maakte hij deel uit van zijn entourage en stond hij

de leider in alle mogelijke situaties bij: Het was zo erg dat als Pengel me een dag of twee niet had gezien, hij me belde met de vraag of we ruzie hadden. Of hij liet me weten dat ik hem verwaarloosde. Ik was geen slaafse leerling van hem, want we gingen vaak genoeg met elkaar in discussie. Alleen nooit waar andere mensen bij waren. Dat moest je niet doen bij Pengel. Maar als je hem apart nam en je standpunt tegenover hem uiteenzette, dan waardeerde hij dat. Zolang je in het openbaar je loyaliteit jegens hem maar manifesteerde. Je moest het niet in je hoofd halen om Pengel dwars te zitten. Deed je dat, dan was je afge¬ schreven. Weg. Politiek dood. Essed, Sedney en Rens konden erover meepraten.

69

Drie jaar na zijn toetreden tot de

nps

en twee jaar na het verkrijgen van

het lidmaatschap van het hoofdbestuur van de partij, kwam Arron in 1963 voor de

nps

in het parlement. Arron was schaduwkandidaat van Pengel,

die in dat jaar tot Statenlid gekozen werd, maar zijn zetel moest opgeven, omdat hij het ambt van minister-president op zich nam.31 Bij de verkie¬ zingen van 1967 werd Arron rechtstreeks tot Statenlid gekozen. In 1969 herhaalde zich wat in 1963 had plaatsgevonden: Pengel was gekozen tot lid van de Staten, maar gaf zijn zetel op ten gunste van schaduwkandidaat Arron. De kandidaatstelling van Arron in de jaren zestig laat de nauwe band zien die er tussen hem en Pengel bestond.32 Hoe deed Arron het als jong parlementariër? Verschilde het optreden van het Statenlid noemenswaardig van dat van het bestuurslid van Labor? Berggraaf: Arron viel niet erg op in het bestuur van Labor. Er waren initia¬ tiefrijkere leden. Hij lette vooral op de financiële haalbaarheid van ander¬ mans plannen. Was hij eenmaal overtuigd van een goede zaak, dan was hij bereid risico’s te nemen. Maar meestal stelde hij zich afwachtend op. Dat zag je ook in zijn begintijd in de

nps.

Hij trad in de voetsporen van

Pengel, nam veel over van diens wijze van spreken en mimiek, en hield zich verder tamelijk gedeisd. Wel toonde hij een talent voor strategie. Wan¬ neer hij ergens aanwezig moest zijn, dan was hij er ook. Maar hij wist ook precies wanneer hij ergens moest wegblijven. In het kiezen van het juiste moment was hij heel bedreven.’33 Wijdenbosch: Arron was een goed be¬ stuurslid van Labor, maar liet zijn eigen keuzes nooit duidelijk merken. Hij “danste”, waar anderen uitgesproken opvattingen ventileerden. Naar¬ mate hij langer in de Staten zat, ontwikkelde hij die houding steeds ver¬ der.’34 Volgens Sedney vielen vooral de werklust, de leergierigheid en het politieke fatsoen van Arron op. Als jong Statenlid ontpopte hij zich al vrij snel als een ijverig student van de Handelingen van de Staten van Surina¬ me. Hij las de redevoeringen van politieke voorgangers en tijdgenoten, verdiepte zich in hun werkwijze en argumentatie, en bestudeerde de po¬ litieke stunts en handigheden van leiders als Pengel, Rens en Lachmon. Arron was ook een trouw bezoeker van Statenvergaderingen en ontwik¬ kelde zich tot een constructief spreker, die zich nooit te buiten ging aan banaliteiten of scheldpartijen. Nooit hoefde de parlementsvoorzitter hem tot de orde te roepen. Wat daarnaast hielp, was dat hij de fysieke kenmer¬ ken van een politiek leider bezat: rijzige gestalte, opgeheven hoofd en voor¬ uitgestoken borst. Ook was hij begiftigd met demagogische kwaliteiten in de stijl waarmee men in de nps furore kon maken.35 Henny Getrouw, evenals Arron een Nps’er van rooms-katholieke huize,

70

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

leerde Arron kennen toen die nog bestuurslid van Labor was. Getrouw: In 1962 zijn we met Sisa Lobi (Zusterliefde) als kern begonnen. Die naam was eigenlijk een grapje richting Pa Morie. Die had een kern die Liefde heette. Vrouwen speelden in Sisa Lobi een vooraanstaande rol. Zoals Juliana Comvalius, een zuster van de ex-schoonvader van Jopie Pengel. Weet je, vrouwen zijn serieus. Ze zijn bereid om te werken en kunnen goed organiseren. Veel mannen zijn grappenmakers. Omdat de kern de steun had van 33 NPS-leden begreep Pa Morie dat de partij wel tot erken¬ ning van Sisa Lobi moest overgaan. Dat is ook gebeurd. Er is toen een be¬ stuur gevormd van elf personen. Ik heb Arron bij Sisa Lobi geïntroduceerd. Meestal kwam hij op de brommer naar de Verlengde Weidestraat om te praten en te luisteren. Ook toen was hij al een goede babbelaar. Maar hij was ook erg voorzichtig. Miewarskow (ik waarschuw), zei hij altijd. Hij wil¬ de ook geen adviseur van Sisa Lobi worden. Wel beschermheer. Dat vond hij veiliger. Daar had hij natuurlijk ook gelijk in. Het gaf hem meer ruimte om te manoeuvreren.’36 Hoewel Pengel zijn grote leermeester was, diende volgens Arron de bijdrage van Lachmon aan zijn politieke vorming niet te worden onder¬ schat: ‘Ik ben in opleiding geweest bij Pengel én Lachmon. Toen de ver¬ houding tussen die twee nog goed was, kwamen toppers van de nps en de vhp elke zondag in het huis van Harry Radhakishun bij elkaar. Als kleine

jongen ging ik met Pengel mee naar die bijeenkomsten. Ik mocht alleen luisteren. Ze waren tough toch, die leiders. Meestal begonnen ze rond een uur of twaalf ’s middags en gingen ze door tot middernacht. De tijd werd doorgebracht met eten, drinken en praten. Alleen maar politiek, politiek, politiek. Met Pengel zette Lachmon in dat gezelschap de toon. Op 18 no¬ vember 1975 heb ik in de Staten tijdens de debatten over de onafhankelijk¬ heid Lachmon als mijn politieke goeroe erkend en heeft het hele kabinet, uitgezonderd Bruma, dat geaccepteerd.’37 In zijn parlementaire loopbaan, die tot de dood van Pengel zeven jaar en na diens overlijden nog eens drie jaar zou duren, groeide Arron uit tot een allround parlementariër, met een fascinatie voor machtspolitieke krachtmetingen en een voorliefde voor financiële dossiers. Zijn financieeltechnische en bancaire deskundigheid leidden hem in de tweede helft van de jaren zestig naar het voorzitterschap van de vaste commissie voor financiële zaken en het lidmaatschap van de vaste commissie voor econo¬ mische zaken. Door een combinatie van ijver, discipline en voorzichtig¬ heid wist Arron zich als Statenlid te handhaven. In de nps bleef hij, met Pengel als beschermheer, de steun genieten van de partijtop, overwegend personen die een generatie ouder waren dan hijzelf. Deze seniorleden

71

beschouwden hem als een betrekkelijk onervaren en ongevaarlijke, maar ook als een betrouwbare en verdienstelijke medestander, geduldig zijn kansen wegend en wars van risicovolle experimenten. Zeker in dat laat¬ ste opzicht onderscheidde Arron zich van een aantal van zijn generatie¬ genoten in de partij.

POLITIEKE KERNMOMENTEN

In de periode 1958-1969 domineerde de nps de landspolitiek, als grootste fractie in de Staten en als grootste partner in regeringscoalities. Het land werd bestuurd door drie opeenvolgende kabinetten waarin de

nps

de

toon aangaf: één onder aanvoering van S.D. Emanuels (1958-1963) - op de achtergrond aangestuurd door Johan Adolf Pengel - en twee onder aanvoering van Pengel zelf (1963-1969). De belangrijkste coalitiepartner van de

nps

was tot 1967 de Verenigde Hindostaanse Partij

(vhp)

onder

leiding van Jagernath Lachmon. Pengel en Lachmon werkten samen op basis van wat zij noemden de verbroederingspolitiek, een informeel sa¬ menwerkingsverband dat voor politieke stabiliteit zorgde en waarbij hun Creoolse respectievelijk Hindostaanse achterban werden geaccommo¬ deerd met banen, beurzen, percelen grond en andere gunsten. De ver¬ broederingspolitiek gaf een belangrijke impuls aan de emancipatie van donkergekleurde Creolen en Hindostanen en drong de macht van de licht¬ gekleurde Creoolse elite verder terug.38 De vooruitgeschoven rol van de nps hing samen met de machtspositie van Pengel. Deze was sinds 1949 lid van de Staten van Suriname (afgezien van een korte onderbreking in 1955), sinds 1950 voorzitter van vakcentra¬ le de Moederbond en sinds 1957 voorzitter van de partijraad van de

nps,

het hoogste bestuursorgaan van de partij. In 1962 was Pengel erin geslaagd ook voorzitter van het hoofdbestuur van de nps te worden. In de vergade¬ ring waarin hij in die functie werd gekozen, sloot het bestuur grote groe¬ pen aanhangers van Pengels tegenkandidaat onverhoeds van het uitoefenen van hun stemrecht uit. Dit zette kwaad bloed in de partij, maar Pengels rivaal, Eugène Doelwijt, legde zich bij het eigenmachtige ingrijpen van het partijbestuur neer. De leiderspositie die Pengel feitelijk al sinds 1954 - na zijn breuk met David Findlay - in de partij bekleedde, werd met zijn uitverkiezing tot bestuursvoorzitter geformaliseerd.39 Al in 1958 had Pengel de gelegenheid gehad om minister-president te worden, maar hij had zijn partijgenoot Emanuels het ambt gegund. Van¬ uit de Statenbanken voerde hij de regie over diens kabinet. In 1963 stemde hij erin toe om zelf minister-president te worden. Arron: Van tevoren stond vast dat als de nps de verkiezingen zou winnen, Pengel het premierschap op

72

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

zich zou nemen. Jopie was hiertoe gedwongen door de partij. Hij had er niet veel zin in, maar we hebben hem ervan kunnen overtuigen dat we het Engelse systeem moesten volgen: de partijleider diende de minister-president te zijn. Persoonlijk denk ik dat de rol van fractieleider Pengel beter op het lijf was ge¬ schreven dan de rol van premier. Maar vergeet niet dat men Pengel, net als Lachmon nu, lange tijd verweten heeft dat hij geen minister of minister-presi¬ dent wilde worden. Dat hij bang was een dergelijke post te accepteren. Pengel kennende mocht je hem dat nooit zeggen. Hij zou daar niet mee kunnen leven. Een factor die Pengels beslissing ten aanzien van het premierschap positief beïnvloedde, was het nieuwe kiesstelsel, dat kort voor de verkie¬ zingen van 1963 tot stand was gekomen. Het oude stelsel was met een aantal nieuwe kiesdistricten uitgebreid. In plaats van één kiesdistrict waren er nu drie kiesdistricten Suriname (11, in en iv). Daarnaast waren toegevoegd de districten Boven Marowijne en Brokopondo en een natio¬ naal district. Het aantal zetels werd navenant herzien en met vijftien uit¬ gebreid tot 36. De aanpassing werd beschouwd als een versterking van de positie van de nps en de vhp. De gedachte was dat, gelet op de bevolkings¬ samenstelling in de districten en het overwegend etnische stemgedrag, de

nps

vhp

de zetels in Boven Marowijne en Brokopondo zou winnen en de

de zetels in de districten Suriname. De introductie van het systeem

van evenredige vertegenwoordiging in het nationale district, naast het bestaande personenmeerderheidsstelsel, opende behalve voor de geves¬ tigde partijen ook mogelijkheden voor partijen die eerder niet in het par¬ lement vertegenwoordigd waren geweest. Voorts werd vastgelegd dat een gekozen parlementariër die minister werd, tussentijds als minister kon aftreden en vervolgens zijn zetel in de Staten weer kon innemen. Voor Pengel was dit een geruststellende gedachte. Het betekende dat als hij als minister-president zou falen, hij altijd de gelegenheid zou hebben om de NPS-fractie weer te leiden. Een andere aanpassing van het kiesstelsel werd gerealiseerd in 1966. Deze bestond eruit dat de drie kiesdistricten Suriname tot één district werden samengevoegd. Het aantal zetels in wat nu genoemd werd kies¬ kring ii werd uitgebreid met drie, wat het totale aantal Statenzetels op 39 bracht. Voor de vhp betekende deze uitbreiding, gelet op haar potentiële aanhang in kieskring 11, een noemenswaardige versterking van haar posi¬ tie. De nieuwe districtsindeling en de aangepaste zetelverdeling zorgden ervoor dat de representatiekansen van de vhp meer in balans werden ge¬ bracht met de numerieke sterkte van de Hindostaanse bevolkingsgroep. Ten slotte besloot de regering het personenmeerderheidsstelsel verder terug te dringen ten gunste van het stelsel van evenredige vertegenwoor-

73

diging. Naast de twaalf zetels in het landelijke district werden vanaf dat moment ook de tien zetels in het district Paramaribo en de zes zetels in kieskring ii op basis van evenredige vertegenwoordiging verdeeld.40 Volgens Arron waren de wijzigingen in het kiesstelsel geen doelbe¬ wuste poging van de

nps

en de

vhp

om hun positie veilig te stellen: Ik

weet dat dit wordt gezegd, maar het raakt niet de kern van de zaak. De aan¬ passingen waren bedoeld om de districtsbewoners meer bij het democratisch stelsel te betrekken en om de niet-gevestigde partijen een grotere kans te geven in het parlement te worden gekozen. Daarnaast verschafte het herziene kies¬ stelsel partijcombinaties een gunstiger uitgangspositie vergeleken bij zelfstan¬ dig opererende partijen en partijtjes. Op die manier kon stemmenversnippe¬ ring worden tegengegaan. Je ziet dat vanaf dat moment partijcombinaties steeds de verkiezingen winnen. In 1969 probeerde de

nps

het op eigen kracht, maar

verloor ze dramatisch, ook omdat politiek Suriname zich toen en bloc tegen Pengel keerde. De VHP-PNP-SRi-combinatie won, zoals later ook de npk- en de Front-combinaties.41 Arrons waardering voor de wijzigingen hing samen met zijn voorkeur voor een stelsel van twee partijen of twee partijcombi¬ naties. Zijn leven lang zou hij dit stelsel propageren als het meest geeigende voor Suriname. Naar zijn oordeel beschikte het electoraat in dat geval over een duidelijke keuzemogelijkheid, was het mogelijk om betrek¬ kelijk snel krachtige en besluitvaardige regeringen te formeren, konden etnische tegenstellingen binnen de partijen of partijcombinaties van hun scherpe kanten worden ontdaan en zou er een einde komen aan de wild¬ groei van partijen en partijtjes die het land onevenredig veel geld kostte en tot een ongewenste verspilling van menselijk potentieel leidde.42 Veel aandacht trok in de jaren zestig de rivaliteit tussen Pengel en Bruma. Dat was al begonnen met de terugkeer van de nationalistische leider naar Suriname in 1955. De spanningen tussen beide politici namen toe vanaf het moment dat de Nationalistische Beweging Suriname

(nbs)

de straat opging om publiekelijk actie te voeren en bereikten een hoogte¬ punt nadat in 1961 de

pnr

was opgericht. Arron: Maar niet vergeten mag

worden dat Pengel persoonlijk heel gecharmeerd was van de nationalistische jongeren. Van Bruma, van Gessel, maar ook van anderen. Hun activiteiten in Nederland ter verhoging van het bewustwordingsproces onder Surinamers en hun streven naar onafhankelijkheid hadden de steun van Pengel. Lees zijn ar¬ tikelen in De Volksstem. Maar juist omdat het gedachtegoed van Bruma en Pengel verwant was en beiden hengelden naar de gunst van vooral het Cre¬ oolse electoraat, was de rivaliteit groot. En dus attaqueerden zij elkaar en dat ging er soms grof aan toe. Pengel die Bruma uitmaakte voor socialist en com¬ munist, dat werk. De strijd kende geen condities (lacht). Maar de tactiek van

74

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

Pengel werkte. Hij trok aan het langste eind. Bruma appelleerde sterk aan de gevoelens en gedachten van Surinaamse jongeren, maar slaagde er tijdens verkiezingen niet in hun stem te winnen. Pas in ig6g lukte het de pnr om één zetel te veroveren. In 1973 kwamen er een paar zetels bij. Mogelijkheden om PNR-jongeren over te halen tot de

nps

toe te tre¬

den, waren er nauwelijks. Daarvoor waren de verhoudingen te gepola¬ riseerd en waren de leiders van beide partijen te vastbesloten om het politieke gevecht aan te gaan. Arron: Er is binnen de nps één poging onder¬ nomen om toenadering te zoeken tot de

pnr.

Die poging was een initiatief van

Frank Essed. Pengel heeft hem dat niet in dank afgenomen. Het is ook niets ge¬ worden, wat voeding gaf aan de frustratie die bij Essed, maar ook bij Rens en Sedney, leefde over de machtsconcentratie in handen van Pengel. In 1955 was er al een scheuring in de richtte de

sdp

traden uit de

nps

geweest. De groep-Findlay brak met Pengel en

op. In ig6y gebeurde iets vergelijkbaars. Rens, Essed en Sedney nps

en begonnen de

pnp.

Dit was een aderlating voor de partij.

Alle drie waren vooraanstaande politici, ieder met hun eigen aanhang, die voor de

nps

belangrijke functies hadden bekleed. Maar het vertrouwen was

weg, vooral tussen hen en Pengel. En politiek is hard. Je gaat ze niet terugroe¬ pen. Wil je weg, dan kan je weg, maar dan hoefje ook niet meer terug te ko¬ men. Zo gaat het in alle partijen. Ben je een verrader, dan word je dienover¬ eenkomstig behandeld. Het heeft de pnp overigens geen windeieren gelegd. De partij won in ig6g de verkiezingen, zoals de Maar de

nps

sdp

in ig$y, de verkiezingen won.

herstelde zich weer in ig/3, zoals zij zich ook in 1958 had her¬

steld. Tussen Pengel en de drie dissidente NPs’ers zou het nooit meer goed komen. Pas geruime tijd na het overlijden van Pengel zouden Essed en Sedney terugkeren in de boezem van de nps. Tot een hereniging van Rens met de nps is het nooit gekomen. De beschuldiging van machtsconcentratie die Pengel aankleefde, had betrekking op zijn voorzitterschap van het nps-hoofdbestuur, van de

nps-

-partijraad en van de Moederbond, al het hij op het moment dat hij het premierschap aanvaardde dit laatste voorzitterschap waarnemen door G.F. van der Leeuw. Pengel combineerde genoemde functies met de amb¬ ten van minister-president, minister van Algemene Zaken en minister van Financiën. Dit werd gezien als een onwenselijke cumulatie van macht, die niet paste binnen de bestaande democratische verhoudingen. Daarnaast wekte het in brede kring verontwaardiging dat Pengel voor het beheren van de drie ministersportefeuilles drie ministerssalarissen incasseerde. Een ander kritiekpunt betrof Pengels gewoonte om met een betrekkelijk groot gevolg buitenlandse reizen te maken. Niet alleen werd de omvang van zijn delegatie vaak niet in overeenstemming geacht met het gekozen

75

reisdoel, de kosten van deze dienstreizen drukten zwaar op de begroting. Arron kwalificeerde de kritiek op Pengel als te simpel: Men ging te¬ keer tegen de machtsconcentratie in zijn handen, zoals men later ook tekeerging tegen de machtsconcentratie in mijn handen. Maar dat zijn altijd begrippen die gehanteerd worden als je de leider wilt bestrijden; zeker in de Surinaamse politiek, die zeer persoonsgebonden is. Die machtsconcentratie kan er zijn, maar dat hoeft niet. Je kunt je achteraf de vraag stellen of Pengel zo veel porte¬ feuilles had moeten accepteren. Maar het zijn de omstandigheden die je ertoe dwingen. Pengel is noodgedwongen minister van Financiën geworden. Hij wil¬ de het niet, maar hij had geen keus. Hij had voor deze post drs. Rijsdijk op het oog, die ook een tijdje op de Centrale Bank heeft gezeten. Maar door familie¬ omstandigheden kon Rijsdijk de uitnodiging van Pengel niet aanvaarden. Jopie bood de portefeuille vervolgens aan Sedney aan. Maar ook Sedney wei¬ gerde. Wat moest Jopie doen? Ik kwam in 1973 in bijna identieke problemen. Ook mijn beste kandidaat voor de post van Financiën, André Brahim, viel af.43 Ik heb toen deze post op mij genomen. Maar ik heb het in 1977 niet herhaald. Toen heb ik wel een minister van Financiën gezet. Ook Pengel besloot in 1967 de portefeuille van Financiën aan een collega-minister toe te vertrouwen. Bedenk hierbij dat het niet Pengel is geweest die zichzelf drie ministerssa¬ larissen heeft toebedeeld. Het is de raad van ministers onder leiding van viceminister-president Kraag geweest die dit heeft besloten. Pengel was niet eens in het land toen dit gebeurde. Maar zijn collega-ministers hebben hem er bij terugkeer van kunnen overtuigen dat het een billijk besluit was. Dat heeft hij toen geaccepteerd. Het typeerde hem dat hij het geld niet ten eigen bate heeft aangewend. Hij heeft het gedoneerd aan sociale instellingen. Achteraf kun je zeggen dat Pengel er misschien verstandig aan had gedaan het besluit van de ministerraad te herroepen. Om alle schijn van bevoordeling weg te nemen. Maar om een mij onbekende reden heeft hij dit niet gedaan. Ook over Pengels reizen naar het buitenland bestaat een eenzijdig beeld. Hij zou met te grote gezelschappen op stap gaan, te veel entourage meenemen, te veel geld uitgeven et cetera. Ik ben verschillende keren met Pengel naar het buitenland geweest en ik moet zeggen dat deze verhalen erg overdreven waren. Pengel ging met behoorlijk omvangrijke delegaties op reis, dat is waar. Maar hij deed dit, omdat hij ervan overtuigd was dat die nodig waren om Suriname internationaal op de kaart te zetten. Binnenslands wilde hij bovendien niet het odium op zich laden dat hij delen van het bedrijfsleven en de vakbeweging van deelname uitsloot. Het beeld van de reislustige en spilzieke Pengel werd door de oppositie echter hardnekkig in stand gehouden. En gecultiveerd. Met name in 1969 heeft dit zich tegen hem gekeerd. Parallel aan de roerige ontwikkelingen in de

76

nps

en het vertrek van

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

Rens, Essed en Sedney uit de partij verloor de verbroederingspolitiek lang¬ zaam maar zeker haar glans. Dat de formule van geven en nemen sleets begon te raken, was al merkbaar na de wijziging van het kiesstelsel in 1966, toen de

nps

en de vhp zich meer dan daarvoor als nationale partij¬

en trachtten te profileren. De vhp deed dit door haar naam te veranderen in Vatan Hitkari Partij (Partij ter bevordering van het Nationaal Welzijn) en door niet-Hindostanen een plaats te geven op de kandidatenlijst voor de verkiezingen. De

nps

besloot binnen de partij presidia op te richten voor

Hindostanen, Javanen en Chinezen, zodat de deelbelangen van deze groe¬ pen binnen de

nps

beter gewaarborgd konden worden. Deze hervormin¬

gen, die in naam een nationaal karakter droegen, bestendigden echter vooral de etnische oriëntatie van beide partijen. In 1967 won de

nps

andermaal de verkiezingen. Pengel schreef Lach-

mon een memorandum, waarin hij voorstellen deed voor een regeerak¬ koord. Lachmon liet weten dat het voor de vhp niet mogelijk was op basis van dit memorandum met de

nps

een samenwerkingsverband aan te

gaan. Arron: Het is dus Lachmon geweest die de samenwerking heeft verbro¬ ken. Geen van beide leiders heeft echter ooit duidelijk gemaakt wat de oorza¬ ken waren van het beëindigen van hun verbroederingspolitiek. Natuurlijk is erover gespeculeerd: de chemie tussen de twee leiders zou verdampt zijn, de vhp

de

zou een ministerszetel méér hebben gewild dan de nps wenste toe te staan,

vhp

zou zich inmiddels zo nadrukkelijk op de politieke kaart hebben ge¬

plaatst dat ze de

nps

als coalitiegenoot niet meer nodig had. Toch weet nie¬

mand er het fijne van. Zo bijzonder is dat trouwens niet. De oorzaak van de breuk tussen Pengel en Findlay in 1954 is ook nooit naar buiten gekomen. De familie Findlay heeft nooit geweten wat zich precies tussen die twee heeft af ge¬ speeld. Vroeger was het zo dat de twee pausen tot een akkoord waren gekomen als ze zich hadden teruggetrokken en er witte rook uit de schoorsteen tevoorschijn kwam. Niemand vroeg hun dan hoe de zaken tot een oplossing waren ge¬ bracht. Dat regelden zij onderling. Maar in 196J waren Pengel en Lachmon to¬ taal op elkaar uitgekeken. Vandaar ook die prikkelende opmerkingen over en weer vlak vóór hun breuk. Wat ze elkaar toen in het parlement naar het hoofd slingerden, loog er niet om. In zijn eigen partij stond Lachmon onder zware druk, vooral van jongeren die vonden dat hij zich te toegeeflijk opstelde jegens Pengel. Naarmate Pengel zijn machtspositie versterkte, ging de vhp zich steeds meer tekortgedaan voelen en verliep de samenwerking steeds stroever. Tot de bom barstte en Lachmon ervoor bedankte om met Pengel verder te gaan. De onenigheid over een extra zetel was eerder een aanleiding tot dan de oorzaak van het beëindigen van de samenwerking.

77

Volgens Arron waren de verhoudingen binnen de

nps

niet dusdanig

dat partijgenoten Pengel waarschuwden dat hij te veel macht naar zich toe trok en de relatie met Lachmon op het spel zette: Niemand zou dit ge¬ durfd hebben. Je deed dat gewoon niet. Pas toen het leiderschap van Pengel aangetast raakte, durfden partijgenoten zich te roeren. De eerste keer was met de verkiezingen van

ig6y,

toen Rens, Essed en Sedney uit de nps stapten en de

strijd tegen Pengel aanbonden. Dat kon ik overigens nog wel begrijpen, want dat was een politieke kwestie. Maar waar ik mij aan gestoord heb, was de twee¬ de actie binnen de partij, toen men doorkreeg dat de gezondheidstoestand van Pengel niet was zoals die zou moeten zijn en er geen garantie bestond dat hij het politieke leiderschap van zijn partij nog op zich zou kunnen nemen. Toen zijn de aanvallen van mensen binnen de partij tegen Pengel verhevigd. Dat heeft hij bijzonder kwalijk gevonden, maar ik ook. Want je gaat iemand niet at¬ taqueren, je gaat niet verder aan zijn politieke dood werken als je weet dat de man zijn lichamelijke toestand slecht is. Dat doe je niet. Maar de Pro Patriagroep schrok daar niet voor terug. Die schermde met de noodzaak van verkie¬ zingen binnen de partij, maar wilde gewoon toeslaan. Dat wil zeggen: de macht overnemen en Pengel een kopje kleiner maken. Maar let wel: Pengel had tapes van alle vergaderingen van Pro Patria. Hij was ook niet gek. Ik heb die tapes zelf gehoord. Dit is geen informatie die ik van derden heb. Pro Patria manifesteerde zich niet toevallig na de door de

nps

verlo¬

ren verkiezingen van 1969. Aan deze zwarte bladzijde in de geschiedenis van de

nps

was de val van het tweede kabinet-Pengel vooraf gegaan. De

wijze waarop dit kabinet zijn regeermacht kwijtraakte, was voor de

nps,

en niet het minst voor Arron persoonlijk, een traumatische ervaring, die een schaduw zou werpen over de verhouding tussen hem en Lachmon en die de samenwerking tussen de

nps

en de vhp voor jaren zou blokkeren.

Om die reden is het goed dit hoofdstuk te besluiten met een uiteenzet¬ ting over de val van Pengel, in het bijzonder bezien vanuit het perspectief van Arron.

DE VAL VAN PENGEL

Het kabinet-Pengel kreeg in januari en februari 1969 te maken met stakin¬ gen van leraren en onderwijzers, die het land in een ernstige crisis stortten. Leden van de Vereniging van Leraren bij het Middelbaar en Kweekschoolonderwijs

(velmek)

gingen de straat op uit protest tegen het schenden

van vakbondsrechten door de regering en het plegen van inbreuk op de rechten van een collega die zonder voorafgaand overleg (maar naar ver¬ luidt omdat hij een lastige vakbondsbestuurder was) naar het ministerie van Mijnbouw, Bosbouw en Domeinen was teruggeplaatst. De stakende

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJ LIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

leraren kregen bijval van de Federatie van Organisaties van Leerkrachten in Suriname

(fols),

die de regering ervan beschuldigde zich niet te hou¬

den aan een reeds in 1966 gedane belofte om de salarissen te verhogen. De regering kwam tot een akkoord met de ve l m e k , maar stelde zich tegen¬ over de

fols

op het standpunt dat zij nooit enige salarisverhoging had

toegezegd en bovendien geen geld had om de gevraagde verhoging te kun¬ nen financieren. Een verzoek aan Nederland om de benodigde middelen beschikbaar te stellen, werd door Den Haag afgewezen. Het argument van de Nederlandse regering luidde dat de besteding van overheidsmiddelen door het kabinet-Pengel veel te wensen overliet en dat de Surinaamse re¬ gering eerst orde op zaken diende te stellen alvorens extra middelen kon¬ den worden overgemaakt.44 Door het uitblijven van steun uit Nederland besloot Pengel de porte¬ feuilles van hemzelf en zijn ministers aan gouverneur Ferrier terug te geven. Zijn oogmerk was een time-out te forceren. Was hij demissionair, dan kon hij de onderhandelingen met de leraren - die ondanks het ak¬ koord dat de

velmek

gesloten had in een anti-Pengel-stemming waren

gebleven - en de onderwijzers op een laag pitje zetten. Pengel hoopte op deze manier de angel uit het ontstane conflict te halen. Hij speculeerde er bovendien op dat de

nps

als grootste politieke partij de formatieop-

dracht zou krijgen en hij in het ambt van minister-president zou worden herbenoemd. Een verwant scenario had zich in 1963 voltrokken, toen Pengel, in verlegenheid gebracht door de Ormet-affaire, de portefeuilles van zijn kabinet ter beschikking had gesteld, maar, geholpen door forma¬ teur Lachmon, wederom als minister-president had kunnen aantreden.45 Arron: Het aanbieden van de ministerportefeuilles aan Ferrier was een grote fout van Pengel, waarvoor hij ernstig gewaarschuwd was door alle topfi¬ guren in de nps, maar ook door Findlay, die Ferrier nog kende uit de periode dat hij als formateur van diens kabinet was opgetreden. Findlay wist hoe Ferrier zou reageren en heeft Jopie dringend geadviseerd: geef geen macht uit handen, Ferrier gaat jou die macht niet teruggeven. Maar Jopie sloeg dit advies in de wind. Hij ging ervan uit dat Ferrier de

nps

als grootste politieke partij de for-

matieopdracht zou gunnen en dat hij weer als minister-president zou kunnen terugkeren. En dan krijg je het fenomeen van een rekening presenteren. Want Pengel en Lachmon hadden in ig$8 het kabinet-Ferrier laten vallen. En Ferrier was dit niet vergeten. Natuurlijk niet. Hij gunde de formatieopdracht dan ook niet aan Pengel, maar aan Bergen, voorzitter van de Rekenkamer. Pengel tekende protest aan tegen deze gang van zaken. Deze week volgens hem niet alleen af van het politieke gebruik, maar lag ook niet in de lijn der verwachting, aangezien het kabinet nog altijd kon rekenen op

79

een parlementaire meerderheid. Ferrier meende echter dat nieuwe ver¬ kiezingen gerechtvaardigd waren, aangezien bewegingen binnen de Actiegroep erop duidden dat de steun voor het kabinet aan het afbrokke¬ len was. De inschatting van Ferrier bleek juist. Kort daarop viel het kabi¬ net door wat NPs’ers betitelden als het politieke verraad van de Staten¬ ledenvan de Actiegroep: Dihal, Pahladsingh, Bhoendie en Oemrawsingh. Arron: Voorafgaande aan het besluit om de ministerportefeuilles terug te geven, was er een vergadering geweest van de regering en de bijbehorende fracties. Daarbij had Dihal op een van de heilige boeken van het hindoeïsme gezworen nooit de coalitie te zullen verraden. En ik zie nog zo Findlay tegen Pengel zeg¬ gen: ‘Geloof hem niet.’ Natuurlijk niet hardop, maar fluisterend. Ik zat er vlak naast. Het was in de kamer van de raad van ministers. Niet lang erna was er een politieke vergadering op Latour. Namens de Actiegroep verklaarde Pahladsingh dat zijn partij geen probleem had met de regering en spijkervast achter de voorzitter van de nps en de minister-president van Suriname stond. Nog eer de haan drie keer gekraaid had, had Pahladsingh Pengel echter al verraden en de poten onder zijn kabinet vandaan gezaagd. Diezelfde avond werd een com¬ muniqué opgesteld aan de Kwattaweg, waarbij aanwezig waren Lachmon, Sedney, ik dacht ook Rens, Pahladsingh en Dihal. Allen hebben getekend. Daar ligt de kern van de latere VHP-PNP-samenwerking en van de terugkeer van de Actiegroep in de schoot van de vhp. Met het communiqué werd het vertrouwen in Pengel opgezegd. Lachmon was al tijden bezig om na te gaan hoe het kabinet-Pengel ten val kon worden gebracht. Zijn acties naar Soemita toe, naar de Actiegroep, alles wees erop. En het is hem gelukt. Lachmon heeft Pengel precies gekregen waar hij wilde. In de nps sprak men van de coup der Hindostanen. De coup der Hindostanen veroorzaakte het einde van het kabinetPengel en verklaart in belangrijke mate het wantrouwen van Arron en collega-NPs’ers jegens de

vhp

in de jaren zeventig. Deze argwaan hield

verband met de vrees dat Hindostanen bezig waren met een opmars, de¬ mografisch en economisch, maar vanaf 1969 tevens politiek. De stakin¬ gen als zodanig waren niet de oorzaak van Pengels val geweest, al hadden ze wel meegeholpen om het klimaat te scheppen voor zijn politieke einde. Zij waren een uiting van ongenoegen over het gebrek aan respect voor verworven rechten en over het uitblijven van salarisverhogingen, maar ook het resultaat van oplopende irritatie over de afwezigheid van behoor¬ lijk bestuur in het land. Ronduit nadelig voor de positie van Pengel was dat tijdens zijn tweede ambtstermijn de betrekkingen met Nederland sterk te wensen overlieten. Vooral de verhouding tussen Pengel en de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Luns was slecht. Luns had niet alleen weinig sympa-

POLITIEK BEWUSTZIJN. PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

thie voor Pengel, hij placht zich in besloten kring niet zelden denigrerend over hem uit te laten. Terugblikkend zou Luns opmerken dat het Statuut ‘de buitengewone heer Jopie Pengel’ had voortgebracht, ‘van wie ik een hartgrondige afkeer had, al mocht ik daar niets van laten merken in het kader van de Koninkrijksgedachte. Het was een opluchting toen deze even dictatoriale als corrupte figuur in 1969 het veld ruimde.’46 Den Haag had verontwaardigd gereageerd toen Pengel het grensconflict met Guyana aangreep om een eigen defensiepolitie (Defpol) op te richten. Arron: Dat mocht niet van Nederland, want de defensie van Suriname was een Konink¬ rijksaangelegenheid. Maar juist als gevolg daarvan was Suriname een deel van haar territorium kwijtgeraakt. Jopie heeft in die tijd Nederland om steun gevraagd in de strijd tegen Guyana. Diplomatieke én militaire steun. Den Haag heeft geweigerd iets te ondernemen. Daarop heeft Pengel Defpol opgericht. Hij had geen andere keus. Een Indische Nederlander, ze noemden hem de Leeuw van Jakarta, had er de leiding. Hij heeft het goed gedaan. Suriname heeft Defpol gefinancierd uit het budget van het Bureau Waterkracht Werken. Toen is Nederland helemaal boos geworden. Als gezegd wordt dat Pengel met de oprichting van Defpol het Statuut heeft vertrapt, dan zeg ik dat ik in zijn situatie waarschijnlijk hetzelfde zou hebben gedaan. Het ging om de verdediging van ons grondgebied! Toen Nederland de deur voor Pengels neus dichtgooide, is hij naar Venezuela gegaan. Dat heeft hem de gevraagde steun wel gegeven. Venezuela heeft geen manschappen gestuurd, maar wapens. Die liggen nog steeds in de Wonotobovallen, op de westgrens. Wat doet May als hij in 1969 als minister-president aantreedt? Onder druk van Nederland heft hij Defpol op. Vervolgens is Guyana nooit meer uit het ge¬ bied weggegaan. Het waren geen militairen die daar zaten, beweerde George¬ town, maar settlers. Terwijl het keihard militairen waren. Geen enkele land¬ bouwer zou zich daar willen vestigen. Zo is het gegaan. Nederland heeft Pengel naar Venezuela gedreven. Wat moest hij anders? Hij kreeg in Venezuela wat hij wilde, terwijl Nederland hem als koninkrijkspartnergewoon in de steek liet. Het conflict tussen Suriname en Guyana over het grondgebied tussen de New River (door Suriname als grensrivier aangemerkt) en de Coeroeni/Kutari (door Guyana beschouwd als grensrivier) kent een lange voor¬ geschiedenis.47 Het geschil kreeg op 10 december 1967 een grimmig karak¬ ter toen in de nabijheid van werkkampen van arbeiders van het Bureau Waterkracht Werken aan de Boven-Corantijn (de in 1965 door het kabinetPengel geïntroduceerde nieuwe naam van de New River) een Guyanees watervliegtuig landde. De bemanning, behorende tot de Guyanese Defence Force, liet de arbeiders weten dat zij zich op Guyanees grondgebied be¬ vonden. In reactie op de mededeling van de Surinamers dat zij hier al jaren

81

kwamen en dat dit Surinaams territorium was, namen de Guyanezen het jachtgeweer van een van de arbeiders in beslag en kondigden zij aan met versterking te zullen terugkeren. Dit gebeurde op 12 december. Met de bemanning van het watervliegtuig waren vier gewapende agenten mee¬ gereisd, die de Surinamers sommeerden het gebied onmiddellijk te ver¬ laten. De Surinamers informeerden hun belagers dat zij sowieso al naar Paramaribo zouden vertrekken vanwege de jaarwisseling. Zij verlieten hun werkkampen, waarna deze korte tijd door de Guyanezen bezet wer¬ den gehouden en als Guyanees bezit werden geclaimd.48 Aangezien militaire steun door Nederland uitbleef, besloot minister¬ president Pengel een defensiepolitie (Defpol) op te richten, bestaande uit vrijwilligers die een militaire training hadden ondergaan en ex-militairen van de Troepenmacht in Suriname

(tris),

de in Suriname geleger¬

de defensiemacht van het Koninkrijk. Onder leiding van majoor buiten dienst Lapré - die zich in 1948 tijdens de Tweede Politionele Actie op Midden-Java als commandant had onderscheiden door ‘uitstekende da¬ den van moed, beleid en trouw’ en daarna in dienst van de

tris

was ge¬

treden - richtte Defpol vier kampen in het betwiste gebied in, waaronder post Tigri, een vanwege zijn strategische ligging moeilijk te nemen stel¬ ling. Voor de wapens die Pengel in november 1967 in Venezuela had ver¬ kregen, werden ondergrondse opslagplaatsen ingericht. Een door Defpol aangelegde landingsstrip werd met oliedrums gebarricadeerd om landings¬ pogingen door Guyanezen te ontmoedigen. Financiële problemen nood¬ zaakten Pengel echter om al spoedig drie van de vier posten op te geven. Post Tigri bleef intact, maar begin 1969 vertrok Lapré als commandant49, werd de personele sterkte van de post drastisch teruggebracht en bleek de politiecommandant die de leiding overnam nauwelijks gemotiveerd om Tigri als semimilitaire versterking in stand te houden. Onder het interimkabinet May zette de verzwakking van Tigri door. Defpol werd opgeheven en de post werd toevertrouwd aan een agent van politie tweede klasse.50 Op 19 augustus 1969 maakte het buurland van de gelegenheid ge¬ bruik om opnieuw, maar nu met meer machtsvertoon, toe te slaan. Twee Guyanese vliegtuigen landden op de airstrip bij Tigri. De inzittenden open¬ den bij het verlaten van het toestel terstond het vuur op de aanwezige Surinamers, die, volkomen verrast, op hun belagers terugschoten. De Surinaamse politiemannen bleken niet opgewassen tegen de Guyanese overmacht en vluchtten het bos in. Een van hen werd door zijn achtervol¬ gers in de kraag gevat, gevangengenomen en triomfantelijk naar George¬ town overgebracht. Op een officieel protest van de Koninkrijksregering liet de Guyanese regering weten dat de Surinamers illegaal op Guyanees

82

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

grondgebied vertoefden en om die reden door een Guyanese politiemacht uit het gebied waren verdreven. De gevangengenomen Surinamer werd enige tijd na zijn aanhouding als illegaal vreemdeling Guyana uitgezet.51 De gebeurtenissen maakten de tongen los in Suriname. Er heerste ver¬ ontwaardiging over het wegjagen van rechtmatig in het gebied verblijven¬ de landgenoten en de vernederende behandeling van een van hen in de Guyanese hoofdstad. De inrichting van post Jaguar op de plek waar tot dan toe post Tigri was gelegen, toonde dat de Guyanezen er geen gras over lieten groeien en vastbesloten waren het gebied in bezit te nemen. Ander¬ maal stond vast dat de militaire positie van Suriname ten opzichte van Guyana zwak was en dat de Koninkrijksregering, formeel verantwoorde¬ lijk voor de landsverdediging, niet bereid was Suriname te hulp te schieten. Den Haag weigerde militaire bijstand te verlenen uit vrees voor ongewens¬ te ontwikkelingen binnen de Koninkrijksgrenzen (de gebeurtenissen van mei 1969 op Cura^ao lagen de regering nog vers in het geheugen) en om het bevriende Engeland, voormalig kolonisator van Guyana, niet onwel¬ gevallig te zijn. De herinnering aan de Guyanese daad van agressie en de permanente aanwezigheid sindsdien van Guyanezen in de betwiste driehoek - ondanks de belofte van demilitarisering in 1970 gedaan door de Guyanese leider Forbes Burnham52 - zouden in 1975 een belangrijk motief vormen voor het kabinet-Arron om bij de soevereiniteitsoverdracht vast te houden aan de eis een eigen Surinaamse krijgsmacht te bezitten. De verslagenheid en schaamte over de gebeurtenissen van 1969 zouden echter nog lang na¬ ijlen. Pas in augustus 2005 kregen de politiemannen die Tigri hadden verdedigd als blijk van erkenning voor hun inzet op de valreep van hun pensioen een bijzondere bevordering. Zes jaar later werden nog eens 33 vrijwilligers die ondersteuning hadden geleverd bij post Tigri gehuldigd met een oorkonde en een eenmalige uitkering van

srd

1000.53

De conflicten aan het einde van de jaren zestig tussen Suriname en Nederland - over Defpol, maar ook over het beheer door Suriname van de overheidsfinanciën, over de trage vorderingen die Suriname volgens Nederland maakte in het kader van de sociaal-economische ontwikkeling van het land, over de machtsconcentratie in handen van Pengel en over de averij die de Surinaamse democratie volgens Nederland bezig was op te lopen - zorgden in Den Haag voor een groeiend ongeduld met Pengel en de overtuiging dat Suriname niet gebaat was bij een verlenging van zijn ambtstermijn. Voor Arron was het evident dat het passeren van Pengel als formateur van een nieuw kabinet een politieke daad was die door Nederland was geïnstigeerd: Ferrier kon deze stap nooit zetten zonder de in-

83

stemming van Nederland. Nooit. Never. Alles wees erop dat Den Haag van Pengel afwilde. Maar ja, welke Surinaamse minister-president is ooit de lieve¬ ling van Nederland geweest? Ferrier was waarschijnlijk de laatste der Mohi¬ kanen. Want Emanuels, Pengel, Sedney, ikzelf, Venetiaan, allemaal zaten we in hetzelfde schuitje. Tegen wie gaat Holland lief zijn? Tegen God? Altijd die vooringenomenheid. Surinaamse premiers kunnen het bij Den Haag nooit goed doen.

POLITIEK BEWUSTZIJN, PARTIJLIDMAATSCHAP EN PARLEMENTAIRE VORMING

III Leider van de nps

De beëdiging van het kabinet-Sedney in november 1969 betekende een voortzetting van de tumultueuze periode die in februari van dat jaar begon¬ nen was. Voor het eerst in de parlementaire geschiedenis drukte de een stempel op het landsbestuur. De

nps

vhp

moest genoegen nemen met een

plaats in de oppositiebanken. Het viel de partij niet gemakkelijk om zich in deze rol te schikken. Tot overmaat van ramp verloor de

nps

door het

overlijden van Johan Adolf Pengel een aansprekende leidersfiguur. In de strijd om de opvolging van Pengel trok Arron aan het langste eind. In de be¬ ginjaren van zijn voorzitterschap lag de schaduw van zijn voorganger nog ondubbelzinnig over zijn handelen. Vanaf 1973 zou dit geleidelijk aan minder worden. De binnenlandse politieke verhoudingen kenmerkten zich in deze jaren door scherpe tegenstellingen tussen regering en oppositie. Op initia¬ tief van vHP-leider Lachmon werden onderhandelingen geopend om te komen tot een uitbreiding van het kabinet-Sedney met ministers van npshuize. De discussie over deze ‘brede basis’-politiek zou een stormachtig verloop kennen, maar uiteindelijk zonder het door Lachmon beoogde re¬ sultaat blijven. Sterker, de oppositie voerde haar acties tegen de regering op en stuurde steeds nadrukkelijker aan op de val van het kabinet. Tijdens de stakingen van 1973 werkte de

nps

nauw samen met de

pnr

en de vak¬

beweging. Tegen de uitputtingsstrategie van de regering bleek dit front echter niet opgewassen. Met het aantreden van Arron als partijvoorzitter kwam in de

nps

een

verjongingsgolf op gang, die zijn weerslag had op zowel de vervulling van bestuursfuncties in de partij als op de samenstelling van de kandidaten¬ lijst voor de verkiezingen van 1973. Er werd meer dan in de nadagen van Pengel voeling gehouden met de tijdgeest, overigens zonder dat de tradi¬ ties van de partij overboord werden gezet. Zeker in retrospectief beteken¬ de de periode 1970-1973 voor Suriname de opmaat naar de onafhankelijk¬ heid.

85

DE OPVOLGING VAN PENGEL

Nadat de vhp en de

pnp'

op 24 oktober 1969 de verkiezingen op een over¬

tuigende wijze hadden gewonnen, werd Lachmon informateur. Lachmon vroeg Chris Calor - die namens de

nps

als onderhandelaar optrad - of

zijn partij wilde deelnemen aan de nieuw te vormen regering en of Pengel hiervan minister-president wilde worden. Pengel begreep dat Lachmon het oude verbroederingsideaal nieuw leven wenste in te blazen en de

nps

wilde verzoenen met een voor het eerst grotere vHP-vertegenwoordiging in de Staten, maar sloeg het aanbod af. Niet alleen was de verkiezingsne¬ derlaag hard bij hem aangekomen, zijn gezondheid liet het niet toe dat hij wederom een zwaar ambt op zich nam. Evenmin zag Pengel er heil in minister-president te worden met Lachmon als parlementsvoorzitter. Het vertrouwen dat er in het verleden tussen beide leiders had bestaan, was verdwenen. Het besluit van Pengel om voor Lachmons aanbod te be¬ danken en om aansluitend zijn parlementszetel aan schaduwkandidaat Arron af te staan - deze werd in zijn plaats op 13 januari 1970 als Staten¬ lid beëdigd en twee dagen hierna officieel tot de Staten toegelaten - was achteraf gezien zijn vaarwel aan de politiek.2 Niet lang hierna - het kabinet-Sedney was al enige tijd in functie herhaalde Lachmon langs informele weg zijn aanbod aan Pengel. Deze liet Lachmon weten dat als hij zo graag de

nps

deel wilde laten uitmaken

van de coalitie, hij bereid was hieraan mee te werken, op voorwaarde dat hijzelf buiten de formatie kon blijven. Lachmon gaf daarop te kennen pri¬ mair in de deelname van Pengel geïnteresseerd te zijn, niet in die van zijn partij. Voor Pengel maakte dit geen verschil. Hij verklaarde opnieuw geen ministersfunctie meer te ambiëren. Intussen ging het met zijn gezond¬ heid steeds verder bergafwaarts, al deed hij het naar buiten toe voorko¬ men alsof hem niets mankeerde.3 De

nps

maakte een moeilijke periode

door. De partij verbleef in de oppositie, beschikte over een beperkte parle¬ mentaire vertegenwoordiging (11 van de 39 zetels) en werd aangestuurd door een leider die genoeg had van politiek. Dit had zijn weerslag op de sfeer in de

nps,

waar Pengel bij groepen partijleden steeds meer onder

vuur kwam te liggen. In reactie op het disfunctioneren van Pengel ontstond in de

nps

een

comité dat zich Pro Patria noemde. Dit comité bestond uit vooraanstaan¬ de NPs’ers die deels minister waren geweest in het laatste kabinet-Pengel (Johan Kraag, Ewald Meyer, John Thijm, Chris Calor), deels bestuurlijke en ondersteunende functies in de partij vervulden (Olton van Genderen, Henny Getrouw, Fred Koorndijk, Al win Lont, al zouden de laatste drie de samenwerking met Pro Patria in januari 1970 alweer opzeggen).4 Pro Patria

86

LEIDER VAN DE NPS

gaf een communiqué uit waarin zij pleitte voor meer democratie in de partij. Hoewel deze boodschap was verpakt in zakelijke bewoordingen en de naam van het comité een opbouwende, vaderlandslievende opstelling suggereerde, was voor de goede verstaander duidelijk dat het initiatief voortkwam uit onvrede over de gang van zaken binnen de

nps.

De actie¬

punten 5 (‘Vrije meningsuiting binnen de partij zonder daarvoor met roye¬ ment te worden bedreigd.’) en 6 (‘Geen concentratie van bevoegdheden.’) waren directe verwijzingen naar Pengel, die zij machtswellust en arro¬ gantie verweten en die zij verantwoordelijk hielden voor de verkiezings¬ nederlaag van de partij.5 De beschuldigingen van Pro Patria weerspiegelden een gevoel dat ta¬ melijk breed werd gedeeld in de partij. Ook intimi van Pengel waren wei¬ nig gelukkig geweest met uitspraken dat hij de oppositie als een quantité négligeable beschouwde, dat hij ‘Ik ga slapen’ had gezegd in reactie op een oppositielid dat op het punt stond in het parlement een redevoering af te steken en dat hij, verwijzend naar het ambt van minister-president, had gesteld: ‘Alleen ziekte en dood kunnen mij van deze stoel halen.’ De algemene opinie was dat deze uitlatingen de verkiezingsuitslag voor de nps

nadelig hadden beïnvloed. Ook de cumulatie van functies in zijn

handen werd met een steeds kritischer oog bekeken. Dit nam niet weg dat Pro Patria voor een weinig elegante aanpak had gekozen door een interne partijaangelegenheid in de openbaarheid te brengen en door haar pijlen eenzijdig te richten op de persoon van de voorzitter. Het verbaasde dan ook niemand dat Pengel in een televisie-interview bitter reageerde op de confrontatiekoers van Pro Patria. Hij typeerde de leden van het comité als fyofyo (vlooien) en zei te hopen dat ze zichzelf zouden vernietigen.6 Binnen Pro Patria liet men de kritiek van Pengel gelaten over zich heen komen. John Thijm: ‘De situatie was ernstig. Na de verkiezingen had Pengel bekendgemaakt dat het partijbestuur demissionair was. Daarmee legde hij de

nps

feitelijk lam. Pro Patria wilde die demissionaire status

opheffen en nieuwe bestuursverkiezingen organiseren. In dat verband deed ze een aantal voorstellen, die echter geen genade vonden in de ogen van Pengel. Daar kwam bij dat Pro Patria het niet sportief van hem vond dat hij mensen als Kraag en Meyer de schuld gaf van de verkiezingsneder¬ laag. In reactie op dat verwijt maakte Pengel de leden van Pro Patria uit voor fyofyo, wat de relatie met hem er natuurlijk niet beter op maakte. Zijn gedrag was wel verklaarbaar. Pengel was ziek en verbitterd. Hij reali¬ seerde zich dat zijn politieke einde nabij was. Al zijn vechtlust was ver¬ dwenen en hij voelde zich steeds afhankelijker worden van anderen. Het was hem op medische gronden verboden alcohol te drinken of bepaalde

87

spijzen te nuttigen, maar hij hield zich niet aan dat voorschrift. Het ge¬ volg was dat zijn conditie steeds meer verslechterde. Een aanbod om zich in Venezuela te laten behandelen accepteerde hij onder druk van jonge¬ ren als Arron. Toen nieuws hierover echter in de krant verscheen, was hij teleurgesteld en zag hij af van de geplande reis.’7 De dood van Pengel op 5 juni en zijn begrafenis op 10 juni 19708 zorg¬ den binnen de

nps

voor consternatie. Het overlijden van de partijleider

werd alom betreurd, al stond voor ingewijden al geruime tijd vast dat Pengel niet langer over het fysieke vermogen en de ambitie beschikte om weer op volle sterkte in de politieke arena terug te keren. De vraag was op welke wijze de overdracht van het voorzitterschap van de partij moest worden geregeld. Was het mogelijk om op korte termijn verkiezingen voor een nieuw hoofdbestuur en een nieuwe partijraad te organiseren? De top van de

nps

trad snel en doortastend op. Het besluit over de over¬

dracht van het voorzitterschap van de partij werd enkele dagen voor de partijraadsvergadering van 5 juli genomen ten huize van R.W. (Tjoepi) Jessurun. In de woning van deze gerespecteerde vrouwenarts aan de Gemenelandsweg kwamen leden van het demissionaire hoofdbestuur en van de partijraad in vergadering bijeen. Behalve Tjoepi Jessurun - oudStatenlid en lid van de commissie volksgezondheid van de

nps

- en zijn

broer Frits Jessurun - gezaghebbend psychiater en partij adviseur9 - waren onder andere Walter Lim A Po, Ewald Meyer, André Morgenstond, Olton van Genderen en Henck Arron aanwezig. De vergadering was belegd van¬ uit een gedeeld gevoel dat de opvulling van het machtsvacuüm in de partij geen verder uitstel toeliet. Een aanwijzing dat Arron hoge ogen zou gooien waar het ging om het voorzitterschap van de

nps,

was dat hij (in opdracht van hoofdpropagan¬

dist Jacques Lemmer, beter bekend als Pa Lem) de begrafenis van Pengel had georganiseerd. Vooral aan de achterban was dit een signaal dat Arron het vertrouwen genoot van de partijtop en dat hij kans maakte om Pengel als leider van de

nps

op te volgen. Tijdens de vergadering bij Tjoepi

Jessurun thuis nam de partijtop het besluit om te breken met de gewoon¬ te het voorzitterschap van het hoofdbestuur en het voorzitterschap van de partijraad door een en dezelfde persoon te laten bekleden. De macht die Pengel zich op deze manier had toegeëigend, gecombineerd met het voorzitterschap van de Moederbond, achtten de aanwezigen niet voor continuering vatbaar. Na het vaststellen van dit principe bood de partij¬ top Arron het voorzitterschap van het hoofdbestuur aan en Olton van Gen¬ deren het voorzitterschap van de partijraad. Beide leden aanvaardden hun kandidatuur.

88

LEIDER VAN DE NPS

Lag de keuze voor Arron als voorzitter van de partij voor de hand? Arron: Pengel heeft ervoor gezorgd dat ik in 1961 in het hoofdbestuur van de nps

terechtkwam en dat ik in 1963,1967 en 1969 via de kandidatenlijst van de

partij een zetel in het parlement kreeg. De zichtbare verhouding tussen Pengel en mij was van dien aard dat niemand iets anders kon verwachten dan dat ik hem na zijn overlijden als partijleider zou opvolgen. Pengel verklaarde kort na de verkiezingen van 1969: ik ga niet terug naar het parlement. Door opschui¬ ving kwam ik toen in de Staten terecht. Ook dat was een indicatie dat hij mij als zijn opvolger in gedachten had. Want hij had ook in het parlement zitting kunnen nemen en af en toe zijn gezicht kunnen laten zien. Maar dat deed hij niet. Hij maakte doelbewust plaats voor mij. Daarnaast heeft Pengel mij vanaf het begin van mijn carrière in de nps bij alle grote politieke gebeurtenissen be¬ trokken. Hij heeft mij ook historisch ingeleid in de partij, door te praten, te ver¬ tellen: ga naar die, doe zo, lees dit, lees dat. Vandaar dat ik met recht kan zeg¬ gen dat Pengel mijn goeroe is geweest. Pengel had tijdens zijn leven Arron niet als zijn opvolger aangewezen. Ook had Pengel hem nooit rechtstreeks laten weten dat hij Arron als zijn opvolger zag: Je kunt zeggen dat het een reconstructie achteraf is, een inter¬ pretatie, maar uit zijn handelingen, uit zijn daden kon je het afleiden. Anders was ik er nooit gekomen. Vergeet niet dat ik van huis uit katholiek ben. Maar nogmaals: ik kan geen tastbare bewijzen overleggen dat Pengel heeft gezegd: Arron moet mijn opvolger worden. Maar alles wees erop.10 Volgens Arron is de overdracht van het voorzitterschap van de

nps

zonder slag of stoot verlopen. Het werd hem aangeboden; hij had er niet voor hoeven vechten. Hetzelfde gold voor Van Genderen. Hij was de enige kandidaat voor het voorzitterschap van de partijraad. De voorbereidende vergadering in de woning van Tjoepie Jessurun demonstreerde het begin van het herstel van de eenheid in de partij. Op 5 juli stemden de leden van de partijraad (samengesteld uit de afdelingen, onderafdelingen en kernen van de

nps)

met algemene stemmen in met de uitkomst van deze verga¬

dering. Arron werd voorzitter van het hoofdbestuur, Ahmed Karamat Ali ondervoorzitter en Michael Cambridge secretaris. Van Genderen werd voorzitter van de partijraad en Meyer secretaris. Met opzet was een noe¬ menswaardig aantal jongeren tot de hoogste partijfuncties toegelaten. Hierdoor was het onvermijdelijk dat verschillende seniorleden als Floris Zwakke (hoofdpropagandist en Moederbond-bestuurder) en André Mor¬ genstond (gedurende zeventien jaar secretaris van de partij) het hoofd¬ bestuur verlieten. Op de partijraadsvergadering werd het nieuwe hoofdbestuur als een verzoeningsbestuur gepresenteerd, ‘in de geest van en volgens de wens

89

van Pengel’. Om vertrouwen te wekken bij de achterban, werden de door Pengel geroyeerde NPs’ers Henny Getrouw, Fred Koorndijk en Alwin Lont toegelaten tot de partijraad, die vervolgens hun royement ongedaan maakte. De partijraad weigerde het overgangshoofdbestuur te erkennen dat zich in de week voorafgaande aan de partijraadsvergadering had ge¬ presenteerd (zie verderop). Namens dit bestuur tekende Wim van Eer protest aan tegen de gevolgde procedure, maar zowel voorzitter Arron als de partijraad wees zijn bezwaren van de hand. Voor twee leden van het overgangshoofdbestuur had de partijraad echter goed nieuws: één van hen werd aangewezen als penningmeester van het hoofdbestuur (Ronald Pocorni), de ander als lid van het partijraadsbestuur (Henk Resida). Van Eer zelf werd benoemd in een commissie, die belast werd met het voor¬ bereiden van een publicatie over de verdiensten van Pengel. Van deze commissie werd naderhand niets meer vernomen. In zijn eerste rede als partijvoorzitter11 verklaarde Arron dat hij de po¬ litiek van Pengel wenste voort te zetten. Volgens hem stelde de raciaal op, maar ging de

nps

vhp

zich

in zijn streven naar natievorming uit van de

integratiegedachte. Met verwijzing naar ontwikkelingen in Suriname richting black power merkte Arron op dat hij weigerde om racisme met racisme te bestrijden. Zijn belangrijkste kritiek reserveerde hij echter voor de sociaal-economische politiek van het kabinet-Sedney, waar naar zijn oordeel vooral de kleine man het slachtoffer van was. Waren deze uitlatingen in de geest van Pengel, met zijn aankondiging dat hij 1974 be¬ schouwde als het streefjaar voor de onafhankelijkheid van Suriname ging Arron duidelijk een stap verder dan zijn leermeester.12 Formeel heette het dat de partijraad op 5 juli een interim-hoofdbestuur en een interim-partijraadsbestuur had ingesteld en dat beide bestu¬ ren tot taak hadden om binnen zes maanden verkiezingen uit te schrijven om te komen tot een definitief hoofd- en partijraadsbestuur. Bedoelde verkiezingen vonden op 13 december plaats tijdens een vergadering van de partijraad. Deze besloot zich te verenigen met een motie die namens 22

afdelingen van de

nps

was ingediend door hoofdpropagandist Pa Lem.

De motie betrof een verzoek om het mandaat van de partijraad en van het hoofdbestuur met twee jaar te verlengen. Het voorstel werd met algemene stemmen aangenomen, evenals het voorstel om de partijraad uit te brei¬ den met het lid Arnold Kruisland. Tevens werd een motie van laatstge¬ noemd lid aangenomen, inhoudende de opdracht aan de partijleiding om de leden voorlichting te geven over de onafhankelijkheid en de daarbij te kiezen staatsvorm, en de machtiging aan de partijleiding om over het tijdstip en de vorm van de onafhankelijkheid te beslissen. Met het eerste

90

LEIDER VAN DE NPS

besluit van de partijraad was de benoeming van Arron tot partijvoorzitter en Van Genderen tot partijraadsvoorzitter definitief.13 Critici in de

nps

zouden er met enige regelmaat op wijzen dat Arron

altijd interim-voorzitter van de partij was gebleven. Zij wezen erop dat de verkiezingen van 13 december doorgestoken kaart waren. Sterker, er had¬ den helemaal geen verkiezingen plaatsgevonden. De partijraad had vol¬ staan met het accorderen van door Pa Lem verzamelde steunbetuigingen. Pa Lem gold als een van de belangrijkste verdedigers van Arron. Volgens zijn critici ging Arron doelbewust verkiezingen uit de weg uit vrees niet tot voorzitter te worden gekozen. Arron zelf ontkende dit en verwees naar het besluit van de partijraad, het hoogste bestuursorgaan in de nps. Deze had zijn mandaat verlengd en in het licht van het eerdere besluit van de raad had zijn voorzitterschap daarmee een permanent karakter gekregen. Verkiezingen wees hij af met het argument dat die onnodige onrust in de partij zouden veroorzaken. De

nps

was na het overlijden van Pengel al

ontredderd genoeg. Tijdens zijn voorzitterschap zou Arron het nooit op verkiezingen laten aankomen, maar consequent aansturen op verlengin¬ gen van zijn mandaat via besluiten van de partijraad.14 Hoewel de opvolging van Pengel door de top van de partij dus op een doortastende wijze was geregeld, is de overdracht van het voorzitterschap het onderwerp van geruchten en speculaties gebleven. Meerdere perso¬ nen binnen de partij achtten zichzelf geschikt voor het voorzitterschap of wensten invloed uit te oefenen op de verkiezing van de nieuwe partij¬ leider. Uit getuigenissen die over complotten, intriges en achterhoedege¬ vechten in omloop zijn, rijst noch een eenduidig noch een volledig beeld op. Toch is het interessant om op hoofdlijnen na te gaan hoe in die dagen de opvulling van het machtsvacuüm in de

nps

de gemoederen bezighield,

al was het maar om de overname van het leiderschap door Arron in een passende context te plaatsen. Waar het gaat om de deelnemers, blijkt dat verschillende groepen hun kansen wogen. Allereerst de Pro Patria-groep, die de partijerfenis veilig had willen stellen door een lans te breken voor meer democratie in de

nps .

Olton van Genderen was het politieke zwaargewicht van dit gezelschap. Daarnaast was er de commissie administratie, analyse en controle van de nps,

bestaande uit Michael Cambridge, Caesar Seedorf en Arnold Kruis¬

land. Deze commissie hield zich in opdracht van Pengel bezig met de or¬ ganisatorische herinrichting van de partij en had in 1967 en 1969 voor de nps

de verkiezingen georganiseerd. Voorzitter van de analysecommissie,

‘de ogen, de oren en de handen van Pengel’, was Cambridge, die ook lid was van het hoofdbestuur.15 Ten slotte was er een

nps-groep

die meer op

91

afstand van het hoofdbestuur en de fractie invloed probeerde uit te oefe¬ nen. Tot deze groep behoorden Ronald Pocorni, Wim van Eer, Humphrey Berggraaf en Sam Hagens. De leden van de Pro Patria-groep beschikten over slechte papieren. Wat tegen hen pleitte, was dat Pengel hen persoonlijk had afgeserveerd. Tijdens een massameeting van de

nps

op 20 maart 1970 had hij op een

niet mis te verstane wijze met de ‘verraders’ in zijn partij afgerekend.16 ‘Ewald, wij zijn dode doksen (eenden),’ had Chris Calor zijn partijgenoot Meyer bij die gelegenheid toevertrouwd. Niemand had het tweetal te¬ gengesproken. Los van de veroordeling door Pengel gold dat de leden van Pro Patria geen van allen, Van Genderen uitgezonderd, over de politieke ervaring en leiderschapskwaliteiten beschikten die nodig waren om het roer van Pengel over te nemen.17 De leden van de analysecommissie speelden in het ontstane krach¬ tenveld slechts een bescheiden rol. Pengel had geprobeerd de commissie in een kwaad daglicht te stellen door deze medeverantwoordelijk te ma¬ ken voor de geleden verkiezingsnederlaag. Hoewel hij hiermee maar be¬ perkt succes had geboekt, was het voldoende geweest om de reputatie van de commissie te beschadigen. Pengels toorn was voor een belangrijk deel ingegeven door de beschuldiging van de analysecommissie dat de partijleider blaam trof voor partijgelden die tijdens de verkiezingen wa¬ ren verdwenen. Deze irritaties over en weer namen niet weg dat in het bijzonder Cambridge een goede naam had in de partij. Hij werd gewaar¬ deerd vanwege zijn onvoorwaardelijke inzet en trouw, maar ook omdat hij onmiddellijk na het beëindigen van zijn economiestudie in Nederland naar Suriname was teruggekeerd en deskundigheid had opgebouwd op het gebied van ontwikkelingsvraagstukken. Hij gold echter niet als een serieuze kandidaat voor het voorzitterschap.18 De groep van Pocorni, Van Eer, Berggraaf en Hagens drong aan op het houden van tussentijdse verkiezingen voor het hoofdbestuur. Dit bracht haar in aanvaring met de NPS-fractie in de Staten, op dat moment het enige goed functionerende orgaan van de partij. De fractie huldigde het stand¬ punt dat tussentijdse bestuursverkiezingen tot ongewenste commotie zouden leiden. De groep liet zich door die reactie echter niet uit het veld slaan en stelde een commissie in ‘ter voorbereiding van de verkiezing van een nieuw hoofdbestuur’, met ].E. (Eddy) Vijzelman19 als voorzitter en Pocorni als secretaris. Deze commissie maakte op 28 juni 1970 via een communiqué bekend dat ‘ondergetekenden’ besloten hadden een ‘overgangshoofdbestuur’ te formeren. Dit bestuur diende lopende zaken af te handelen en de laatste wil van de overleden voorzitter uit te voeren, na-

92

LEIDER VAN DE NPS

melijk een hoofdbestuur samenstellen bestaande uit ‘jonge, militante en integere’ leden. Het ‘overgangshoofdbestuur’ bestond volgens het commu¬ niqué uit de volgende leden: Van Eer, Arron, Pocorni, Resida, Cambridge, Berggraaf, Morgenstond, Frank Pinas en Johan Chin Kwie ]oe. De com¬ missie kondigde aan dat de afdelingen van de

nps

op een ingelaste ‘spoed¬

vergadering’ tijdens de bijeenkomst van de partijraad op 5 juli ingelicht zouden worden over de genomen stappen. De actie van de commissie werd door menigeen uitgelegd als een po¬ ging om de

nps

te ‘coupen’. Hoewel de initiatiefnemers dit ontkenden en

kenbaar maakten slechts iets te willen doen om uit de ontstane impasse te geraken, namen velen aan dat zij op 5 juli een formele erkenning wens¬ ten af te dwingen voor het ‘overgangshoofdbestuur’. Maar zover zou het niet komen. Toen de initiatiefnemers langs gingen bij ‘leden’ van het ‘overgangshoofdbestuur’ om hen bij elkaar te roepen, weigerde Arron om mee te gaan. Ook liet hij weten het communiqué niet te zullen onderte¬ kenen. Voelde Arron intuïtief aan dat deze vorm van powerplay tot mis¬ lukken gedoemd was? Zijn fractiegenoten en medehoofdbestuursleden Cambridge en Pinas zagen er eveneens vanaf om de initiatiefnemers te volgen en het communiqué van hun handtekening te voorzien. De groepPocorni werd vervolgens de pas afgesneden door de voorbereidende bij¬ eenkomst bij Tjoepi Jessurun thuis. De haast waarmee de partijtop bij el¬ kaar kwam en een voorstel voor de partijraadsvergadering voorbereidde, was een direct gevolg van het drijven van deze groep. Zoals gezegd, zou de partijraad op 5 juli het ‘overgangshoofdbestuur’ niet erkennen.20 Was Arron de best geëquipeerde kandidaat voor het voorzitterschap? John Thijm: ‘Omdat Pengel had geweigerd zijn zetel in het parlement in te nemen, kwam Arron in de Staten. Als fractieleider had Pengel Chris Calor aangewezen. Olton van Genderen maakte het Calor moeilijk om die functie naar behoren uit te oefenen. Van Genderen was veel langer actief voor de

nps

dan Calor en vond daarom dat Pengel hem fractielei¬

der had moeten maken. Omdat Calor dacht dat ook Arron aasde op zijn positie, bedankte hij voor de functie van fractieleider. Tegen de verwach¬ ting in bleef de fight tussen Van Genderen en Arron uit. Van Genderen werd de nieuwe fractieleider en Arron ging hiermee akkoord. Dat was voor mij een aanwijzing dat hij voorzitter van de partij wilde worden. In de fractie werd toen ook gezegd: Arron is al secretaris van het bestuur, waarom wordt hij geen voorzitter? Henck heeft zijn streken, maar hij kan wel wat. Hij behoort tot Jopies inner circle, is ambitieus en toont zich agressief als hij iets wil bereiken. Voor de partij is hij waardevol. Daar kwam bij dat hij geen concurrenten had.’21

93

Michael Cambridge: ‘Arron was een vertrouweling van Pengel. Hij hield als Statenlid goede redevoeringen, maar op instigatie van Pengel. Ook als hij politieke tegenstanders onderuit haalde, dan gebeurde dat in opdracht van Pengel. Maar Pengel waardeerde de loyaliteit van Arron en de rol die hij op zich nam zeer. Hij vond dat Arron talent had als volks¬ menner, niet als bedenker van strategieën. Dat talent had hij kennelijk in aanleg wel, want toen hij minister-president werd, kwam dit er wel uit. Maar in 1970 was dit nog niet zichtbaar. Van Genderen dacht de macht over te nemen door Arron als een buffer tussen hemzelf en de analysecommissie te plaatsen. Hij wilde deze commissie uitschakelen met Arron als voorzitter en zichzelf als partijraadsvoorzitter. Van Genderen meende dat hij voor Arron niet bang hoefde te zijn, maar dit was zijn nekslag. Hij heeft Arron onderschat, want die sloeg toe.’22 Otmar Rodgers, toen nog geen lid van de NPS-fractie: ‘Henck stak niet boven de andere jongeren in de partij uit. Allen hadden zo hun ver¬ diensten. Maar hij viel op, omdat hij een goede entree tot Pengel had, omdat hij zijn welbespraaktheid en politiek inzicht had gedemonstreerd in de Staten en omdat hij er nooit blijk van had gegeven te willen meezin¬ gen in het Pro Patria-koor. Arron was, kortom, het minst controversieel en het meest eerlijk, ook al had hij zijn streken. Hij was ook opener dan veel anderen en leek sneller aan te voelen wanneer hij zou vastlopen. Dat hij getrouwd was met een Leeuwin, een telg uit een vooraanstaande

ebg-

familie, werkte zeker in zijn voordeel. Ook de combinatie met Van Gen¬ deren wekte vertrouwen. Pas naderhand ontdekte men dat Arron de slimste van de twee was.’23 Frank Pinas: Arron en Van Genderen hadden beiden de ambitie om voorzitter te worden. Hoewel zij zich lieten kennen als heel verschillen¬ de persoonlijkheden, waren zij als politici aan elkaar gewaagd. Ze vertegen¬ woordigden verschillende stromingen binnen de

nps

en vulden elkaar in

meerdere opzichten aan. Een gedeeld leiderschap was op dat moment een voor de hand liggende oplossing. Dat Arron en niet Van Genderen partijvoorzitter werd, lag volgens mij aan twee dingen. Arron had zich, anders dan Van Genderen, nooit ingelaten met Pro Patria-activiteiten. Bovendien had hij zich gedistantieerd van de couppoging van Pocorni. Dat wekte vertrouwen bij de top van de partij. De verwachting was dat hij zich niet snel tot onbezonnen acties zou laten verleiden.’24 Johan Ferrier: Arron manifesteerde zich al jong als spreekbuis van Pengel, maar toch had ik niet gedacht dat hij het als kroonprins zou red¬ den. Pas door het wegvallen van Essed en Sedney kwam hij prominenter in beeld. In de Staten was hij niet dominant aanwezig. Hij etaleerde geen

LEIDER VAN DE NPS

eigen visie, maar beperkte zich tot het naar voren laten komen van de NPS-standpunten. Dit was niet ongewoon, want het laten horen van af¬ wijkende meningen was natuurlijk alleen mogelijk met toestemming van Pengel. Arron wist wel mensen aan zich te binden. Hij was in zekere zin een geluksvogel. Dat is ook later in zijn carrière gebleken. De leiding van de

nps

heeft hij uiteindelijk in de schoot geworpen gekregen.’2S

Ordwin Kemble, betrokken

NPs’er

die Arron in 1971 zou seconderen

tijdens het Kort Geding-debat (zie verderop): ‘Niemand dacht aan Arron als opvolger van Pengel. Daarvoor werd hij als jongere te veel door andere nps

ers overvleugeld. Het waren de oudere partijleden, zoals Van Gende¬

ren, die het meest op de voorgrond traden. Toch werd Arron het dankzij de chaos en verdeeldheid in de partij. Er moest snel een voorzitter komen. De leden van Pro Patria waren in diskrediet geraakt. Arron bleef over.’26 Over het voorzitterschap van Arron zou nog geruime tijd de schaduw van Pengel blijven hangen. Het stempel dat deze op de Surinaamse poli¬ tiek had gedrukt en de mythische reputatie die hij zich had verworven, lieten zich niet gemakkelijk uit het collectieve geheugen wissen. De situ¬ atie had iets paradoxaals. De nagedachtenis aan Pengel vormde voor Arron een hindernis om zichzelf al te nadrukkelijk te profileren en toe te groeien naar een krachtig leiderschap. Tegelijk had hij de herinnering aan zijn voorganger nodig om zich bij zijn achterban te kunnen legitime¬ ren en voor zichzelf een rechtmatige plaats op te eisen. Door zijn hande¬ lingen te toetsen aan de erfenis van Pengel erkende Arron dat deze hem als politicus had gevormd en benadrukte hij de continuïteit van de koers van de partij. Maar gesteld voor actuele vraagstukken was het onvermijde¬ lijk dat hij aan bepaalde facetten van het NPS-beleid een nieuwe invulling gaf.27 De rouwperiode die de partij sinds het verscheiden van haar voorzit¬ ter in acht had genomen, hief de NPS-leiding op 20 januari (zijn geboorte¬ dag) 1971 op.28 Voor zijn aanhangers betekende dit niet het openslaan van een nieuwe bladzijde in de partijgeschiedenis. De nagedachtenis aan de bewonderde fesiman (leidsman) bleef voor menig NPs’er een onmisbaar houvast. Ieder jaar grepen partijgenoten zijn sterfdag aan om hem op ge¬ paste wijze eer te bewijzen. In bewoordingen waarin respect en devotie doorklonken en religieuze ondertonen (ontleend aan de tradities van de ebg)

niet ontbraken, werden de daden van de overledene gememoreerd

en aan de leden ten voorbeeld gesteld. Bij de kranslegging op het graf van Pengel op 5 juni 1971 verklaarde Arron dat woorden tekortschoten om zijn partijgenoten te kunnen troos¬ ten. Wel zei hij te weten dat de geest van de ontslapen partijvoorzitter

95

met de partij en haar leden was en dat deze geest de partij zou behoeden ‘voor alle vijandelijke aanvallen’. Van Genderen bracht de ‘profetische woorden’ in herinnering die Pengel in 1968 gesproken had: ‘En men zal mij zoeken. En men zal mij roepen. Maar dan zal ik deze roepstem niet meer horen. Ik zal er niet meer zijn. Dan zal ik ver, ver, ver zijn. Ver in de woestijn. Het zal dan te laat zijn, te laat.’ Misschien, zo suggereerde Van Genderen, was het voor de overledene te laat, maar zijn volgelingen had¬ den alle gelegenheid om zijn werk voort te zetten. Door zijn ideeën uit te dragen, kon Suriname ‘gezuiverd worden van alle plagen die op haar rust¬ ten’.29 Een van de hoogtepunten bij de viering van het 25-jarig bestaan van de nps was de onthulling van een doek van Pengel, getiteld De dood van een grote zoon. Het was vervaardigd door de schilder Robbert Doelwijt.30 Twee jaar na het heengaan van Pengel reageerde de gemeenschap ge¬ schokt op het bericht dat zijn graf was geschonden en dat er persoonlijke voorwerpen uit zijn kist waren gestolen, waarschijnlijk met de bedoeling deze voor obia sani (magische praktijken) te gebruiken.31 In de aanloop naar de verkiezingen van 1973 erkende Arron dat de figuur van Pengel niet te vervangen was.32 Tijdens deze verkiezingen vond de langspeelplaat In Memoriam Johan Adolf Pengel gretig aftrek en werden fragmenten uit toe¬ spraken die op het vinyl waren verzameld frequent afgespeeld, tijdens NPK-campagnes, op radiostations en in winkels.33 Het werk van een comité standbeeld J.A. Pengel, dat enkele dagen na zijn overlijden door vooraanstaande NPs’ers was opgericht en waarvan Arron in 1973 erevoorzitter was geworden, resulteerde op 5 juni 1974 in de onthulling van een bronzen standbeeld van Pengel door zijn weduwe. De meer dan levensgrote sculptuur van de hand van Stuart Robles de Me¬ dina werd geplaatst op het Onafhankelijkheidsplein, toen nog Oranjeplein geheten. Statenvoorzitter Wijntuin herinnerde het toegestroomde publiek eraan dat Pengel de integratiepolitiek in Suriname had geïntro¬ duceerd. Hoofdpropagandist Pa Lem beaamde dit en voorspelde dat Arron alles wat Pengel had gezegd, zou realiseren. Arron meende dat de levens¬ filosofie van Pengel door het standbeeld werd belichaamd: ‘Wij zullen de weg opgaan die hij ons gewezen heeft, de weg naar vrijheid en zelfstan¬ digheid.’34 De onthulling van het standbeeld van Pengel was een zorgvuldig ge¬ regisseerd evenement, waarbij de mannenkoren Maranatha en Harmonie gewijde liederen zongen, de gouverneur, de Statenvoorzitter, de NPS-hoofdpropagandist en de nps-voorzitter redevoeringen hielden, het volkslied werd gezongen en talrijke kransen werden gelegd, behalve door partijpro-

LEIDER VAN DE NPS

minenten en leden van de coalitie ook door oppositieleider Lachmon. Voor Pengels aanhangers, die in groten getale waren komen opdagen, was het beeld het tastbare bewijs dat de grote leider nog altijd onder de mensen verbleef en dat niemand aan zijn nalatenschap voorbij kon gaan. Vanaf juni 1974 zou niet langer begraafplaats Mariusrust, waar het stoffelijk overschot van Pengel was bijgezet, maar het beeld van Pengel de ontmoe¬ tingsplek worden voor partijgangers die hun gewezen leider eer wilden bewijzen.35

BREDE BASIS-POLITIEK

Voor de

vhp

betekende de deelname aan het kabinet-Sedney een triom¬

fantelijke terugkeer in het politieke machtscentrum. Met negentien zetels beschikte het partijblok (waartoe ook de

sri

behoorde) over een domi¬

nante positie in de Staten. Hoewel de samenwerking met de

nps

al in

1967 was verbroken, weigerde Lachmon op voorhand af te zien van het betrekken van deze partij bij de regering. Mede als handreiking aan Pen¬ gel had hij, na diens weigering om premier te worden, Jules Sedney in die functie naar voren geschoven. Ondanks diens PNP-affiliatie gold deze niet als een grote rivaal van de NPS-leider.36 Maar tot zijn teleurstelling was Pengel ook na deze geste niet ingegaan op zijn aanbod om tot de regering toe te treden. Toch was dit voor Lachmon geen reden om zijn avances richting de

nps

op te schorten. Wat hem bij Pengel niet was gelukt, zou

hij mogelijk bij zijn opvolger wel voor elkaar krijgen. Het manoeuvreren van Lachmon werd ingegeven door angst voor op¬ lopende spanningen tussen Creolen en Hindostanen, die in toenemende mate aan de oppervlakte traden. Het was zijn overtuiging dat een

vhp-

NPS-regering, met een breed draagvlak in de samenleving, deze spannin¬ gen gemakkelijker zou kunnen beheersen dan een regering bestaande uit de

vhp

en een Creoolse splinterpartij. Doordat de oppositie de regering

niet ten onrechte wegzette als een Hindostaans machtsblok voorzien van een Creools randje, kreeg kritiek op het kabinet-Sedney bijna als vanzelf een etnische lading, wat de latente frictie tussen de twee grootste bevol¬ kingsgroepen een merkbare impuls gaf. Een van de onderwerpen waar de regering en de oppositie sterk tegengestelde standpunten over innamen, was de onafhankelijkheid (zie volgende paragraaf). De kritiek van de oppo¬ sitie was dat de PNP-ministers aan de leiband liepen van VHP-leider Lachmon, voor wie de handhaving van de Koninkrijksbanden boven ie¬ dere discussie verheven was. Dit was opmerkelijk, omdat PNP-ministers als Sedney en Essed in het verleden volmondig hun steun hadden betuigd aan het onafhankelijkheidsstreven van de nps.

97

De oppositie reageerde überhaupt fel op voorstellen en besluiten van de regering, soms op het onredelijke af. Toen het kabinet-Sedney op 4 fe¬ bruari 1970 besloot om Holi Phagwa en Id-ul-Fitr tot nationale feestda¬ gen uit te roepen ten koste van Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag die de status van christelijke feestdag kregen, liet de

nps

weten dit initia¬

tief te beschouwen als een miskenning van de plaats van christenen in de samenleving en als het tornen aan hun verworven rechten. De regering stelde hier tegenover dat christenen door de maatregel geen onrecht werd aangedaan. Dat de (cck),

nps,

anders dan het Comité Christelijke Kerken

zich verzette tegen vrije dagen voor hindoes en moslims, toonde

volgens het kabinet dat de partij kennelijk niet de bereidheid op kon brengen om hen als gelijkwaardige burgers te erkennen.37 Toen de regering een jaar later, onder druk van de publieke opinie en na afstemming met het

cck,

Tweede Paasdag wederom als nationale

feestdag proclameerde, maar ditmaal ten koste van Hemelvaartsdag, zet¬ te de oppositie andermaal de hakken in het zand. Twee moties van de NPS-fractie, inhoudende het herstel van Tweede Pinksterdag en Hemel¬ vaartsdag als nationale feestdagen en het uitroepen van Id-ul-Zoha en Divali tot nationale feestdagen, werden echter door het parlement ver¬ worpen. Op 22 april 1971 legden de Staten bij wet Holi Phagwa, Id-ul-Fitr en Tweede Paasdag als nationale feestdagen vast en kwam Hemelvaarts¬ dag als nationale feestdag te vervallen. Tijdens de debatten schamperde Van Genderen dat als ‘de regering Lachmon’ meer macht zou worden toe¬ bedeeld, zelfs de zondag zou worden afgeschaft.38 Later dat jaar waren de nps

en de

pnr

opvallend zuinig met hun waardering voor het besluit van

de regering om het ‘afgoderijartikel’ uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen.39 Een andere aanwijzing, volgens de oppositie, dat Hindostanen in de regering de dienst uitmaakten, was het benoemingsbeleid van het kabi¬ net. De dominantie van de

vhp zou

blijken uit een opvallende toename

van Hindostanen in hogere ambtelijke functies. Naar het oordeel van de oppositie had het kabinet na het ‘regelen’ van partijgenoten en het over¬ plaatsen of ontheffen van ambtenaren die aan de regering-Pengel waren gelieerd, een personeelsstop ingesteld, waarvan alleen werd afgeweken ingeval partijgenoten voor bewezen diensten met een passende functie dienden te worden beloond. Los van de partijdigheid van het systeem constateerde de oppositie dat de benoemingen geen kwaliteitsimpuls tot gevolg hadden, getuige de chaos op een aantal departementen. Volgens de nps

en de

pnr

spande het ministerie van Onderwijs en Volksontwikke¬

ling wat dit aanging de kroon. De kritiek leek vooral voor de bühne be-

98

LEIDER VAN DE NPS

doeld. De zittende regering hanteerde een benoemingsbeleid dat in es¬ sentie niet afweek van dat van voorgaande regeringen.40 Het wegvallen van een bindende figuur als Pengel stimuleerde de op¬ richting van een aantal Creoolse groeperingen als Krikomaka (Krioro kon makandra - Creolen verenigt u). Deze gaven uiting aan hun frustratie over de macht van de Hindostanen, die in VHP-verband een hecht front vormden, en over de onmacht van de Creolen, die over meerdere politieke organisaties waren verdeeld. Was Pengel voor de Creolen een succesvol pleitbezorger van hun belangen geweest met wie zij zich duidelijk had¬ den kunnen identificeren, Arron gold als een nieuwkomer, die nog niet de gelegenheid had gehad zijn leiderschapskwaliteiten en daadkracht te tonen. Het doel van de buitenparlementaire groeperingen - waarvan de leiders vooral uit de

pnp

kwamen en moeite hadden met de ondergeschik¬

te positie van hun partij in het kabinet-Sedney - was het kweken van een ‘zwart bewustzijn’ en het herstellen van de eenheid onder de Creolen. De en de pnr spraken zich uit tegen etnische blokvorming, maar erkenden

nps

dat de levensomstandigheden van de Creolen verbetering behoefden.41 In dit klimaat van toenemende tegenstellingen tastten de pnp

enerzijds en de

nps

vhp

en de

anderzijds, op initiatief van Lachmon, informeel

de mogelijkheden af om te komen tot de vorming van een nationaal kabi¬ net. Arron liet weten hier welwillend tegenover te staan.42 Tijdens een massameeting van de

nps

op 14 oktober 1970, de eerste sinds het overlij¬

den van Pengel, wees hij resoluut het beleid van de zittende regering af. Volgens hem was het kabinet-Sedney onbekwaam om Suriname te besturen. Ministers hadden het land in ‘een precaire en ook explosieve toestand’ gebracht en ervoor gezorgd dat een deel van de bevolking grote armoede leed, terwijl een ‘bepaalde groep’ economisch sterker was geworden. De pnp

kon naar zijn zeggen niets voor het volk doen, aangezien zij ‘in de

coup van de

vhp

zat’. Arron merkte op niet meer te geloven in de door

Lachmon gepropageerde verbroederingspolitiek, maar wel in een kabinet op brede basis: ‘In het belang van land en volk doe ik een beroep op de vhp

om te komen tot een nationale regering. De nps zal voor geen enkele

uitdaging uit de weg gaan. De massale opkomst hedenavond heeft getoond dat de nps kan rekenen op de onmisbare steun.’43 Geruchten dat Lachmon opnieuw toenadering zocht tot Arron circu¬ leerden niet toevallig nadat bekend was geworden dat het partijkabinet van de

pnr

zijn vertegenwoordiger in het parlement, Bruma, had ge¬

machtigd om nauwer samen te werken met de NPS-fractie. De

pnr

ver¬

klaarde te streven naar een krachtige en eendrachtige oppositie in de Staten om te kunnen strijden tegen ‘het misbruik’ dat de coalitie maakte

99

van haar numerieke meerderheid in het parlement en tegen de ‘provoce¬ rende raciale groepspolitiek van de VHP-leiding’.44 De NPS-fractie, inge¬ nomen met de opstelling van de

pnr,

van onderhandelingen tussen de

nps

ontkende dat er sprake was geweest en devHP en liet weten zich niet te

laten misbruiken ‘als chantage-instrument tussen de coalitiepartners’. Hoewel er in de partijtop, zoals gezegd bij Arron, maar ook in de partij¬ raad, voorstanders waren van een brede basis-politiek, was duidelijk dat tegelijk veel NPs’ers er rekening mee hielden dat door toe te treden tot het kabinet-Sedney de impopulariteit van een aantal ministers ook nega¬ tief op de NPS-ministers zou afstralen. Het hoofdbestuur van de

nps

liet

op 9 juli 1971 in een verklaring weten dat de partij onder de gegeven om¬ standigheden niet bereid was tot regeringsdeelname, maar ‘met alle haar ten dienste staande wettige middelen’ wilde bewerkstelligen dat er nieu¬ we verkiezingen zouden worden gehouden.45 Verwijzend naar de crisissituatie in het land, vooral op het gebied van de werkgelegenheid, had Arron eerder al voorspeld dat ‘de opstand’ geen twee jaar meer zou uitblijven en dat deze waarschijnlijk dichterbij was dan de meeste mensen dachten.46 Hij toonde hiermee over een voor¬ uitziende blik te beschikken. Tijdens een massameeting van de

nps

op

27 augustus bouwden sprekers voort op deze gedachtelijn en gingen zij uitgebreid in op de armoede, onzekerheid en wanhoop onder de bevol¬ king. Zij stelden dat de maat vol was en zinspeelden op het houden van demonstraties. Arron herhaalde het voornemen van de nps om de regering tot aftreden te dwingen en nieuwe verkiezingen te laten uitschrijven. Hierdoor zou naar zijn zeggen een parlement dat representatief was voor de volkswil kunnen toewerken naar een normalisering van de politieke en maatschappelijke verhoudingen.47 In vervolg op een driedaagse algemene staking, georganiseerd door de vier vakcentrales, vroeg de NPS-fractie via een interpellatievoorstel om een ontbinding van de Staten. Voorzitter Lachmon weigerde dit voorstel in behandeling te nemen. Dezelfde boodschap verpakte het hoofdbestuur van de partij in een petitie, die aan gouverneur Ferrier werd aangeboden. Ook hierin bekritiseerde de

nps

‘het ondeugdelijke beleid’ van de rege¬

ring die bezig was het land ‘naar de afgrond van revolutie en anarchie’ te voeren. Ferrier weigerde echter het verzoek tot ontbinding van de Staten te honoreren. Het voorstel dat Bruma aan de

nps

deed om de zetels van

beide partijen terug te geven en zich als totale oppositie terug te trekken uit het parlement, sloeg Arron af.48 Op 23 januari 1972 bood Lachmon de

nps

drie ministerszetels aan.

Uitspraken van Arron ten gunste van de onafhankelijkheid, door hem in

100

LEIDER VAN DE NPS

het Nederlandse televisieprogramma Kort Geding gedaan (zie volgende paragraaf), waren hier de directe aanleiding toe.49 Arron: Er gingen toen stemmen op in de partij om op het aanbod in te gaan, maar ik was er pertinent op tegen. Ik heb wel gesprekken gevoerd, onder andere met Sedney. Maar ik dacht dat het een goede leerschool voor de nps zou zijn om rustig de verkie¬ zingen af te wachten en voorbereidingen te treffen voor de echte grote strijd. Bovendien was ik van mening dat het volksbedrog zou zijn geweest als we het aanbod hadden aanvaard. In ig6g had de nps namelijk duidelijk gesteld dat zij niet in een kabinet zou gaan zitten als zij de verkiezingen zou verliezen. Dan kan je daar niet zomaar op terugkomen. Ten slotte was het aanbod ook politiek niet interessant, omdat Lachmon zag dat regeren zonder de nps cata¬ strofaal is. Zijn coalitie was uitermate kwetsbaar. Toetreden tot de coalitie zou onze uitgangspositie bij de eerstvolgende verkiezingen enorm verzwakken. Was Arron ‘pertinent’ tegen de brede basis-politiek? Een feit is dat dit de conclusie was die de NPS-leider uiteindelijk zou trekken en waar hij vervolgens demonstratief naar zou handelen. Maar in de aanloop naar dit besluit hield hij lange tijd alle opties open, neigde hij sterk naar deelname van de

nps

aan een nationaal kabinet, al liet hij nooit na ook zijn reserves

hierover te laten doorschemeren. Deze behoedzame opstelling, die in de pers tot allerlei speculaties leidde50, kwam voort uit zijn opvatting dat de discussie over de brede basis niet een principieel, maar een politiek ka¬ rakter had. De vraag was niet op welke wijze deelname aan een nationaal kabinet zich verhield tot de beginselen van de partij en met een beroep op die principes als gerechtvaardigd kon worden bestempeld. De kern van de zaak was welke aanwijsbare voordelen de

nps

kon ontlenen aan een even¬

tueel toetreden tot de regering en hoe groot het draagvlak voor een derge¬ lijke stap was bij de achterban. Tegelijk wees Arrons voorzichtige manoeu¬ vreren op nog iets anders. Hij realiseerde zich dat de discussie over de brede basis de eerste majeure kwestie was waarvoor hij zich als politiek leider gesteld zag. Hij kon zich niet alleen geen misstap veroorloven, ster¬ ker, zou hij erin slagen een voor de

nps

aansprekend resultaat te boeken,

dan zou dit zijn leiderschap ontegenzeglijk versterken. Bij het bepalen van zijn standpunt ten aanzien van de brede basis-po¬ litiek was Arrons voornaamste zorg in hoeverre hij Lachmon kon vertrou¬ wen. Het ‘verraad der Hindostanen’ zat nog tamelijk vers in zijn geheugen en werd gevoed door hardnekkige geruchten dat Lachmon er met zijn aanbod vooral opuit zou zijn om verdeeldheid onder de Creolen te zaaien. Hij zou willen verhinderen dat de

nps

en de

pnr

als oppositiepartijen

verder naar elkaar toe zouden groeien. Bovendien zou hij in een coalitie met de

pnp

en de

nps

de eerste viool willen spelen in de hoop daarmee

101

de onafhankelijkheid op de lange baan te kunnen schuiven. Ten slotte zou Lachmon de

pnp

zijn macht willen tonen en willen straffen voor

haar kritische opstelling in het parlement. Om die reden hield hij het PNP-blok met de

(pnp, psv, pbp

nps.

en

ktpi)51

Kopstukken van de

vooralsnog buiten de besprekingen

pnp

en de

psv

keurden de handelwijze

van Lachmon zonder omhaal af. Zij betichtten de VHP-leider van oppor¬ tunisme, laakten zijn pogingen om de

pnp

te disciplineren en benadruk¬

ten dat een parlement niet tot taak had te fungeren als applausmachine van de regering. Het kritisch volgen van het kabinet door een coalitie¬ partner was in de Surinaamse politieke cultuur misschien ongebruike¬ lijk, maar voor de PNP-fractie gold dit dualisme als het simpelweg in acht nemen van bepaalde democratische beginselen.52 Hoewel het initiatief van Lachmon groepen NPs’ers tegen de borst stuitte, viel, zoals gezegd, zijn aanbod bij delen van de partijtop in goede aarde. Voorstanders van een herstel van de NPS-VHP-samenwerking wa¬ ren vooral te vinden bij de gevestigde partij elite, dat wil zeggen bij leden als Van Genderen, Meyer, Kraag, Calor en de gebroeders Jessurun. Een aantal van hen werd genoemd als gegadigde voor een ministerspost, mocht de

nps

besluiten zitting te nemen in een kabinet met de

vhp.

In het bij¬

zonder Van Genderen, die samen met Arron het overleg met Lachmon had gevoerd, was een exponent van de brede basis-gedachte. Het was zijn overtuiging dat Suriname alleen goed te besturen viel met de uitvoeren¬ de macht in handen van een NPS-VHP-coalitie. De kabinetten die het land tussen 1958 en 1967 hadden geleid, waren hier volgens hem het overtui¬ gende bewijs van.53 De manoeuvres van Lachmon werden door de

pnr

met argusogen ge¬

volgd. De partij had er alle belang bij de oppositionele samenwerking met de

nps

te continueren. Buiten de

nps

waren er in het parlement

geen partners waarmee de eenmansfractie een bondgenootschap zou kunnen aangaan. Met verwijzing naar de besprekingen die de vhp

nps

met de

voerde over een eventuele deelname van de partij aan de regering,

deed Bruma op 25 januari in een open brief aan Van Genderen het ver¬ zoek ‘mij mede te delen of u het nog geen tijd acht mij in te lichten over deze merkwaardige en belangrijke koerswijziging van uw partij’. Natuur¬ lijk was de

nps

vrij in haar politieke denken en handelen, maar voor een

goed functioneren van de oppositie, die twee jaar lang gezamenlijk was opgetrokken, was het volgens Bruma noodzakelijk dat er geen twijfel be¬ stond over de opvattingen van de

nps

met betrekking tot het beleid van

de regering.54 Bruma voerde de druk op met een tweede brief, gericht aan Staten-

102

LEIDER VAN DE NPS

voorzitter Lachmon. In dit schrijven, gedateerd 27 januari, stelde hij vast dat Lachmon bezig was de

nps

als oppositiegroep in het parlement op te

rollen en daarmee de oppositie terug te brengen tot welgeteld één zetel, namelijk die van de

pnr.

Bruma deed een beroep op Lachmon om geen

‘dictatuur van de regeringspartijen’ te vestigen en de parlementaire de¬ mocratie in Suriname niet te liquideren. Een oppositie bestaande uit één Statenlid kon immers geen vergaderingen aanvragen, geen moties indie¬ nen, ja zelfs geen schorsing aanvragen zonder steun van de regeringspar¬ tijen. Bruma: ‘Het is wel bittere ironie, dat juist u, die bij herhaling waar¬ borgen vraagt voor de handhaving van de democratie in een toekomstig onafhankelijk Suriname, in de enige aan uw zorgen toevertrouwde staats¬ instelling de democratische orde vernietigt.’55 Op 30 januari vergaderde de partijraad van de

nps

over het aanbod

van Lachmon om drie vrijgevallen posten in het kabinet-Sedney (Onder¬ wijs en Volksontwikkeling, Arbeid en Volkshuisvesting, en Volksgezond¬ heid) door NPS-ministers te laten innemen.56 Hoe moeilijk deze kwestie binnen de partij lag, was al gebleken uit het feit dat de oorspronkelijk op 25 januari geplande bijeenkomst niet was doorgegaan. Het partijbestuur benutte de tussenliggende dagen om de NPS-kernen tekst en uitleg te ge¬ ven over de besprekingen die met Lachmon waren gevoerd. Tijdens de partijraadsvergadering roerden voor- en tegenstanders van de brede basis zich op een niet mis te verstane wijze. Fel was de oppositie van Otmar Rodgers, die opmerkte een toetreden van de

nps

tot het kabinet-Sedney

met geen mogelijkheid te kunnen rijmen met de oppositie die de partij twee jaar lang tegen dit kabinet had gevoerd. Hoe geloofwaardig was de partij als zij ineens medeverantwoordelijkheid zou gaan dragen voor be¬ leid dat zij al die tijd had afgewezen? En waarom zou de haupt geroepen moeten voelen om de

vhp

nps

zich über¬

uit ‘de impasse van een mis¬

lukt beleid’ te helpen? Andere sprekers, onder wie Pa Lem, Walter Zalmijn en Salam Paul Somohardjo57, betoonden zich vurige voorstanders van samenwerking. Toetreding tot het kabinet zou de

nps

in de gelegenheid stellen het de¬

sastreuze sociaal-economische beleid van de regering om te buigen. Rodgers bracht hier tegenin dat niemand de garantie kon geven dat de nps

met drie zetels in het kabinet werkelijk invloed zou kunnen uitoefe¬

nen, te meer niet daar de desbetreffende departementen ‘probleemministeries’ waren. De nps

zou

daarmee het risico lopen de schuld te krijgen

van wanorde, mocht deze ontstaan. Weer andere sprekers verklaarden moeite te hebben om samen te werken met de

pnp,

die immers een

hoofdrol had gespeeld bij het ten val brengen van het kabinet-Pengel. Zij

103

stelden dat de

nps,

mocht

zij

besluiten toe te treden tot de regering,

recht had op meer kabinetsposten dan de

pnp,

die immers een kleinere

fractie vormde in de Staten. Tijdens de vergadering bleek dat veel niet-partijraadsleden zich toe¬ gang tot Grun Dyari hadden verschaft. Uit deze gelederen, waar naar ver¬ luidt aanhangers van de

pnp

zich tussen hadden genesteld, kwamen de

meest fervente protesten tegen het voorstel van Lachmon. Arron en Van Genderen verdedigden - de eerste terughoudender dan de laatste - de brede basis en hadden moeite om de menigte in toom te houden. Met zijn uitspraak ‘dat een regering zonder de een regering zonder de

vhp

nps

niet mogelijk is, maar dat ook

onmogelijk is’ leek Arron voorstanders van

de brede basis gerust te willen stellen, zonder dat hij aanstalten maakte zich op iets concreets vast te leggen. Rekening houdend met de stemming op het partijterrein en zoekend naar een compromis legde hij de vergade¬ ring de vraag voor of er een NPS-VHP-samenwerking diende te komen ‘in een ander verband’. Nadat hij en Van Genderen hadden vastgesteld dat zich onder de aanwezigen een duidelijke meerderheid voor dit standpunt aftekende, was het gejuich niet van de lucht. Na afloop van de vergadering gaf de partijraad het volgende communiqué uit: ‘De uitdrukkelijke wens van de partijraad is, dat het huidige kabinet aftreedt, waarna de

nps

eventueel wel bereid is in een nieuw kabinet mede regeringsverantwoor¬ delijkheid te dragen. De mengaan met de

vhp

nps

staat niet afwijzend tegen een eventueel sa¬

in een nieuw te vormen kabinet onder de alsdan

overeen te komen voorwaarden.’58 Tijdens een persconferentie op 1 februari verklaarde Lachmon te¬ leurgesteld te zijn over de uitkomst van de partijraadsvergadering. Zijn toenaderingspogingen waren naar zijn zeggen bedoeld om het wantrou¬ wen tegen de

vhp

weg te nemen en om de beschuldiging te weerleggen

dat de vhp tegen elke prijs de regering en het parlement wenste te domi¬ neren. Het herstel van de oude banden tussen de vhp en de

nps

stond bij

hem voorop, een samenwerking - zo verzekerde hij - waarvan altijd een grote rust was uitgegaan en die het land ook nu ten voordeel zou strekken. Lachmon ontkende dat hij bezig was ‘een balk door te zagen’. Dit waren woorden die de VHP-leider in de jaren zestig had gebezigd en waarvan menigeen aannam dat ze betrekking hadden op een scenario om de Cre¬ oolse eenheid te ondergraven. Lachmon: ‘Het verdeeld zijn of niet van de Creoolse bevolkingsgroep is niet mijn handwerk. Ik heb het nooit bewerk¬ stelligd, ik zal het ook nooit bewerkstelligen en ik zal het ook niet kunnen bewerkstelligen.’59 Hoewel de verhouding tussen de

104

LEIDER VAN DE NPS

vhp

en de

pnp

onder toenemende

druk kwam te staan60, weigerde Lachmon zijn charmeoffensief richting de

nps

op te geven. Het was zijn overtuiging dat de ‘geestelijke integratie’

tussen de bevolkingsgroepen diende te worden aangemoedigd en dat een brede politieke samenwerking daarin instrumenteel zou zijn. Voor een oppositie bestaande uit één Statenlid was hij niet bevreesd. Hij verwachtte dat er zowel Statenleden vanuit de

vhp

als vanuit de

pnp

naar de opposi¬

tie zouden overlopen, mocht er een kabinet op brede basis tot stand ko¬ men.61 De

pnr

hield intussen nadrukkelijk een vinger aan de pols. In een

verklaring liet zij weten dat zij een werkgroep had ingesteld die tot taak had de verhouding tussen de

pnr

en de

nps

te bestuderen, zowel op het

niveau van de fractie als op het niveau van het partijbestuur. Ook deze ac¬ tie was bedoeld om de

nps-top

ertoe te bewegen van het geven van steun

aan de brede basis af te zien.62 De PNR-opstelling moedigde Lachmon echter aan om de

nog

nps

diezelfde maand behalve de drie eerdergenoemde ministeries ook drie (nader in te stellen) onderministeries aan te bieden, namelijk van Opbouw, Binnenlandse Zaken en Economische Zaken.63 De onderministeries wa¬ ren bedoeld om de

nps

te compenseren. Op de vergadering van de partij¬

raad van 30 januari waren, met verwijzing naar de omvang van de

nps-

fractie in de Staten, immers stemmen opgegaan om van de VHP-leider meer ministerszetels te eisen. Vier ministersportefeuilles kon Lachmon naar eigen zeggen voor de

nps

echter niet vrijmaken zonder met de

pnp

op ramkoers te raken. Vandaar zijn besluit om onderministeries in de onderhandelingen te introduceren.64 In de top van de

nps

werd verdeeld gereageerd op het voorstel van

Lachmon, maar bij veel afdelingen en onderafdelingen viel het aanbod slecht. In ingezonden brieven verklaarden zij zich tegen de brede basis-gedachte. In een interview betuigde Arron zijn instemming met deze pro¬ teststemmen, keerde hij zich tegen toetreding van de

nps

tot de regering

en gaf hij aan vast te willen houden aan het partij raadsbesluit van 30 janua¬ ri. Arron herhaalde dit standpunt tijdens bijeenkomsten van afdelingen van de partij. Deze hadden onveranderlijk een rumoerig verloop en ken¬ merkten zich door geagiteerde discussies waarin voor- en tegenstanders van de brede basis zich roerden en elkaar verdachtmakingen naar het hoofd slingerden. Uit de gang van zaken kon niet worden afgeleid hoe de stemverhoudingen in de partij lagen, al verwachtte De Vrije Stem dat de voorstanders van de brede basis aan het langste eind zouden trekken.65 Op 23 april belegde de

nps

een partijraadsvergadering om het laatste

bod van Lachmon te bespreken. De partijleiding wenste geen herhaling van de chaos van 30 januari, toen niet-partijraadsleden zich onder het

105

publiek hadden gemengd en een daadwerkelijke stemming onmogelijk hadden gemaakt. Om die reden droeg de vergadering nadrukkelijk een besloten karakter. Er waren vooraf toegangskaarten onder de partij raads¬ leden gedistribueerd, er was politiebewaking aanwezig en er zou met ge¬ sloten briefjes worden gestemd. De inzet van Arron en Van Genderen was de gedisciplineerdheid van de

nps

te tonen en de eenheid binnen de

partij te bewaren. Hierover hadden beide voorzitters onderling afspraken gemaakt.66 Het zou echter anders lopen. De voorzorgsmaatregelen zou¬ den niet alleen niet toereikend blijken, de zaken zouden nog minder or¬ dentelijk verlopen dan op 30 januari.67 John Thijm: ‘Van Genderen en Arron waren beiden voorstander van samenwerking met de

vhp.

Arron beloofde dit ook op de partij vergade¬

ring te zullen verdedigen. De bijeenkomst op Grun Dyari werd door Van Genderen geleid. Arron was nog niet gearriveerd. Na het vernemen van de stemming onder de massa, die zich op het partijterrein en buiten op straat had verzameld en die leuzen schreeuwde tegen de brede basis, be¬ sloot Van Genderen de vergadering niet voort te zetten. Hij sloot de bij¬ eenkomst en verwijderde zich van het partijterrein. Intussen had Arron vernomen hoe de vlag erbij hing en was hij van gedachten veranderd. Hoe kon hij nog voorstander van de brede basis zijn als de achterban hier niets van wilde weten? Partijaanhangers haalden hem bij zijn huis op en escor¬ teerden hem naar Grun Dyari. Daar werd hij door de aanwezigen op de schouders getild en naar het podium gedragen. Je kunt zeggen dat de mas¬ sa hem die zondag informeel tot voorzitter maakte.’68 Otmar Rodgers: ‘Er was eerder een voorbereidende vergadering van de partijraad geweest. Voorzitter Van Genderen had toen geweigerd mij het woord te geven. Ik heb hem vervolgens vanuit mijn huis gebeld en ge¬ zegd dat ik op de eigenlijke vergadering weer om het woord zou vragen en mij niet zou laten tegenhouden. In de tussentijd liet ik iedereen weten dat ik tegen de brede basis was. Op de bewuste dag heeft de

nps

definitief

de brede basis verlaten. Ik ben door de massa op de schouders genomen en het partijterrein rondgedragen. Maar Arron speelde het slimmer dan alle anderen. Vanaf het podium riep hij dat hij altijd tegen de brede basis was geweest. Dat was niet waar, maar hij sloeg z’n slag en kwam ermee weg. Met zijn opstelling wilde hij zich profileren richting Lachmon en proberen om uit de schaduw van Pengel te treden.’69 Arnold Kruisland: ‘Het hoofdmotief van Arron en Van Genderen om de brede basis te steunen, was praktisch. Zit je in de regering, dan is het gemakkelijker om verkiezingen te winnen. Sedney was tegenstander was de brede basis, maar kon dit niet etaleren, omdat hij onder de vleugels van

106

LEIDER VAN DE NPS

Lachmon moest opereren. Toch is het Sedney geweest die georganiseerd heeft dat aanhangers van de

pnp

en de

pnr

naar de

nps-vergadering

zijn

gegaan. Hij zal het ontkennen, maar het is waar. Grim Dyari was bevolkt met

pnp-

en PNR-sympathisanten, die zich fel tegen de brede basis keer¬

den. Arron werd hier telefonisch over ingelicht. Hoewel hij Van Gende¬ ren eerder warm had laten lopen voor de brede basis, liet hij hem nu prompt vallen. Vanaf de poort van het partijterrein schreeuwde hij: “Geen brede basis!” De massa nam hem op de schouders en droeg hem naar het podium. Daar kreeg hij een krans omgehangen, waaraan een groen lint hing met daarop de woorden: geen brede basis. Vanaf dat moment was er geen gedeelde macht meer met Van Genderen. Voor de NPS-aanhang was er maar één leider: Arron.’70 Arron: Een meerderheid in de top van de nps was van mening dat de brede basis steun verdiende. Maar ik had het volk achter mij. Het was de eerste keer in mijn politieke loopbaan - en het is ook niet met eerdere voorzitters in de nps

gebeurd, trouwens ze zouden Pengel niet hebben kunnen optillen (lacht)

- dat ik boven de menigte uit werd gedragen van de poort tot de vergadertafel. Mijn voeten hebben het partijterrein niet gevoeld! Maar probleemloos verliep het allemaal niet. Weetje hoe ver men in de partij is gegaan om mij tot de brede basis te dwingen? Op een gegeven moment kwam het vraagstuk van het geloof weer op tafel. Men ging verkondigen dat ik de

nps

aan het bisdom verkocht.

De oude generatie uit de nps-top, lid van deEBG, kwam ermee. Ik heb me daar groen en geel aan geërgerd. Het was totaal uit de lucht gegrepen. Gelukkig ver¬ dween het snel weer van tafel, omdat ik het geluk had dat dit soort dingen wel een voedingsbodem hadden, maar niet het beoogde effect sorteerden. Behalve de geloofskwestie speelde ook het generatieconflict hier een rol. Een broekje van buitenaf, nauwelijks tien jaar lid van de partij, krijgt het voorzitterschap, terwijl er partijgenoten waren die al vanaf de oprichting van de nps lid waren. Maar zij maakten geen schijn van kans. En dan ontstaat er jaloezie hè? Daar ben ik niet blind voor, maar daar harnas ik mij tegen.71 De partijvergadering van 23 april 1972 betekende voor Arron een me¬ morabele versterking van zijn positie als leider van de

nps.

In 1970 had¬

den, los van eigen verdiensten, vooral de omstandigheden hem geholpen om het voorzitterschap van de partij te verwerven. Het was hem nu dank¬ zij omzichtig manoeuvreren gelukt om zijn stempel te drukken op de koers van de partij, om de gunst van de achterban te winnen en om zijn positie te markeren ten opzichte van de oude generatie in de partijtop, in het bij¬ zonder de voorzitter van de partijraad. Om dit resultaat te bereiken, had hij een opmerkelijke lenigheid van geest aan de dag gelegd en zijn vermo¬ gen getoond op het juiste moment toe te slaan. Met zijn optreden nam

107

Arron iedere twij fel weg omtrent de houding van de

nps

ten opzichte van

de brede basis en presenteerde hij zich in één adem door als de toekom¬ stige uitdager van Lachmon. Op termijn maakte hij daarmee de weg vrij voor het samenwerkingsverband dat tussen 1973 en 1980 de Surinaamse politiek zou domineren. Volgens De Vrije Stem was de machtsstrijd in de nps tussen de ouderen onder leiding van Van Genderen en de jongeren onder leiding van Arron definitief in het voordeel van de laatste beslist. Naar het oordeel van de krant was thans de hoop gerechtvaardigd dat de

nps

‘zich meer dan vroe¬

ger ten volle zal inzetten om een goede oplossing te vinden voor de noden en behoeften van het volk. Van Henck Arron is bekend dat hij volkomen betrouwbaar en eerlijk is en op geen enkele wijze probeert zichzelf te ver¬ rijken, of te profiteren van de politiek. De

nps

kon geen betere beslissing

nemen dan Henck Arron te maken tot de strongman van de partij. Hij heeft onze steun en medewerking.’72 Andere kranten waren minder uitgespro¬ ken in hun commentaar op de gebeurtenissen en in hun steun voor Arron, al stond ook voor hen vast dat de partijvoorzitter de situatie volledig naar zijn hand had weten te zetten. Tegelijk moet worden vastgesteld dat het verzet van Bruma tegen de brede basis-politiek succesvol was geweest. Het had aansluiting gevon¬ den bij Arron-getrouwen als Rodgers73, maar ook bij activistische leden als Jozef Slagveer en Rudi Kross, die op de linkervleugel van de partij ope¬ reerden, en bij leden van het hoofdbestuur, die strategisch met het ver¬ strekken van toegangskaarten waren omgegaan en zich niet bezwaard hadden gevoeld om waar dit dienstig leek ook

pnp-

en PNR-aanhangers

aan een pasje te helpen. Al deze facties achtten een nationaal kabinet on¬ der leiding van Lachmon schadelijk voor het verwezenlijken van wat zij zagen als de progressieve doelstellingen van de

nps.

Het had ook gehol¬

pen dat premier Sedney een toetreden van NPS-ministers tot zijn kabinet als een bedreiging had gezien voor zijn eigen positie.74 Maar naar zijn zeggen had hij geen partijgenoten naar Grun Dyari gedirigeerd en had¬ den ook maar weinig PNPers, en zeker geen PNP-toppers, op het partijterrein acte de présence gegeven. Het waren volgens Sedney aanhangers van de

pnr

geweest die met hun massale verzet de doorslag hadden ge¬

geven.75 Er zit nog een ander aspect aan de bijeenkomst van 23 april 1972. Het democratisch gehalte van de beslissing om als

nps

niet tot een brede basis-

-kabinet toe te treden, liet te wensen over. Er was geen sprake van een be¬ sluit van het partijraadsbestuur. Nadat de voorzitter de vergadering had gesloten, dwong de massa, aangevuurd door verklaarde tegenstanders van

108

LEIDER VAN DE NPS

de brede basis-politiek, via een overrompelingstactiek een beslissing af. Hoewel deze uitkomst naderhand in een vergadering van het partijraadsbestuur alsnog de kracht van besluit kreeg, waren veel NPs’ers over deze handelwijze slecht te spreken. Het feitelijke besluit was immers al op 23 april gevallen. Zij rekenden bovendien Arron het verbreken van zijn ‘be¬ lofte’ aan Van Genderen persoonlijk aan. De laatste had de ‘woordbreuk’ als ronduit pijnlijk ervaren en voelde zich gekwetst door partijleden, die naar aanleiding van de ‘volksuitspraak’ pleitten voor zijn schorsing als voor¬ zitter van de partijraad en de fractie.76 Hoewel Arron - die in de kwestie vooral had ‘gedanst’ en zijn kaarten zo lang mogelijk tegen de borst had gehouden - disciplinaire maatregelen tegen Van Genderen tegenhield en een goede verstandhouding met hem nastreefde, zou het strategisch part¬ nerschap tussen beiden een potentiële bron van spanning blijven. Dit lag overigens minder aan Arron en Van Genderen zelf en meer aan partijge¬ noten en vertegenwoordigers van rivaliserende partijen, die beide leiders tegen elkaar op probeerden te zetten met de bedoeling hun eigen positie te versterken.77 vHP-leider Lachmon noemde het daags na de partijraadsvergadering een ‘treurige toestand’ dat men bij de

nps

niet had kunnen vergaderen.

Hij meende dat door de ‘terreur en anarchie’ op het terrein van de partij het recht van vergaderen in gevaar was geweest. Lachmon achtte dit teke¬ nend voor de staat van de democratie in Suriname en zag hierin een be¬ wijs van de noodzaak het Statuut te handhaven.78 Dat de kansen op samen¬ werking met de vhp definitief verkeken waren, bleek eens te meer tijdens een massameeting van de

nps

op 1 september. Arron beschuldigde bij die

gelegenheid Lachmon ervan een dictatuur te hebben gevestigd en het re¬ geringsbeleid eenzijdig te domineren. Hij hekelde de etnische politiek van de VHP-leider, welke volgens hem nog eens ten overvloede bleek uit de overweging van het kabinet om door Idi Amin van Oeganda uitgewezen Aziaten in Suriname een toevluchtsoord te bieden. De

nps, zo

kondigde

hij aan, zou zich met hand en tand verzetten tegen het op deze manier kweken van ‘een bepaalde meerderheid’. Partij raadsvoorzitter Van Gende¬ ren liet weten dat de

nps

voorbereidingen trof om de strijd aan te binden

tegen armoede, werkloosheid en de bevoorrechting van ‘een bepaalde groep’. Het lid Rufus Nooitmeer sloot zich hierbij aan. Hij oordeelde dat Suriname was verworden tot een sultanaat, met Lachmon in de rol van sultan, en maakte duidelijk dat harde actie zou worden gevoerd tegen het beknotten van de rechten en vrij heden van het volk.79 Deze agitatie en propaganda werd door Lachmon betreurd. Tijdens een bijeenkomst van zijn partij liet hij weten dat wanneer Arron met zijn

109

uitspraken op de ingeslagen weg door bleef gaan, hij de deuren voor de zou sluiten, zodat de partij in een politiek isolement terecht zou ko¬

nps

men. Lachmons zelfverzekerdheid op dit punt was ingegeven door voor¬ spellingen in bepaalde media dat de vhp, indien er verkiezingen zouden worden gehouden, deze glansrijk zou winnen. Arrons opmerkingen met betrekking tot plannen van de regering om uitgewezen Aziaten uit Oegan¬ da in Suriname op te nemen, deed Lachmon af als flauwekul. Het ging, zo lichtte hij toe, om een gerucht dat de wereld in was geholpen door een onbekende organisatie die zichzelf de Gandhi Jongeren uit Nickerie noem¬ de. De regering had nooit de intentie gehad dergelijke reddingsacties op touw te zetten en zou die ook in de toekomst niet ontwikkelen.80 De offensieve opstelling van de pnr

nps

was koren op de molen van de

en gaf in de laatste maanden van 1972 een belangrijke impuls aan de

verdere toenadering tussen beide partijen. Op 3 november wijdde Arron - die zich in toenemende mate richtte op een herstel van het Creoolse zelfvertrouwen en op het uitstippelen van een politiek van vernieuwing lovende woorden aan de strategie die op het elfde congres van de

pnr

voor

het voetlicht was gebracht.81 Van PNR-zijde werd tijdens dit congres aan¬ gedrongen op de formatie van een front van progressieve partijen. Dat zou zich moeten onderscheiden met een vooruitstrevend sociaal-economisch programma gericht op het behartigen van de belangen van arbeiders, land¬ bouwers en progressieve intellectuelen, het realiseren van de onafhanke¬ lijkheid en het tot stand brengen van raciale harmonie en geprofileerd leiderschap. Wilde men die doelstellingen verwezenlijken, dan lag een politieke combinatie van

pnr, nps, psv

en

ktpi

volgens de nationalisten

in de rede.82 Bepaald geruststellend voor de PNR-top was de uitkomst van de partijraadsvergadering van de nps op 7 januari 1973. Na afloop van deze bijeenkomst, tijdens welke beider mandaat was verlengd, verklaarden Arron en Van Genderen dat de kwestie van de brede basis ‘voorgoed ach¬ ter de rug’ was en dat de eenheid in de partij was hersteld.83

ONAFHANKELIJKHEID ALS HISTORISCHE OPDRACHT VAN DE PARTIJ

Arron heeft in toespraken en interviews altijd benadrukt dat hij met de realisering van de onafhankelijkheid een historische opdracht van zijn partij vervulde. Hij wees in dit verband op de oprichtingsvergadering van de

nps

op 29 september 1946 in theater Bellevue. In de vergaderruimte

hing volgens hem een groot doek, waarop de woorden ‘naar een vrij en onafhankelijk Suriname’ waren geschilderd. Naar zijn oordeel lag hier de oorsprong van het onafhankelijkheidsstreven van de

110

LEIDER VAN DE NPS

nps.

De bronnen

geven hem gelijk, al ligt de kwestie subtieler dan uit zijn verklaring zou kunnen worden opgemaakt. De leus op het doek luidde ‘naar een vrij en zelfstandig Suriname’. De partij streefde op dat moment niet naar het con¬ stitueren van een soevereine staat, maar naar de promotie van de toen¬ malige kolonie tot een gelijkwaardig deel van het Koninkrijk der Neder¬ landen.84 Nadat de autonome status van Suriname in 1954 in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden was vastgelegd, beijverde de

nps

zich

onder Pengel voor een verdere uitbouw van de zelfstandigheid van het rijksdeel. Vooral de beperkingen op het gebied van de buitenlandse be¬ trekkingen dienden volgens hem te worden weggenomen, aangezien ze belemmerend werkten voor de aansluiting van Suriname bij landen in de regio en bij het op gang brengen van internationale economische samen¬ werking. Een rondetafelconferentie, die in 1961 op initiatief van Pengel met Nederland en de Nederlandse Antillen werd belegd om de aspiraties van het rijksdeel op dit punt te bevredigen, eindigde voor hem echter in een grote teleurstelling, aangezien zijn coalitiegenoot Lachmon onver¬ wacht, onder druk van zijn achterban, veranderingen in de staatkundige status-quo blokkeerde.85 Sindsdien stelde de

nps

zich officieel op een ge-

menebest-standpunt86, al verhulde Pengel niet dat de onafhankelijkheid zijn inziens een onvermijdelijke fase was in het proces van staatkundige ontwikkeling en dat deze spoedig gerealiseerd diende te worden. Hoewel hij de begrippen door elkaar gebruikte, gaf hij aan het woord zelfstandig¬ heid de voorkeur boven de term onafhankelijkheid. In een wereld waarin landen economisch in toenemende mate van elkaar afhankelijk waren, was het verabsoluteren van het ideaal van onafhankelijkheid volgens Pen¬ gel weinig realistisch.87 Het kabinet-Sedney verklaarde bij zijn aantreden dat volledige staat¬ kundige zelfstandigheid geen inzet van het regeringsbeleid zou zijn en dat hooguit gewerkt kon worden aan het scheppen van basisvoorwaarden voor een toekomstige onafhankelijkheid. Met deze uitlating gooide de regering olie op het vuur van die partijen die al jaren een uitgesproken standpunt innamen ten gunste van de onafhankelijkheid, in de eerste plaats de

pnr,

maar ook de

profileren koos de

nps.

nps,

Om zich als oppositiepartij nadrukkelijker te

inspelend op het instinctieve wantrouwen van

haar achterban tegen ‘de lange arm van Nederland’, voor een aanscherping van haar onafhankelijkheidsstandpunt, daarmee de confrontatie zoekend met de vhp en de onmachtige opstelling van de

pnp

afschilderend als het

principeloos opgeven van een pro-onafhankelijkheidsstandpunt in ruil voor regeringsdeelname.

111

Het besluit van Statenvoorzitter Lachmon, met in zijn kielzog pre¬ mier Sedney, om reeds kort na het aantreden van het kabinet naar Neder¬ land te reizen om tekst en uitleg te geven over de opstelling van het kabi¬ net inzake de onafhankelijkheid, schoot de NPS-fractie in het verkeerde keelgat. De fractie verweet Lachmon de reis op kosten van de regering te maken, zonder mandaat van de Staten, maar ook zonder dit college voor¬ af te hebben ingelicht.88 In een communiqué hekelde de fractie het uit¬ sluiten van de oppositie van deelname aan de besprekingen in Nederland en ontzegde zij de coalitieleider ‘ieder recht namens het gehele volk van Suriname te spreken’.89 Op 19 februari 1970 diende de NPS-fractie een motie in waarin de partij stelde dat de onafhankelijkheid van Suriname ‘op de kortst mogelijke termijn’ gerealiseerd diende te worden ‘doch in geen geval later dan 1 juli 1975’.90 Een plenaire vergadering kort hierna van de Staten van Suriname met parlementaire delegaties uit Nederland en de Nederlandse Antillen greep Arron aan om te pleiten voor een spoedige verkrijging van een soe¬ vereine status voor Suriname. Hij ontkende niet dat het Statuut zijn ver¬ diensten had, met name op het stuk van de onderlinge hulp en bijstand, maar wees er andermaal op dat de regeling remmend werkte op de ont¬ plooiing van Suriname in het krachtenveld van de internationale poli¬ tiek, waarin het land steeds meer getrokken werd: ‘Deze situatie brengt de noodzaak met zich mee om de positie op het internationale vlak zelf¬ standig te bepalen. Ook het Statuut in gewijzigde vorm zal op dit punt geen bevrediging schenken en het gevaar voor een grotere frustratie is niet uitgesloten.’ Het economisch potentieel van Suriname bood volgens Arron voldoende garanties voor een levensvatbare natie. Hij verwierp de opvatting dat de Surinaamse bevolking te gering van omvang was om dit mogelijk te maken. Van doorslaggevend belang was naar zijn oordeel dat de bevolking de vereiste ontwikkeling en politieke rijpheid bezat, dat de nationale bewustwording groeide en dat het verkrijgen van een soevereine status een belangrijke impuls zou geven aan het proces van eenwording. Verwijzend naar de houding van de vhp preciseerde hij: ‘Geleidelijkheid is wel mooi, maar eeuwige geleidelijkheid is geen geleidelijkheid meer.’91 Arron liet weten dat een dominion-status het best beantwoordde aan de gevoelens en verwachtingen van het volk. Hij ging er vanuit dat H.M. de Koningin in dat geval als staatshoofd van een te vormen gemenebest zou optreden en dat de omvang van de hulpverlening aan Suriname ongewij¬ zigd zou blijven: ‘Gestreefd zal moeten worden naar een vorm van samen¬ werking tussen Suriname en Nederland, waarbij de historisch gegroeide banden tot hun recht komen en aan Suriname de vereiste volkenrechte-

112

LEIDER VAN DE NPS

lijke vrijheid wordt geattribueerd, zodat Suriname in staat zal zijn, zijn souvereine rechten vrijelijk en zonder voorbehoud uit te oefenen.’92 Ook NPS-fractieleider Calor en fractielid Cambridge spraken zich in die zin uit. Met behoud van de onafhankelijkheidsgedachte stemde de NPS-fractie uiteindelijk in met het parlementair contactplan, een initiatief van Statenvoorzitter Lachmon dat voorzag in intensief contact tussen de par¬ lementen van de drie Koninkrijksdelen over belangrijke zaken de drie landen rakende.93 In juli 1970, bij het aanvaarden van het voorzitterschap van de

nps,

pleitte Arron voor het realiseren van de onafhankelijkheid van Suriname binnen vijf jaar. Dit was een reactie op Lachmons opmerking dat, als het aan hem lag, de eerstkomende 25 jaar van de verwezenlijking van de on¬ afhankelijkheid zou worden afgezien.94 Kort hierna vertrok minister-president Sedney naar Den Haag voor tripartiet overleg met de Nederlandse viceminister-president en de Antilliaanse minister-president. Vooraf wei¬ gerde hij toe te lichten op welke wijze hij het Surinaamse standpunt met betrekking tot de onafhankelijkheid voor het voetlicht zou brengen. De NPS-fractie, die om die toelichting had gevraagd, sprak hier in een commu¬ niqué haar ongenoegen over uit. De fractie liet weten er geen vertrouwen in te hebben dat de minister-president recht zou doen aan de opvattingen van de nps op dit gebied.95 Namens de nps trad het Statenlid Thijm als spreker op tijdens het ne¬ gende PNR-congres dat van 24 tot en met 29 september werd gehouden. Bruma insisteerde bij deze gelegenheid op het noemen van een datum voor de onafhankelijkheid en op het vaststellen van een werkwijze om de soevereiniteitsoverdracht te realiseren.96 In de Staten bracht fractievoor¬ zitter Van Genderen (in die functie de opvolger van Calor) naar voren dat de

nps

‘de meest verregaande vorm van zelfstandigheid’ wenste. Evenals

Bruma verklaarde hij het te betreuren dat het college terugschrok voor het bepalen van een datum voor de onafhankelijkheid. Arron herhaalde zijn eerder ingenomen standpunt en sprak zich uit voor ‘onafhankelijk¬ heid op de kortst mogelijke termijn, in géén geval later dan 1 juli 1975’.97 Dat de

nps

en de

pnr

elkaar op dit punt gevonden hadden, bleek uit

hun afzien van deelname aan een Statendelegatie die in het kader van het parlementair contactplan naar Nederland vertrok. Delegatievoorzitter Lachmon wilde zich in Nederland beperken tot het bekendmaken van de partijstandpunten over de onafhankelijkheid en overleggen over een in te stellen Koninkrijkscommissie. De oppositie achtte dit te vrijblijvend en stelde voor met één gezamenlijk Surinaams standpunt naar buiten te tre¬ den en aan te sturen op het vaststellen van een onafhankelijkheidsdatum,

113

ook om Nederland niet de kans te geven Surinaamse delegatieleden tegen elkaar uit te spelen, zoals tijdens de rondetafelconferentie van 1961 was gebeurd. Maar Lachmon voelde hier niet voor. Namens de regeringspar¬ tijen stelde hij zich op het standpunt dat het Surinaamse volk op zeker moment via een referendum diende aan te geven wanneer en op basis van welke beginselen Suriname zelfstandig zou moeten worden. Aangezien de Statenvoorzitter de opzet van een dergelijk referendum niet nader wens¬ te toe te lichten, zagen de oppositiepartijen er vanaf hem naar Nederland te vergezellen.98 Arron woonde persoonlijk de onafhankelijkheidsconferentie bij, die, eveneens in oktober, op initiatief van de

pnr

plaatsvond. Tijdens deze

conferentie, waar alle politieke partijen uitgezonderd de

vhp

vertegen¬

woordigd waren, liet hij weten de onafhankelijkheid ‘liever gisteren dan morgen’ gerealiseerd te zien. Er behoefden zijns inziens niet eerst aller¬ lei belemmeringen te worden weggenomen, aangezien Suriname aan de voorwaarden voor het verkrijgen van soevereiniteit voldeed: politieke rijp¬ heid en economisch potentieel. Evenals Bruma toonde Arron zich optimis¬ tisch over de benodigde aanlooptijd. Een periode van een jaar zou volgens hem voldoende zijn om de onafhankelijkheid voor te bereiden, zeker als er een politiek front zou worden gevormd om dit te realiseren.99 Arron sprak de verwachting uit dat de ‘nationale zelfstandigheid’ welvaart met zich mee zou brengen en inhoud zou geven aan het ideaal van één volk, één natie. Tegelijk wees hij op de pro-onafhankelijkheidstemming in Nederland. Zou een Nederlandse politieke partij bij de eerstvolgende verkiezingen de onafhankelijkheid van Suriname centraal stellen en als overwinnaar uit de bus komen, dan was het niet ondenkbaar dat de rege¬ ring waarvan die partij deel zou gaan uitmaken de onafhankelijkheid aan Suriname zou opdringen. Naar zijn oordeel zou dat voor Suriname een nationale schande betekenen.100 Op 18 april 1971 stemde de partijraad van de

nps

in met de deelname

van de partij aan de Surinaamse sectie van de Koninkrijkscommissie. Deze tripartiete commissie diende realiseerbare staatkundige en volken¬ rechtelijke alternatieven te formuleren voor de bestaande verhoudingen tussen de Koninkrijksdelen. De voorwaarde die de partijraad aan de deel¬ name verbond, was dat deze het onafhankelijkheidsstreven van de partij niet mocht frustreren, dat de regeringspartijen in de commissie de be¬ sluitvorming niet mochten overrulen en dat ook de niet in het parlement vertegenwoordigde politieke partijen een aandeel zouden krijgen in de commissiewerkzaamheden.101 De Surinaamse regering verklaarde aan de laatste voorwaarde niet tegemoet te kunnen komen, maar merkte op er

114

LEIDER VAN DE NPS

geen moeite mee te hebben de andere eisen in te willigen. Arron behoor¬ de tot de leden van de sectie, die op 27 november 1971 door premier Sedney werden geïnstalleerd. De twaalf leden waren gelijkelijk over de pnp

en de

nps

verdeeld. De

pnr

vhp,

de

had in laatste instantie afgezien van deel¬

name. Arron maakte er geen geheim van dit te betreuren.102 Tijdens besprekingen in Den Haag in de zomer van 1971 tussen leden van de parlementen van Suriname en Nederland constateerde Arron dat in de regeringsverklaring van het kabinet-Biesheuvel te lezen viel dat het initiatief om de zelfstandigheid van Suriname tot stand te brengen ook aan Nederlandse zijde genomen kon worden. Uit die stellingname diende Suriname volgens Arron consequenties te trekken: Tk ben ervan over¬ tuigd, dat elke rechtgeaarde Surinamer thans tot het besef zal moeten ko¬ men, dat wij in een vrij, zelfstandig, onafhankelijk Suriname moeten leven en dan doe ik een beroep op enkelen in onze maatschappij om toch een zekere politieke zelfbeheersing aan de dag te leggen en te onderkennen, dat de gedachte van de nationale zelfstandigheid tot een levendige werke¬ lijkheid op zeer korte termijn moet worden gebracht.’ Arron benadrukte dat het realiseren van de onafhankelijkheid, ‘dit kleinood’, als een uitda¬ ging diende te worden beschouwd, aangezien het de basis zou vormen voor één land, één volk: ‘Maar dan moeten wij - de verantwoordelijke politici in dit land - bereid zijn de partijpolitieke belangen terzijde te stellen en de schone diepere betekenis van de onafhankelijkheid [...] uit te dragen in alle eerlijkheid, waardigheid en oprechtheid aan onze volgelingen.’103 Arron herhaalde dat de nationale zelfstandigheid Suriname de prik¬ kel zou verschaffen om harder te werken en in gezamenlijkheid de ont¬ wikkeling van het land ter hand te nemen. Die inspanningen zouden na verloop van tijd resulteren in economische zelfstandigheid, mits de ont¬ wikkelingssamenwerking met Nederland op dezelfde voet zou worden voortgezet. De fïnancieel-economische positie van Suriname verhinder¬ de dat het land het nu reeds zonder hulp van Nederland kon stellen. De historische verbondenheid met Nederland en het Koninklijk Huis zou na de onafhankelijkheid gehandhaafd blijven. Maar hoewel voorstander van een dominion-status was de

nps

volgens Arron thans bereid een stap ver¬

der te gaan en te kiezen voor een republiek. Arron prees de integratiepo¬ litiek van Pengel, die, anders dan de verbroederingspolitiek, voorkwam dat mensen in hun raciale groep opgesloten bleven zitten. Hij verklaarde tegen¬ stander te zijn van het houden van een referendum. Niet alleen was dit staatsrechtelijk niet mogelijk, de spanningen die nu al in de samenleving leefden, zouden er ontoelaatbaar door worden verscherpt.104 Tegenover de pers verklaarde Arron het eens te zijn met de opvattin-

115

gen van het Nederlandse Tweede Kamerlid Van Lier (Partij van de Arbeid, PvdA), die het Statuut een belangrijke stap vooruit had genoemd voor Suriname, maar daarbij had aangetekend dat het zichzelf langzaam maar zeker dreigde te overleven. De beperkingen die het oplegde aan de zelf¬ standigheid van Suriname beletten het land zijn rechtmatige plaats in te nemen in dat deel van de wereld waarin het geografisch was ingebed. Volgens Van Lier was de Nederlandse parlementaire delegatie voorstan¬ der van een fundamentele wijziging van de staatkundige verhoudingen op ‘redelijk korte termijn’, al dan niet met voortzetting van de banden met Nederland. In een reactie pleitte Lachmon voor politieke, juridische en economische waarborgen ter voorbereiding op de onafhankelijkheid. Arron hield vast aan zijn opvatting dat economische zelfstandigheid niet vooraf hoefde te gaan aan staatkundige onafhankelijkheid.105 Op het tiende partijcongres van de

pnr

in september gaf Arron blijk

van zijn waardering voor de initiatieven van de

pnr,

merkte hij op dat hij

onder de prettigste omstandigheden in de oppositie samenwerkte met deze partij en wenste hij de

pnr

sterkte toe in haar strijd voor een onaf¬

hankelijk Suriname, een strijd die, verzekerde hij, ook de aanging.106 In navolging van de

nps

haakte de

psv

nps

ten zeerste

in een communiqué in

op het standpunt van de Tweede Kamer, die zich in meerderheid had uit¬ gesproken vóór de onafhankelijkheid van Suriname ‘binnen niet al te lange tijd’.107 De

psv

riep Statenleden en ministers op te beseffen dat de onaf¬

hankelijkheid van Suriname voor de deur stond, ‘ongeacht hun stellingname vóór of tegen, nu of straks, geleidelijk of nooit’. Er diende volgens de partij handelend te worden opgetreden. Gebeurde dit niet, dan zou Suriname - ‘de gezagsafdwingende houding van Nederland’ kennende een status worden opgedrongen ‘waar de eigen krachten, het eigen inzicht en de eigen waardigheid, niets aan hebben gedaan of konden doen’.108 Veel discussie maakte het debat los dat Arron en Lachmon op zondag 19 december 1971 in het Nederlandse televisieprogramma Kort Geding met elkaar voerden ter gelegenheid van Statuutdag. Kort Geding, dat tus¬ sen 1970 en 1973 maandelijks werd uitgezonden en van de presentator, ad¬ vocaat Pieter Bakker Schut, een bekende Nederlander maakte, beoogde een rechtszitting na te bootsen over een spraakmakende stelling met een ‘juryuitspraak’ tot besluit. Op uitnodiging van de Nederlandse Omroep Stichting (nos) kruisten de leiders van deNPSendevHPde degens over de stelling of Suriname vóór 1973 onafhankelijk moest zijn. Arron, gesecon¬ deerd door de NPs’ers Ordwin Kemble, Eddy Jozefzoon en Ewald Pengel (een jongere broer van Johan Adolf Pengel), pleitte vóór de stelling. Lach¬ mon, bijgestaan door de VHP’ers George Hindori en Alwin Mungra en de

116

LEIDER VAN DE NPS

Nederlandse migratiedeskundige Hans van Amersfoort, vocht de stelling aan. In verband met het politieke karakter van het debat was afgesproken dat er na afloop van de discussie geen ‘juryuitspraak’ zou volgen. De

nos

wilde voorkomen dat de jury een rel zou veroorzaken, de deelnemers aan het debat hadden er geen vertrouwen in dat Nederlanders in staat zouden zijn gefundeerd te oordelen over Surinaamse politiek. Het optreden van Arron en Lachmon was in Suriname omstreden, omdat het in Nederland plaatsvond. Welk belang was hiermee gediend? Veronderstelde de waardigheid van hun ambt niet dat de twee leiders in Suriname de discussie zouden aangaan? Sommige commentatoren brach¬ ten naar voren dat door het optreden van Arron en Lachmon de Surinaam¬ se politiek in een bedenkelijk daglicht kon komen te staan, met de Neder¬ landse televisiekijker als lachende derde. Zover zou het niet komen. Het kijkspel diende ook wel degelijk een Surinaams belang. Het programma zou meermalen worden uitgezonden via de Surinaamse Televisie Stichting (stvs),

waardoor de Surinaamse kijker kennis kon nemen van de stand¬

punten van beide leiders en de argumenten die over tafel gingen kon toetsen aan eigen opvattingen en ideeën. Het is interessant om hier nader op het debat in te gaan, niet alleen omdat het aansloot bij een lopende dis¬ cussie, maar ook omdat veel van de gebruikte argumenten vooruitwezen naar de politieke strijd die in de jaren 1973-1975 over de onafhankelijkheid zou worden gevoerd.109 Tijdens de uitzending liet Arron er geen misverstand over bestaan dat het Statuut zijn langste tijd had gehad en remmend werkte op de ontwik¬ keling van Suriname, vooral op internationaal gebied. Hij verklaarde we¬ derom ervan overtuigd te zijn dat in Suriname alle voorwaarden aanwe¬ zig waren om het land soeverein te laten worden. Suriname bezat naar zijn oordeel de benodigde kennis, de noodzakelijke politieke rijpheid en het economisch potentieel. De heterogene samenstelling van de bevolking vormde naar zijn zeggen geen belemmering. Juist de onafhankelijkheid zou als positief effect hebben dat mensen op elkaar aangewezen zouden raken. Dit zou de eenwording en saamhorigheid in het land bevorderen. Had het Surinaamse volk de onafhankelijkheid verkregen en aldus gebruik¬ gemaakt van een van God gegeven recht, dan zou de bevolking politiek geëmancipeerd zijn en kon de relatie met Nederland worden genormali¬ seerd. Bij een voortbestaan van het Statuut voorzag Arron dat de goede verstandhouding tussen beide landen in toenemende mate op de tocht zou komen te staan. Getuige Jozefzoon wees erop dat het verzet in Suriname tegen de on¬ afhankelijkheid voortkwam uit de vermeende sociaal-economische ach-

117

terstand van ‘bepaalde etnische groepen’ en hun angst om na de onafhan¬ kelijkheid door andere etnische groepen te worden overvleugeld. Het streven van eerstgenoemde groepen was erop gericht eerst hun achter¬ stand in te halen, wat volgens Jozefzoon niet getuigde van een nationale opstelling. Integendeel, dit ‘groepisme’ scherpte de rassentegenstellingen in Suriname aan en vergrootte de kans op ingrijpen door Nederlandse militairen. Getuige Pengel pleitte ervoor de staatkundige en economische zelfstandigheid te ontkoppelen. India en Pakistan waren in 1947 even¬ min economisch zelfstandig geweest toen zij de onafhankelijkheid ver¬ kregen. Suriname had als voordeel dat het meer ontwikkeld was dan deze landen en als onafhankelijk land een beroep kon doen op uiteenlopende buitenlandse fondsen. Getuige Kemble voorspelde dat niet minder dan 90 procent van de Surinamers in Nederland na de soevereiniteitsover¬ dracht zou opteren voor de Surinaamse nationaliteit. Hij drong erop aan dat de Surinaamse regering op het moment dat de onafhankelijkheid zou zijn verwezenlijkt het thema van de herstelbetalingen in Den Haag zou aankaarten. De voormalige kolonisator had volgens hem de plicht Suri¬ name te compenseren voor het leed dat de bewoners van het land gedu¬ rende eeuwen was aangedaan en voor het zelfzuchtig exploiteren van de bodemschatten dat op grote schaal had plaatsgevonden. Het betoog van Lachmon spitste zich toe op de rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden. Volgens hem was het Koninkrijk soeverein en niet een van de drie partners. De status van Suriname verschilde daar¬ door in essentie niet van die van Nederland of de Nederlandse Antillen. Het Statuut kon naar zijn zeggen alleen aangepast of ontbonden worden langs parlementair-democratische weg. Nooit mocht worden toegestaan dat een politieke minderheid haar zin doordreef ten koste van de politieke meerderheid. De conferentietafel was de aangewezen plek om de houd¬ baarheid van het Statuut te bespreken en eventueel nieuwe staatsrechtelijke of volkenrechtelijke arrangementen uit te denken. Lachmon deed een oproep aan de coalitie en de oppositie om realistisch te blijven en zich niet over te geven aan emoties. Getuige Hindori verklaarde dat de nps de onafhankelijkheid van Suri¬ name alleen maar gebruikte voor binnenlandse politieke doeleinden. De nps

had volgens hem onder Pengel de onafhankelijkheid nooit willen

doorvoeren, maar wenste deze na de verkiezingen van 1969 plotseling versneld te implementeren om de politieke tegenstellingen met de rege¬ ring aan te scherpen. Uit onderzoek was volgens hem gebleken dat een meerderheid van de Surinaamse bevolking de onafhankelijkheid afwees. Mocht er op dit punt iets moeten worden besloten, dan alleen per refe-

118

LEIDER VAN DE NPS

rendum. Arron wierp tegen dat volgens de Nederlandse grondwet en het Statuut het niet mogelijk was een referendum te organiseren. Hierop re¬ pliceerde Hindori dat als Suriname hierop zou staan, Nederland zeker aan het uitschrijven van een referendum zou meewerken. Arron gaf op¬ nieuw aan bevreesd te zijn dat een referendum onrust onder de bevol¬ king zou zaaien. Maar volgens Hindori lagen de zaken anders. Arron was tegen een referendum, omdat hij de uitslag ervan kende en omdat die uit¬ slag niet in zijn straatje paste. Getuige Van Amersfoort liet in antwoord op vragen van Lachmon we¬ ten dat er nergens ter wereld volkeren waren die over een dubbele natio¬ naliteit beschikten. Bij wijze van uitzondering konden alleen individuen een dubbele nationaliteit bezitten. Volgens Van Amersfoort was het on¬ mogelijk te voorzien hoeveel mensen er voor de Surinaamse nationaliteit zouden opteren. Maar het voorbereiden van de soevereiniteitsoverdracht en het vaststellen van een nationaliteitenregeling zouden naar zijn oordeel zo veel tijd in beslag nemen, dat het realiseren van de onafhankelijkheid vóór 1973 naar zijn inschatting niet haalbaar zou zijn. Getuige Mungra voorspelde grote etnische spanningen en een ernstige verstoring van het proces van homogenisering als een kleine groep in Suriname de onafhan¬ kelijkheid abrupt zou doorvoeren. Volgens hem was het Surinaamse volk rijp voor een niet emotioneel beredeneerde onafhankelijkheid, dat wil zeggen, voor een geleidelijk toegroeien naar onafhankelijkheid. Op de vraag van Arron of hij niet bezig was raciale tegenstellingen aan te wakke¬ ren door zo te hameren op risico’s en gevaren, antwoordde Mungra ont¬ kennend. Hij herhaalde dat de

vhp

een rustige, systematische en goed

doordachte voorbereiding van de onafhankelijkheid wenste en terugschrok voor ‘Kongolese chaos’.110 Hoewel Arron zich in Kort Geding had geprofileerd als een voorstan¬ der van het verwezenlijken van onafhankelijkheid vóór 1973, wilde hij zich niet bij voorbaat in een politiek onmogelijke positie manoeuvreren. Tegenover een Nederlandse journalist merkte hij op dat de

nps

zeer posi¬

tief stond tegenover het compromis waar op dat moment naartoe werd gewerkt, namelijk een dominion-status voor Suriname: ‘Een Gemenebestverhouding beantwoordt het best aan het gevoelen van het Surinaamse volk. Wij willen het soevereine handelen veilig stellen. Wij streven daar¬ bij naar een Unie met Nederland, waarbinnen de historisch gegroeide banden blijven bestaan. En waarbinnen wij bereid zijn ook het koning¬ schap te handhaven.’111 Kennelijk beschouwde Arron onder de gegeven omstandigheden deze gemenebest-status als het maximum haalbare, maar zag hij deze ten principale als een overgangsfase.

119

Deze veronderstelling vindt bevestiging in uitspraken van Van Gen¬ deren, die tijdens besprekingen in de zomer van 1972 in het kader van het parlementair contactplan liet weten dat de

nps

nog altijd naar onafhan¬

kelijkheid op korte termijn streefde. Bij afwezigheid van Arron, die geen deel uitmaakte van de Surinaamse delegatie die naar Nederland was ge¬ reisd, voerde Van Genderen namens de vaardigden van de vhp en de

pnp

nps

het woord. Hij wees de afge¬

op de noodzaak om ‘de zo vitale beslis¬

sing ten aanzien van de souvereiniteit’ niet langer te traineren. Naar zijn zeggen had besluiteloosheid ten aanzien van de zelfstandige behartiging van de buitenlandse betrekkingen van Suriname geleid tot ‘politiek onge¬ duld en reikhalzend uitzien naar een eigen volkenrechtelijke status’. Van Genderen wees de door Lachmon bepleite geleidelijkheid af en meende dat Suriname ondubbelzinnig diende af te stevenen op de onafhankelijk¬ heid, aangezien het land de kans liep anders uit het Koninkrijk te worden gezet: ‘Begrijpt u, mijnheer Lachmon, de diplomatieke taal niet die tot u wordt gesproken [... ]?’112 Dat de

nps

het dominion-status-standpunt had verlaten, bleek uit de

lauwe ontvangst van het Gemenebest-plan van Frank Essed door de par¬ tij. Het plan van Essed, dat in de zomer van 1972 in de publiciteit kwam, beschreef de contouren van een gemenebest tussen drie onafhankelijke landen, Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, met aan het hoofd koningin Juliana. Doel van het gemenebest was het garanderen van samenwerking op het gebied van de waarborging van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de sociaal-economische ontwikkeling en de defensie. Voor deze deelterreinen zouden afzonderlijke gemenebestorganen in het leven worden geroepen. Permanente hoge commissaris¬ sen dienden de onderlinge samenwerking tussen de drie landen gestalte te geven. Naast een eigen nationaliteit zouden onderdanen aanspraak kun¬ nen maken op een zogenaamd gemenebest-burgerschap.113 Arron: De ideeën van Essed, maar ook van de Nederlandse hoogleraar Bos, met betrekking tot een gemenebest of licht Statuut als alternatief voor het toen geldende Statuut, kwamen niet uit de lucht vallen. Ze vloeiden enerzijds voort uit de overtuiging dat ze een werkbaar model zouden opleveren voor Suriname, maar waren vooral bedoeld om een brug te slaan tussen de stand¬ punten van de

nps

en de

vhp

inzake de onafhankelijkheid. Maar Frank wist

dat een gemenebest-structuur voor de

nps

op dat moment al grotendeels ach¬

terhaald was. Ikzelf kon een dominion-status of gemenebest-verhouding voor Suriname begrijpen als ons geen andere wegen meer zouden openstaan. Dan zou ik mij er ook niet tegen verzetten. Als het maar niet zou betekenen dat de realisering van de soevereiniteit naar een veel later tijdstip zou worden ge¬

ut)

LEIDER VAN DE NPS

schoven. Want in de visie van de nps was eeuwige geleidelijkheid geen gelei¬ delijkheid meer.114 Elke stap, elke handeling, die daarop gericht was, zou door de nps worden afgewezen. Een tussenfase was voor de nps alleen acceptabel indien er reëel uitzicht was op een voortzetting van het proces in de richting van onafhankelijkheid op korte termijn. Vanuit dat gezichtspunt bekeken wij de gemenebest-plannen met enige argwaan. We sloten niet uit dat ze in de wereld werden gebracht om de onafhankelijkheid op de lange baan te schuiven. Maar los van de politieke bedoelingen die men ermee had: als een geme¬ nebest-constructie oprecht was bedoeld als een kortstondige voorfase van de onafhankelijkheid, welke logica school hier dan in? Was een dergelijke voorfase nodig? Waarom? Vanuit financieel oogpunt? Nee. Vanwege het ontbreken van de capaciteit om eigen verantwoordelijkheid te dragen voor de toekomst van het land? Nee. Hadden we niet bewezen met het behartigen van onze binnen¬ landse aangelegenheden - zij het met vallen en opstaan - dat we op eigen be¬ nen konden staan? Er was ook al een ontwikkelingsrelatie met Nederland. De plannen die hier de kern van vormden, zouden later in de vorm van een ver¬ drag worden gegoten. Wat zou een gemenebest-verhouding rechtvaardigen? Ik heb er nooit een rechtvaardigheidsgrond voor kunnen vinden. In reactie op de verkiezingsoverwinning van de PvdA, de Politieke Partij Radikalen (ppr) en Democraten 66 (D’66) in Nederland op 22 no¬ vember 1972 merkte Arron op dat het moment van onafhankelijkheid snel dichterbij zou komen als er een kabinet zou worden geformeerd met de PvdA.115 Hij baseerde dit oordeel op Keerpunt '72, het verkiezings¬ programma waarin de PvdA, de ppr en D’66 de wens hadden uitgesproken dat Suriname vóór eind 1976 onafhankelijk zou worden.116 In een com¬ muniqué liet de psv, overeenkomstig de opvattingen van de nps en de pnr, weten dat de periode van geleidelijkheid als beëindigd moest wor¬

den beschouwd. Surinamers dienden er volgens de partij aan mee te wer¬ ken dat een soeverein Suriname in volkenrechtelijke zin spoedig zijn be¬ slag zou krijgen.117 STAKINGEN

Nog geen jaar na het aantreden van het kabinet-Sedney waren in de zo¬ mer en in het najaar van 1970 eerst politiefunctionarissen en vervolgens douanebeambten in staking gegaan om hogere lonen en betere sociale voorzieningen af te dwingen. Niet lang hierna organiseerden onderwijzers stakingen tegen de regering uit protest tegen de benoeming van enkele Hindostaanse onderwijsinspecteurs door VHP-minister van Onderwijs en Volksontwikkeling Nannan Panday.118 De acties van de politiefunctio¬ narissen, douaniers en onderwijzers waren georganiseerd door individu-

121

ele bonden, hadden een kortlopend karakter en waren weinig succesvol. Ze zouden niettemin de opmaat vormen voor langdurige stakingen, die de samenleving enige tijd in rep en roer zouden brengen. De zwakte van het sociaal-economisch beleid van het kabinet bleek volgens de vier vakcentrales - de Moederbond, de

pwo,

c’47en de clo119 -

vooral uit het ontbreken van een werkgelegenheidspolitiek. De regering richtte zich op het faciliteren van de lokale handelselite en op grootscha¬ lige industriële projecten waarbij de joint-venturestrategie werd ingezet om buitenlands kapitaal aan te trekken. Het was in het bijzonder de in Paramaribo woonachtige Creoolse bevolkingsgroep die door de econo¬ mische stagnatie werd getroffen. Massaontslagen, een groeiende jeugd¬ werkloosheid en voortdurend stijgende prijzen waren tekenen dat het kabinet er steeds minder goed in slaagde de stedelijke arbeidersklasse een passend perspectief te bieden. Deze situatie was voor de vier centrales aanleiding om in juli 1971 tot ‘een gereglementeerde samenwerking’ te besluiten. De basis hiervoor was al gelegd op 1 mei, de dag van de arbeid, die gezamenlijk was gevierd. De samenwerking tussen de vakcentrales resulteerde op 6, 7 en 8 september in een algemene proteststaking tegen de regering. Aan de stakingsoproep werd door veel werknemers gehoor gegeven. Gesprekken tussen de vakcentrales en de regering die op de werkonderbreking volgden, liepen voor de centrales op een teleurstel¬ ling uit. De regering bleek niet bereid tot een aanpassing van de door haar uitgezette koers of tot een nauwere afstemming van haar beleid met de vakbeweging.120 Een betrekkelijk klein, maar al jaren sluimerend conflict tussen de Bond van Douane Ambtenaren en vicepremier en minister van Finan¬ ciën Harry Radhakishun groeide begin 1973 uit tot een confrontatie tus¬ sen de vakbeweging en de regering. Onderhandelingen tussen de twee partijen over het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden in de douanesector sleepten zich al meer dan drie jaar voort. De vakbeweging, die op ini¬ tiatief van de Moederbond al eerder stelling had genomen in deze kwes¬ tie121, beschuldigde de regering van machtsmisbruik en misleiding van het volk. De regering bracht hier tegenin dat de vakbeweging politieke doel¬ einden nastreefde, namelijk de omverwerping van het kabinet-Sedney, en zich het inspireren door ‘vreemde ideologieën’, die een bedreiging vormden voor de rechtsstaat. Duidelijk was dat binnen de door de nps en pnr

gedomineerde vakbeweging etnische en ideologische scheidslijnen in

belangrijke mate samenvielen en een verscherpte afbakening van groepsposities in de hand werkten.122 Op 17 januari 1973 legde de Bond van Douane Ambtenaren het werk

122

LEIDER VAN DE NPS

neer. De leiding negeerde een verbod van de staking door de rechter. Nadat andere vakcentrales en bonden zich solidair met de actievoerders hadden verklaard, gingen op 1 februari alle bonden aangesloten bij de in staking. Hoewel de

clo

clo

de spil was in het verzet tegen het kabi-

net-Sedney en een militante opstelling aan de dag legde, leverden ook c’47,

de

pwo

en de Moederbond hun bijdragen. Op

2

februari formeer¬

den de vier vakcentrales een centrale stakingsleiding, bestaande uit drie afgevaardigden van elke centrale. Stakingscentra waren de gebouwen van de Katholieke Onderwijzers Bond lijke Onderwijzers Bond

(cob)

Bond van Overheidspersoneel

(kob)

in de Burenstraat, de Christe¬

aan de Gemenelandsweg en de Algemene (abo)

aan de Kernkampweg. De regering

gaf de politie volmacht om ‘naar bevind van zaken en zonder enige consi¬ deratie’ op te treden. Op die manier hoopte zij de ‘onwettige’ acties van de stakers, in het bijzonder hun georganiseerde marsen richting het Oranjeplein, te breken. De politie, uitgerust met traangas, bullenpezen en vuurwapens, voerde charges uit tegen verboden samenscholingen, trad resoluut op tegen relschoppers, brandstichters en plunderaars, en ver¬ richtte vele arrestaties. Op 13 februari ontving gouverneur Ferrier de NPS-vertegenwoordigers Arron en Van Genderen. In een naderhand gepubliceerd communi¬ qué uitte de partij haar bezorgdheid over de ontstane situatie en drong zij er bij de gouverneur op aan ten spoedigste te zorgen voor een oplossing voor de gerezen problemen. Op 18 februari nam de partijraad van de

nps

een motie aan waaruit misnoegen sprak over de ‘provocerende halsstarrig¬ heid van de regering jegens het Surinaamse volk’. Geëist werd dat de re¬ gering haar ‘rancunemaatregelen tegen de stakende landsdienaren’ zou intrekken en haar portefeuilles onverwijld ter beschikking zou stellen. In een tweede eveneens door Arron en Van Genderen ondertekende motie vroeg de partijtop gouverneur Ferrier om tot ontbinding van het parle¬ ment over te gaan en vervroegde verkiezingen uit te schrijven.123 De gou¬ verneur weigerde echter tussenbeide te komen. De mogelijkheden om langs de geëigende kanalen tot overeenstemming te komen, waren zijns inziens nog niet uitgeput. Grote commotie veroorzaakte de dood van Ronald Kitty, beter be¬ kend onder de naam Abaisa Jowini. Op 27 februari werd dit kaderlid van de vakbond van werknemers bij de Geologisch Mijnbouwkundige Dienst in de Gravenstraat dodelijk getroffen door een politiekogel toen hij ter hoogte van de kathedraal een politiekordon probeerde te doorbreken, ondanks de waarschuwing van agenten dat er geschoten zou worden. Abaisa was ervan overtuigd geweest dat de tapu (amulet) die hij bij zich

123

droeg hem onkwetsbaar zou maken. Arron en andere kopstukken van de nps

waren aanwezig toen vanaf vliegveld Zorg en Hoop de kist met het

stoffelijk overschot van Abaisa plechtig uitgeleide werd gedaan. Het li¬ chaam werd onder begeleiding van het PNP-Statenlid Hans Prade, tevens hoofd van de Geologisch Mij nbouwkundige Dienst, naar Abaisa’s geboor¬ tedorp in het binnenland gevlogen om daar te worden begraven. Abaisa, van Aukaanse afkomst en lid van de

nps,

werd het symbool van de strijd

tegen het kabinet-Sedney. Dobru vereeuwigde de vakbondsman in een gedicht dat in de week na diens overlijden via het

CLO-Bulletin

werd ver¬

spreid. Hierin voorspelde hij dat Abaisa zou overwinnen en dat voorko¬ men zou worden dat ‘de vijanden van de arbeiders een nieuwe slavernij zouden invoeren’.124 Het hardnekkige, maar nooit officieel bevestigde ge¬ rucht dat een politieman van Hindostaanse afkomst het dodelijke schot had gelost, vergrootte voor sommigen het martelaarschap van Abaisa, maar droeg ook bij aan een tijdelijke verscherping van de etnische tegen¬ stellingen. Tegelijk ging van de tragische gebeurtenis een ontnuchterend effect uit, alsof beide partijen zich nu pas realiseerden in welke mate de strijd geëscaleerd was. Ook de kortstondige aanhouding van de stakingsleiders droeg hiertoe bij. Medio maart vonden verkennende besprekingen plaats tussen de regering en de vakbeweging, die echter zonder resultaat bleven. Het overleg sprong af op de weigering van de regering om over de stakings¬ dagen salaris door te betalen aan de stakers en om de legitimiteit van het politieoptreden ter discussie te stellen. De handhaving van de openbare orde en de bescherming van de samenleving tegen ‘terreur en vandalisme’ stonden naar het oordeel van het kabinet los van het conflict tussen de re¬ gering en de vakbeweging. Achtereenvolgens deden een Commissie van Goede Diensten en een Comité uit het Volk tevergeefs pogingen om bei¬ de partijen nader tot elkaar te brengen. Ook bemiddelingspogingen van de Statenleden Prade, Lachmon en Kamperveen sorteerden niet het beoogde effect. Deze ontwikkelingen moedigden de muniqués met de

pnr,

de

psv

nps

- in gezamenlijke com¬

en de ‘Progressieve vhp’ van H. Hirasing -

aan om de schending van fundamentele menselijke en vakbondsrechten door de regering te veroordelen en vervroegde verkiezingen te eisen.125 In de weken die volgden, bleek dat de uitputtingsstrategie van de re¬ gering werkte. Met vrijwel lege stakingskassen in zicht werd het voor de actievoerders elke dag moeilijker de nu al twee maanden durende inkom¬ stenderving vol te houden. Hun toenemende financiële zorgen en afne¬ mende motivatie om de strijd te prolongeren, wezen erop dat de staking bezig was dood te bloeden. In mei kwamen de Bond van Douane Ambte-

124

LEIDER VAN DE NPS

naren en de regering overeen de onderhandelingen te hervatten. De re¬ gering bewees daarmee over de langste adem te beschikken en de slag te hebben gewonnen. Veel genoegen zou zij aan deze overwinning echter niet beleven. De VHP-PNP-combinatie zou tijdens de parlementsverkie¬ zingen van oktober alsnog op een niet mis te verstane wijze op het door haar gevoerde beleid worden afgerekend.126 Arron: Door de politieke ontwikkelingen waren de

nps

en de

pnr

sinds

ïgyo steeds meer naar elkaar toegegroeid. Beiden verzetten zich tegen de vhpPNP-combinatie, die weinig oog had voor de belangen van de arbeiders. Heel belangrijk voor mij in deze periode was mijn kennismaking met Rufus Nooitmeer. Ik zag onmiddellijk de politieke kwaliteiten van Nooitmeer. Hij heeft mij in die staking geïntroduceerd en bracht mij naar de centra, waar ik ging zitten luisteren, zoals ook veel anderen deden. Nooitmeer was toen voorzitter van de douanebond, eigenlijk de initiatiefnemer van de strijd tegen het kabinet-Sedney, met name tegen de toenmalige viceminister-president en minister van Financiën, Harry Radhakishun. Ook Bruma speelde in die stakingen een voorname rol. Er is toen een parlementair samenwerkingsverband ontstaan, zonder politieke binding. Alleen al het feit dat de nps en de pnr in de oppositie waren, bond de twee partijen, maar door de stakingen werd geleidelijk de grondslag gelegd voor een politiek samenwerkingverband. Maar ik zat met een groot probleem: hoe breng ik de

pnr

op een goede

manier in het gezichtsveld van de nps ? WantNPs’ers waren door Pengel opge¬ voed om zich tegen Bruma af te zetten. Toen ging bij mij het volgende spelen en dat is voor mij het meest belangrijke punt geweest: hoe realiseer ik die onaf¬ hankelijkheid? Eigenlijk speelde dit al sinds ik voor de Nederlandse televisie hierover met Lachmon in debat was gegaan. Pengel had de historische opdracht van de partij nooit kunnen uitvoeren. Hij had het graag gewild, daar ben ik van overtuigd, hij speelde er geen komedie mee, maar hij kon er geen meerder¬ heid voor vinden in het parlement. Ik heb gekeken: waar kan ik die meerder¬ heid halen? De kleine kikkerpartijtjes kwamen niet in aanmerking. De

vhp?

Die in ieder geval niet. Dat was uitgesloten. Zou ik het hebben geprobeerd, het zou mij nooit gelukt zijn. Wie bleven over? De ktpi, de pnr en de psv. Het zwakst ontwikkeld was het denken over onafhankelijkheid in de ktpi. Daarom heb ik opzettelijk eerst met Willy Soemita gesproken, omdat ik zeker¬ heid moest hebben hoe hij over de onafhankelijkheid dacht. Gode zij dank heb ik Soemita zover kunnen krijgen dat hij ervan doordrongen raakte dat Suri¬ name echt niet langer in een staatkundig verband met Nederland verder kon gaan. Kortom, ik heb mij ervan overtuigd dat ik me geen zorgen hoefde te ma¬ ken over de ktpi in een samenwerkingsverband dat de realisatie van de onaf¬ hankelijkheid tot een centraal punt zou maken. Maar ik geef toe, we hebben

125

Soemita over de streep moeten trekken. Het heeft een aantal gesprekken ge¬ kost, want Willy had het voorzitterschap van de partij dan wel van zijn vader overgenomen, maar deze speelde nog een belangrijke rol op de achtergrond en had de kant van Lachmon gekozen: eeuwige geleidelijkheid. Maar de politieke strijd tussen vader en zoon is uiteindelijk door de zoon beslist. Willy is erin ge¬ slaagd om de onafhankelijkheid aan zijn achterban te verkopen. Hierna volgden gesprekken met Wijntuin en Bruma. Met beiden was ik niet veel tijd kwijt. De

psv

kenden we al als partij. Die had in het verleden al

deelgenomen aan coalities met de

nps.

De geschiedenis van de partij met be¬

trekking tot de realisering van de onafhankelijkheid was: dan wel, dan niet. Een beetje twijfelachtig. Maar vanaf 1961 was de

psv

steeds meer pro-onaf-

hankelijkheid geworden, in daden, maar ook in geschrifte, zoals in de uitgave Naar een onafhankelijk Suriname onder eindredactie van Coen Ooft, die in 1970 was verschenen. Daarin werd ondubbelzinnig een standpunt pro-onafhankelijkheid ingenomen. Dat maakte het dus gemakkelijk om samen te wer¬ ken met de psv. De pnr wilde graag samenwerken met de nps. Die zag mogelijkheden om daardoor meer zetels te krijgen in het parlement en deel te nemen aan de rege¬ ring. Maar bij Bruma speelde primair de realisatie van de onafhankelijkheid, dat moet ik de man nageven. Hij had geen problemen met zijn achterban. Maar die had ik wel met de mijne. Hoe kon ik mijn plannen verkopen? De on¬ afhankelijkheid was geen probleem, maar, zoals ik al zei, de

pnr

wel. Ik ben

aan de onderkant begonnen, bij de afdelingen en onderafdelingen. Ik ben een aantal van ze afgelopen. We hebben clusters gemaakt om tijd te winnen, maar toch was er nog een gevoel van argwaan. Het gevoel van onbehagen was geluk¬ kig wel grotendeels weg. Ik heb gezocht, gezocht, gezocht. Toen dacht ik: we gaan het proberen te verwoorden in de naamgeving. Zo is de naam Nationale Partij Kombinatie

(npk)

ontstaan. Ik heb van nps dus de s weggehaald en heb

van die s een k gemaakt. En binnen de partij heb ik gezegd: kijk (lacht), het is eigenlijk de nps, maar we kunnen het niet alleen doen. Begrijp dit. Het is onze zaak, alleen die s is weg. Natuurlijk was men niet zonder meer akkoord, maar met praten zijn we eruit gekomen. Het was een opluchting voor me. De besprekingen die de nps met de ktpi, de psv en de pnr voerde, vonden plaats een maand of drie voor de verkiezingen van 1973. Daarna volgde intern overleg in de nps en vervolgens werd de npk geformeerd. In het gemeenschap¬ pelijke verkiezingsprogramma lag de nadruk op sociaaleconomische issues, ook in reactie op het beleid van het kabinet-Sedney. Er was geen passage ge¬ wijd aan het daadwerkelijk realiseren van de onafhankelijkheid, al was dit door de coalitiepartners dus wel voorgekookt. Ik heb dat bewust zo gedaan. Niet dat ik bevreesd was dat ik een verkiezing zou verliezen. Echt niet, want Sedney

126

LEIDER VAN DE NPS

had het dan wel niet zo bont gemaakt als Wijdenbosch later, er was genoeg re¬ den om te veronderstellen dat hij niet in het machtscentrum zou terugkeren. Maar in de intermenselijke verhoudingen had het tot grote problemen kunnen leiden als we de nadruk op het onafhankelijkheidsthema hadden gelegd, in de zin van Creolen versus Hindostanen. Aan de andere kant: men kon weten wat de coalitie wilde. De

nps,

de

pnr

en de

psv

hadden een duidelijk standpunt

over de onafhankelijkheid. En geen van deze partijen heeft er enige twijfel over laten bestaan dat ze de onafhankelijkheid tot stand zouden brengen als ze de regeermacht eenmaal in handen zouden hebben. Alleen de

ktpi

was op dit

punt wat minder geprofileerd. Vanuit deze optiek kon het voornemen tot reali¬ satie van de onafhankelijkheid onmogelijk als een verrassing komen, hoewel het wel als zodanig is ervaren. De stakingen van 1973 zorgden er inderdaad voor dat de pnr,

nps

en de

die elkaar al hadden gevonden in hun afwijzing van de brede basis-

politiek en hun pleidooi voor onafhankelijkheid, steeds meer naar een samenwerkingsverband toegroeiden. Op het persoonlijke vlak was daarbij vooral de relatie tussen Arron en Eddy Hoost

(pnr)

van belang.127 Tijdens

een PNR-bijeenkomst op 3 april verklaarden Bruma, Raveles, Desi Refos en Fred Derby zich voorstander van de vorming van een krachtig front, dat met een doortimmerd sociaal-economisch programma de verkiezingen in zou gaan.128 In mei, als lid van de Koninkrijkscommissie in Nederland, liet Arron zich in vergelijkbare bewoordingen uit, toen hij aankondigde dat een combinatie van gelijkgezinde groeperingen met een overwegend Creoolse signatuur het in de verkiezingsstrijd zou gaan opnemen tegen de VHP. De sociaal-economische situatie in het land, waar de prijzen ble¬ ven stijgen, liet volgens hem de

nps

geen andere keus.129 Arron verklaar¬

de niet lang hierna dat de onafhankelijkheid van Suriname door de

nps

niet als een belangrijk issue in de verkiezingsstrijd zou worden geworpen, maar lichtte toe dat deze kwestie reeds een uitgemaakte zaak was, die in de regeringsverklaring een voorname plaats zou innemen.130 Op 29 juli keurde de partijraad van de ktpi

nps

de samenwerking met de

goed en stelde zij vast dat de samenwerking met de

psv

zich in een

vergevorderd stadium bevond.131 De partijraad verwierp de deelname van de partij aan het Surinaams Bevrijdings Front, een samenwerkingsver¬ band tussen de

pnr,

de

clo,

c’47 en de Actiegroep '73. De

nps

liet weten

voorstander te zijn van een scheiding tussen politiek en vakbeweging en toonde zich onaangenaam getroffen door de oprichting van het Front. Deze had plaatsgevonden op een moment dat de partij bezig was met de pnr

afzonderlijk te onderhandelen. De NPS-top beschouwde de creatie

van het Surinaams Bevrijdings Front als een poging van Bruma om zijn

127

machtspositie te versterken en de nps het initiatief uit handen te nemen.132 Nadat Bruma had ingezien dat het Surinaams Bevrijdings Front het zon¬ der de De

nps

pnr

en de

ktpi zou

moeten stellen, koos hij eieren voor zijn geld.

stapte uit de combinatie en in de loop van augustus werden de

onderhandelingen tussen de

nps

en de

hervat.133 Tussendoor voer¬

pnr

den Arron en Van Genderen, gesteund door een speciaal door de partij geformeerde adviesraad onder leiding van Ewald Karamat Ali, verkennen¬ de besprekingen met onder andere de bleven. Hoewel de achterban van de

pnp,

pnp

die echter zonder resultaat

het front tegen de vhp noemens¬

waardig had kunnen versterken, was een bundeling gelet op de regerings¬ deelname van de

pnp

aan het kabinet-Sedney weinig voor de hand lig¬

gend.134 Op 9 september besloot de partijraad van de met de

ktpi,

(npk).135

de

psv

en de

pnr

Volgens Arron zou de

nps

tot samenwerking

binnen een Nationale Partij Kombinatie

npk

onder één symbool aan de verkiezin¬

gen deelnemen, maar ‘zou de frambo [symbool van de over de andere symbolen uitstralen’. De

nps, zo

nps]

haar warmte

stelde Arron, had de am¬

bitie de leidende partij te zijn in het nieuwe partijpolitieke blok. Hij be¬ nadrukte dit streven niet alleen om de krachtsverhoudingen binnen de combinatie te schetsen, maar vooral om de samenwerking met de

pnr

voor de NPS-achterban verteerbaar te maken.136 De NPK-partijen bereikten op 28 september een ‘definitief generaal akkoord’. Bruma lichtte toe dat de

nps

en de

pnr

elkaar gevonden had¬

den op het punt van de zelfstandigheid van Suriname en waar het ging om het te voeren sociaal-economisch beleid.137 Protesten vanuit NPS-kernen tegen een gezamenlijk optrekken met de

pnr

werden diezelfde maand

dankzij de persoonlijke inzet van Arron in steunbetuigingen omgebo¬ gen.138 Arron herhaalde dat de onafhankelijkheid van Suriname door de npk

niet als een verkiezingsissue zou worden gepresenteerd, aangezien

de discussie hierover reeds was beslecht.139

128

LEIDER VAN DE NPS

IV Vader van de onafhankelijkheid: Aanloop

De

nps

zou weer opkrabbelen in 1973, na de verkiezingszege van de door

Arron geleide Nationale Partij Kombinatie

(npk).1

Het standpunt van de

partij over de onafhankelijkheid vormde het cement van dit samenwer¬ kingsverband, waarbinnen ook de

pnr

een belangrijke rol vervulde. De

regeringsverklaring van 15 februari 1974 bevatte de aankondiging dat Suri¬ name vóór ultimo 1975 de status van soevereine staat zou krijgen. Deze boodschap zorgde voor grote beroering in de gelederen van de vh p en zou de inzet worden van een verhitte strijd tussen de coalitie en de oppositie, die de parlementaire agenda bijna twee jaar zou beheersen. De strubbelingen tussen beide kampen waren complex. Het ging om verschillen van mening over de termijn waarop Suriname onafhankelijk zou moeten worden en over het politieke en staatkundige proces dat Suri¬ name zou moeten doorlopen, maar ook om het veiligstellen van deelbe¬ langen en het maximaliseren van invloed. Voor het grote publiek kregen de aanvaringen tussen de

npk

en de vhp al snel het karakter van een presti-

geslag tussen Arron en Lachmon. Het politieke gevecht dat zij leverden, werd begeleid door buitenparlementaire acties, die de gemoederen op¬ zweepten en de uittocht van Surinamers naar Nederland een krachtige impuls gaven. In mei 1975 werd Paramaribo opgeschrikt door een reeks branden, die aan radicale elementen uit de hoek van de oppositie werden toegeschre¬ ven, en bracht de vhp een zogeheten tienpuntenplan uit, waarin de partij de regering om waarborgen vroeg bij het voorbereiden van de onafhanke¬ lijkheid. In juni bereikten Paramaribo en Den Haag een akkoord over een ontwikkelingssamenwerkingsverdrag waarmee een bedrag was gemoeid van Nf 3,5 miljard. VERKIEZINGEN

De verkiezingsstrijd tussen de

npk

en de VHP-combinatie het aan duide¬

lijkheid niets te wensen over. Twee in hoofdzaak mono-etnische blokken, namelijk van Creoolse en van Hindostaanse signatuur, stonden tegenover

129

elkaar. Beide combinaties richtten zich in hoofdzaak op de belangen, as¬ piraties en sentimenten van de eigen achterban. De

npk

was een ver¬

bond tussen drie voornamelijk Creoolse partijen en de Javaanse

ktpi.

Het

Creoolse element domineerde. De vhp had een stembusafspraak gemaakt met de

sri

en de

pbp,

twee kleine politieke partijen die hun aanhang re¬

kruteerden onder respectievelijk Javanen en Marrons. In deze samen¬ werking voerde het Hindostaanse element de boventoon. Hoewel de

nps

Hindostanen had gekandideerd en de vhp de aandacht trok met een Cre¬ oolse kandidaat op de lijst in Paramaribo, waren deze kandidaatstellingen de spreekwoordelijke uitzondering op de regel.2 De verkiezingen ston¬ den in het teken van een Creools-Hindostaanse rivaliteit en hadden een raciale ondertoon, ook al doordat de ideologische en etnische scheidslij¬ nen grotendeels met elkaar samenvielen. In de periode 1969-1973 hadden de coalitie en de oppositie weinig nagelaten om de onderlinge tegenstel¬ lingen te accentueren. Zeker na het afwijzen van de brede basis-gedachte door de nps was een NPS-VHP-combinatie uitgesloten. De

npk

had betrekkelijk veel jonge politici op de kandidatenlijst ge¬

plaatst en propageerde een nieuw Suriname, waarin burgers als één natie met elkaar samenleefden en samenwerkten. Een gezamenlijke inspanning voor het welzijn van alle Surinamers diende voorop te staan.3 De weg naar het nieuwe Suriname beloofde lang en moeilijk te zijn en zou vele offers vragen, maar de

npk

was van oordeel dat het roer om moest, wilde

het werkelijk tot veranderingen in de sociaal-economische positie van vooral arbeiders en landbouwers komen. Met verwijzing naar het beleid van het kabinet-Sedney benadrukte de

npk

het belang van ‘een nationale

politieke doorbraak’, inclusief goede relaties met de vakbeweging, be¬ trokkenheid van de jeugd bij het politiek-maatschappelijke gebeuren en de noodzaak van een sociaal-rechtvaardig en corruptievrij bestuur. Speer¬ punten van het beleid waren voor de

npk

de erkenning van het stakings¬

recht, inkomensherverdeling, het stimuleren van de binnenlandse pro¬ ductie, het vergroten van de werkgelegenheid, het reguleren van de prij zen van eerste levensbehoeften, het bevorderen van remigratie en het invoeren van een algemene ziektekostenverzekering.4 Hoewel de

npk

eerder in een gepubliceerd uittreksel met ‘hoogte¬

punten’ uit het verkiezingsprogramma er over de onafhankelijkheid het zwijgen toe had gedaan5, stond in het uiteindelijke verkiezingsprogramma hierover de volgende passage: ‘Voor de

npk

is de onafhankelijkheid van

Suriname geen discussiepunt meer. De ontwikkeling die zich voltrokken heeft in dit land sedert de totstandkoming van het statuut, heeft geleid tot het bewustzijn dat de onafhankelijkheid van ons land niet meer te stuiten

130

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

is. En dit niet alleen in Surinaamse gelederen, maar ook in de andere de¬ len van het Koninkrijk. Het feit dat in alle kringen de voorbereiding van de onafhankelijkheid wordt toegejuicht, moet toch wel voor de meest verstokte tegenstanders aanleiding zijn zich opnieuw te beraden over het eigen standpunt. Suriname zal zijn plaats in de rij der onafhankelijke vol¬ ken moeten innemen. Voor het bereiken van een versnelde sociaal-economische ontwikkeling van het land wordt dit noodzakelijk geacht. Daarom zal de Nationale Partij Kombinatie de voorbereiding voor de onafhanke¬ lijkheid, zowel intern als extern intensiveren en afronden.’6 Gaat men voor¬ bij aan de wollige formulering en de al te stellige uitlating dat in alle krin¬ gen de voorbereiding van de onafhankelijkheid werd toegejuicht, dan laat de slotzin er geen misverstand over bestaan dat het electoraat er serieus rekening mee diende te houden dat de onafhankelijkheid zou worden ge¬ realiseerd in het geval de npk een verkiezingszege zou behalen.7 De vhp ondervond in toenemende mate hinder van de beschuldiging dat zij een mono-etnische partij was en had om die reden zichzelf tot Voor¬ uitstrevende Hervormings Partij omgedoopt. De partij legde in de ver¬ kiezingen het accent op ‘geestelijke integratie’, ‘geen onafhankelijkheid nu’ en de ‘bestrijding van communistische en andere subversieve activi¬ teiten’, met dit laatste doelend op de

pnr

en op de wanordelijkheden die

zich tijdens de februaristaking hadden voorgedaan. Onmiddellijk na de proclamatie van de

npk

had Lachmon al aangekondigd dat zijn partij er

alles aan zou doen om de wees op het ‘gevaar van de

nps

‘uit de greep van de

pnr’9

als de ‘eigenlijke leider van de

pnr

te bevrijden’.8 Hij

en kwalificeerde niet Arron maar Bruma

npk’.10

Daarmee kopieerde hij de strategie

van de toenmalige oppositie, die niet Sedney, maar steevast Lachmon had betiteld als de sterke man van de VHP-PNP-combinatie. De leerde erop dat veel kiezers uit weerzin tegen de

pnr

vhp

specu¬

hun stem aan de

npk

zouden onthouden.11 In een televisietoespraak, die integraal in de kranten werd afgedrukt, constateerde voorzitter Lachmon (bezijden de waarheid) dat de

npk-

partijen in hun programma geen uitspraak over de onafhankelijkheid de¬ den, maar liet hij erop volgen dat iedereen wist dat zij voorstander waren van onafhankelijkheid-nu. Lachmon waarschuwde de kijkers dat een stem op de

npk

een stem voor onmiddellijke onafhankelijkheid inhield.

Met deze uitspraak ontkrachtte de vh p op voorhand haar later veelvuldig geuite beschuldiging als zou de

npk

de kiezers hebben misleid door de

onafhankelijkheid niet tot een centraal verkiezingsthema te maken.12 Het thema werd op de verkiezingspodia inderdaad niet gul uitgeserveerd, maar uitlatingen gedaan door de NPK-leiders in de jaren 1970-1973 en het

131

NPK-verkiezingsprogramma lieten geen twijfel bestaan over het stand¬ punt van de combinatie. Arron: De verkiezingen waren fel. Het gevecht ken¬ de geen condities. Helaas moet ik zeggen dat de behoefte die bij de Creool be¬ stond tot eenheid onder de Creolen een grote rol heeft gespeeld. Als tegenwicht voor wat Lachmon en zijn

vhp

steeds beweerden: het gevaar van Creoolse

overheersing. Hierdoor is de Creool bang geworden dat de Hindostanen het te¬ gen hem zouden opnemen. Daarom hebben wij, uitgaande van wat wij zoal hadden geleerd in de periode-Sedney, de kracht van het volk benadrukt, waar¬ bij het Creoolse element de bindende factor was. Omdat de Creolen meenden dat hun positie in gevaar was, hebben ze massaal op npk gestemd.13 De verkiezingen op 19 november leverden de npk 22 zetels en de vhpcombinatie 17 zetels in de Staten op. Het merendeel van de stemmen bij de coalitiepartijen was toegevallen aan de nps (13) en de pectievelijk 2 en 3 zetels gewonnen hadden. De

ktpi

pnr

(4), die res¬

(2) en de

psv

(3) in¬

casseerden een winst van onderscheidenlijk 1 en 2 zetels. Bij de VHP-combinatie had de

vhp

16 zetels en de

sri

1 zetel veroverd. Lachmon liet in

een reactie weten een loyale en constructieve oppositie te zullen voeren, maar kondigde tevens aan om een hertelling te zullen vragen van de stem¬ men die in kieskring 11 waren uitgebracht.14 Naar later zou blijken, was dit een loos dreigement. De

pnp

was tot haar grote ontsteltenis zonder ze¬

tels uit de verkiezingsstrijd tevoorschijn gekomen. Ook de Hindostaanse Progressieve Partij

(hpp),

die tevoren goede kansen waren toegedicht en

waarvan verwacht werd dat deze het de

vhp

moeilijk zou maken, was

met lege handen achtergebleven.15

KABINETSFORMATIE

Als leider van de zegevierende combinatie kreeg Arron op 26 november van gouverneur Ferrier de opdracht een kabinet te formeren.16 Aan de formatie liet hij een informatiefase voorafgaan, tijdens welke hij met ver¬ tegenwoordigers van politieke partijen en een groot aantal maatschappe¬ lijke organisaties sprak. Door de afgetekende zege van de NPK-partijen was het niet nodig nog andere politieke partijen bij de samenstelling van het kabinet te betrekken, al waren er commentatoren die - tegen beter weten in - hoopten dat met het oog op het landsbelang de

nps

en de

psv

het door sommigen als broos en opportunistisch aangemerkte NPK-blok zouden verlaten om alsnog een alliantie aan te gaan met de vh p .17 Arron: Het ging allemaal betrekkelijk vlot, want ik had natuurlijk al de nodige voorbereidingen getroffen. Niet dat ik iemand vooraf had gepolst. Je weet dat als je in de Surinaamse politiek voortijdig namen gaat noemen, je dan eigenlijk bezig bent doodvonnissen te voltrekken (lacht). Je indiceert, je laat

132

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

dingen hangen, maar je gaat nooit uit mijn mond horen: die wordt het. Alleen wanneer ik er zeker van ben. Ik had één eis waar met mij niet over te praten viel. Die eis was dat de poli¬ tieke leiders van de deelnemende partijen in het kabinet zitting zouden nemen en dat een van hen de positie van voorzitter van het parlement zou bekleden. Dit zie je weerspiegeld in de posities die de leiders gingen innemen. Bruma trad toe tot het kabinet als minister van Economische Zaken. Hij wilde aanvanke¬ lijk niet, maar ik heb hem ertoe gedwongen. Ook Soemita kwam in het kabinet, als minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij. Ikzelf was minister-president en om mij in te dekken in de partij heb ik bedongen dat ook de voorzitter van de partijraad, Van Genderen, een post in het kabinet kreeg, als vicepremier en minister van Districtsbestuur en Decentralisatie. Wijntuin werd voorzitter van het parlement.18 Dat was het politieke deel van de formatie. Voor mij was dat essentieel, want het verzekerde mij van de directe steun van de politieke leiders. Vooral met het oog op het realiseren van de onafhankelijkheid had ik een stevig politiek fundament nodig. Hoewel

npk

i een puur politiek kabinet was, lagen aan de keuze van de

andere Nps-ministers vooral overwegingen van vakbekwaamheid ten grond¬ slag. Karamat Ali had zich als parlementariër met een lange staat van dienst al met openbare werken beziggehouden. Het lag om die reden voor de hand hem de post van openbare werken toe te vertrouwen. Cambridge had zich al¬ tijd al met ontwikkelingsvraagstukken beziggehouden, in samenspraak met Frank Essed. Dus hij paste prima op het ministerie van Opbouw. Onderwijs was een specialiteit van de nps en daarvoor hadden we een zeer gekwalificeer¬ de minister in de persoon van Venetiaan.19 Ik had voor de post van Financiën André Brahim op het oog. Door familieomstandigheden moest hij helaas mijn aanbod afslaan. Ik vertrouwde op dat moment - ik zeg het eerlijk - weinig an¬ deren. Omdat ik een bancaire achtergrond heb en als voorzitter van de vaste commissie voor financiële aangelegenheden in het parlement veel ervaring met financiële vraagstukken had opgedaan, heb ik toen besloten: ik steek mijn nek ervoor uit. Maar in ïgyy heb ik het niet herhaald. Ik heb toen wel een af¬ zonderlijke minister van Financiën gezet: Lesley Goede. Men kan mij dus niet verwijten dat wij alleen maar trouwe volgelingen ministersposten hebben laten bekleden. Dat is een sprookje. De

nps

heeft er

altijd voor gezorgd - ook onder Pengel - om kwaliteit in het landsbestuur in te brengen. Natuurlijk, de ministers dienden loyaal te zijn aan de partijleider. Dat moest gewoon, daar mocht geen twijfel over bestaan. En die loyaliteit was er ook, bij alle bewindslieden, inclusief Van Genderen. Dat hij deel uitmaakte van het kabinet was niet uit slimmigheid, zoals wel wordt beweerd. Alsof ik hem primair bij mij in de buurt wilde hebben om hem onder de duim te houden.

133

Als bij mij het controleren van Van Genderen voorop had gestaan, had ik dat ook via de partij kunnen doen. Trouwens, als men dat slimmigheid noemt, dan bestaat die slimmigheid al sinds de Grieken, Romeinen, Filistijnen en noem al die tijnen maar op. Zie het als een kwestie van realpolitik. Het is altijd goed om in het licht van de politieke overdracht, als er onverhoopt iets met de leider ge¬ beurt, een tweede man te hebben die goed van de gang van zaken op de hoogte is. De deelname van Van Genderen aan het kabinet vergemakkelijkte mijn sla¬ pen wel (lacht), maar dat was een bijkomstigheid.20 In het eerste NPK-kabinet21 nam de

nps

een dominante positie in. De

partij bezette de meeste ministersposten (zes van de twaalf). Toch waren, als gekeken wordt naar het aantal Statenzetels dat zij bezetten, de andere partijen met ministersposten nog aanzienlijk beter aan hun trekken ge¬ komen. Dit gold voor de pnr

psv

(twee posten), de

ktpi

(twee posten)22 en de

(drie posten). Vooral de relatief sterke positie van de

sommigen in de

nps

pnr

zette bij

kwaad bloed. Arron beschouwde deze positie als de

prijs die betaald moest worden voor rust op het arbeidsfront en steun bij het realiseren van de onafhankelijkheid. Maar verschillende partijgeno¬ ten, die zich opwierpen als erfgenamen van Pengel, dachten daar anders over. NPS-Statenlid Albertine Liesdek-Clarke (thans Bouterse-Clarke): ‘De pnr

kreeg de zetels op een goudschaaltje aangeboden. Het was gewoon

niet in verhouding. De

pnr

had nog nooit regeringsverantwoordelijk¬

heid gedragen, maar blies hoog van de toren. Bruma en Derby wilden alles naar hun hand zetten en voorkomen dat de

nps

binnen de

npk

tot haar

recht zou komen. Ik was daar erg boos over. Dit gold ook voor Nooitmeer, Herkul, Zalmijn, Vreede en Somohardjo. Wij vonden dat de

pnr

mee

mocht doen, maar met een minder zware vertegenwoordiging.’23 Van meerdere kanten kreeg Arron het verwijt te hebben gebroken met de gewoonte (sinds 1958) om een kabinet te formeren bestaande uit Creoolse en Hindostaanse bewindslieden.24 Arron: Ik had de Javaan erbij, ik had Hindostanen op de kandidatenlijst voor het parlement en in de regering had ik daarnaast ruimte voor één niet-Creoolse bewindsman, namelijk mr. Karamat Ali. Verdere politieke manoeuvreerruimte had ik niet. Natuurlijk nam ik daarmee een risico. Maar ik wil één ding duidelijk stellen: Arron heeft niet gebroken met de gewoonte om te zoeken naar een mengeling van Creolen en Hindostanen. Arron had niet de keuze. Want die mengeling was in de tijd van Pengel en Sedney gemakkelijk te realiseren. Maar wat had ik voor mogelijkhe¬ den? Elke plaats die ik binnen de nps meer zou inruimen voor een niet-Creool betekende spelen met mijn politieke behaviour. En van de andere partijen viel niets te verwachten. De psv kon ze niet voordragen, want die had ze niet. Bruma nog minder. En de ktpi, die leverde al Javaanse bewindslieden.

134

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

Los van de beperkte mogelijkheden die hij had om voor een etnische balans in de ministersploeg te zorgen, stuitte het denken in termen van etniciteit Arron in toenemende mate tegen de borst. Naar zijn opvatting stond dit denken haaks op het ideaal van natievorming dat de

npk

voor

ogen stond. In dit verband had Arron ook moeite met de voorzieningen die in zijn eigen partij waren getroffen voor specifieke groepen. Arron: We hadden in de

nps

een hindoepresidium, een moslimpresidium, een Indone¬

sisch presidium et cetera. In de periode van Pengel had dit zijn functie. Vertegenwoordigers van die groepen konden op die manier groeien in de partij en er een eigen identiteit vinden. Maar toen ik de leiding overnam, merkte ik al gauw dat het remmend werkte op het proces van nationale eenwording. In de tijd van Pengel heb ik het ondersteund, omdat het werkte, maar in de jaren zeventig paste het steeds minder, vooral niet in de aanloop naar de onafhanke¬ lijkheid. Vóór 1973 ben ik al begonnen met het afschaffen van die presidia. Langzaam, want ik moest de mensen om wie het ging wel op één lijn brengen. Ik ben daarin niet dictatoriaal opgetreden. Na veel praten zagen ze zelf in dat het systeem zichzelf had overleefd. Vervolgens zijn de presidia door de partij¬ raad afgeschaft. Zo ben ik er vanaf gekomen. Dus vanaf dat moment praatten we niet meer over die secties. Iedereen was equal. De nps bleef natuurlijk een overwegend Creoolse partij, maar niet-Creolen voelden zich er thuis en raakten er echt geïntegreerd. Azimullah: Arron wilde breken met de vanzelfsprekendheid dat er altijd Creolen en Hindostanen zitting moesten hebben in een regering. Een kabinet diende in zijn optiek te bestaan uit bewindslieden die zich in¬ zetten voor nationale doeleinden, niet voor etnische deelbelangen. Tegelijk wilde Arron geen risico nemen met Hindostanen in zijn coalitie. Het ver¬ raad van de Actiegroep in 1969 was voor hem een schrikbeeld. Bovendien had het optreden van minister Radhakishun in het kabinet-Sedney het imago van de Hindostanen geen goed gedaan. Veel Creolen hadden aan¬ stoot genomen aan zijn handelwijze. Zij zagen hem als een Latijns-Amerikaanse potentaat, die politiek en zakenleven op een onaanvaardbare wijze met elkaar vermengde en die rijkdom en arrogantie uitstraalde. Dat nodigde niet uit tot het aanzoeken van Hindostanen als minister.’25 Ahmed Karamat Ali werd, doordat hij doorging voor een dogla (vermenging van Hindostaan en Creool) en nadrukkelijk NPS-gelieerd was, door Hindo¬ stanen niet als een representant van hun eigen groep beschouwd. Arron: De ministers zijn op 24 december 1973 beëdigd. Uit de minister¬ raad is toen een kleine raad geformeerd onder voorzitterschap van Coen Ooft. Die kreeg als minister van Binnenlandse Zaken de taak de formulering van het regeringsbeleid te coördineren, op basis van de bijdragen die de verschillende

135

ministeries en partijen zouden leveren. Ik zat in die commissie namens de nps,

Bruma namens de pnr, Soemita namens de ktpi en Ooft namens de psv.

Het vraagstuk van de onafhankelijkheid heeft zich primair afgespeeld tussen de vier politieke leiders. De formulering van de passage hierover in de rege¬ ringsverklaring is daarna besproken in de kleine raad en vervolgens voorge¬ legd aan de voltallige ministerraad. De eindredactie van de tekst van de rege¬ ringsverklaring was in handen van de vier politieke leiders, dus Arron, Bruma, Soemita en Wijntuin. Ferrier werd niet bij de voorbereiding van de regerings¬ verklaring betrokken. Wij vonden dat niet nodig. Wij hadden een andere kijk op de positie van de gouverneur.26

REGERINGSVERKLARING

Niet eerder in de Surinaamse geschiedenis maakte een regeringsverkla¬ ring zoveel los als de rede die minister-president Arron op 15 februari 1974 in de Staten van Suriname uitsprak bij de inauguratie van zijn regering. Na gememoreerd te hebben dat de staatkundige ontwikkeling van Surina¬ me zich al langer dan een eeuw kenmerkte door geleidelijkheid en dat ‘de spoedige verwezenlijking van de volledige onafhankelijkheid van Suriname’ als ‘een natuurlijke ontwikkeling en een wezenlijk mandaat van de Suri¬ naamse bevolking aan deze Regering’ diende te worden beschouwd, stel¬ de Arron het volgende: ‘De onafhankelijkheid van het Land is door voor¬ afgaande Regeringen benaderd als een punt in discussie. In tegenstelling daarmee heeft de huidige Regering, ten volle bewust van haar verant¬ woordelijkheid, zich tot taak gesteld de overdracht van de soevereiniteit door het Koninkrijk der Nederlanden aan het Surinaamse volk te realise¬ ren. Het onderzoek dat ten aanzien van dit onderwerp verricht is door de diverse secties van de Koninkrijkscommissie wordt door de Regering als voldoende aangemerkt en zal thans zijn afronding dienen te vinden. Het komt de Regering wenselijk voor, dat derhalve, opdracht wordt gegeven aan de vertegenwoordigingen in de Koninkrijkscommissie om de in dit licht alsnog te bespreken onderwerpen aan een tijdschema te binden en wel in die zin, dat in ieder geval de realisering van de soevereiniteitsover¬ dracht aan Suriname zal kunnen plaatsvinden op geen later tijdstip dan ultimo 1975. Het spreekt vanzelf dat het tripartite overleg van de Konink¬ rijkscommissie geen belemmering zal mogen zijn voor vorenstaand stre¬ ven van de Regering. Indien dit gevaar zal ontstaan zal dit programma¬ punt door bilateraal overleg worden gerealiseerd.’27 Dat de onafhankelijkheid minder breed werd gedragen dan het kabi¬ net zich misschien zou wensen, verwoordde Arron zelf het beste, toen hij verderop in zijn redevoering verklaarde dat de regering er alles aan zou

136

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

5-

Henck Arron leest de regeringsverklaring voor in de Staten van Suriname op 15 februari 1974

doen om deze ‘uit de controversiële sfeer te halen, waarin deze zeer ten onrechte is gebracht’.28 Hij liet weten dat burgers van Suriname alleen succesvol konden zijn als zij hard werkten en soberheid betrachtten: ‘De Regering zal het Surinaamse volk voorgaan in daden van offervaardigheid, werklust, doorzettingsvermogen [en] geloof in eigen kunnen, maar boven¬ al nog in geloofwaardigheid. Wij zullen, ondanks alle tegenstellingen, dit land gezamenlijk moeten opbouwen.’29 Het was het aangekondigde tijdstip van de onafhankelijkheid dat de meeste commotie veroorzaakte. Arron: Alleen de ministers van mijn kabinet waren vooraf op de hoogte van de datum die in de regeringsverklaring werd genoemd. Dat kon ook moeilijk anders, want zij waren betrokken geweest bij de opstelling van die verklaring en dienden daaraan hun goedkeuring te hech¬ ten. Onze fractie in de Staten was een beetje op de hoogte (lacht). Houd reke¬ ning met verrassingen, had ik gezegd. Ze wisten precies wat ik bedoelde. Verder heb ik niemand ingelicht, Ferrier niet en ook Den Uyl niet. Los van de principiële kant van de kwestie - ik wilde eerst mijn zaak in Suriname bren¬ gen - zou het ook praktisch niet handig zijn geweest. Je zou gedonder hebben gekregen in Nederland, het zou de zaken hier hebben beïnvloed, met alle ge¬ doe van dien. Na het voorlezen van de passage over de onafhankelijkheid is mijn rede¬ voering in het parlement onderbroken. De coalitie is in haar totaliteit, dus inclu¬ sief mevrouw Liesdek-Clarke, inclusief Lee KongFong, inclusief Somohar dj o,

137

opgestaan en heeft de mededeling met een langdurig applaus ontvangen. Dus het hele verhaal van die drie erna, dat ze tegen de onafhankelijkheid waren, is nonsens. Het strookt niet met de waarheid. Ze zijn gewoon door Lachmon ge¬ pakt. Ik heb me gehaast om de regeringsverklaring op te stellen en uit te spre¬ ken, want ik wist dat Den Uyl naar Suriname wilde komen - dat had hij ons begin januari al laten weten - en ik wilde niet dat hij mij voor zou zijn met een verklaring dat Nederland ons graag onafhankelijk wilde laten worden. De Keer punt-p ar tijen hadden in hun programma immers staan: onafhankelijk¬ heid voor Suriname niet later dan igy6.3° Ik wilde politiek Den Haag niet de ruimte geven om mij te komen leren dat we onafhankelijk moesten worden. Ik heb het zelf gedaan, dat wil zeggen

npk i.

Dat was voor ons een erezaak, ook

omdat ik in ïgyi in Nederland had verklaard dat we de onafhankelijkheid op korte termijn wilden realiseren. Frits Frijmersum, minister van Arbeid en Volkshuisvesting in

npk i:

‘Vlak vóór 15 februari zijn wij als ministers bij elkaar gekomen in het Medisch Wetenschappelijk Instituut aan de Kernkampweg. Tijdens die retraite is de beslissing gevallen om de onafhankelijkheid voor ultimo 1975 te realiseren. Het was een erezaak. Zouden wij geen actie ondernemen, dan zouden de Hollanders ons het Koninkrijk uit schoppen. Iedereen in het kabinet was het hierover eens. Alleen Karamat Ali hield nog een plei¬ dooi voor een dominion-status voor Suriname, maar die poppenkast wil¬ den we niet meer. Dat was een gepasseerd station. Het noemen van een uiterste datum voor de verwezenlijking van de onafhankelijkheid kwam voor de NPK-vertegenwoordigers in de Staten als een grote verrassing. Nooitmeer, de fractieleider, wist van niets. Wijntuin wist het ook niet. Bruma had het Derby en Raveles waarschijnlijk verteld, maar dat is niet meer dan een veronderstelling. Vooral Nooitmeer werd voor het blok ge¬ zet. Hij schrok, maar hij moest mee. Hij kon niet anders.’31 Johan Ferrier onderschrijft deze lezing: Arron was verontwaardigd, omdat de indruk bestond dat Nederland de onafhankelijkheid aan Suri¬ name wilde opdringen. Suriname diende volgens hem zelf het initiatief te nemen om een soevereine staat te worden. Dit was voor hem het hoofd¬ motief om de onafhankelijkheid te realiseren. Dat liet hij mij ook duide¬ lijk weten. Hij wilde niet door Nederland uit het Koninkrijk worden getrapt. Op dat punt had hij een groot eergevoel. Hij was hierin ook erg zeker van zijn zaak. Voor de

nps-fractie

kwam de regeringsverklaring echter als

een totale verrassing. De leden waren van tevoren niet ingelicht over de ul¬ timo 1975-passage.’32 Albertine Liesdek-Clarke weerspreekt, overigens in strijd met de fei-

138

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

ten, dat de passage in de Staten met een staande ovatie werd verwelkomd: ‘Nadat Arron met veel bravoure de datum van de onafhankelijkheid had genoemd, viel er een doodse stilte. Men was geschokt. Iedereen keek el¬ kaar aan. Zalmijn siste een krachtterm. Ik zat tussen hem en Nooitmeer in. Tegenover mij zaten Hindori en Mungra. Sprakeloos. Alleen de

pnr-

vertegenwoordigers lachten in hun vuistje. Zij leken van het nieuws op de hoogte. Maar de NPS-fractie wist van niets. Na afloop van de vergade¬ ring zijn we tegen Arron uitgevaren. Hoe hij het in zijn hoofd haalde om zonder ruggespraak met ons die onafhankelijkheid in de samenleving te persen. Hij kreeg het fel te verduren, ook van Nooitmeer en Somohardjo. Vervolgens heb ik hem het ontbreken van een breed draagvlak voor de onafhankelijkheid steeds onder de neus gewreven als ik op Algemene Zaken was. Steeds zei hij: “Alles komt in orde. De soep wordt niet zo heet gegeten als hij wordt opgediend.” Maar die woorden overtuigden ons niet. Hij ontkende het, maar het was duidelijk dat hij in opdracht van Bruma handelde.’33 Ook Paul Somohardjo laat weten dat Arrons aankondiging voor de NPS-fractie in de Staten ‘totaal onverwacht’ kwam: ‘We waren vooraf niet op de hoogte. Dit gold in ieder geval voor mijzelf en voor Nooitmeer, Vriesde, Herkul, Zalmijn en Liesdek-Clarke. Kort daarna hebben we tijdens een partijraadsvergadering Arron hierop aangesproken. We hebben gezegd dat hij fout zat met de onafhankelijkheid. Niet met zijn steun hiervoor als zodanig, maar met de wijze waarop hij die onafhankelijkheid wilde realise¬ ren. Aangezien we het niet eens waren met zijn opstelling en hij van geen wijken wilde weten, hebben we op een gegeven moment als groep de bij¬ eenkomst demonstratief verlaten. Een meerderheid van de aanwezigen steunde hem echter.’34 De formulering van de passage over de onafhankelijkheid was het werk van de ministers Ooft en Bruma. Coen Ooft: ‘Arron heeft ons apart gezet om die passage te schrijven. Het duurde nog geen tien minuten. Het hielp dat Bruma en ik elkaar kenden. We hebben samen in Amsterdam op het podium gestaan om voor studenten over de onafhankelijkheid te pra¬ ten. De paragraaf is gebaseerd op de tekst van de psv-brochure Naar een onafhankelijk Suriname en op de slotpagina’s van mijn proefschrift. Nie¬ mand in de ministerraad had commentaar op ons voorstel. De passage werd ongewijzigd overgenomen. Karamat Ali sprak als enige nog over de wenselijkheid van een dominion-status voor Suriname, maar legde zich al snel bij de mening van de anderen neer.’35 Uit de verzamelde reacties valt niet met zekerheid af te leiden wie op welk moment wat wist. Volgens Arron werd gouverneur Ferrier buiten

139

de opstelling van de regeringsverklaring gehouden en was de aankondi¬ ging van de onafhankelijkheid voor hem een verrassing. Ferrier heeft zelf uiteengezet dat de regeringsverklaring ‘uiteraard’ met hem besproken was en dat hij vooraf kennis droeg van de inhoud ervan.36 Tegelijk erken¬ de hij dat hij volledig overvallen werd door de aankondiging en het tijd¬ stip van de onafhankelijkheid.37 De president had met andere woorden de regeringsverklaring vooraf mogen inzien, maar in deze versie ontbrak de op het laatst ingevoegde ultimo 1975-passage.38 Wijntuin zou als een van de politieke leiders van de

npk

nauw be¬

trokken zijn geweest bij het opstellen van de passage over de onafhanke¬ lijkheid. Maar Wijntuin zelf verklaarde dat hij pas op 15 februari tijdens de rede van Arron in de Staten van het ultimo 1975-voornemen op de hoogte werd gebracht.39 Was de zinsnede welbewust niet opgenomen in de versie van de regeringsverklaring die hem als eindredacteur was voor¬ gelegd? Wilde Arron hiermee voorkomen dat deze informatie via de Statenvoorzitter voortijdig zou uitlekken naar het parlement en mogelijk naar de pers? Was dit de consequentie van het feit dat Suriname bestuurd werd door een politiek kabinet waarin Wijntuin als enige NPK-leider geen zitting had? Of werden Wijntuin met opzet bepaalde inlichtingen onthouden om hem te doordringen van de relatief bescheiden plaats van de

psv

in de coalitie?40

Dat de ultimo-passage zelfs voor sommige ministers nieuw was, blijkt uit de reactie van minister van Onderwijs en Volksontwikkeling Venetiaan. Naar zijn zeggen hoorde hij pas van de door het kabinet vastgestelde ter¬ mijn op het moment dat Arron zijn regeringsverklaring in de Staten voor¬ las. Hij houdt het voor mogelijk dat hij niet bij de vergadering in het Medisch Wetenschappelijk Instituut aanwezig was en dus achterliep met zijn kennis over het precieze regeringsstandpunt. Wat volgens hem ook een rol gespeeld kan hebben, was dat hij door de NPS-top werd beschouwd als een juniorlid van het kabinet. Arron deed bij voorkeur zaken met de seniorleden.41 Wat Nooitmeer als fractieleider van de

npk

wist, is niet meer te ach¬

terhalen. Het is mogelijk dat Arron zich tegenover hem dingen heeft la¬ ten ontvallen die hij niet heeft opgepikt. Maar het is eveneens voorstel¬ baar dat Arron zijn fractieleider met opzet onkundig liet van de passage, om onenigheid hierover binnen de coalitie - die immers niet op één lijn zat - voor te blijven. Otmar Rodgers, fractiegenoot van Nooitmeer, was te¬ voren niet op de hoogte van de verklaring. Wel herinnerde hij zich de blijd¬ schap waarmee de passage in de fractie ontvangen werd, ook bij Nooit¬ meer. In hoeverre dit door partijdiscipline afgedwongen vreugde was, laat

140

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

zich moeilijk vaststellen.42 Nooitmeer zou zich hoe dan ook committeren aan het door Arron uitgedragen standpunt dat Suriname uit zelfrespect en trots haar lot in eigen hand wenste te nemen. Van de NPK-parlementariërs zouden Nooitmeer en Wijntuin zich het meest coöperatief opstel¬ len tegenover de oppositie en van de onafhankelijkheid een nationale aangelegenheid proberen te maken, tegen de achterdocht van de gematig¬ den en de weerzin van de hardliners binnen de coalitie in.43 De aankondiging van de onafhankelijkheid kwam voor de oppositie als een verrassing. Er bestond al ontevredenheid over het ‘buitensluiten van Hindostanen’ bij de kabinetsformatie, maar het opeisen van de soeve¬ reiniteit door de regering trof de vhp als onaangenaam. Gelet op de door de partij gevoerde verkiezingscampagne, waarin de

npk

mede vanwege

het schrikbeeld van onafhankelijkheid-nu was bestreden, was dit enigs¬ zins merkwaardig. De

vhp

mocht het zichzelf aanrekenen de tekenen

des tijds niet goed te hebben verstaan. Tijdens haar regeerperiode had de partij uitlatingen van NPs’ers ten gunste van de onafhankelijkheid stel¬ selmatig afgedaan als tot niets verplichtende retoriek in de geest van Pengel. De onafhankelijkheid werd als een begerenswaardig doel gepre¬ senteerd, maar hieraan werden verder geen concrete acties verbonden.44 Ook omdat het uitspraken waren van de oppositie, serveerde de vh p deze routineus af als uitingen van bravoure. De waakzaamheid was tijdens de laatste verkiezingen dan wel opgevoerd, maar toch onderkende de

vhp-

top onvoldoende dat met het aantreden van partijleider Arron een nieuwe generatie NPs’ers was aangetreden voor wie de soevereiniteitsoverdracht niet langer een kwestie was van of, maar van wanneer.45 Vergeten leek de vhp ook de commotie die was ontstaan nadat Arron in het parlement had gesteld dat hij zich niet kon voorstellen dat er men¬ sen tegen de onafhankelijkheid waren. Naar zijn oordeel moesten dege¬ nen die deze mening onverhoopt wel waren toegedaan, als het zover was, ‘de boot maar pakken’. Volgens de VHp’er Alwin Mungra was dit een op¬ merking die de ware aard van de NPS-voorzitter blootlegde. Hoewel Arron altijd zou ontkennen dat hij bij het doen van zijn uitspraak had gedacht aan een specifieke bevolkingsgroep werd hij sindsdien tot zijn ongenoe¬ gen door groepen vhp’ers als een racist weggezet.46 Tijdens de verkiezin¬ gen hadden critici het vuur van de verontwaardiging hierover brandende gehouden. Hun doel was de achterban ervoor te waarschuwen dat het de nps

wel eens ernst kon zijn met het realiseren van de onafhankelijkheid.

Dat de aangekondigde soevereiniteitsoverdracht na de verkiezingen voor de partij uit de lucht kwam vallen, viel moeilijk met deze campagnetaal te rijmen.47

141

Tegelijk kon niet worden ontkend dat Arron weinig geduld had met de bezwaren van de oppositie tegen de onafhankelijkheid en tamelijk luchthartig omging met de angsten, zorgen en twijfels die er bij de bevol¬ king leefden waar het ging om de soevereiniteitsoverdracht. Arron - die bij de start van zijn kabinet ‘een goede catch’ wilde hebben48 - meende dat rechtgeaarde Surinamers de opdracht hadden zich als één volk achter de onafhankelijkheid te scharen en hier trots en zelfrespect aan te ontle¬ nen. Bovendien geloofde hij dat als Nederland zou wegvallen als moeder¬ land de gelederen zich onherroepelijk zouden sluiten, omdat mensen vanaf dat moment op elkaar aangewezen zouden zijn. De leiders van de oppositie exploiteerden zijns inziens deelbelangen om een nationaal be¬ lang in de wielen te rijden. Het inpassen van deelbelangen in het natio¬ naal belang rekende hij tot de eigen verantwoordelijkheid van deze poli¬ tici.49 Lachmon verbleef in Nederland toen Arron zijn regeringsverklaring in de Staten van Suriname voorlas. Tegenover Nederlandse media rea¬ geerde hij gebeten op de aankondiging van de soevereiniteitsoverdracht: ‘Het lijkt alsof men naar een winkel gaat om een artikel te kopen. Men wenst gewoonweg een bepaalde groepering te onderdrukken en daar zul¬ len wij ons tegen verzetten.’ Lachmon meende dat Arron de kiezers had misleid door de onafhankelijkheid geen inzet van de verkiezingen te ma¬ ken en dat hij, verzekerd van de regeermacht, deze er nu eenzijdig wilde doordrukken. Naar zijn zeggen had de

npk

onder druk van Bruma inge¬

stemd met de onafhankelijkheidsdatum en was de laatste eropuit om de gemeenschap te muilkorven zodra de onafhankelijkheid zou zijn gereali¬ seerd. Lachmon voorspelde dat het voornemen van de

npk

niet uitvoer¬

baar zou zijn binnen de gestelde termijn en kondigde aan ervoor te zullen zorgen dat een wetsontwerp inhoudende een wijziging van het Statuut geen tweederde meerderheid in de Staten zou halen.50 In de Surinaamse pers werd de afwijzende opstelling van de

vhp

als

het belangrijkste obstakel gezien op de door de

npk

uitgestippelde route

richting onafhankelijkheid. Het streven van de

npk

werd niet als verras¬

send beschouwd, gelet op de standpunten van de deelnemende partijen, al meende de redactie van De Vrije Stem dat de coalitie tendentieus repte van het mandaat dat zij van de kiezers had gekregen om de onafhankelijk¬ heid te realiseren. Bovendien wees de krant erop dat de regering de indruk wekte de oppositie te willen kleineren in plaats van een verzoenende sfeer te scheppen om te komen tot de noodzakelijke nationale eensge¬ zindheid.51 De redactie van De West twijfelde aan de haalbaarheid van de termijn waarop het kabinet-Arron de soevereiniteitsoverdracht wenste

142

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

te realiseren. Zelfs met de volle medewerking van Nederland was het een raadsel hoe de regering dit karwei vóór ultimo 1975 zou kunnen klaren. De krant wees daarnaast op de Nederlandse hulp waarvan Suriname af¬ hankelijk was. Die hulp zou straks minder worden. Welke gevolgen had dat voor de ontwikkeling van Suriname? Volgens de krant deed premier Arron er goed aan zich te laten leiden door het devies ‘bezint eer gij begint’.52 De redactie van De Ware Tijd verklaarde waarom de npk, ondanks het verzet van de vhp, de onafhankelijkheid ‘krachtig en met overleg’ diende voor te bereiden: ‘De houding van de

vhp

remt de ontwikkeling van het

land af. Hoe eerder Suriname onafhankelijk wordt, hoe beter. Immers, het verwerven van onafhankelijkheid zal in veel opzichten gepaard gaan met een onvermijdelijke mate van teruggang. Dat is in alle jonge onaf¬ hankelijk geworden landen op te merken. Suriname zal daar geen uitzon¬ dering op zijn. Hoe langer we de onafhankelijkheid verschuiven, hoe lan¬ ger we die achteruitgang uitstellen. Intussen zijn de landen in ons gebied bijna allemaal reeds door die stroeve periode heen gegroeid. Als bij hen de zaken al beter beginnen te lopen, beginnen wij pas aan die moeilijke tijd. Als nieuweling onder de jonge soevereine landen, komen wij achter¬ aan hinken. De houding der

vhp

maakt dat we een achterstand kweken

bij andere landen, die groter wordt naarmate we langer wachten.’53 Bij de behandeling van de regeringsverklaring in het parlement ging Arron op 25 februari uitvoerig in op de kritiek van de oppositie. Deze had onder meer bezwaar aangetekend tegen het begrip nationalisme waar¬ van de coalitie zich bediende. Arron: ‘Voor ons van de npk is nationalisme [...] geen politieke doctrine maar een onmisbaar instrument voor een¬ wording en voor het verkrijgen van zelfstandigheid in de ruimste zin des woords. Het is de plicht van elke politieke leider of hij in de coalitie dan wel in de oppositie zit [...] de eenwording van [het] Surinaamse volk te bevorderen en er ook voor te zorgen dat onze burgers binnen onze lands¬ grenzen het gevoel gaan krijgen van lotsverbondenheid.’54 Arron verweet de oppositie ‘gebrek aan een nieuwe politieke denkwijze’ en ‘gebrek aan politieke creativiteit’. Zijns inziens waren de leden van zijn kabinet man¬ nen met ‘een zakelijke en nuchtere instelling, die hun ambt als minister als een taak en een plicht tegenover deze maatschappij zien. Ik twijfel geenszins aan de intellectuele capaciteiten van de leden van dit kabinet en ik kan u de verzekering geven dat los van het feit dat politieke moed en politieke durf in dit kabinet aanwezig zijn, de leden van dit kabinet tien schone vingers hebben en geen drupje boter op hun hoofd, hetgeen ook van de regeringsfractie kan worden gezegd.’55 De beschuldiging dat de

npk

bewust vertegenwoordigers van ‘een

143

grote bevolkingsgroep’ van regeringsdeelname had uitgesloten, pareerde Arron met de stelling dat zijn kabinet niet tot stand was gekomen ‘op ba¬ sis van etnische groeperingen, maar op basis van politieke partijen, die zich wezenlijk tot taak gesteld hebben [... ] te arbeiden in het belang van elke Surinamer zonder onderscheid en zonder uitzondering’. Mocht de vhp

de samenstelling van het kabinet in een raciale sfeer willen trekken,

dan was dit volgens hem een ‘zeer gevaarlijke zaak en een stap terug in onze ontwikkeling’. Met instemming haalde Arron woorden van de politi¬ coloog Evert Azimullah aan, die geschreven had dat als formateur Arron een prominente Hindostaan in zijn kabinet zou hebben benoemd, de op¬ positie deze persoon voor verrader zou hebben uitgemaakt. Hem zou de¬ zelfde behandeling door de

vhp

ten deel zijn gevallen als de vertegen¬

woordigers Chandie Shaw, Jankie, Pahladsingh en Dihal ten tijde van het tweede kabinet-Pengel. Het ging de vhp namelijk niet om de opname van Hindostanen in de regering, het ging de partij erom zelf in de regering vertegenwoordigd te zijn.56 Arron weigerde om toe te staan dat de nationale zelfstandigheid ge¬ bruikt werd als een middel om te polariseren en ontkende dat de regering onder druk van Bruma de datum van ultimo 1975 had vastgesteld. Hij achtte het kwalijk dat de oppositie op deze manier probeerde de partijen in de coalitie tegen elkaar uit te spelen. De werkelijkheid was dat alle vier partijen zich al in een vroeg stadium voor de nationale zelfstandigheid hadden uitgesproken. De

ktpi

en de

sri

- thans deel uitmakend van het

oppositieblok - hadden dit op 5 december 1971 gedaan, toen hun vertegen¬ woordigers Soemita

(ktpi),

Soeperman

(ktpi)

en Rasam

(sri)

hadden

verklaard dat zij op korte termijn, ‘zo mogelijk in het jaar 1976’, de natio¬ nale zelfstandigheid gerealiseerd wensten te zien. De

psv

had in 1970 in

de brochure Naar een onafhankelijk Suriname vastgelegd dat de verwezen¬ lijking van de onafhankelijkheid niet later mocht plaatsvinden dan bin¬ nen twaalf maanden na de ontbinding van de toenmalige Staten.57 De

pnr

- zo vervolgde Arron - was al vanaf haar oprichting in 1961 voorstander geweest van onafhankelijkheid op de kortst mogelijke termijn.58 Om het standpunt van de

nps

inzake de onafhankelijkheid toe te

lichten, citeerde Arron uit de verkiezingsrede van 1 oktober 1969 van Pengel. Hierin had deze zich afgevraagd welke ‘waarachtige Surinamer’ tegen de onafhankelijkheid van Suriname kon zijn en waarom er perso¬ nen waren die zich onder het mom van geleidelijkheid tegen de onafhan¬ kelijkheid bleven verzetten. Pengel laakte degenen die zich op dit ‘on¬ waarachtige standpunt’ stelden en meende dat zij tekortschoten in hun denken. De ‘werkelijk vrije mens’, aldus Pengel, was ‘de mens die zichzelf

144

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

bevrijdt’ en het was daarom zaak de toekomstige status van Suriname met kracht aan de orde te stellen.59 Arron riep ook een motie van de

nps-

fractie uit 1970 in herinnering: ‘De vrijheid en onafhankelijkheid van Suriname als het kostbaarste goed van de natie te aanvaarden en de rege¬ ring uit te nodigen onverwijld met een zodanige realisatie hiervan een aanvang te maken dat Suriname op de kortst mogelijke termijn, doch in geen geval later dan 1 juli 1975, een zelfstandige staat zal zijn.’60 In reactie op Lachmons pleidooi voor een referendum over de onaf¬ hankelijkheid herhaalde Arron dat het Surinaamse en het Nederlandse staatsrecht geen referendum kenden. Hij verwees naar de debatten die op 1 december 1959 in de Staten waren gevoerd over de vlag, het wapen en het volkslied van Suriname. Schalks citeerde hij het begin van de rede¬ voering die Lachmon bij die gelegenheid hield: ‘Hij die de genietingen van het eeuwig leven deelachtig wenst te worden, moet volgens de leer van de Joga beginnen om zijn opkomende hartstocht te onderdrukken, zijn opbruisende woede te beteugelen en zijn opkomende hoogmoedswaan¬ zin te begraven.’ Arron vervolgde dat Lachmon zich tijdens zijn toespraak had verzet tegen het houden van een referendum over de nationale sym¬ bolen. Zijn argument was dat de Statenleden als vertegenwoordigers van het volk de beslissing hierover dienden te nemen. In het geval zij een ver¬ keerde beslissing namen, had het volk de mogelijkheid de Statenleden bij de eerstvolgende verkiezingen af te straffen. Arron zei de vaststelling van de nationale symbolen niet minder betekenisvol te achten dan de soeve¬ reiniteitsoverdracht en meende dat een vergelijkbare procedure voor de hand lag. Indien het Surinaamse volk de onafhankelijkheid afwees, zou het dit bij de eerstvolgende verkiezingen kenbaar kunnen maken.61 Arron liet weten de negatieve houding van de oppositie te betreuren. De door Lachmon aangekondigde pogingen om steun te zoeken in Neder¬ land, op de Nederlandse Antillen en in de vs om de onafhankelijkheid tegen te houden, zaaiden volgens hem verwarring en frustreerden de mensen. Waarom was een meer positieve benadering niet mogelijk? De beschuldiging van de vhp dat voor ultimo 1975 was gekozen om minister Bruma de macht te laten overnemen en parlementaire verkiezingen niet meer te laten plaatsvinden, was enerzijds lachwekkend, maar anderzijds een verontrustend signaal dat geen methode werd geschuwd om de onaf¬ hankelijkheid in een kwaad daglicht te stellen. Arron: ‘We kunnen lang filosoferen en theoretiseren over de onafhankelijkheid, maar ik geloof dat wij allang genoeg gepraat hebben. Nu is terecht het moment aangebro¬ ken voor handelen. De datumstelling door onze regering van ultimo 1975 is misschien verrassend aangekomen en voor anderen hard, maar het is

145

de mening van deze regering. [... ] Laat men niet denken dat wij met deze zaak comedie spelen, het is bij ons bittere ernst. [... ] Ik blijf een beroep doen op elke Surinamer die het waarachtig meent met dit land om zijn steentje bij te dragen opdat wij dit volk [... ] waarlijk vrij mogen maken.’62 Ter afsluiting van zijn uiteenzetting maakte Arron kenbaar dat er ten aanzien van de onafhankelijkheid een grote verantwoordelijkheid rustte op de regering, de coalitie en de oppositie. Hij verwachtte van elk van de¬ ze groepen een constructieve bijdrage om de onafhankelijkheid niet later dan ultimo 1975 te verwezenlijken: ‘[... ] Het zal een historisch moment blijken te zijn en vanuit dit historisch moment ligt ook op ons als Surinamers de historische plicht om te gaan beseffen dat wij dit land geza¬ menlijk zullen moeten opbouwen en blijven opbouwen. En laten wij één ding goed beseffen: ongeacht van waar wij komen, deze regering en on¬ dergetekende persoonlijk, kent geen Afrikanen, Chinezen, Hindostanen of Javanen, wij kennen Surinamers op wie de plicht rust dit land ultimo 1975 onafhankelijk te maken. En wij moeten begrijpen dat wij aan deze regeringstafel geschraagd door de regeringsfractie, maar meer nog ge¬ steund door het Surinaamse volk, slechts één ding nastreven, nl. [...] dat het Surinaamse volk één is met één basis, één principe, nl. dat wij zijn: one people, one nation and one destination.’63 Daags voor de redevoering van Arron had Lachmon op een massa¬ meeting van de vhp dreigend gesproken over het gevaar van burgerlijke ongehoorzaamheid. Doelend op het ‘wangedrag en de intimidatiepogingen van het publiek’ tijdens openbare vergaderingen van de Staten had hij gesteld dat deze toeschouwers vermoedelijk tot hun daden werden aangezet door bepaalde leden van de NPK-fractie om het werk van de op¬ positie in dit college te frustreren.64 Het gevolg hiervan was dat het parle¬ ment niet meer kon optreden als spreekbuis van het totale Surinaamse volk en dat het volk mogelijk buitenparlementaire wegen zou gaan zoe¬ ken om zijn stem te laten horen. Het was niet ondenkbaar dat personen onder die omstandigheden de wet aan hun laars gingen lappen ‘waardoor ons land in een gevaarlijke situatie van burgerlijke ongehoorzaamheid zal komen te verkeren. Dan mag men de vhp niets verwijten, want dan heeft zij de situatie niet meer in de hand.’ Lachmon riep iedereen op om bij te dragen aan het normaal functioneren van de Staten van Suriname. Al klonk dit laatste op zichzelf redelijk, het betoog dat eraan voorafging, liet toch vooral de smaak van stemmingmakerij achter.65 In de Staten herhaalde Lachmon dat een referendum over de onaf¬ hankelijkheid voor zijn partij een must was en dat in zijn achterban vrees bestond voor roof, brandstichting en broedertwist als de onafhankelijk-

146

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

heid eenmaal een feit zou zijn.66 Volgens de VHP-leider bewees het kabinetArron met zijn onafhankelijkheidsverklaring in de eerste plaats Neder¬ land een dienst. Het was Nederland dat af wilde van Suriname, omdat het Statuut op enkele punten knelde (in het bijzonder artikel 43) en omdat Den Haag de migratie van Surinamers naar Nederland een halt wilde toe¬ roepen.67 Lachmon verklaarde geen tegenstander van onafhankelijkheid te zijn, maar achtte een voorbereidingstijd van acht tot tien jaar een realis¬ tische termijn. Verontwaardigd reageerde hij op de herziene samenstel¬ ling van de Surinaamse sectie van de Koninkrijkscommissie. De gehan¬ teerde verdeelsleutel (elf plaatsen voor de coalitie en vijf voor de oppositie) deed volgens hem geen recht aan de parlementaire verhoudingen en ook het ontbreken van een lid van de oppositie in het secretariaat van de sectie achtte hij laakbaar. Volgens de VHP-leider wilde het kabinet-Arron met deze maatregel zijn macht tonen.68 In een lezing voor de Surinaamse vereniging Justitia Pietas Fides in Willemstad, waar hij besprekingen had gevoerd met de Antilliaanse pre¬ mier Evertsz ter voorbereiding van de Koninkrijkstopconferentie in mei in Den Haag, beet Arron fel van zich af: ‘Wij zijn geen grollen- of grappen¬ makers. Wij zijn geen avonturiers, uit op persoonlijke verheerlijking. Wij zijn geen machtswellustelingen. Wij zijn de eerste en wettige Surinaam¬ se regering, die bestaat uit een samenbundeling van ex-oppositiepartijen voor wie de onafhankelijkheid van Suriname niets minder betekent dan “to be or not to be” en laat niemand u iets anders proberen wijs te maken.’ Arron verklaarde dat het Surinaamse volk een onafhankelijk volk wilde zijn en dat deze bewustwording het resultaat was van een jarenlange groei en evolutie van de politieke partijen die thans in Suriname de regering vormden. Arron verweet de huidige oppositie nog altijd niet over haar verkiezingsnederlaag heen te zijn en hekelde Lachmons verzet tegen de onafhankelijkheid: ‘Met treurzangen en paniek zaaien of wereldreizen Paramaribo-Willemstad-Den Haag bouwt men geen land op.’ Naar zijn oordeel was het een schande dat een politiek leider als Lachmon Neder¬ lander wilde blijven en geen Surinamer wenste te worden.69 Het verzet van Lachmon tegen de staatkundige ambities van het kabi¬ net-Arron hield nauw verband met de positie van de bevolkingsgroep die hij als politiek leider vertegenwoordigde. Zijn missie was het inhalen van achterstanden die Hindostanen hadden op Creolen. Zolang deze niet wa¬ ren ingelopen, meende Lachmon de beschermende hand van Nederland nodig te hebben. In demografisch en economisch opzicht hadden Hindo¬ stanen in de achterliggende decennia een inhaalslag gemaakt. Getals¬ matig waren zij in de jaren zestig de Creolen voorbijgestreefd70 en in de

147

landbouw en de handel bezaten zij sleutelposities die duidelijk maakten dat zij over aanzienlijke economische macht beschikten. Ook in de vrije beroepen groeide hun aandeel snel. Voor Creolen lag de mogelijkheid dat Hindostanen daarnaast politiek langszij zouden komen gevoelig. Het zou het einde van hun bevoorrechte positie in het landsbestuur betekenen. Maar zover was het nog niet. Vooralsnog voelden Hindostanen zich op politiek terrein slecht opgewassen tegen de Creolen, die in Paramaribo numeriek nog altijd het sterkst waren, over meer kennis en ervaring be¬ schikten als politici en bestuurders, en in de ogen van veel Hindostanen vastbesloten leken de overheidssector als hun domein te blijven verdedi¬ gen.71 Het inlopen van de achterstand van de Hindostanen bracht Lachmon zelf nooit met zo veel woorden als motief voor zijn verzetshouding naar voren. Officieel stelde hij zich op het standpunt dat de verhoudingen tus¬ sen de verschillende bevolkingsgroepen nog niet van dien aard waren dat zij in een onafhankelijk Suriname als broeders en zusters met elkaar zou¬ den kunnen samenleven. Bovendien meende hij dat de politiek-bestuurlijke en sociaal-economische ontwikkeling van Suriname nog onvoldoen¬ de ver gevorderd was om staatkundige onafhankelijkheid in ernst als ideaal te kunnen nastreven. Economische zelfstandigheid diende vol¬ gens Lachmon aan staatkundige onafhankelijkheid vooraf te gaan. De te¬ genwerping van waarnemers dat dit standpunt welbeschouwd naar een kip-eidiscussie neigde en door de vhp alleen maar als voorwendsel werd gebruikt om de onafhankelijkheid op de lange baan te kunnen schuiven, weerhield de VHP-voorman er niet van om er in de aanloop naar de soeve¬ reiniteitsoverdracht op te blijven insisteren.72 Los van deze verschillen van inzicht over de onafhankelijkheid speel¬ den politieke rivaliteit en persoonlijke tegenstellingen in de ontstane controverse een grote rol. In dit verband mag niet onvermeld blijven dat Lachmon, twintig jaar ouder dan Arron, erg aan zijn jeugdige tegenvoe¬ ter moest wennen. Arron: ‘Het leeftijdsverschil tussen Lachmon en mij is vrij groot. [... ] Ook zijn jaren in de politiek waren niet met die van mij te vergelijken. Lachmon was gewend aan Pengel en werd nu plotseling ge¬ confronteerd met een jonge vent van 37 jaar, niet alleen naast zich, maar ook tegenover zich. Lachmon heeft het moeilijk gehad mij te accepteren als zijn gelijke. Met wie moest hij gaan praten? Pengel was er niet meer. Deze situatie heeft zich tussen 1975 en 1980 niet hersteld. De acceptatie van mij door Lachmon voor de volle honderd procent was niet aanwezig.’73 Achteraf is wel opgemerkt dat de coalitie al in een vroeg stadium de oppositie bij de voorbereidingen tot de onafhankelijkheid had moeten

148

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

betrekken. De

pnr

wordt verweten de

vhp

tegen elke prijs buiten deze

voorbereidingen te hebben willen houden. Op haar beurt zou de

nps

de

onafhankelijkheid te zeer als een partijaangelegenheid, als een Creools project, hebben beschouwd, en zich regelmatig aan opzichtig machtsver¬ toon en triomfalisme te buiten zijn gegaan. De juistheid van deze opmer¬ kingen kan moeilijk worden ontkend. De coalitie presenteerde de onaf¬ hankelijkheid bij voorkeur als een voldongen feit en NPKers zochten nauwelijks toenadering tot politieke tegenstanders om via de kracht van argumenten hun bezorgdheid weg te nemen, hun vertrouwen te winnen en het spook van etnische overheersing onschadelijk te maken. Tegelijk gaan deze constateringen te gemakkelijk voorbij aan de be¬ staande politieke cultuur, die zich kenmerkte door een scherp antagonis¬ me tussen coalitie en oppositie. Dit vertaalde zich na de verkiezingen van 1973

vooral in een verbitterde opstelling van de vhp, die de coalitie geen

successen gunde en erop gebrand was de staatkundige verhoudingen met Nederland te bestendigen. Deze wrokkige houding nodigde niet uit om gezamenlijk naar de soevereiniteitsoverdracht toe te werken. Sterker, deel¬ name van de

vhp

aan dit proces zou de frustratie en zeer waarschijnlijk

de beëindiging van het onafhankelijkheidsproject hebben betekend. De coalitie was om die reden op haar hoede voor interventies van de zijde van de oppositie en vastbesloten de regie over het onafhankelijkheidsproces niet uit handen te geven.74 Al ging veel over de hoofden van individuele burgers heen en namen dagelijkse beslommeringen hen meer in beslag dan de verwikkelingen in de Staten van Suriname, uitspraken van politici over de aankomende soe¬ vereiniteitsoverdracht werden met meer dan normale belangstelling ge¬ volgd en sentimenten die bepaalde politici bespeelden hadden een merk¬ baar effect op hun gemoedsrust en toekomstbeeld. Het vooruitzicht los te raken van Nederland en de beschutting van de koninkrijksparaplu te verliezen, zou zich vooral vertalen in een snel aanzwellende migratie richting ‘het paradijs overzee’. VOORBEREIDINGEN RICHTING DE ONAFHANKELIJKHEID

De start van de onderhandelingen tussen de Koninkrijkspartners over de onafhankelijkheid van Suriname vond op 18 mei 1974 plaats in Den Haag. Na afloop van een driedaagse regeringsconferentie ondertekenden de premiers Arron, Den Uyl en Evertsz op 21 mei namens Suriname, Neder¬ land en de Nederlandse Antillen een protocol. In dit document legden zij vast dat het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden voor Suriname zou worden beëindigd via een rijkswet, die volgens artikel 55 van het

149

Statuut door de parlementen van de drie landen zou moeten worden aan¬ genomen.75 De Koninkrijkscommissie kreeg de opdracht haar eindrapport ten aanzien van Suriname vóór 1 november uit te brengen en concreet te adviseren over onder andere de nationaliteitenregeling en de institutio¬ nalisering van de ontwikkelingssamenwerking met Nederland. Er werd een gemengd Surinaams-Nederlandse commissie van deskundigen onder voorzitterschap van H.E. Rijsdijk ingesteld, die zich verplichtte een rap¬ port op te stellen dat als grondslag zou kunnen dienen voor een integraal ontwikkelingsplan voor Suriname.76 Voorts werd afgesproken dat de re¬ geringen van Suriname en Nederland in bilateraal verband overleg zouden plegen over de associatie van Suriname met de Europese Economische Gemeenschap (eeg), de grenskwesties waarin Suriname verwikkeld was en de organisatie in Suriname van een eigen ministerie van Buitenlandse Zaken, een eigen buitenlandse dienst en een eigen defensie. Tevens kwa¬ men beide landen overeen zich te zullen buigen over de migratie van Surinamers naar Nederland en over mogelijkheden om de remigratie rich¬ ting Suriname te bevorderen.77 Voor Arron betekende de ondertekening van het Haagse protocol een moment van grote voldoening. Het proces om Suriname onafhankelijk te laten worden, was officieel van start gegaan en de medewerking van Nederland en de Nederlandse Antillen was verzekerd om de voorberei¬ dingen binnen de door Suriname gestelde termijn te laten plaatsvinden. Arron was vooral ingenomen met een passage in het protocol waarin Nederland erkende dat het ook na de onafhankelijkheid van Suriname een bijzondere verantwoordelijkheid behield voor de ontwikkeling van het land. Den Haag aanvaardde dat daaruit consequenties voortvloeiden voor de aard en de omvang van de samenwerking met Suriname. Tegelijk was de ondertekening van het protocol voor Arron een emotioneel mo¬ ment. Tegenover de in Nederland gevestigde Surinaamse journalist Benny Ooft wond hij er geen doekjes om: Als regeringsleider voel ik me verlicht. Het is namelijk zo dat voor elk volk dat zichzelf respekteert [er] een moment komt dat het zegt: Ik wil onafhankelijk zijn, ik wil me vrij voelen.’78 Aansluitend sprak Arron op 25 mei in het Amsterdamse Marcanti een menigte Surinamers over de naderende onafhankelijkheid toe. Hij benutte deze gelegenheid om erop te wijzen dat degenen die na de onaf¬ hankelijkheid naar Suriname wilden terugkeren, welkom waren, maar dat zij realistische verwachtingen dienden te hebben van hun mogelijk¬ heden. In termen van welvaart liet Suriname zich nu eenmaal niet met Nederland vergelijken. Daar stond volgens Arron echter tegenover dat

150

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

het onzeker was of er in Europa sprake zou zijn van blijvende welvaart. Bovendien was het welbevinden van de Surinamer naar zijn oordeel na¬ drukkelijk gekoppeld aan Suriname: ‘Mijn filosofie is - en ik ga het kei¬ hard stellen - u hoort hier niet thuis. U hoort in Suriname thuis. Dat is het punt. [... ] Wij hebben het Surinaamse volk één ding beloofd; dat wij samen zullen werken aan een duidelijk maatschappelijk evenwicht tus¬ sen de leden van de Surinaamse natie en ik roep u [... ] dan ook op aan die zelfstandige natie te komen werken. De problemen, kondreman, zullen niet van de ene op de andere dag kunnen worden opgelost. Dat is een gods¬ onmogelijke zaak. Maar wanneer wij gezamenlijk de handen in elkaar slaan en gezamenlijk gaan arbeiden aan dat opbouwwerk in Suriname, dan ben ik ervan overtuigd dat u zult kunnen leven in een land, dat niet alleen leefbaar is, maar [...] waarin u zich gelukkiger voelt, want u voelt zich niet gelukkig in Nederland.’79 Over de redevoering van Arron in Marcanti is wel gezegd dat deze bij de Surinaamse gemeenschap in Nederland verwachtingen schiep die de regering in Paramaribo op geen enkele manier kon waarmaken. Daar kan tegenin worden gebracht dat dit voor een belangrijk deel wijsheid achter¬ af is. Het remigratiebeleid, voor zover dit al van de grond kwam, zou in¬ derdaad teleurstellend weinig opleveren, maar de effecten ervan konden op dat moment moeilijk worden ingeschat. Wie de toespraak bovendien in zijn geheel bestudeert, ziet dat de auteur in allerlei passages tegen¬ wicht biedt aan een al te rooskleurige kijk op zijn land. Arron toverde zijn toehoorders geen Surinaams paradijs voor ogen, maar plaatste hen met beide benen op de grond. Wie nog verder kijkt, ziet dat de redevoering niet los kan worden gezien van Arrons persoonlijke geschiedenis. Het immateriële ideaal dat hij in zijn toespraak centraal stelde, reflecteerde de levensloop van de jonge Arron, die in 1959 Nederland weer voor zijn moederland verruilde, omdat hij vond dat hij daar thuishoorde. De goede verstandhouding tussen Arron en Den Uyl had belangrijk bijgedragen aan het welslagen van de besprekingen in mei. Arron: Ik ont¬ moette Den Uyl voor het eerst in 1972. Zijn partijgenoot Theo van Lier had die afspraak voor mij gemaakt. Van Lier had ik leren kennen als leider van de Nederlandse Tweede Kamerdelegatie, met wie we in het kader van het parle¬ mentair contactplan besprekingen hadden gevoerd. Mijn kennismaking met Den Uyl bestond uit een kort oriënterend gesprek, dat plaatsvond in zijn werk¬ kamer in het gebouw van de Tweede Kamer. De joviale Joop, met zijn sigaar. Dat beeld staat in mijn geheugen gegrift. Het gesprek leerde mij dat ik in mijn streven naar onafhankelijkheid in Joop den Uyl geen tegenstander zou vinden. Natuurlijk had ik dit ook al kunnen afleiden uit Keerpunt ’72, maar ik hecht nu

151

eenmaal veel waarde aan persoonlijke contacten, aan het leren kennen van mensen in de informele sfeer. De onderhandelingstafel leert mij niets. Dat is ook in de loop van de besprekingen over de onafhankelijkheid gebleken. De momenten dat delegatieleden zich in kleine kring terugtrokken, bijvoorbeeld om te lunchen of om een glas te drinken, waren vaak van cruciaal belang. Den Uyl, maar ook De Gaay Fortman, had hier een goed gevoel voor. Het was voor¬ al door hun opstelling, dat ik steeds weer tot de conclusie kwam: ja, met deze mannen wil ik zaken doen. Gewoon, dat gevoel had ik. En hoe vaak moet je ge¬ voel je niet op het juiste spoor zetten? Politiek is niet alleen ratio. Vooruitlopend op de formele onderhandelingen tussen de regerin¬ gen had Den Uyl van 20 tot 26 februari 1974 een bezoek aan Suriname ge¬ bracht. Het was voor Den Uyl de eerste keer dat hij Suriname aandeed. De besprekingen die hij met Arron en leden van zijn kabinet, maar ook met de oppositie en andere groepen uit de Surinaamse samenleving voer¬ de, hadden deels een oriënterend, deels een voorbereidend karakter.80 Arron: Ons gesprek werd soepel weer opgepakt. Het verliep zo amicaal, zo gemoedelijk. Den Uyl wist je volkomen op je gemak te stellen. Het leeftijdsver¬ schil tussen ons heeft hij nooit een rol laten spelen, althans, mij is dat nooit ge¬ bleken. Hij liet ook nooit merken van: nou jongeman, ik kon je vader zijn. Had hij dat gedaan, dan zou ik, mijzelf kennende, echt een heel andere figuur zijn geweest. Maar het belangrijkste vond en vind ik nog steeds: hij was minister¬ president van het grote land Nederland, ik was minister-president van het kleine land Suriname, maar hij buitte dat verschil nooit uit. Daarom heb ik al¬ tijd een aparte waardering voor Den Uyl gehad, ondanks onze gevechtjes, die er natuurlijk ook zijn geweest. De belangrijkste oorzaak van Arrons ingenomenheid met Den Uyl was politiek van aard. Er bestond geen verschil van mening tussen beide regeringsleiders over de realisering van de onafhankelijkheid. Zij zetten zich in voor een identiek doel en hadden geen reden om van de ingesla¬ gen koers af te wijken. Beiden meenden bovendien bezig te zijn met het vervullen van een historische opdracht en waren gevoelig voor de eer die zij konden inleggen met het welslagen van hun missie. Toch zou het on¬ juist zijn om geen betekenis toe te kennen aan het gegeven dat Den Uyl een prettige ambiance wist te creëren en de kunst verstond om steeds de juiste toon te treffen. Onmiskenbaar bevorderde deze aanpak het vertrou¬ wen tussen de twee regeringsleiders en had dit een positieve weerslag op het verloop van de onderhandelingen. Den Uyl was zich als minister-pre¬ sident mogelijk nog meer bewust van de noodzaak van een opbouwende onderhandelingssfeer dan de Nederlandse ministers die na hem het meest intensief bij het Suriname-dossier betrokken waren: de onverstoorbare

152

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

en vaderlijke Wilhelm de Gaay Fortman (minister van Binnenlandse Zaken) en de doortastende en ethisch gedreven Jan Pronk (minister van Ontwikkelingssamenwerking). Met beide politici zou Arron naar eigen zeggen pas in de loop van 1974 kennismaken.81 Hoewel zijn contacten met beide ministers soepel verliepen, lagen de twee mannen hem persoonlijk minder dan Den Uyl.82 Dat Arron en Den Uyl elkaar goed aanvoelden, had mede te maken met politieke opvattingen en voorkeuren die zij deelden. Beiden huldig¬ den, ieder op hun eigen wijze, de beginselen van de sociaaldemocratie en toonden zich gepassioneerde voorvechters van hun idealen. Om hun doeleinden te verwezenlijken, grepen zij terug op het polarisatiemodel, gebruikmakend van de flair en het raffinement die hun eigen waren. Op¬ vallend waren ook de overeenkomsten in carrièreverloop tussen de twee. Als doorbraakpolitici voorzagen zij hun partij van een nieuw elan en ge¬ durende de periode van hun leiderschap vierden zij grote triomfen, maar incasseerden zij ook bittere teleurstellingen. Buiten de politiek hielden beide mannen er een eenvoudige en ongedwongen levensstijl op na. Na¬ tuurlijk waren er ook verschillen. Den Uyls academische vorming en bre¬ de intellectuele belangstelling lieten zich moeilijk vergelijken met Arrons pragmatische en meer op de volksmassa gerichte politiekvoering.83 Den Uyl had tijdens het topoverleg in mei te kennen gegeven wel re¬ kening te willen houden met de mening van de oppositie en ook wel met haar te willen praten, maar alleen te willen onderhandelen met de Suri¬ naamse regering. Formeel was er weinig aan te merken op dit uitgangs¬ punt, dat andere Nederlandse bewindslieden hem nog veelvuldig zouden nazeggen. De Nederlandse minister-president wilde duidelijk maken dat hij zich niet wilde mengen in de binnenlandse aangelegenheden van Suriname, ook niet waar deze betrekking hadden op de onafhankelijkheidskwestie. Voor Arron was de houding van Den Uyl een opsteker, maar Lachmon vatte de uitspraak op als een doelbewuste tactiek van Nederland om, net als de Surinaamse regering, de oppositie zoveel mogelijk buiten te sluiten en te negeren. Hierdoor sterkte de Nederlandse opstelling on¬ bedoeld de VHP in de overtuiging dat zij zich met alle haar ter beschikking staande middelen tegen de onafhankelijkheid diende te verzetten.84 Pogingen van VHP-prominent Alwin Mungra om Bruma af te schilde¬ ren als de sterke man in de NPK-regering en Arron als de uitvoerder van diens onafhankelijkheidsproject waren volgens de Nederlandse en Suri¬ naamse publieke opinie echter weinig overtuigend. In navolging van zijn minister-president ontkende Bruma de onafhankelijkheid aan Arron te hebben opgedrongen en bestempelde hij de strategie van de

vhp

als een

153

doorzichtige poging om een wig te drijven tussen de coalitiepartners. Ook vicepremier Van Genderen weigerde zich te laten provoceren. Naar zijn zeggen waren er geen Bruma-projecten, alleen NPK-projecten en ging de coalitie nuchter en planmatig te werk zonder zich iets gelegen te laten liggen aan personen die tweedracht wilden zaaien.85 Bij de viering van het 25-jarig jubileum van Lachmon als lid van de Staten van Suriname, op 10 juni 1974, liet de nestor van de Surinaamse politiek weten dat de datum van de onafhankelij kheid voor hem niet meer ter discussie stond, maar dat het scheppen van waarborgen voor een ver¬ antwoorde soevereiniteitsoverdracht voor hem de hoogste prioriteit had. Hij verklaarde dat de vh p bereid was met de regering samen te werken om deze waarborgen tot stand te brengen.86 Hoewel Lachmon daarmee sug¬ gereerde dat hij zijn onverzettelijke houding opgaf, bleek al snel dat een belangrijk deel van zijn achterban weigerde hem hierin te volgen. Groe¬ pen Hindostanen grepen een bezoek van minister Pronk aan Suriname, van 16 tot 20 juni, aan om de bewindsman op Zanderij met luide protesten te verwelkomen. Een vergadering van Pronk met de Surinaamse minister¬ raad op het ministerie van Algemene Zaken werd door militante jonge¬ ren verstoord, waarbij een ruit van het departementsgebouw sneuvelde. Er werden spandoeken meegedragen waarop te lezen viel dat Suriname in tweeën zou moeten worden gedeeld: een onafhankelijk Creools deel en een Hindostaans deel onder de paraplu van het Koninkrijk. Met hun leuzen probeerden de betogers een bestaand, maar moeilijk serieus te nemen idee, in 1970 door wijlen Sew Radhakishun gelanceerd, nieuw le¬ ven in te blazen. De demonstranten, verenigd in een Nationaal Comité Suriname met Alwin Mungra als woordvoerder, overhandigden een peti¬ tie aan de regering van het Koninkrijk der Nederlanden. Hierin riepen zij Den Haag op de ingeslagen weg richting de onafhankelijkheid te verlaten, opdat de tegenstellingen tussen de bevolkingsgroepen niet verder zou¬ den worden verscherpt.87 Pronk, voor het eerst op bezoek in Suriname en besprekingen voe¬ rend over de toekomstige ontwikkelingssamenwerking met Nederland, liet weten ingenomen te zijn met de opstelling van Lachmon, wiens voor¬ naamste zorg het nu was de regering te bewegen bepaalde garanties te bieden. De minister tekende hierbij aan dat deze garanties dan wel ge¬ specificeerd dienden te worden en verzekerde journalisten ervan dat Nederland nooit waarborgen zou geven voor de binnenlandse situatie in Suriname. Volgens hem opereerde de Surinaamse regering in haar stre¬ ven naar onafhankelijkheid niet alleen binnen wettige kaders, maar ook vanuit een nationale opstelling. Eventuele protesten van de oppositie bij

154

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

internationale organisaties zouden naar zijn zeggen geen invloed hebben op de onderhandelingen tussen Suriname en Nederland. Personen die openlijk zinspeelden op raciale onlusten die konden uitbreken, speelden naar het oordeel van Pronk met vuur. Ten slotte verwierp de minister plan¬ nen voor een territoriale opdeling van Suriname. Het zetten van een der¬ gelijke stap zou het land volgens hem economisch te gronde richten.88 Hoewel Lachmon zich officieel distantieerde van strijdlustige partij¬ genoten die de straat op waren gegaan in protest tegen Pronk, werd alge¬ meen aangenomen dat hij de jongeren hun gang liet gaan om het heersen¬ de onbehagen over de onafhankelijkheid van een uitlaatklep te voorzien. De betrokkenheid van zijn rechterhand Mungra was bedoeld om het verzetsvuur brandende te houden, maar ook om uitingen van opstandigheid en agressie zo goed mogelijk te kanaliseren.89 De VHP-leider luisterde in zoverre naar de bezwaren van de jongeren, dat hij instemde met het te¬ rugtrekken van alle VHPers uit de commissies die begin juni door Arron waren ingesteld om de onafhankelijkheid voor te bereiden. Het ging om werkgroepen op het gebied van economie, staatsrecht, volkenrecht, cul¬ tuur, educatie en sociale aangelegenheden. De commissies kenden een brede, apolitieke samenstelling waarmee de regering de samenleving nauwer bij de onafhankelijkheid wenste te betrekken.90 Ook kondigde Lachmon aan dat de

vhp

vergaderingen van de Koninkrijkscommissie

zou boycotten zolang de regering het verzoek van de partij om hierin pro¬ portioneel bedeeld te worden, niet zou honoreren. Om zichzelf kenne¬ lijk niet helemaal buiten spel te zetten, zou hij echter alweer snel op dit voornemen terugkomen, overigens zonder dat de regering met een uit¬ breiding van het aantal VHP-zetels in de Koninkrijkscommissie akkoord was gegaan.91 In een persoonlijk schrijven aan minister De Gaay Fortman liet Lachmon weten dat een klein en hoofdzakelijk jeugdig deel van zijn ach¬ terban nog altijd fel gekant was tegen zijn politiek van toenadering. Deze opposanten stelden zich op het standpunt dat de vhp zich niet mocht la¬ ten vernederen. Lachmon verklaarde in die opvatting te kunnen mee¬ gaan. Hij beklaagde zich erover dat de coalitie in het geheel niet op zijn toenaderingspoging had gereageerd, dat een interview met hem voor de stvs

op het laatste moment in opdracht van de regering van het scherm

was geweerd en dat prominente VHP’ers van de ene op de andere dag uit hun functie waren ontheven of naar een minder vooraanstaande functie waren overgeplaatst. Volgens Lachmon trachtte Statenvoorzitter Wijn¬ tuin zoveel mogelijk als bruggenbouwer op te treden, maar werd hij hier¬ in door zijn coalitiegenoten tegengewerkt.92

155

Daargelaten of de bejegening die de oppositie ten deel viel noemens¬ waardig verschilde van de behandeling waarmee oppositiepartijen in Suriname in de regel geconfronteerd worden, was de regering inderdaad vastbesloten de onafhankelijkheidskaart met verve uit te spelen. In zijn toespraak op de Dag der Vrijheden op 1 juli stond minister-president Arron lang stil bij de naderende onafhankelijkheid, volgens hem het eindpunt van een lange weg, maar ook het begin van ‘het nieuwe Suriname, waarin wij als volk eindelijk vrij zullen zijn om, het lot in eigen handen nemend, de weg te gaan ter verwezenlijking van onze gemeenschappelijke idealen. Dit [... ] is de ware vrijheid, die vele, met Suriname vergelijkbare landen al jaren geleden als een natuurlijke ontwikkeling ten deel is gevallen. Drie eeuwen van kolonialisme zijn er de oorzaak van dat wij internationaal geen gezicht hebben in de wereld, ja zelfs in grote delen daarvan volsla¬ gen onbekend zijn en, voor zover wij wel enige bekendheid genieten, niet voor vol worden aangezien. Daarom zullen wij de toekomst onbe¬ vangen en onbevreesd tegemoet gaan, in het volle besef, dat de diepe spo¬ ren die sinds de slavernij in de geschiedenis van Suriname zijn getrokken, voor altijd zullen worden uitgewist.’93 Arron verklaarde dat Surinamers zich sinds de aankondiging van de onafhankelijkheid in een versneld tempo bewust werden van hun plicht het land gezamenlijk op te bouwen: ‘Is dit besef vandaag bij sommigen van u onverhoopt nog niet of niet volledig doorgedrongen? Ik roep u dan op uw vooroordeel, uw door anderen opgewekte vrees en wat er ook de oorzaak van moge zijn, dat u tegen de onafhankelijkheid opziet als tegen een onoverkomelijke berg, te laten varen en met vertrouwen de toekomst tegemoet te gaan. Misverstanden leiden tot scheidingen en scheuringen. Ik zal daarom mijn uiterste best doen degenen die elkaar verkeerd begrij¬ pen weer samen te brengen, opdat het gehele volk verenigd de weg naar zelfstandigheid zal bewandelen. Elk van ons heeft de plicht op zoek te gaan naar wat ons nader tot elkaar brengt. Wij zullen ontegenzeggelijk met teleurstellingen worden geconfronteerd, maar deze zullen geen re¬ den mogen zijn de moed op te geven. Wij zullen moeten worden voortge¬ dreven door het geloof in eigen kracht en die kracht zal in onze eenheid liggen.’94 Bij het nieuwe Suriname hoorde volgens Arron een nieuwe Surina¬ mer: ‘Wij zullen bezield moeten worden door een nieuwe geest en wij zullen ons geestelijk los moeten maken van het verleden. De nieuwe Surinamer zal zich niet mogen laten leiden door eigen belang of door ma¬ terialistische overwegingen. Hij zal zich niet mogen laten leiden door hebzucht, om meer te bezitten dan hij nodig heeft. De nieuwe Surinamer

156

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

zal zich moeten laten leiden door idealisme, rechtvaardigheid en sociale verantwoordelijkheid. Wij zullen een groot geloof in de toekomst van ons land aan de dag moeten leggen, omdat onze welvaart met eigen handen zal moeten worden opgebouwd.’95 De oproep tot geloof in de nieuwe Surinamer, die in de regeringsver¬ klaring in het vooruitzicht was gesteld en die ruwweg gemodelleerd was naar de doctrine van de nieuwe mens op Cuba, viel bij de oppositie als zaad op een stenen bodem. ‘Het bedrogen en misleide volk van Suriname gaat op krukken naar de onafhankelijkheid,’ beklemtoonde het Statenlid Dasiman.96 Lachmon voelde zich door de regering in de steek gelaten. De broederhand, die hij in juni had uitgestoken, was door de NPK-top nog al¬ tijd niet aanvaard. De oppositieleider pleitte voor het aannemen van een nieuwe grondwet vóór de beëindiging van het Statuut, het introduceren van een dubbele nationaliteit en het organiseren van een referendum. Hij laakte de afstandelijke opstelling van de Nederlandse regering ten aan¬ zien van deze kwesties.97 De onafhankelijkheidsdiscussie nam een wending toen op 2 septem¬ ber drie leden van de NPK-fractie in de Staten demonstratief wegbleven bij het voorlezen van de rede door gouverneur Ferrier bij de opening van het nieuwe parlementaire jaar. Zij wilden hiermee protesteren tegen het economisch beleid van de regering.98 De kritiek van de NPs’ers Vriesde, Lee Kong Fong en Somohardjo richtte zich in het bijzonder op minister Bruma, die zij verantwoordelijk hielden voor de schaarste aan primaire levensbehoeften als gevolg van distributieproblemen en strakke prijsaf¬ spraken met handelaren en winkeliers.99 Het drietal verweet Bruma daar¬ naast zijn verzet tegen het formeren van een nationaal kabinet. Een her¬ nieuwde samenwerking tussen de

nps

en de

vhp zou

naar hun zeggen

belangrijk aan een normalisering van de politieke verhoudingen in het land kunnen bijdragen. Zij verzwegen dat met het aantreden van een der¬ gelijke combinatie de onafhankelijkheid op de lange baan zou worden ge¬ schoven. Dat de

nps

- Arron voorop - en de

pnr

hier niet aan wensten

mee te werken, kwam dan ook niet als een verrassing.100 Arron lichtte toe dat de kiezers in 1973 duidelijk voor de

npk

hadden

gekozen en dat hij niet de geschiedenis wilde ingaan als een verrader. Hij kondigde aan om die reden de formatie van een nationaal kabinet elke steun te zullen onthouden. De VHP’er Mungra repliceerde dat Arron geen feiten onder het tapijt moest vegen. Tegenover zijn partijgenoten had hij al verraad gepleegd. Mungra bracht de NPS-partijraadsvergadering van 23 april 1972 in herinnering, waar Arron ‘plotsklaps’ zijn standpunt over de brede basis had herzien. Het oprakelen van deze kwestie paste in de

157

oppositiestrategie van Mungra om man en paard te noemen en de

nps

op

een gevoelige plek te raken. Om een heropening van de discussie over de brede basis in de partij voor te blijven, nam de partijraad van de

nps

op

20 oktober twee moties aan, waarin respectievelijk groot vertrouwen werd uitgesproken in het beleid van het kabinet-Arron en waarin het hoofdbestuur werd gemachtigd bestuursverkiezingen uit te stellen tot niet later dan zes maanden na de onafhankelijkheid.101 Het rapport van de Koninkrijkscommissie werd in oktober voltooid en in november aan de Surinaamse pers gepresenteerd. Voor de Surinaamse en de Nederlandse regering vormde het advies een deugdelijke basis voor het vervolgen van de onderhandelingen die in mei van start waren gegaan. De oppositie had minderheidsnota’s in het rapport laten opnemen be¬ treffende het nationaliteitenvraagstuk (zij pleitte voor een dubbele nati¬ onaliteit voor alle Surinamers), de menselijke rechten en vrijheden (zij betoonde zich voorstander van het in het leven roepen van een interna¬ tionale rechterlijke instantie ter bescherming van de menselijke rechten en vrijheden), de grondwet (zij stond op het aannemen van een nieuwe grondwet vóór de beëindiging van het Statuut uit vrees voor het ontstaan van een machtsvacuüm en het vooruitzicht van een ‘NPK-dictatuur’) en de ontwikkelingsraad (zij wenste opheldering over de uitgangspunten van de beoogde raad, de latere Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname,

cons).

Het waren in het bijzonder de standpunten met

betrekking tot de nationaliteitenkwestie en de grondwet waarvoor de op¬ positie tijdens de aanbieding van het document de aandacht vroeg.102 Kort voor het gereedkomen van het rapport hadden Arron en Den Uyl het belang onderkend van een beteugeling van de migratie van Surinamers richting Nederland. Zij besloten in Den Haag tot het versnel¬ len van de sociaal-economische hulp aan Suriname. Nederland zegde toe extra middelen beschikbaar te zullen stellen voor de bouw van volkswonin¬ gen en voor het opzetten van een algemene ziektekostenverzekering.103 Tegenover een Nederlandse journalist herhaalde Arron dat Surinamers zich na de soevereiniteitsoverdracht vele opofferingen zouden moeten getroosten: ‘Het gaat niet zo zijn, dat de gebraden haantjes door de lucht vliegen [en] in je mond terechtkomen, zodat je alleen maar hoeft te slik¬ ken. Het gaat hard werken worden.’104 Arron benadrukte dat Surinamers af moesten van het idee dat er altijd bij Nederland kon worden aange¬ klopt. Zij dienden ervan uit te gaan dat zij er straks alleen voor zouden staan bij de opbouw van hun land.105 Van de NPs’ers die op 2 september in de Staten ostentatief verstek hadden laten gaan, zou het lid Vriesde zich weer snel naar de partijdisci-

158

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

pline voegen, maar volhardden Somohardjo en Lee Kong Fong in hun af¬ wijkende opstelling. Bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken ging, nadat Lee Kong Fong het woord had gevoerd, Somohardjo op geheel eigen wijze de confrontatie met minister Bruma aan. Na diens (vijf uur durende) redevoering begon het flamboyante Statenlid - onder het volk vanwege zijn magere gestalte beter bekend onder de naam Back and Neck - zijn spreekbeurt met een schietgebed, waarna hij er zijn te¬ leurstelling over uitsprak dat hem geen tijd was gegund om de redevoe¬ ring van de minister met zijn achterban te bespreken. Met verwijzing naar de ‘oppermachtige positie’ van Bruma in het kabinet en diens verant¬ woordelijkheid voor het Centrum Inkoopbureau Suriname (cis)106 sprak Somohardjo er schande van dat de bewindsman het bestond om afge¬ keurde goederen ter verkoop aan de bevolking aan te bieden. Als het zo doorging met het ministerie van Economische Zaken, zo waarschuwde hij, dan stevende Suriname af op een dictatuur en was een burgeroorlog niet ondenkbaar: ‘Daar ik geen tweede Vietnam wil doen scheppen, geen chaos en dictatuur, zal ik de vergadering verlaten.’ Op voorstel van Arron werd de vergadering voor korte tijd geschorst. De NPK-fractie slaagde er echter niet in Somohardjo tot een meer meegaande opstelling te bewegen.107 Ook een extra partijraadsvergadering van de

nps

hielp niet om Somo¬

hardjo weer in het gareel te krijgen. Zijn verzet tegen Bruma liet het Statenlid in toenemende mate vergezeld gaan van het dreigement zijn achterban en masse naar Nederland te laten vertrekken. Naar zijn zeggen was de toekomst van de Javanen onder deze minister en met de onafhan¬ kelijkheid in het vooruitzicht te ongewis.108 Tijdens een persconferentie bestempelde Arron dit voornemen als absurd.109 Het dissidente Statenlid liet zich er echter niet van weerhouden om verdere actie te ondernemen. Hij moedigde aanhangers in Commewijne en Saramacca - districten waar concentraties Javanen woonachtig waren - in groten getale aan om paspoorten voor Nederland aan te vragen. Aansluitend organiseerde Somohardjo op 12 januari 1975 een massameeting in Paramaribo, waar Surinamers van Javaanse afkomst, behorende tot de

nps

en de

ktpi,

maar ook tot de oppositie, gezamenlijk in het geweer kwamen tegen, wat zij noemden, het negeren van de Javanen en de belijdenis van de islam en het veronachtzamen van de belangen van deze groep door de regering. In een pamflet, dat voor aanvang van de protestvergadering werd rondge¬ deeld, werd 1973 betiteld als het jaar van de belofte, 1974 als het jaar van het bedrog en 1975 als het jaar van het grote gevaar. Hoewel de geuite beschuldigingen sterk overtrokken waren en op het punt van de godsdienstvrijheid zelfs iedere grond ontbeerden, zat de

159

schrik er bij de

nps

en de

ktpi

goed in. KTPi-leider Soemita belegde die¬

zelfde zondag met collega-minister Soeperman en het Statenlid Amat een bijeenkomst in Commewijne, waar hij het beleid van de NPK-regering verdedigde en de eenheid van de Javanen bepleitte onder leiding van de

ktpi

. Voor partijvoorzitter Soemita waren het moeilijke tijden, aange¬

zien zijn vader, adviseur van de

ktpi,

openlijk de kant van Somohardjo

had gekozen en in de publiciteit het vader-zoonconflict over de onafhan¬ kelijkheid behendig uitspeelde.110 Propagandisten van de

nps

en de

ktpi

namen hun toevlucht tot felle antipropaganda via de radio. Op haar beurt gelastte de regering een justitieel onderzoek naar aanleiding van ver¬ meende racistische uitspraken gedaan door Somohardjo en Dasiman tij¬ dens hun propagandacampagne in de dagen voorafgaande aan de massa¬ meeting.111 Bij alle perikelen rond de soevereiniteitsoverdracht was er weinig aandacht voor een belangrijk financieel succes dat Arron wist te behalen. Dit betrof de aansluiting van Suriname bij de International Bauxite Association

(iba)

en de verhoogde inkomsten uit de leveranties van

bauxiet die het lidmaatschap voor Suriname tot gevolg had. De

iba,

die

in maart 1974 tijdens een internationale bauxietconferentie in Conakry (Guinee) was opgericht, beoogde een nauwe samenwerking tussen de aangesloten bauxietproducerende landen om deze in staat te stellen maxi¬ maal profijt te trekken van de exploitatie van hun bauxietvoorraden. De meeste lidstaten waren ontwikkelingslanden met een lage levensstan¬ daard en een hoge werkloosheid. Zij richtten zich op een vergroting van hun relatief geringe inkomsten om de opbouw van hun samenlevingen te versnellen en de welvaartskloof met de geïndustrialiseerde landen te ver¬ kleinen. Het hoofdkantoor van de

iba

werd in Jamaica gevestigd. De

Surinamer Henri Guda, directeur van de belastingdienst, werd gekozen tot eerste secretaris-generaal van de organisatie.112 In juli 1974 brachten de ministers Arron en Cambridge een bezoek aan Jamaica om zich op de hoogte te stellen van de wijze waarop de rege¬ ring van Michael Manley de inkomsten uit de bauxietproductie had we¬ ten te vergroten.113 Jamaica vervulde een leidende rol binnen de

iba,

bracht de iBA-beginselen het meest voortvarend in de praktijk en had op 15 mei 1974 een bauxietheffing (levy) geïntroduceerd.114 De uitwisseling van expertise in Kingston sterkte Arron in zijn opvatting dat op dit gebied ook Suriname actie diende te ondernemen. In de jaarrede, uitgesproken door gouverneur Ferrier, verklaarde de Surinaamse regering nieuwe af¬ spraken over de bauxietinkomsten te zullen maken met Billiton en de Suriname Aluminum Company (Suralco).115 De onderhandelingen met

160

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

deze maatschappijen werden door Arron en Cambridge persoonlijk ge¬ leid en resulteerden in afspraken over verhoogde inkomsten uit de leve¬ ranties van bauxiet door Suriname. De desbetreffende landsverordening werd op 28 december 1974 met algemene stemmen (29) door de Staten van Suriname goedgekeurd. Arron liet weten dat de substantiële meer¬ opbrengsten niet zouden worden aangewend voor het wegwerken van te¬ korten, maar ingezet zouden worden in het kader van de ontwikkeling van het land, vooral in de sociale en productieve sector.116 De

iba

zou zich verdienstelijk maken als platformorganisatie en be¬

langrijk blijken voor het uitwisselen van informatie en ideeën. Anders dan de Organization of the Petroleum Exporting Countries

(opec) zou

zij er echter nooit in slagen als een kartel te opereren en prijs- en belastingafspraken te maken. Daarvoor liet de eenheid binnen de organisatie te wensen over en gingen individuele leden (in het bijzonder de grootste producenten, Australië en Guinee) te zeer hun eigen gang. Daarbij wreek¬ te zich dat bauxiet geen homogeen product is, waardoor het producenten nauwelijks lukte om een uniform beleid te ontwikkelen. Ook de snelle opkomst van Brazilië (geen iBA-lid) als bauxietproducent zette de slag¬ vaardigheid van de organisatie onder druk. Voor Suriname betekenden de ‘meeropbrengsten natuurlijke hulpbronnen’ niettemin een verbete¬ ring van de financiële positie van de staat. In de periode 1974-1985 werd een bedrag van us$ 491,2 miljoen aan bauxietheffing ingeboekt. De ove¬ rige opbrengsten uit de bauxietsector in deze periode waren voor de staat minder dan de levy, te weten us$ 314 miljoen.117 Hoewel het belang van de aansluiting van Suriname bij de 1 ba wel de¬ gelijk werd onderkend, viel de belangstelling ervoor in het niet bij de aandacht voor de strijd om het politieke leiderschap van de Javanen waar¬ in Somohardjo en Soemita verwikkeld waren.118 Voor Arron was dit een bittere teleurstelling, want het was vooral op zijn instigatie geweest dat Somohardjo, voorzitter van het Indonesische presidium van de verkiesbare plaats op de kandidatenlijst van de

npk

nps,

een

in Paramaribo had

gekregen. Dat hij daarmee een paard van Troje binnenhaalde, had hij op dat moment niet kunnen vermoeden. De zaak was ernstig, aangezien Somohardjo er niet voor terugdeinsde de vhp te steunen als dit zijn posi¬ tie versterkte. Het kon geen toeval zijn dat Lachmon, twee dagen vóór de massameeting van 12 januari, bekendmaakte de door zijn partij sinds juni betrachte ‘lankmoedigheid’ te zullen laten varen. Hij kondigde aan via ‘acties’ binnen en buiten het parlement te zullen bevorderen dat de onaf¬ hankelijkheid met een maximum aan waarborgen zou worden omkleed. Dit keerpunt in de opstelling van Lachmon werd kracht bijgezet met

161

een massameeting die de

vhp

op 26 januari organiseerde. Bij die gele¬

genheid waarschuwde de partijvoorzitter dat als de regering, zoals in Oeganda onder Idi Amin, grote groepen ingezetenen als tweederangs¬ burgers zou blijven behandelen, de achterban er moeilijk van weerhouden kon worden de straat op te gaan. De resolutie die als uitvloeisel van deze bijeenkomst aan gouverneur Ferrier werd aangeboden, vertoonde een opvallende gelijkenis met de resolutie die veertien dagen hiervoor op ini¬ tiatief van Somohardjo was opgesteld. Uit beide teksten sprak afkeuring over de ‘hooghartige opstelling’ van de regering, die de onafhankelijkheid niet als een nationale maar als een NPK-aangelegenheid beschouwde en verzuimde de bevolking deelgenoot te maken van de regelingen die zou¬ den worden getroffen om de soevereiniteitsoverdracht in goede banen te leiden. Door de eenkennige opstelling van de regering verkeerde de bevol¬ king volgens de resolutieteksten in onzekerheid en vrees en nam de vlucht van Surinamers richting Nederland steeds grotere vormen aan.119 Voor het kabinet-Arron, dat al geruime tijd bezig was met het geven van voorlichting over de onafhankelijkheid120, was de kritiek een aanspo¬ ring om op de ingeslagen weg voort te gaan. Het bilaterale overleg tussen Suriname en Nederland, dat tussen 27 januari en 1 februari in Parama¬ ribo plaatsvond, leverde echter minder op dan gehoopt. Delegaties onder leiding van Van Genderen en De Gaay Fortman maakten principeafspraken over onder andere defensie en ontwikkelingssamenwerking, onder¬ werpen die gevoelig lagen, vooral in termen van financiering.121 De Surinaams-Nederlandse commissie van deskundigen publiceerde in diezelfde maand haar Programma voor de sociaal-economische ontwikkeling van Suriname, waarin de nadruk lag op de exploitatie van natuurlijke hulp¬ bronnen en de vaststelling van een aantal concentratiegebieden, waaron¬ der West-Suriname. De hand van Frank Essed bleek behalve uit de tekst van dit rapport ook uit de lijvige bijlage 1, getiteld De mobilisatie van het eigene, een begrip dat als synoniem voor self-reliance een gevleugelde uit¬ drukking zou worden tijdens de regeerperiode van Arron. Het Programma van de gemengde commissie van deskundigen zou de grondslag vormen voor de ontwikkelingssamenwerking met Nederland. Premier Arron onderbrak voor korte tijd het bilaterale overleg met Nederland om bekend te maken dat de regering een politiek ongebonden grondwetscommissie had ingesteld, bestaande uit juridisch deskundigen onder voorzitterschap van Ewald Karamat Ali. Deze commissie werd ge¬ acht eind mei een conceptgrondwet gereed te hebben. De premier liet er geen twijfel over bestaan dat Suriname bij de proclamatie van de onaf¬ hankelijkheid over een grondwet zou beschikken. Hij zegde toe dat deze

162

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

de grootst mogelijke waarborgen zou bevatten voor de eerbiediging van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden en een afspiegeling zou vormen van wat er in de Surinaamse gemeenschap leefde. Arron lichtte toe dat de regering voornemens was de grondwet in de Staten met een ge¬ wone meerderheid van stemmen te laten aannemen.122 In een televisietoespraak op 31 januari liet Arron, enigszins vooruit¬ lopend op de bevindingen van de grondwetscommissie, zijn licht schij¬ nen over de staatsrechtelijke contouren van het nieuwe Suriname. Hij gaf aan dat het land na de overdracht van de soevereiniteit een republiek zou zijn, met aan het hoofd een door het parlement gekozen president met ceremoniële bevoegdheden. Het parlementaire stelsel en de bijbehorende staatsrechtelijke structuren zouden gehandhaafd blijven, waardoor er voor burgers per saldo weinig zou veranderen. Arron legde uit dat de grond¬ wetscommissie met functionele groepen en organisaties zou praten over de verdere inhoud van de constitutie. Ook zou de Surinaamse gemeen¬ schap uitgenodigd worden ontwerpen in te dienen voor een nieuwe vlag en een nieuw wapen. De bestaande vlag, waarop vijf sterren waren afgebeeld verbonden door een ellips,123 voldeed niet aan de filosofie van een nationale staat. Over het wapen merkte Arron op dat het hierop afgebeelde zeilschip aan vervanging toe was, aangezien dit ónmogelijk kon wor¬ den beschouwd als een Surinaams element. De enige voorwaarde die de regering stelde aan het ontwerp voor een nieuw wapen was dat de indi¬ anen als eerste bewoners van Suriname hun plaats als schilddragers be¬ hielden en dat ook de wapenspreuk Justitia, Pietas, Fides (rechtvaardig¬ heid, vroomheid en trouw) gehandhaafd bleef. Arron besloot zijn toespraak met de mededeling dat Suriname onaf¬ hankelijk zou worden op een nader vast te stellen datum, ergens tussen 20 en 30 november 1975. De keuze voor de laatste week van november was door praktische motieven ingegeven. Rekening houdend met de on¬ geschiktheid van december vanwege het relatief grote aantal feestdagen, het deze periode de meeste ruimte voor het succesvol afronden van de voor¬ bereidingen, zonder de ultimo 1975-belofte in gevaar te brengen. Arron verklaarde dat de onafhankelijkheidsdatum niet gekoppeld zou worden aan een specifieke gebeurtenis. Speculaties dat de regering deze datum wilde verbinden met 19 november, de dag van de NPK-verkiezingsoverwinning, werden met deze mededeling onschadelijk gemaakt. Vooraf had de oppositie in een huishoudelijke vergadering van de Staten tégen een specificering van de datum gestemd. Zolang er geen duidelijke poli¬ tieke en staatsrechtelijke garanties waren geformuleerd, achtte de vhp dit een voorbarige actie.124

163

In antwoord op de massameeting van de

vhp

organiseerde de

ktpi

op 2 februari ook een massameeting, die de NPK-leiders aangrepen om het toegestroomde publiek ervan te overtuigen dat ook na de soevereini¬ teitsoverdracht alle bevolkingsgroepen over gelijke rechten zouden be¬ schikken en dat de

npk

alleen KTPi-leider Soemita als leider van de

Javaanse Surinamers erkende. Bruma attaqueerde Lachmon, die volgens hem Somohardjo uit het NPK-kamp had losgeweekt onder het valse voor¬ wendsel dat de

ktpi

niet langer over een noemenswaardige aanhang be¬

schikte. Uit de opkomst bleek volgens Bruma het tegendeel. Arron veeg¬ de de vloer aan met Somohardjo, van wie hij opmerkte dat deze niet namens de had de

nps

nps

sprak, maar namens zichzelf en Lachmon. Volgens Arron

Somohardjo groot gemaakt, maar liet deze zich nu gebruiken

als futuboi (loopjongen) van de vhp. Hij overhandigde Soemita een krans van stanvaste bloemen, waarmee hij tot uitdrukking bracht dat de vasthield aan de samenwerking met de

ktpi.

npk

De oppositie kaatste daags

erna de bal terug door op te merken dat Arron, ‘vroeger PNR-kaderlid’, een futuboi was van ‘zijn oude leermeester’ Bruma en dat hij bezig was de nps

om te vormen tot een aanhangsel van de

pnr.125

Tegen de verzekering van Arron in, dat het parlement het eerste en laatste woord over de grondwet had, beweerde Lachmon dat de grond¬ wetscommissie op aanwijzing van de regering werkte en dat deze zich daarmee schuldig maakte aan volksbedrog. Hij liet weten zich gekrenkt te voelen dat de regering de leider van de grootste politieke partij van Suriname niet bij de voorbereiding van de onafhankelijkheid wenste te betrekken. Dit verwijt kwam in een ander daglicht te staan toen Lachmon kort hierna een uitnodiging van Arron afsloeg om over de vier minderheidstandpunten van de oppositie te komen praten. De argumenten om niet op de invitatie in te gaan, waren deels ter zake (het overleg zou op heel korte termijn moeten plaatsvinden, terwijl twee van de vijf uitgeno¬ digde oppositieleden, onder wie Lachmon zelf, in het buitenland vertoef¬ den), maar voor het merendeel vergezocht. Menigeen zette om die reden vraagtekens bij de oprechtheid van de VHP-leider.126 Bezoeken van Somohardo en Lachmon aan Nederland, bedoeld om in Den Haag begrip te kweken en steun te vinden voor hun opvatting dat de grondwet met een gekwalificeerde meerderheid in de Staten diende te worden aangenomen, leverden niet het beoogde resultaat op. Somohardjo ving ook bot bij het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

(crm).

Het departement weigerde om zich garant te stellen voor

een vrije overtocht en gratis huisvesting voor 30.000 Javanen die volgens Somohardjo naar Nederland zouden afreizen als de situatie in Suriname

164

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

hen hiertoe dwong.127 Beweringen van de dissidente

Nps’er

dat Creolen,

Hindostanen en Javanen in Suriname ‘geheime trainingskampen’ had¬ den ingericht en dat - zoals hij in een manifest aan koningin Juliana schreef - ‘de sterk gestegen raciale spanningen in Suriname [... ] op ieder moment kunnen uitbarsten in het grootste bloedbad dat Suriname ooit heeft gekend’ werden met enige bevreemding aangehoord.128 Lachmon waarschuwde in Nederland dat hij niet zou aarzelen om de onafhanke¬ lijkheid te blokkeren als de regering geen rekening zou houden met de opvattingen van de oppositie. In reactie hierop stelde De West129 dat de VHP-leider steeds meer een Don Quichot dreigde te worden, vechtend vooreen verloren zaak en uit alle macht proberend zi j n wil op te leggen aan Statenleden die daarvan in meerderheid niet gediend waren.130 Om te demonstreren van welke methoden de oppositie zich bedien¬ de bij het bestrijden van de coalitie, citeerde Arron tijdens een Staten¬ vergadering uitgebreid uit een rapport van de districtscommissaris van Nickerie, die verslag had uitgebracht van een VHP-bijeenkomst. Volgens Arron was de VHP’er Mungra tijdens deze bijeenkomst zijn boekje ver te buiten gegaan. Hij onthulde dat Mungra hem tijdens bedoelde vergadering had uitgemaakt voor leugenaar en brandstichter, gesteld had dat hij zich in de Staten met twintig corrupte mannen omringde en dat hij het Staten¬ lid Liesdek-Clarke had omgekocht met een salaris van Nf 1000,- per maand. Mungra had voorts beweerd dat de spijsolieverkoop bij de cis-stand in Paramaribo raciaal was georganiseerd, namelijk in één rij voor niet-Hindostanen en één rij voor Hindostanen. Wanneer Hindostanen aan de beurt waren, was de olie op. Een andere spreker had tijdens de vergadering ver¬ klaard dat Pengel zijn eerste misstap tegen de vhp met de dood had moe¬ ten bekopen en dat anderen eenzelfde lot wachtte. Arron veroordeelde de ophitserij, maar voorspelde dat politieke hartstocht zou eindigen in politieke zelfvernietiging. Ten slotte sprak hij er zijn teleurstelling over uit dat de oppositie de benoeming van Frank Essed tot regeringsadviseur met afkeuring had begroet. Hoe kon iemand die aantoonbaar zijn sporen had verdiend op het gebied van planning en ontwikkeling voor de verdere opbouw van Suriname onbenut worden gelaten?131 Besprekingen tussen de Nederlandse, de Surinaamse en de Nederlands-Antilliaanse regering, die van 17 tot 21 maart in Den Haag plaats¬ vonden, resulteerden in de afspraak dat uiterlijk eind oktober het Statuut per rijkswet zou worden gewijzigd. Er zou een artikel aan de rechtsrege¬ ling worden toegevoegd waarin zou worden opgenomen dat het Statuut met ingang van een nog nader vast te stellen datum voor Suriname niet langer geldig zou zijn. Voorts kwamen de drie regeringen overeen dat zij

165

een toescheidingsovereenkomst zouden aangaan om de nationaliteiten¬ kwestie te regelen. Daarnaast werden, voortbouwend op het rapport van de Koninkrijkscommissie, onder andere een aantal zaken op het gebied van de buitenlandse betrekkingen van Suriname geregeld.132 Aansluitend vond op 25 en 26 maart bilateraal overleg plaats tussen Suriname en Nederland. Dit mondde uit in een protocol waarin onder andere afspraken op het gebied van defensie waren vastgelegd. Doordat beide partijen geen overeenstemming hadden bereikt over de ontwikke¬ lingssamenwerking overheersten vooral in het Surinaamse kamp gevoe¬ lens van teleurstelling. Arron had hoog ingezet: ‘Ik ben hier niet gekomen om te bedelen, nóg minder om een begerige graai in de Nederlandse schat¬ kist te doen. Nederland heeft gewoon te geven wat wij nodig hebben.’ Aanhoudende onenigheid over de omvang van de ontwikkelingshulp en het absorptievermogen van de Surinaamse economie noodzaakten de twee landen om het vraagstuk van de ontwikkelingssamenwerking naar het overleg van mei door te schuiven.133 Hetzelfde gold voor een regeling van verblijf en vestiging van Nederlandse en Surinaamse staatsburgers in Suriname en Nederland na de onafhankelijkheid. De Surinaamse delega¬ tie, die zich sterk had gemaakt voor een vrij personenverkeer tussen de twee landen, had fel protest aangetekend tegen het introduceren van een toelatingsregeling. De Nederlandse delegatie, vastbesloten om de Suri¬ naamse emigratie naar Nederland in te dammen, had er echter met succes op gestaan dat bedoelde regeling in het protocol werd opgenomen.134 Lachmon, die tijdens het overleg in Den Haag verbleef, maakte tegen¬ over Nederlandse verslaggevers kenbaar niet afwijzend te staan tegenover een gesprek met Arron indien dit het Surinaamse belang zou dienen. Arron weigerde echter in Nederland met de oppositieleider om de tafel te gaan zitten. De NPK-leider beschouwde het als vernederend om onder de ogen van de Nederlanders interne vetes over de onafhankelijkheid uit te vechten. Er ontstond enig rumoer toen Lachmon opmerkte een burger¬ oorlog niet uit te sluiten als de grondwet buiten de Hindostanen en Java¬ nen om tot stand zou worden gebracht. Naderhand bleek dat Lachmon ‘chaotische toestanden’ had voorspeld en niet had gedoeld op een gewa¬ pend treffen tussen vertegenwoordigers van de grootste bevolkingsgroe¬ pen, al bleef onduidelijk of de VHP-leider verkeerd was geciteerd of zich ongelukkig had uitgedrukt en zichzelf in tweede instantie had gecorri¬ geerd.135 In Rotterdam gaf Arron op 30 maart een reprise van zijn Marcanti-toespraak. Hij herhaalde dat Surinamers in Suriname thuishoor¬ den, waar hun belangrijke taken wachtten. De opbouw van de republiek vereiste een optimale inspanning van alle Surinamers.136

166

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

Een nieuwe episode in de Somohardjo-Soemita-controverse brak aan, toen eerstgenoemde zijn KTPi-rivaal ervan beschuldigde in een eerdere functie bij frauduleuze handelingen betrokken te zijn geweest. Arron sprong onmiddellijk voor zijn minister in de bres. De beschuldigingen waren volgens hem volledig uit de lucht gegrepen, zoals uit een rapport van de procureur-generaal over de zaak kon worden opgemaakt. Bij de behandeling van de kwestie in de Staten uitten Somohardjo en zijn mede¬ stander Dasiman steeds wildere beschuldigingen aan het adres van Soemita. Hierop verzocht voorzitter Wijntuin hun de vergaderzaal te verla¬ ten. Doelend op Somohardjo verklaarde Arron dat sommige leden van het Statencollege bij het Surinaamse volk een bepaalde mentaliteit pro¬ beerden te kweken, maar dat het volk gelukkig het kaf van het koren kon scheiden en geen would-be leiders achterna liep. Het verraad wordt be¬ loond, niet de verrader, zo vatte Arron, volgens een gangbaar gezegde, het ‘overlopen’ van Somohardjo naar de oppositie samen. Nadat Somohardo eerder al het voorzitterschap van het Indonesische presidium van de

nps

was ontnomen, werd hij in mei uit de NPK-fractie

gezet. Hij zou vanaf dat moment een eenmansfractie in de Staten vormen. Somohardjo besloot te volharden in zijn aanvallen op de coalitie. Voor Arron was dit aanleiding om gedetailleerd uit de doeken te doen dat de laatste behalve uit politiek gewin ook handelde uit persoonlijke hebzucht. Hij had de minister-president met verwijzing naar zijn Statenlidmaatschap om banen, vergunningen, grond en dienstreizen verzocht, maar steeds nul op rekest gekregen. Arron verklaarde nooit aan dergelijke chantagepraktijken te zullen meewerken en liet weten het een gevaarlijke zaak te vinden als parlementariërs eropuit waren de mammon te dienen.137 Volgens Somohardjo waren de beschuldigingen van Arron dat hij erop¬ uit was om zichzelf te verrijken zonder enige grond: ‘Arron heeft mij in die tijd op podia een “ondankbaar mens” genoemd. Ik zou alles aan de

nps

te

danken hebben, maar door mijn optreden de partij en de politiek schade toebrengen. Wie gaat dergelijke beledigingen nemen? Niemand toch? Na¬ tuurlijk ga je dan terugschelden. De beschuldiging van ondankbaarheid had Arron beter op zichzelf kunnen betrekken. “Jij zorgt ervoor dat de Javanen in de

nps

blijven onder jouw leiding.” Dat was de opdracht die ik

van hem gekregen had. En die missie heb ik met succes volbracht. Ik heb Arron en Cambridge, mijn beste vriend in de nps, naar Javaanse feesten ge¬ bracht en in de Javaanse gemeenschap geïntroduceerd. Eerlijk is eerlijk: ik had altijd meer vertrouwen in Cambridge en ook in Van Genderen dan in Arron, maar dat betekende niet dat ik met Arron geen goede relatie onder¬ hield. Ik bracht hem de Javanen. Maar kennelijk was dat niet voldoende.’138

167

SPANNINGEN TUSSEN COALITIE EN OPPOSITIE NAAR EEN HOOGTEPUNT

Op 15 mei 1975, aan de vooravond van nieuw tripartiet en bilateraal over¬ leg over de onafhankelijkheid van Suriname, kwam de oppositie in de Staten met een proclamatie, waarin zij andermaal haar beklag deed over het consequent negeren’ van haar standpunten door de regering. Omdat de verwezenlijking van de ‘nationale zelfstandigheid’ naar het oordeel van de oppositie een zaak was waarbij het gehele Surinaamse volk diende te worden betrokken, zag zij het als haar taak de opinie van de ‘grote meer¬ derheid’ van de Surinamers in tien punten naar voren te brengen. In de inleiding tot de bekendmaking laakte de oppositie het voorne¬ men van de regering om ‘in strijd met terzake geldende internationale democratische opvattingen en bestaande tradities’ de nieuwe grondwet met een gewone meerderheid in plaats van met een gekwalificeerde meer¬ derheid van stemmen aan te nemen. Volgens de oppositie was het in Suri¬ name sinds 1936 gebruikelijk om constitutionele bepalingen met twee derde van het aantal stemmen tot stand te brengen en getuigde het van een democratische geest om bij een ‘fundamentele wijziging van de staat¬ kundige structuur van het land’ deze traditie in ere te houden. Het argu¬ ment van de regering dat de eis van een tweederde meerderheid alleen gold bij een wijziging van de grondwet en niet bij het aannemen van een nieuwe grondwet sneed volgens de oppositie geen hout. De proclamatie van de oppositie is de geschiedenis ingegaan als het tienpuntenplan van de

vhp.

Samengevat waren deze punten:

1.

Zeker¬

heid omtrent de grenzen van het soevereine Suriname; 2. Een rechtvaar¬ dige regeling van de nationaliteit; 3. Zekerheid omtrent de ontwikkelings¬ samenwerking met Nederland; 4. Een democratisch functioneren van de gewapende machten; 5. Een rechtstreekse verkiezing van de president; 6. Handhaving van de parlementaire rechten; 7. Een rechtvaardig kies¬ stelsel en periodiek vrije, algemene en geheime verkiezingen; 8. Waarbor¬ ging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht; 9. Waarborging van de menselijke rechten;

10.

Inspraak bij de totstandkoming van de

nieuwe rechtsorde.139 Uit de verklaring sprak het volgens de oppositie drei¬ gende gevaar dat de ontwikkelingen na de onafhankelijkheid een wending zouden nemen die ten koste zou gaan van met name die etnische groepen die zich op dat moment niet of onvoldoende door de regering vertegen¬ woordigd voelden. Het vastleggen van politieke beginselen en rechtsregels was een middel om zich tegen dit gevaar te wapenen. Een opvallend aspect van het tienpuntenplan was dat de oppositie haar eis dat de onafhankelijkheid via een referendum aan het Surinaamse volk

168

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

moest worden voorgelegd, had laten vallen. Had de Nederlandse regering deze kwestie steeds als een binnenlandse aangelegenheid van Suriname beschouwd en zich consequent van een oordeel hierover onthouden, de Surinaamse regering hield vast aan het formele standpunt dat de staatsre¬ geling niet in het houden van een referendum voorzag en dat derhalve een juridische basis ontbrak om een volksraadpleging te organiseren. Daarnaast meende de regering dat een referendum de etnische verhoudingen verder onder druk zou zetten en de exodus richting Nederland zou aanmoedigen. De tegenwerping van de oppositie dat de regering geen positief besluit over een referendum durfde te nemen uit vrees voor een haar onwelgeval¬ lige uitslag en dat de uniciteit van de onafhankelijkheid een afwijking van de staatsrechtelijke praktijk rechtvaardigde, werd door de regering ont¬ kend respectievelijk als politiek opportunisme van de hand gewezen.140 De vraag of een meerderheid van de Surinaamse bevolking in een re¬ ferendum tégen de soevereiniteitsoverdracht zou hebben gestemd, is in¬ teressant, maar uiteindelijk niet te beantwoorden.141 Hetzelfde geldt voor de vraag of het onafhankelijkheidsvraagstuk niet te ingewikkeld was om in een volksraadpleging te worden getoetst en of een referendum voldoen¬ de recht zou hebben gedaan aan de politieke en maatschappelijke realiteit. Deze laatste punten kwamen wel aan de orde in een notitie die in 1973 in opdracht van premier Sedney werd geschreven door A.J. Morpurgo, de toenmalige voorzitter van de Surinaamse sectie van de Koninkrijkscommissie. In zijn bijdrage klonken twijfels door over de zin en de effectivi¬ teit van een referendum, terwijl in beginsel een positief standpunt werd ingenomen over het gebruik van dit staatsrechtelijke instrument.142 In de discussie over het referendum zou de notitie van Morpurgo geen enkele rol spelen. Noch de coalitie noch de oppositie had er enig belang bij om naar deze studie te verwijzen. Bij de presentatie van het tienpuntenplan op 15 mei distantieerde Lachmon zich ‘voor de volle honderd procent’ van de branden waardoor Paramaribo die ochtend was opgeschrikt. Vooral door alert optreden van burgers bleef de schade aan overheidsgebouwen en bedrijfspanden be¬ perkt en werd voorkomen dat het Statengebouw in vlammen opging. Be¬ schuldigingen dat de brandstichters dienden te worden gezocht onder aanhangers van de oppositie werden door Lachmon verontwaardigd van de hand gewezen. Volgens de vHP-leider hadden ook de branden die eer¬ der die maand een aantal panden in de stad in de as hadden gelegd geen politieke achtergrond.143 Toch was het begrijpelijk dat vraagtekens werden gezet bij deze ont¬ kenningen. In de dagen vóór de branden hadden vh p-prominenten groot-

169

scheepse acties tegen het beleid van de regering aangekondigd.144 Een Comité Nationale Onafhankelijkheid, met Alwin Mungra als geestelijk vader, had laten weten de aankomst van premier Den Uyl in Suriname te zullen aangrijpen om de macht van de oppositie te tonen en hem een pe¬ titie aan te bieden. Duizenden aanhangers van de

vhp

en het Statenlid

Somohardjo posteerden zich na de persconferentie van Lachmon bij de brug over de Saramacca Doorsteek, maar zagen laat in de middag wel mi¬ nister Pronk in een auto voorbijschieten, maar niet de Nederlandse minister-president. Er volgden schermutselingen met NPK-aanhangers en de politie, waarbij gewonden vielen en vernielingen werden aangericht. Pas na middernacht werd premier Den Uyl, eveneens onder politie-escorte, van het vliegveld naar Paramaribo gereden. De demonstranten kregen niet de gelegenheid hun petitie te overhandigen.145 Inmiddels waren de voorzitters van de vier vakcentrales erin ge¬ slaagd om met enig succes te bemiddelen tussen de regering en de oppo¬ sitie. Op 13 mei spraken zij eerst geruime tijd afzonderlijk met delegaties onder leiding van Arron en Lachmon.146 Uitgerekend op 15 mei wisten zij te bereiken wat anderen daarvoor niet was gelukt: beide partijen aan één tafel krijgen. Besprekingen tussen de NPK’ers Arron, Van Genderen, Bruma, Wijntuin en Soemita en de oppositieleden Lachmon, Mungra, Hindori, Adhin, Nannan Panday, Nurmohamed, Rasam en Gadden duur¬ den echter nauwelijks een halfuur. Verontrust door berichten over scher¬ mutselingen in de omgeving van de Saramacca Doorsteek schorste de VHP-leider het overleg en begaf zich samen met Mungra naar zijn achter¬ ban om deze tot kalmte te manen. Aangezien beide

vhp

ers niet binnen

de afgesproken tijd terug waren en de NPK-delegatie een voortzetting van het gesprek met de achtergebleven oppositieleden niet zinvol achtte, stap¬ ten Arron en de zijnen op. De vakcentrales lieten weten dat de gesprek¬ ken voor onbepaalde tijd waren verdaagd.147 Voor de Nederlandse premier Den Uyl was dit laatste onverteerbaar. Zowel hij als zijn ambtgenoot De Gaay Fortman, maar ook gouverneur Ferrier, Statenvoorzitter Wijntuin, het Comité Christelijke Kerken en de vakbonden, had in de maanden hiervoor met klem aangedrongen op een verzoening tussen beide partijen. Ervan doordrongen dat handelen thans geboden was, wist Den Uyl via persoonlijke gesprekken Arron en Lach¬ mon ertoe te bewegen hun overleg op 17 mei te hervatten (zie verderop). Ook slaagde Den Uyl erin Lachmon ervan te overtuigen dat het geen zin had een geplande massademonstratie door te laten gaan. De VHP-leider had immers al volop de gelegenheid gehad om zijn bezwaren onder de aandacht van het grote publiek te brengen.148

170

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

Leek met deze interventie de lucht enigszins opgeklaard, tijd voor opgelucht ademhalen was er niet. Op 20 mei verwoestte een grote brand vijf panden in de Watermolenstraat.149 Arron en Den Uyl behoorden tot de velen die zich die avond naar de plek des onheils spoedden en de vuur¬ zee in ogenschouw namen. De verwoestingen gingen op sommige plaat¬ sen gepaard met vernielingen, plunderingen en het molesteren van bur¬ gers. De volgende ochtend eisten honderden Creolen bij het ministerie van Algemene Zaken de arrestatie van Mungra en Lachmon, die zij be¬ schouwden als de direct verantwoordelijken voor de branden. In een kor¬ te toespraak riep Arron met succes de betogers op de kalmte te bewaren in het belang van de openbare orde en veiligheid. De branden zouden op kleinere schaal nog dagenlang aanhouden, maar dankzij het alerte optre¬ den van de politie en de brandweer weinig schade aanrichten.150 Al snel werd duidelijk dat de daders van de branden van 20 mei ge¬ zocht dienden te worden in kringen van de oppositie. In september zou¬ den acht jongemannen van Hindostaanse afkomst bekennen de branden te hebben gesticht met de bedoeling de regering angst aan te jagen. Zij ver¬ klaarden boos te zijn, omdat de coalitie naar hun zeggen weigerde naar Hindostanen te luisteren en, meerderheid of geen meerderheid, aan¬ stuurde op een onafhankelijkheid die voor Suriname in een ramp zou uit¬ monden. Hoewel de branden waren beraamd op het kantoor van de vhp was er geen bewijs dat de partijleiding op de hoogte was van de plannen of deze steunde. De rechter deelde zware straffen uit: vijf daders kregen vijf jaar, één zes jaar en twee zeven jaar gevangenisstraf.151 In dit klimaat, waarin de gemoederen verhit waren en tegenstellin¬ gen onoverbrugbaar leken, vonden van 14 tot 21 mei besprekingen plaats tussen Surinaamse en Nederlandse ministers over de onafhankelijkheid. Daarnaast vergaderden op 20 en 21 mei Surinaamse, Nederlandse en Nederlands-Antilliaanse bewindslieden over de grenzen van de toekom¬ stige republiek. Het was de stille wens van het kabinet-Arron om het laat¬ ste hoofdstuk van de Surinaamse koloniale geschiedenis in Paramaribo te schrijven, maar voortdurende onenigheid over de ontwikkelingssamen¬ werking verhinderde dat de onderhandelingen met succes konden worden afgerond. De Nederlandse eis dat de ontwikkelingshulp aan Suriname toetsbaar diende te zijn, dat deze hulp een gebonden karakter diende te hebben (dat wil zeggen dat de Surinaamse regering verondersteld werd goederen en diensten zoveel mogelijk in Nederland te betrekken) en dat de hoogte en de looptijd van de hulp dienden aan te sluiten bij de behoef¬ ten van de bevolking en de mogelijkheden van de Surinaamse economie, resulteerden in heftige tegenreacties aan Surinaamse zijde. Belangrijke

171

uitkomsten van de bilaterale besprekingen waren de stationering van een Nederlandse militaire missie in Suriname, de beëindiging van de werk¬ zaamheden van de Stichting voor Culturele Samenwerking (Sticusa) in Suriname, de overdracht van het Medisch Wetenschappelijk Instituut (mwi)

en de Stichting Machinale Landbouw

(sml)

aan Suriname en het

vaststellen van de uitgangspunten en procedureregels van de ontwikke¬ lingssamenwerking. Afgesproken werd dat over de omvang van de hulp en de regeling van het personenverkeer - punten waarover geen consen¬ sus kon worden bereikt - in juni in Den Haag verder zou worden onder¬ handeld.152 Dat er in de standpunten van de coalitie en de oppositie nog altijd weinig beweging zat, bleek uit de gesprekken over het tienpuntenplan die beide partijen voortzetten in River Club, de naam van een hotel in het dicht bij Paramaribo gelegen Leonsberg.153 Tijdens het overleg nam de VHP alle tijd om haar punten voor het voetlicht te brengen, verwijzend naar de ‘dictaturen’ van Forbes Burnham in Guyana154 en Eric Williams in Trinidad, landen die Suriname op het dekolonisatiepad waren voorge¬ gaan. De uiteenzettingen dienden voor een belangrijk deel om het gebrek¬ kige aandeel dat de oppositie tot dusver had gehad in de voorbereiding van de onafhankelijkheid te compenseren. De coalitie kon zich echter moeilijk aan de indruk onttrekken dat de bijdragen deel uitmaakten van een vertragingstactiek en bedoeld waren om de soevereiniteitsoverdracht te frustreren. Deze indruk werd versterkt door de opstelling van Lachmon, die een geraffineerd spel van aantrekken en afstoten speelde en wiens be¬ schouwingen nauwelijks bedoeld leken om aan te koersen op een con¬ creet onderhandelingsresultaat. De waarachtigheid van zijn koers werd bovendien ondergraven door de tweede man in zijn partij, Alwin Mungra, die verbaal om zich heen bleef slaan met polariserende uitspraken, die angst en verzet opriepen bij de VHP-achterban en haaks stonden op de verbroederingspolitiek die zijn voorzitter verklaarde nog altijd te ver¬ dedigen.155 Nadat de vhp op 17 en 19 mei twee bijeenkomsten met de coalitie had benut om haar tien punten toe te lichten156, merkte Arron tijdens het over¬ leg van 18 juni naar aanleiding van deze uiteenzettingen op dat de naar zekerheden zocht en dat de

npk

vhp

niets liever wilde dan zekerheden

bieden. Hij constateerde dat de regering en de oppositie met betrekking tot de onafhankelijkheid op een aantal punten met elkaar van mening ver¬ schilden. Hij noemde in dit verband het punt van de ontwikkelingssamen¬ werking met Nederland. De

npk

dacht aan een verdrag met een looptijd

van tien jaar, een nog nader vast te stellen financiële bijdrage te leveren

172

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

door Nederland, een ontwikkelingsplan als fundament voor de samen¬ werking, gedeelde aansprakelijkheid en na tien jaar een bestendiging van de samenwerking. De vhp gaf de voorkeur aan een verdrag met een loop¬ tijd van dertig jaar en een bijdrage van Nf 7 miljard door Nederland te le¬ veren gedurende de eerste tien jaar, echter zonder de ratio duidelijk te maken achter de voorgestelde looptijd en het gevraagde bedrag. Om die reden achtte Arron een dergelijk plan moeilijk haalbaar. Arron zei evenmin de noodzaak van een rechtstreeks gekozen president - een andere wens van de oppositie - te kunnen onderschrijven. Volgens de oppositie zou de president op deze manier de naleving van de grond¬ wet kunnen waarborgen. Zou de president door het parlement worden ge¬ kozen, dan bestond het gevaar dat hij een verlengstuk werd van deze macht. Volgens Arron was het niet de bedoeling en ook niet te verwachten dat de president een verlengstuk van het parlement zou worden. Bovendien be¬ stond er ook met een rechtstreeks gekozen president nooit de zekerheid dat deze de grondwet zou eerbiedigen. Bruma schetste de voordelen van een constitutionele president: zijn politieke ongebondenheid en zijn ver¬ mogen als een samenbindende figuur op te treden. Ministers zouden niet aan hem, maar aan het parlement verantwoording schuldig zijn. De sym¬ boolfunctie van de president diende zijns inziens vergelijkbaar te zijn met die van de koningin in Nederland. Haalde Bruma met opzet deze pa¬ rallel van stal om ‘Lachmon van Oranje’ van zijn gelijk te overtuigen? Op de wens van de oppositie om de nieuwe grondwet met een twee¬ derde meerderheid door de Staten te laten aannemen, reageerde Arron afwijzend. Hij merkte op dat de

npk

daarmee haar lot in handen zou leg¬

gen van de vhp. Dat kon niet de bedoeling zijn. Van Genderen stelde zich op het standpunt dat een constructieve oppositie die bouwen wilde aan de toekomst van Suriname in het parlement een tweederde meerderheid gaf. Bruma verklaarde het persoonlijk jammer te vinden als de eerste grond¬ wet van Suriname niet met algemene stemmen zou worden aanvaard. Ook Arron sprak de wens uit dat de grondwet met een zo groot mogelijke in¬ stemming van coalitie en oppositie zou worden aangenomen. Lachmon sloot de bespreking echter in mineur af door op te merken dat de coalitie alle punten met betrekking tot de onafhankelijkheid, uitgezonderd de hoogte van de ontwikkelingshulp, al had besproken en vastgelegd, en dat de oppositie daar geen enkele invloed op had gehad. Het topoverleg met Nederland was zelfstandig door de

npk

gevoerd en de vhp droeg hiervoor

geen enkele verantwoordelijkheid. Lachmon: ‘De oppositie zal in het par¬ lement hierop beuken.’ Deze slotwoorden kwamen voor de NPK-leiders, met name voor Bruma, als een koude douche.157

173

Op 13 juni had Arron aangekondigd dat de soevereiniteitsoverdracht op 25 november in Paramaribo zou plaatsvinden. Arron: De keuze voor 25 november: dat is zo een gek verhaal. Het heeft totaal niets met politiek te ma¬ ken. Men gaat het niet willen geloven. Om het goed te kunnen begrijpen, moet ik even teruggaan in de tijd. Kijk, in Nederland ben ik eens een tweedehandsboekwinkel binnengestapt. Daar viel mijn oog op een boek van professor Tenhaeff, die toen parapsychologie doceerde aan de Universiteit van Utrecht. Ik kocht het boek en ging lezen. In ernst. Toen ik het uit had, ben ik naar een aan¬ tal seances van Tenhaeff in Utrecht gegaan. Fascinerend. Vanaf dat moment ben ik mij als een geïnteresseerde leek gaan verdiepen in parapsychologische verschijnselen. Die interesse, ook voor psychoa?mlyse, bracht mij veel later bij Psychoanalyse en politiek van Herbert Marcuse. Dat is zo een meesterwerk. Daarmee heb ik onder andere mijn vriend Hindori in het parlement van een aantal dingen kunnen overtuigen. Kortom, al lezende ben ik in aanraking ge¬ komen met de wereld van de parapsychologie en psychoanalyse.158 Mijn kennismaking met Karei Arah is in dit verband ook belangrijk ge¬ weest. Arah had een hoge graad in de Rozenkruisers: de 13e. Hij heeft mij geïn¬ teresseerd om ook in de Rozenkruisers te komen. Ik ben er geen lid van ge¬ weest, maar heb wel van veel aspecten ervan kennisgenomen. Voor zover dit mogelijk was, want net als bij de vrijmetselarij zijn de rituelen bij de Rozen¬ kruisers met allerlei geheimen omgeven. Goed, we waren al in de onafhankelijkheidsdiscussie. Een aantal topfiguren uit de Rozenkruisers heeft toen een gesprek met mij aangevraagd. Ik heb ge¬ zegd: kom maar. Deze mensen hebben mij vervolgens aangeboden om langs astrologische weg de datum van de onafhankelijkheid te bepalen. Ze wilden weten of ik hieraan mijn medewerking wilde verlenen. Ik heb geantwoord: ga je gang. Ik dacht: toe maar. Ze zijn bij mij teruggekomen en hebben gezegd: minister-president, u moet op 25 november de onafhankelijkheid realiseren. Ik vroeg toen: waarom? Ze antwoordden dat in mijn sterrenbeeld het element 25 een belangrijke rol speelt. En die kerels hadden gelijk. Dat is ook gebleken. Ik ben op de 23ste geboren, de onafhankelijkheid is op de 23ste gerealiseerd, de coup was op de 23ste en zo zijn er nog een aantal momenten in mijn politieke leven waarbij het getal 23 om de hoek komt kijken. Je kunt erom lachen, want elke andere datum tussen 20 en 30 november zou natuurlijk aanvaardbaar zijn geweest. Maar zo is het gegaan: de onafhankelijkheidsdatum is astrologisch vastgesteld.159 Op 25 en 26 juni werd in Den Haag het bilateraal overleg tussen Suriname en Nederland afgesloten. De twee regeringsdelegaties bereik¬ ten overeenstemming over de tekst van een ontwikkelingssamenwerkingsverdrag en over een hulpbedrag ter hoogte van Nf 3,5 miljard. Premier

174

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

Arron hield het op een bedrag van Nf 4,3 miljard. Hij rekende met de to¬ taalsom mee de kwijtschelding van schulden aan Suriname en het over de onafhankelijkheidsdatum heen tillen van het restant van reeds ge¬ committeerde maar nog niet uitgegeven Nederlandse hulp.160 Indachtig de a moni doro (het geld is gekomen) boodschap waarmee zijn voorganger Pengel bij terugkeer in Suriname zijn achterban altijd triomfantelijk be¬ groette na besprekingen te hebben gevoerd in Nederland, buitte Arron het onderhandelingsresultaat van zijn delegatie publicitair uit en benadruk¬ te hij dat de Surinaamse onderhandelaars tot het uiterste waren gegaan om middelen voor de opbouw van Suriname los te krijgen. Dit laatste was juist, al had Arron niet kunnen voorkomen dat de gelden niet voor inflatie waren gecorrigeerd en dat de hulp een gebonden karakter had: een aan¬ zienlijk deel van de middelen vloeide ter financiering van kapitaalgoede¬ ren en diensten uit Nederland weer naar het voormalige moederland terug. Los van de ontwikkelingssamenwerking spraken Suriname en Nederland af een overeenkomst te zullen aangaan betreffende het verblijf en de vesti¬ ging van Surinamers en Nederlanders in eikaars land. Ten slotte besloten beide landen te bevorderen dat er een overeenkomst tot stand zou komen tussen Suriname enerzijds en Nederland, België en Luxemburg ander¬ zijds inzake de afschaffing van de visumplicht voor Surinamers die na de onafhankelijkheid tijdelijk in deze landen wensten te verblijven.161 Lachmon, die weinig van de VHP-standpunten in het akkoord kon te¬ rugvinden, haastte zich om de onderhandelingsresultaten als teleurstel¬ lend te kwalificeren. Niet alleen was het overeengekomen bedrag feitelijk de helft van de som die nodig was om het vastgestelde ontwikkelingsplan te kunnen uitvoeren, de door Nederland toegezegde middelen waren bo¬ vendien niet waardevast, zodat met een sterke waardevermindering van het beschikbare bedrag rekening diende te worden gehouden. Tevens voor¬ spelde Lachmon problemen met de

cons,

die - anders dan de Konink-

rijkscommissie voor ogen had gestaan - geen Surinaamse voorzitter ken¬ de, maar paritair was samengesteld, wat de onderhandelingspositie van Nederland versterkte, ook omdat bij onoverkomelijke problemen binnen de

cons

de procedure voorzag in overleg tussen de twee regeringen.

Evenmin was Lachmon te spreken over de maatregelen die waren getrof¬ fen in het kader van het personenverkeer tussen de betrokken landen. Anders dan de regering het deed voorkomen, was de visumplicht niet af¬ geschaft. De toelating zonder visum van Surinamers tot de Benelux gold alleen bij een verblijf van maximaal drie maanden en, indien het Neder¬ land betrof, nadat aan specifieke voorwaarden op het gebied van inkomen en huisvesting was voldaan. Bovendien was de geldigheid van deze rege-

175

ling beperkt tot een jaar, waarna elk der lidstaten het recht had alsnog tot de invoering van een visumplicht over te gaan.102 Hoewel de kritiek van Lachmon op zichzelf genomen niet onjuist was, sprak hier een politiek leider die uit onvrede over zijn buitenspelpositie doelbewust zijn toe¬ vlucht nam tot het uitvergroten van de schaduwzijden van de gemaakte afspraken. In zijn toespraak ter gelegenheid van de Dag der Vrijheden memoreer¬ de Arron de ‘alleszins bevredigende’ uitkomsten van de ‘langdurige en harde onderhandelingen’ met Nederland over de ontwikkelingssamen¬ werking. Die uitkomsten hadden naar zijn zeggen bijgedragen tot het leggen van een hecht fundament voor ‘de hoogste vrijheid die een volk deelachtig kan worden, namelijk de onafhankelijkheid’. Hij riep zijn ge¬ hoor op zich te richten op datgene wat Surinamers met elkaar verbond en afstand te nemen van hen die verdeeldheid predikten en bezig waren het land te gronde te richten: ‘Ik hoef u nauwelijks te zeggen dat wij allen voor een immense taak staan. Het schijnt dat men onvoldoende vertrouwen heeft in het kunnen van de Surinamer en het Surinaamse volk, omdat men zich maar al te vaak tot het verleden richt, dikwijls zelfs het verre verleden. Ik ben er echter van overtuigd dat de nieuwe Surinamer tot maximale ontplooiing zal kunnen en willen komen en zijn talenten vol¬ ledig in dienst zal stellen van de nieuwe natie. Wij zijn met zijn allen on¬ getwijfeld bereid meer dan ooit, ongeacht op welke post wij ons bevinden, een verhoogde krachtsinspanning aan de dag te leggen om het toekomstideaal op de kortst mogelijke termijn waar te maken: een nieuw en beter Suriname.’163 Tijdens de hervatting van het topoverleg tussen de coalitie en de op¬ positie op 9 juli reageerde de

vhp

op de onafhankelijkheidsplannen die

de coalitie op 18 juni uiteen had gezet door de eigen standpunten nog¬ maals uitgebreid de revue te laten passeren. De notulen van de bespre¬ kingen van 9 juli waren, tot ergernis van Lachmon, nog niet beschikbaar toen het overleg op n augustus werd vervolgd. Dit gebeurde tegen de zin van delen van de VHP-achterban, waarvan de Statenleden Mungra en Nannan Panday de voornaamste spreekbuizen waren. Zij waren van oor¬ deel dat de regering de oppositie opzettelijk aan het lijntje hield en dat de laatste zich deze krenkende en vernederende behandeling niet langer diende te laten welgevallen.164 Lachmon weigerde het overleg echter af te breken, aangezien de bijeenkomst van n augustus was bedoeld om het beraad over het tienpuntenplan af te sluiten. Arron merkte bij die gelegenheid op dat er volgens hem op veel pun¬ ten overeenstemming was bereikt met de

176

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

vhp,

al ontkende de partij dat

dit het geval was. Punten waarover nog verschil van mening bestond, wa¬ ren naar de mening van Arron de rechtstreekse verkiezing van de presi¬ dent, de aanname van de grondwet met twee derde van het aantal stem¬ men en de kwestie van de verkiezingen na de onafhankelijkheid. Met betrekking tot dit laatste punt hanteerde de vhp het argument dat volks¬ vertegenwoordigers tot dat moment door Nederlanders waren gekozen, maar dat deze op 25 november Surinamers zouden worden. Staatsrech¬ telijk zou het dus consistent zijn als volksvertegenwoordigers in de nieuwe situatie door Surinamers zouden worden gekozen. Arron kwalificeerde dit argument als vergezocht en liet weten dat de coalitie op bovenge¬ noemde drie punten niet wenste toe te geven. Hij werd in dit oordeel bij¬ gevallen door Bruma, Van Genderen, Soemita en Wijntuin. Lachmon verklaarde dat de

npk

pogingen deed de

vhp

in slaap te

sussen met de opmerking dat deze op zeven punten akkoord ging met de oppositie en slechts op drie punten met haar van mening verschilde. Enigszins gechargeerd stelde hij vast dat er maar op één punt overeen¬ stemming tussen de coalitie en de oppositie bestond, namelijk waar het ging om de aansluiting van Suriname bij de

eeg.

Lachmon wees op het

definiëren en vastleggen van de landsgrenzen, iets wat nog niet was gere¬ geld, en de wens van de oppositie dat Nederland ook na de soevereiniteits¬ overdracht niet van zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van eventuele grenskwesties mocht worden ontslagen. Wat betreft het nationaliteiten¬ vraagstuk pleitte Lachmon andermaal voor een optieregeling. Wat, zo vroeg hij zich af, was er tegen een dubbele nationaliteit: een slapende Nederlandse en een effectieve Surinaamse? Waarom konden mensen niet in de gelegenheid worden gesteld op termijn uit een van beide natio¬ naliteiten te kiezen? Lachmon weigerde Surinamers tegen hun wil hun Nederlandse nationaliteit te ontnemen, maar constateerde dat deze ziens¬ wijze niet door de coalitie werd gedeeld. Andere grieven van Lachmon hadden betrekking op de samenstelling van de gewapende machten. Deze dienden naar zijn zeggen een afspiege¬ ling te zijn van de samenstelling van de bevolking. De oppositie wenste een bepaling hierover opgenomen te zien in de grondwet. Er was volgens Lachmon evenmin overeenstemming bereikt over het opnemen van de grondslagen van het kiesstelsel in de grondwet, bijvoorbeeld het stelsel van evenredige vertegenwoordiging met een kiesdrempel. Bruma wierp tegen dat het stelsel van evenredige vertegenwoordiging het ontstaan van raci¬ ale groepen juist in de hand werkte. Lachmon bestreed dit. Volgens hem had het stelsel alleen gevolgen voor de relaties tussen politieke partijen. Zaken waarvoor de oppositie zich eveneens sterk maakte, maar tever-

177

geefs op een positieve reactie van de regering had gehoopt, waren de in¬ stelling van een speciaal rechterlijk orgaan voor de mensenrechten (met mogelijkheden van redres in geval van schending van een fundamenteel recht als gevolg van handelen door de overheid), het verlenen van het toetsingsrecht aan de rechterlijke macht en het nationaliseren van be¬ drijven niet dan na toestemming van het parlement met een gekwalifi¬ ceerde meerderheid (ter bevordering van het investeringsklimaat). De coalitie had volstaan met de opmerking dat deze aangelegenheden nader zouden worden bestudeerd. Ten slotte herinnerde Lachmon aan de rege¬ ling van de ontwikkelingssamenwerking met Nederland. Hij toonde zich daar weinig gelukkig mee. Zijns inziens was het overeengekomen bedrag (Nf 3,5 miljard) te laag, de looptijd (10-15 jaar) te optimistisch ingeschat om het integrale ontwikkelingsplan te kunnen uitvoeren (ook gelet op de beperkte uitvoeringscapaciteit) en was het niet realistisch te denken dat Suriname veel eigen besparingen zou kunnen realiseren. De NPK-vertegenwoordigers repliceerden dat Lachmon met veel van zijn kritiek op de bevindingen van de grondwetscommissie vooruitliep. Arron legde uit dat de grondwetscommissie een onafhankelijk orgaan was, waar ook leden van de oppositie deel van uitmaakten. Juist in de grond¬ wetscommissie kon de Surinaamse bevolking vertrouwen hebben, want deze verenigde deskundigen van verschillende pluimage en uiteenlopen¬ de politieke overtuiging. De ontwerpgrondwet zou, nadat deze door de leiders van de coalitie en de oppositie zou zijn voorbesproken, in het par¬ lement worden behandeld. Deze kon daar nog worden geamendeerd, al ging de voorkeur van de coalitie uit naar een soepele aanname van de conceptwet met algemene stemmen. Van buitensluiten van de oppositie was met andere woorden geen sprake. In reactie op de tegenwerping van Arron moest het Lachmon van het hart dat hij niet aan het topoverleg deelnam om de coalitie te bestrijden, om krafana (valstrikken) voor de NPK-leiders te zetten of om hen een blaka te slaan (een loer te draaien). Het ging hem om het bereiken van nationale eenheid. Lachmon meende dat de paniekstemming onder de bevolking alleen getemperd kon worden als de coalitie en de oppositie het volk ge¬ zamenlijk het vertrouwen gaven dat de zelfstandigheid met alle benodig¬ de garanties zou zijn omkleed. Hij verklaarde onder geen beding te kun¬ nen meewerken aan de beëindiging van het Statuut als het land niet de beschikking zou hebben over een goede grondwet met overtuigende waarborgen. Zou aan deze voorwaarde niet worden voldaan, dan zou hij zich bij de behandeling van de rijkswet in het Nederlandse parlement krachtig tegen de beëindiging van het Statuut voor Suriname verzetten.

178

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

Het laten ontstaan van een rechtsvacuüm was voor zijn partij onaan¬ vaardbaar. De NPK-leiders ontkenden ten stelligste een rechtsvacuüm te willen laten ontstaan. Het was geenszins de bedoeling dat Suriname zonder grondwet kwam te zitten, al was de regering zich ervan bewust dat het werk van de grondwetscommissie vertraging had opgelopen. Gelet op de afspraken die met Nederland waren gemaakt, had de regering echter geen andere keus dan met vereende krachten voort te gaan op de weg richting 25 november. Natuurlijk had de oppositie het recht om in Nederland te protesteren tegen de gang van zaken. Nederland stelde zich echter op het standpunt dat het aannemen van de nieuwe grondwet door het Suri¬ naamse parlement een interne aangelegenheid van Suriname was. Op de opnieuw door Lachmon gelanceerde beschuldiging dat de NPK-leiders voor de Hollanders werkten - Den Haag wilde immers af van Suriname reageerde Arron beheerst dat de

npk

voor Suriname werkte. Toch kon

zijn ingehouden repliek niet verhinderen dat de discussie een verhit ka¬ rakter kreeg en dat voorzitter Wijntuin alle zeilen moest bijzetten om de gemoederen te sussen. Lachmon beklemtoonde dat hij zekerheid wilde hebben over zijn tien punten, aangezien de behandeling van de rijkswet ter beëindiging van het Statuut in het Nederlandse parlement gepland was voor 2 september. Er was dus nauwelijks tijd om de ontwerpgrondwet vóór 2 september te bespreken. Om die reden drong hij erop aan dat de coalitie en de opposi¬ tie nu tot overeenstemming kwamen over de punten die in de grondwet dienden te worden geregeld. Maar de npk liet weten dat het in dit stadium niet juist zou zijn de grondwetscommissie voor de voeten te lopen. Als onafhankelijke commissie diende zij zonder bemoeienis van regering en oppositie haar werkzaamheden te kunnen afronden. Vervolgens konden de

npk-

en de VHP-top het ontwerp voorbespreken, waarna de parlemen¬

taire goedkeuring een formaliteit, zo men wilde een ceremoniële zaak, kon zijn. In het geval dat de rijkswet zou worden behandeld vóór de aan¬ vaarding van de grondwet zou in Suriname de staatsregeling van toepas¬ sing blijven zolang de rijkswet niet door de parlementen van de drie lan¬ den was aanvaard en de koningin de wet niet had bevestigd. Bovendien was de einddatum van het Statuut voor Suriname 25 november. Een rechts¬ vacuüm zou derhalve niet ontstaan en de noodzaak ontbrak om de datum van 2 september op te schuiven. De opstelling van de NPK-leiders was voor Lachmon een grote teleur¬ stelling. Aan het slot van de bespreking maakte hij kenbaar dat de dialoog tussen de regering en de oppositie wat hem betreft op losse schroeven

179

stond en stelde hij vast dat er vele uren waren gepraat, maar dat er niets was bereikt. De aanwezigen kwamen overeen diezelfde week nog een keer bij elkaar te komen om de gesprekken formeel af te ronden, maar deze af¬ spraak leek meer voort te komen uit wellevendheid dan uit een diepgevoel¬ de behoefte de dialoog voort te zetten.105 De slotbesprekingen op 21 augus¬ tus leverden geen nieuwe gezichtspunten op en betekenden het einde van het topoverleg.166 Duidelijk was dat beide partijen niet nader tot elkaar waren geko¬ men. De npk was vastbesloten het initiatief aan zich te houden en toonde zich onwillig om de regie van het proces met de vhp te delen. Aangezien zij de regeermacht bezat en over een parlementaire meerderheid beschik¬ te, kon zij vasthouden aan haar ambitie om de onafhankelijkheid zoveel mogelijk naar eigen inzicht en volgens het eerder vastgestelde tijdpad voor te bereiden en te realiseren. De

vhp

bleef verongelijkt over de marginale rol die zij in de onder-

handelingen rond de soevereiniteitsoverdracht speelde. Enerzijds tracht¬ te zij haar verantwoordelijkheid te nemen door een tienpuntenplan te presenteren en een discussie te starten over zaken die naar het oordeel van de partij adequaat dienden te worden geregeld. Tegelijk ondergroef zij haar geloofwaardigheid door de doemscenario’s die zij van de onafhan¬ kelijkheid schetste en haar moeilijk te bedwingen neiging steeds maar weer bezwaren tegen de soevereiniteitsoverdracht op te werpen. Het be¬ sef dat de rijdende trein van de onafhankelijkheid niet tot stilstand kon worden gebracht, moedigde Lachmon vooral aan om ongenoegen te ven¬ tileren, niet om zaken te doen, al was - toegegeven - de ruimte voor dit laatste beperkt.

180

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: AANLOOP

V Vader van de onafhankelijkheid: Finale

Arron was er in juni 1975 in geslaagd het regeringsoverleg met Nederland en de Nederlandse Antillen succesvol af te ronden. Daarmee was een be¬ langrijke horde richting de onafhankelijkheid genomen. Dit had het ver¬ zet van de oppositie tegen de soevereiniteitsoverdracht echter niet weg¬ genomen. Gesprekken tussen Arron en Lachmon die in mei van dat jaar van start waren gegaan, waren in augustus zonder resultaat afgebroken. De indruk bestond dat Lachmon het overleg vooral had aangegrepen om tijd te winnen, niet om samen met de coalitie uit de ontstane impasse te geraken. De omstandigheden leken Lachmon gunstig gezind. In de zomer van 1975 voegden drie leden van de coalitie zich bij de oppositie en zag het ernaar uit dat er voor de soevereiniteitsoverdracht geen parlementaire meerderheid te vinden zou zijn. De spanningen tussen de

npk

en de

vhp

hielden aan en vertaalden

zich onder andere in de publieke molestatie van een van de overgelopen Statenleden. Kort hierna werd het gezin-Arron slachtoffer van een gijze¬ ling. Aan die vrijheidsberoving lagen geen politieke motieven ten grond¬ slag, al legde menigeen een verband met de controverse rond ‘ultimo 1975’. Een doorbraak in de patstelling tussen coalitie en oppositie vormde de tele¬ visietoespraak van de VHp’er George Hindori. Deze kondigde op 14 okto¬ ber 1975 onverwacht aan in de kwestie van de onafhankelijkheid de zijde van de coalitie te zullen kiezen. De regering had daarmee haar parlemen¬ taire meerderheid terug. De kloof tussen beide machtsblokken werd vervolgens op 18 november gedicht dankzij een openbare handreiking van Arron aan Lachmon in de Staten van Suriname. Het was een gebaar van verzoening waar de Suri¬ naamse samenleving lang naar uit had gekeken. De grondwet van Surina¬ me werd met algemene stemmen aangenomen en ook andere wettelijke voorzieningen kwamen met steun van de oppositie tot stand. Een week later was de onafhankelijkheid een feit, verkreeg het voormalige rijks¬ deel de status van republiek en brak een nieuwe fase aan in de politiekstaatkundige ontwikkeling van het land.

181

MACHTSVERHOUDINGEN TER DISCUSSIE De verhouding tussen de coalitie en de oppositie verbeterde niet toen de NPK-parlementariër Charles Lee Kong Fong op 30 juli bekendmaakte dat hij met ingang van 1 augustus een eigen NPS-fractie in de Staten zou vor¬ men met collega-parlementariër Albertina Liesdek-Clarke. Lee Kong Fong motiveerde zijn overstap naar de oppositie met het argument dat hij on¬ tevreden was over de slepende gang van zaken rond de grondwet. Deze diende naar zijn mening spoedig tot stand te komen en waarborgen te be¬ vatten voor een democratisch en rechtvaardig regeringsstelsel. Boven¬ dien verlangde Lee Kong Fong een opheffing dan wel een herstructure¬ ring van het Centraal Inkoopbureau Suriname (cis). Het cis viel onder de verantwoordelijkheid van minister van Economische Zaken Bruma en was opgericht om de Surinaamse bevolking tegen aanvaardbare prijzen van eerste levensbehoeften (uien, aardappelen, spijsolie, suiker, rijst, meel, bakkeljauw, gezouten vlees) te voorzien. Door de tussenhandel uit te schakelen, konden deze producten voor lagere prijzen op de markt wor¬ den gebracht.1 De onregelmatige aanvoer en vaak slechte kwaliteit van de geleverde producten leidden tot veel kritiek op het cis. Volgens Lee Kong Fong werkte het cis zwarte handel in de hand, drukte het door zijn grote personeelsbestand zwaar op de begroting van Economische Zaken en werd het bedrijf gebruikt voor het verlenen van vriendendiensten en gunsten, terwijl anderen gedupeerd werden. Met de aanduiding ‘ande¬ ren’ doelde Lee Kong Fong op zijn eigen achterban. De activiteiten van het cis waren namelijk ten koste gegaan van de positie van de Chinese handelaren, die Lee Kong Fong als hun zaakwaarnemer beschouwden en op wie zij druk uitoefenden om voor hun belangen op te komen.2 De brief van Lee Kong Fong was aanleiding voor een gesprek, daags hierna, tussen het bestuur van de afdeling Fa Tjauw, de Chinese kern¬ groep van de

nps,

en het hoofdbestuur van de partij in de persoon van

Arron. Het resultaat van dit onderhoud was dat Lee Kong Fong zijn brief introk om de

nps

in de gelegenheid te stellen aan zijn eisen tegemoet te

komen. Nog diezelfde avond vergaderde het hoofdbestuur van de

nps

met

de besturen van de afdelingen en onderafdelingen. Daarbij werd vastge¬ steld dat het beleid van de NPK-regering in overeenstemming was met de beginselen van de

nps

en dat de partij ‘een voldoende eigen gezicht’ had

binnen de coalitie. De aanwezigen onderschreven ook de wijze waarop de regering de onafhankelijkheid voorbereidde. Door snel te interveniëren en de ontstane problemen gericht aan te pakken, hoopte Arron de

npk-

gelederen snel weer te kunnen sluiten.3 Op verzoek van Lee Kong Fong werd op 13 augustus op het ministerie

182

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

van Algemene Zaken een vergadering belegd van de NPS-fractie met minis¬ ter Bruma en premier Arron om de problemen rond het cis te bespreken. Tot verwondering van de aanwezigen liet Lee Kong Fong verstek gaan, naar verluidt onder druk van het bestuur van Fa Tjauw.4 Op 15 augustus maakte hij kenbaar dat de met Arron afgesproken termijn was verstreken en dat de

nps

niet aan zijn eisen had voldaan: ‘Met name is voor mij de

eis dat de nieuwe Surinaamse grondwet voor de opheffing van het Sta¬ tuut volledig uitgediscussieerd en besproken zou worden in het parle¬ ment,

niet geschied.

Voorts baart de onbevredigende wijze waarop de

dialoog tussen de npk en de oppositie tot nu toe is verlopen mij grote zor¬ gen voor de toekomst van ons land.’5 Het bestuur van Fa Tjauw voegde hier in een afzonderlijk schrijven aan toe dat de slechte verstandhouding tussen de Chinese handelaren en minister Bruma door de

pnr

op een ergerlijke wijze op de spits werd ge¬

dreven. Met name een redactioneel artikel in het clo Bulletin van 9 augus¬ tus, waarin Lee Kong Fong werd aangemerkt als lid van een groep ‘oude politieke boeven, schurken en volksmenners’, was het bestuur in het ver¬ keerde keelgat geschoten: ‘Tot onze grote verbazing heeft u noch iemand van het hoofdbestuur zich gehaast dit statenlid in bescherming te nemen door tenminste zijn afkeuring over deze bejegening uit te spreken. Hier¬ uit mag worden gekonkludeerd dat u de berichtgeving van

c.l.o.

onder¬

schrijft, het lid Lee Kong Fong totaal wordt genegeerd en voor de leeuwen wordt gesmeten. Zulks zullen en kunnen wij

nimmer toestaan!

Met

het oog op het bovenstaande heeft de Fa Tjauw besloten het lid Lee Kong Fong op te dragen zijn eerder ingenomen standpunt te handhaven en te¬ rug te keren naar de

nps

fractie in de Staten tezamen met mevr. Liesdek-

Clarke en wel met ingang van vandaag 12.00 uur.’6 Arron: De oppositie van Lee Kong Fong, Liesdek-Clarke en Somohardjo kan worden verklaard uit hun verwijt dat de regering haar oren te veel naar de pnr liet hangen en dat ik in die regering te veel ministersposten bekleedde. Maar met die vaststelling ben je er niet. Wat Somohardjo betreft: ik heb nooit helemaal kunnen begrijpen waarom hij naar de oppositie is overgelopen. Zijn beweegredenen zijn voor mij altijd enigszins duister gebleven. Bij de anderen lag dit anders. Lee Kong Fong stond onder grote druk van zijn achterban, die vond dat de Chinese handelsbelangen werden beknot met Bruma op Economi¬ sche Zaken. Want bij hem moest men langs voor het verkrijgen van import- en exportvergunningen. De Chinezen waren vooral teleurgesteld in de nps, want die partij domineerde in de npk en op die partij brachten velen van hen al sinds de tijd van Pengel hun stem uit. Wat mijn vriendin Lies dek-Clarke betreft, dat is een verhaal op zichzelf.

183

Tijdens de verkiezingen van 1973 kwam zij bijna elke morgen bij mij langs om te helpen met van alles en nog wat. Ze was een van mijn grootste aanbidsters. Maar ze is op een gegeven moment in contact gekomen met dr. Sam Hagens. Die was ongelooflijk rap van tong. Hij heeft Liesdek-Clarke en Somohardjo re¬ gelmatig bij zich ontvangen aan de Koningstraat, waar hij een polikliniek had. Er was voor Sam Hagens geen grotere duivel op deze aarde dan mijn persoon. Beëlzebub was een kleine jongen vergeleken bij mij (lacht). Hagens heeft Liesdek-Clarke volkomen geïndoctrineerd. Waarom? Omdat ik besloten had Wim van Eer te maken tot de eerste Surinaamse ambassadeur in Nederland en niet zijn toenmalige close friend Sam Hagens. Hagens had zijn toegang tot Lachmon en hij heeft alle drie in de boezem van de vhp gebracht. Dat is de die¬ pere achtergrond van de overstap van die drie naar de oppositie.7 Na het vertrek van Somohardjo uit de

npk

was het afsplitsen van

Liesdek-Clarke voor Arron een hard gelag. Hij had zich er persoonlijk voor ingespannen dat zij in 1973 een verkiesbare plaats op de NPK-lijst had gekregen. Bouterse-Clarke: ‘Bijna niemand kende mij op dat mo¬ ment. Ik was ook nog maar kort lid van de partij. Tijdens de stakingen van 1973 had ik op podia gestaan en speeches gehouden, die de nodige aan¬ dacht hadden getrokken. Als gevolg daarvan kwam ik in contact met NPs’ers als Getrouw en Nooitmeer. Op een gegeven moment ben ik naar de

vcb

gegaan en heb ik mijn diensten aan Arron aangeboden. Maar ik

heb hem gezegd: “Ik ben niet in staat op alles van u ja en amen te zeggen.” Dat was vrijpostige taal, maar Arron reageerde positief: “Zo iemand heb ik nodig.” Nadat de stakingen waren beëindigd, maakten de politieke par¬ tijen zich op voor de verkiezingen. Op een

nps-vergadering

heeft Arron

geroepen: “Ik heb mijn politieke lot verbonden met de kandidatuur van mevrouw Liesdek-Clarke.” Op die manier heeft hij de aanwezigen ervan kunnen overtuigen dat ik op de zesde plaats van de NPK-lijst in Parama¬ ribo terecht moest komen. Hij heeft sweerie met mij gemaakt! Maar veel oudere leden in de partij waren niet ingenomen met deze actie. Zij voel¬ den zich gepasseerd.’8 Volgens Liesdek-Clarke vormden zij en Lee Kong Fong per 1 augustus een onafhankelijke NPS-fractie om Somohardjo te steunen die al eerder de zijde van de oppositie had gekozen: ‘Arron was fel gekant tegen Somo¬ hardjo en beschouwde hem als een kankergezwel in de partij. Toegege¬ ven: Somohardjo was een schoft, maar hij was wel een NPs’er en in elk gezin heb je nu eenmaal opstandige kinderen. Maar Arron wenste hier geen rekening mee te houden. Voor hem had Somohardjo afgedaan, ter¬ wijl hij terechte kritiek had geuit op de gang van zaken rond de onafhan¬ kelijkheid. Ons standpunt was dat de

184

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

npk

de onafhankelijkheid samen

met de

vhp

moest realiseren. Dat was waar wij opuit waren. Coalitie en

oppositie dienden hun topoverleg te hervatten en daadwerkelijk naar el¬ kaar te luisteren. Het frustreerde de bevolking dat dit maar niet gebeurde. Wij volgden hierin Pengel. Die had, trouw aan zijn integratiepolitiek, nooit meer dan een dominion-status voor Suriname nagestreefd en alleen langs de weg der geleidelijkheid en in samenwerking met alle bevolkingsgroe¬ pen op de onafhankelijkheid willen aankoersen. Lachmon zat op dezelf¬ de lijn en nam het daarom voor mij op. Hij zag mij als de erfgenaam van Pengel. Maar Bruma en Derby lagen dwars. Zij waren tegen elke bemoei¬ enis van Lachmon met de soevereiniteitsoverdracht. Zij wilden hem ne¬ geren en vernederen, tot grote ergernis van veel NPs’ers. Arron trad hier nauwelijks tegen op. Voor hem gold dat hij het wilde brengen. Hij was een stuntrijder, die in de eerste plaats dacht aan zijn eigen imago. In essentie was de onafhankelijkheid voor hem naammakerij.’9 Liesdek-Clarke erkent dat zij vele gesprekken met Sam Hagens voer¬ de, maar dat het haar eigen beslissing was om uit het NPK-blok te stappen: ‘Hagens was de mentor van Somo. Ik luisterde graag naar hem, maar trok verder mijn eigen plan.’10 Somohardjo bevestigt dat hij zeer nauwe be¬ trekkingen met Hagens onderhield: ‘Hij was mijn belangrijkste adviseur. Hij kon voortreffelijk zijn gedachten op papier zetten en was een meester in het argumenteren. Aan de hand van zijn instructies bereidde ik ver¬ gaderingen en toespraken voor. Overigens adviseerde hij ook anderen. Liesdek-Clarke ging bij hem, Vriesde, Nooitmeer, Gadden en later ook Daal. Hagens was daarnaast een persoonlijke vriend van mij. Ik kwam, behalve in zijn polikliniek, ook thuis bij hem over de vloer. Je zou kunnen zeggen dat we een vader-zoonrelatie hadden. Het is ook Hagens geweest, die mij ertoe heeft gebracht om met Bouterse te praten. Hij heeft mij er¬ van weten te overtuigen dat ik dit moest doen, na alles wat er sinds de coup van 1980 tussen mij en Bouterse was voorgevallen. En ik ben gegaan, al was het met tegenzin.’11 Dat de controverse tussen Arron en Hagens voortvloeide uit de weige¬ ring van Arron om Hagens tot ambassadeur in Nederland te benoemen, noemt Somohardjo een ‘pertinente leugen’: ‘Hagens had geen belangstel¬ ling voor politieke of ambtelijke functies. Hij was een prominent advi¬ seur van de

nps

en stond zijn mannetje in de partijraad, maar hield zich

bij voorkeur op de achtergrond. Hij heeft altijd geweigerd een formele positie in de partij te aanvaarden. Hij had een goede band met Pengel, die veel waardering had voor zijn adviezen. Pengel wilde hem op een gege¬ ven moment voordragen als minister van Volksgezondheid. Maar ook voor die eer bedankte hij. Hagens had wel politieke idealen en die weken af

185

van die van Arron. Vandaar dat deze brak met de gewoonte van Pengel om bij Hagens advies in te winnen. Maar het is grote onzin dat Hagens het bloed van Arron wel kon drinken. Hij was gewoon een opposant van Arron, want een aanhanger van de integratiepolitiek van Pengel en een voorstander van geleidelijke onafhankelijkheid. Als zodanig vormde hij een bedreiging voor Arrons droom.’12 Ook Liesdek-Clarke verwijst het ambassadeursverhaal naar het rijk der fabelen: ‘Hagens zette zich af tegen Arron en Bruma, omdat hij de gevolgen vreesde van hun polariserende optreden. Hij wilde voorkomen dat er scheuren in de samenleving zou¬ den ontstaan door de roekeloosheid waarmee beiden de onafhankelijk¬ heid erdoor wilden jagen. Tevens wilde hij eraan meewerken dat de be¬ zwaren van Lachmon door de regering serieus werden genomen, vooral op het punt van de grondwet.’13 Hoewel het ware verhaal over de drijfveren van Hagens nooit hele¬ maal te reconstrueren zal zijn, staat vast dat zijn invloed groot was en dat de drie NPS-opposanten aanmoediging en inspiratie putten uit zijn ad¬ viezen.14 Het vertrek van eerst Somohardjo en vervolgens van LiesdekClarke en Lee Kong Fong uit de NPK-fractie betekende een belangrijke verzwakking van de positie van de regering. De zetelverhouding was nu niet langer 22-17 3n

voordeel van de regering, maar 20-19 ten gunste

van de oppositie. Door het uittreden van het drietal uit de coalitie kon de regering niet langer rekenen op een parlementaire meerderheid. Liesdek-Clarke, Lee Kong Fong en Somohardjo deelden de analyse van de VHP dat Suriname aan de vooravond van de onafhankelijkheid gebukt ging onder oplopende spanningen en toenemende rechtsonzekerheid. De NPS-fractie in de Staten - zoals het trio zichzelf uitdagend presen¬ teerde - eiste, evenals de rest van de oppositie, dat er diepgaand overleg zou plaatsvinden tussen alle politieke partijen en functionele groepen teneinde gezamenlijk de soevereiniteitsoverdracht te kunnen realiseren. Voorts weigerde de fractie, overeenkomstig het standpunt van de vhp, om mee te werken aan het samenstellen van een parlementaire delegatie die in het Nederlandse parlement de debatten zou bijwonen over de rijkswet ter beëindiging van het Statuut voor Suriname. Volgens de NPS-fractie diende er in de Staten eerst overeenstemming te bestaan over een nieuwe grondwet. Op 18 augustus stelde Liesdek-Clarke om die reden in de Staten voor om de behandeling van de rijkswet in het Nederlandse parlement, die ge¬ pland stond voor 2, 3 en 4 september, op te schorten. Aangezien de aan¬ wezige leden van de coalitie en de oppositie elkaar getalsmatig in even¬ wicht hielden, was de verwachting dat de stemmen over dit voorstel

186

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

zouden staken. Statenvoorzitter Wijntuin besloot hierop het voorstel niet in stemming te brengen en de vergadering tot 21 augustus te verdagen.15 In een persoonlijk onderhoud met Wijntuin gaf Lachmon echter te ken¬ nen geen medewerking te zullen verlenen aan deze vergadering, waarna de Statenvoorzitter er vanaf zag om deze door te laten gaan. Uit woede over de handelwijze van de parlementsvoorzitter besloot Lachmon geen quorum meer te verlenen voor bijeenkomsten van de Staten. Naar zijn oordeel bewees het eigenmachtige optreden van Wijntuin op 18 augustus dat het kabinet zijn parlementaire meerderheid was kwijtgeraakt. Arron diende volgens hem zijn ontslag in te dienen bij de gouverneur, zodat deze de Staten kon ontbinden en nieuwe verkiezingen kon uitschrijven. Hoe¬ wel bij de handelwijze van Wijntuin vraagtekens kunnen worden geplaatst en deze de indruk wekte dat de coalitie ieder risico om naar huis te worden gestuurd wilde uitsluiten, stelde de coalitie zich terecht op het standpunt dat alvorens een premier zijn ontslag bij de gouverneur kon indienen, zijn kabinet via een motie van wantrouwen tot aftreden moest zijn gedwon¬ gen. Om dat mogelijk te maken, was er op zijn minst een vergadering van de Staten nodig.16 Inmiddels had de grondwetscommissie onder leiding van E. Karamat Ali op 21 augustus de conceptgrondwet aan premier Arron aangeboden. Deze wees er bij de presentatie van het werkstuk op dat een belangrijk onderdeel van de werkwijze van de commissie het horen van de daarvoor in aanmerking komende functionele groepen was geweest.17 Hierdoor was de grondwet naar zijn zeggen een weerspiegeling geworden van het¬ geen er onder de Surinaamse bevolking leefde. Statenvoorzitter Wijntuin zei te wensen dat de Staten het concept met algemene stemmen zouden aannemen, zodat in gezamenlijkheid een einde kon worden gemaakt aan drie eeuwen koloniaal bestuur.18 Op Lachmon maakte de aanbieding van het document weinig indruk. Aangezien de memorie van toelichting nog niet was afgeschreven - deze kwam een week later gereed19 - beschouw¬ de de VHP-leider de aanbieding van het concept als een strategische zet, bedoeld om de bevolking gunstig te stemmen. Het topoverleg tussen de coalitie en de oppositie, dat aansluitend op de avond van 21 augustus was hervat, was naar zijn zeggen mislukt. De coalitie had zich beperkt tot het doen van uitlatingen die erop neerkwamen dat de oppositie er maar ver¬ trouwen in moest hebben dat alles goed zou komen. Het enige concrete resultaat van het overleg was volgens Lachmon de afspraak dat de opposi¬ tie schriftelijk commentaar zou leveren op de conceptgrondwet en dit commentaar zou publiceren.20 Bij de opening van het nieuwe parlementaire jaar op 1 september ver-

187

lieten de leden van de

vhp

en Liesdek-Clarke (Somohardjo en Lee Kong

Fong waren afwezig) demonstratief de Statenzaal onmiddellijk nadat gouverneur Ferrier het voorlezen van zijn jaarrede had beëindigd. Hier¬ door kon de minister van Financiën bij gebrek aan quorum zijn begroting voor het dienstjaar 1976 niet indienen en was het evenmin mogelijk om een nieuwe voorzitter en een nieuwe ondervoorzitter van de Staten te kiezen. De oppositie herhaalde dat zij de regering als demissionair be¬ schouwde en alle parlementaire werk zou blijven boycotten zolang het kabinet in functie bleef en zolang er geen uitzicht was op het behandelen van de grondwet vóór de behandeling van de rijkswet. Een door Wijntuin belegde huishoudelijke vergadering kon door de opstelling van de oppo¬ sitie evenmin doorgang vinden. Deze vergadering was bedoeld als een voortzetting van de bijeenkomst van 18 augustus. Als eerste punt op de agenda stond de stemming over het voorstel van Liesdek-Clarke om de behandeling van de rijkswet in het Nederlandse parlement uit te stellen. Hoewel de oorspronkelijke datum van 2 september inmiddels was ver¬ streken, was nog altijd niet duidelijk wanneer de behandeling van deze wet kon plaatsvinden.21 Aangezien Arron, om de datum van 25 november te halen, de behan¬ deling van de grondwet niet vooraf wilde laten gaan aan de behandeling van de rijkswet, zegden Liesdek-Clarke en Lee Kong Fong op 5 september officieel hun vertrouwen in de regering op.22 Hoewel die daarmee haar meerderheid verloor, slaagde de oppositie er niet in deze meerderheid in het parlement te tonen, aangezien Lee Kong Fong, om gezondheidsrede¬ nen en uit angst voor bedreigingen die tegen hem waren geuit, al sinds 16 augustus op een onbekende locatie zat ondergedoken. Eerst verbleef hij, naar later bekend werd, op Aruba, daarna in Colombia en vervolgens in Nederland. De druk die door de coalitie, Fa Tjauw en de oppositie op hem werd uitgeoefend, was hem te veel geworden. Dat de oppositie het niet alleen niet op een motie van wantrouwen tegen het kabinet-Arron kon, maar ook niet wilde laten aankomen, hield volgens waarnemers verband met de opstelling van Lachmon. Die hield er rekening mee dat hij zich de woede van de Creoolse volksmassa op de hals zou halen als hij de NPK-regering ten val zou brengen en wenste in geen geval de geschiedenis in te gaan als saboteur van het onafhankelijkheidsproject.23 Bovendien waren de taxaties die de

vhp

maakte van de

uitslag van nieuwe verkiezingen voor de partij niet onverdeeld gunstig. Surinamers die in deze periode in groten getale naar Nederland vertrok¬ ken - in 1975 zouden meer dan 36.000 mensen de Atlantische Oceaan oversteken24 - behoorden in belangrijke mate tot het electoraat van de

188

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

vhp.

De partij was daardoor allerminst zeker van een verkiezingsover¬

winning. Evenmin wenste de vhp dat het einde van het kabinet-Arron tot gevolg zou hebben dat Nederland, dat zich had vastgelegd op de datum van 25 november, Suriname uit het Koninkrijk zou stoten. Een dergelijke nationale schande zou als een boemerang terugslaan op de reputatie van de partij. De roep om verkiezingen was voor de vh p met andere woorden vooral een middel om druk uit te oefenen op de coalitie en om concessies af te dwingen, maar geen doel op zichzelf.25 In reactie op het optreden van de groep-Liesdek-Clarke sprak de par¬ tijraad van de

nps

op 7 september zijn afkeuring uit over de oprichting

van afzonderlijke NPS-fracties in de Staten. Deze waren volgens de partij¬ raad in strijd met bindende afspraken die in NPK-verband waren ge¬ maakt. Tijdens de laatste verkiezingen had men uitsluitend op de

npk

kunnen stemmen, niet op een van de in de combinatie participerende partijen. Mede om beschuldigingen van woordbreuk voor te blijven, nam de partijraad een motie aan waarin werd besloten de samenwerking met de drie dissidente NPs’ers met onmiddellijke ingang te verbreken. Voorts zou worden onderzocht of de statuten van de

nps

het mogelijk maakten

tegen het drietal disciplinaire maatregelen te nemen. De partijraad ver¬ klaarde dat de onafhankelijkheid volgens afspraak op 25 november zou worden gerealiseerd en dat de nps zich niet van deze historische opdracht zou laten afbrengen.26 Twee dagen hierna maakte Statenvoorzitter Wijntuin bekend dat hij was begonnen met het samenstellen van de delegatie die in Nederland de behandeling van de rijkswet zou bijwonen. Een gesprek met Lachmon had hem ervan overtuigd dat de VHP-leider hieraan alleen wilde meewer¬ ken als de datum van 25 november zou worden losgelaten en er meer tijd zou worden uitgetrokken voor het bespreken van de grondwet. Deze eisen waren voor de

npk

onaanvaardbaar, aangezien deze haaks stonden op af¬

spraken die met Den Haag waren gemaakt. Bovendien zouden deze voor Suriname internationaal prestigeverlies met zich meebrengen. De voor¬ bereidingen voor het verkrijgen van het lidmaatschap van de Verenigde Naties waren al in volle gang. Volgens Wijntuin was zijn initiatief niet strijdig met het reglement van orde, aangezien de Staten al in juli hadden besloten om een delegatie naar Nederland af te vaardigen. Bovendien had hij er zijns inziens alles aan gedaan om met de oppositie tot een ver¬ gelijk te komen. Lachmon bekritiseerde Wijntuins informele wijze van opereren. Zijns inziens was Wijntuin niet bevoegd de Statendelegatie eenzijdig samen te stellen. Het waren de Staten die hier bij meerderheid over dienden te beslissen.27

189

De patstelling tussen de coalitie en de oppositie, die niet in staat waren een motie van vertrouwen respectievelijk wantrouwen aan een parlemen¬ taire meerderheid te helpen, deed de gemoederen hoog oplopen, ook buiten de Staten. Op 12 september werd Liesdek-Clarke het slachtoffer van ernstige bedreigingen. Zij werd bij haar huis door een woedende me¬ nigte belaagd, uitgescholden voor verraadster en met stenen en flessen bekogeld. Enkele betogers wisten zich toegang tot haar woning te ver¬ schaffen en deelden de politica rake klappen uit. Ook werd een molotov¬ cocktail naar haar huis gegooid. Al eerder hadden NPS-vrouwen protes¬ ten geventileerd tegen de ‘eigendunkelijke positie’ die Liesdek-Clarke in de Staten meende te moeten innemen. Zij laakten deze - wat zij noem¬ den - ‘desavouerende daad tegenover de leiding van de npk’.

Er was nooit besloten dat de

nps

binnen de

npk

nps

en van de

een eigen positie

zou innemen, laat staan een eigen fractie zou vormen. De vrouwen dron¬ gen er bij partijvoorzitter Arron en partij raadsvoorzitter Van Genderen op aan Liesdek-Clarke te dwingen haar zetel ter beschikking te stellen en de drie ‘deserteurs’ uit de

nps

te verbannen.28 Om de politieke en maat¬

schappelijke onrust niet verder aan te wakkeren, had de NPS-leiding ech¬ ter besloten aan deze oproep geen gehoor te geven. Met een volksoploop tegen het omstreden Statenlid had zij kennelijk geen rekening gehou¬ den. Liesdek-Clarke zou zich er naderhand over beklagen dat talrijke tele¬ foontjes naar de procureur-generaal, de commissaris van politie en ande¬ re instanties steeds de mededeling hadden opgeleverd dat er onmiddel¬ lijk zou worden ingegrepen, maar dat het lang had geduurd voordat de politie ter plaatse was. De Surinaamse regering had volgens het slachtof¬ fer geen vinger uitgestoken om het gezin Liesdek-Clarke te beschermen. Tot haar ontsteltenis, zo liet zij een Nederlandse journalist weten, mani¬ festeerde Bruma zich als de grote aanstichter: ‘Met zijn dienstauto’s zijn de demonstranten naar mijn huis gebracht. Hij reed zelf rondjes en toon¬ de de demonstranten een gebalde vuist om hen aan te moedigen. Ik kan niet boos zijn op die mensen. Zij moesten stenen gooien om hun brood. Zouden zij niet gooien, dan zou Bruma ze ontslaan, want hij heeft ze aan baantjes geholpen.’ Volgens het oppositielid Mungra waren de belagers bij het ministerie van Algemene Zaken vertrokken en met bussen naar de woning van Liesdek-Clarke gedirigeerd om daar rellen te schoppen. Bewijs voor deze uitlating, waarmee hij het initiatief niet bij de nps

pnr

maar bij de

legde, droeg Mungra niet aan. De regering zelf beweerde, bij monde

van de ministers Arron en Hoost, dat zij Liesdek-Clarke gepaste bescher¬ ming had geboden toen dit nodig bleek.29

190

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

Op initiatief van Arron vond op 16 september op het ministerie van Algemene Zaken een onderhoud plaats tussen hem, Lachmon, Nooitmeer en Wijntuin. Lachmon verklaarde geen bezwaar te hebben tegen een ge¬ zamenlijk realiseren van de onafhankelijkheid, mits de ‘demissionaire regering’ aan een aantal voorwaarden zou voldoen. Hiertoe behoorden het aannemen van de grondwet en een minimum aan organieke wetten vóór de behandeling van de rijkswet, het uitschrijven van verkiezingen vier tot zes maanden na de soevereiniteitsoverdracht, het eveneens op termijn organiseren van presidentsverkiezingen en het betrekken van alle in het parlement vertegenwoordigde politieke partijen, inclusief de

nps

onder leiding van Liesdek-Clarke, bij de verwezenlijking van de onafhan¬ kelijkheid. Lachmon liet weten dat als er op een zeker moment een op¬ klaring in de crisis zou komen, dit voor een belangrijk deel de verdienste van Liesdek-Clarke zou zijn. Ten slotte adviseerde Lachmon om de parle¬ mentaire delegatie die door Statenvoorzitter Wijntuin was aangewezen niet naar Nederland te laten afreizen. Deze ontbeerde de steun van een parlementaire meerderheid.30 Arron had Lachmon duidelijk gemaakt dat hij er grote waarde aan hechtte om hem op 25 november naast zich te hebben staan. Hij merkte op dit te zien als een nationale opdracht in het belang van het Surinaamse volk. Tot zijn spijt had Lachmon geweigerd om samen met de regering de onafhankelijkheid tot stand te brengen. Tegenover de pers verklaarde hij echter te blijven geloven dat er bij de oppositie voldoende nationaal ge¬ voel en democratisch besef leefden om een bevredigende parlementaire behandeling van de grondwet mogelijk te maken. Daar stond tegenover dat hij de visie van Lachmon op de samenstelling van de parlementaire delegatie niet deelde en dat hij diens eis dat de regering de groep LiesdekClarke diende te erkennen als een provocatie opvatte.31 Ook terugblikkend op deze episode liggen bij Arron de emoties aan de oppervlakte. Dwingend trommelend met zijn vingers op tafel: Voor mij was het onmo¬ gelijk mevrouw Liesdek-Clarke cum suis als gesprekspartner te aanvaarden. Neven Dissidenten uit de nps ? Nooit. Op uitnodiging van de parlementsvoorzitters van Suriname, Neder¬ land en de Nederlandse Antillen - respectievelijk Wijntuin, Vondeling en Figaroa - vertrokken de fractieleiders Lachmon en Nooitmeer op 21 sep¬ tember naar Willemstad om te overleggen over de Surinaamse deelname aan de debatten in Den Haag. De besprekingen, die twee dagen duurden, beperkten zich volgens het naderhand uitgegeven communiqué tot een uitwisseling van standpunten over de gewenste datum van de debatten en over de samenstelling van de Surinaamse delegatie. Volgens Lachmon

191

was het overleg vooral een initiatief van Vondeling. Deze wenste geïnfor¬ meerd te worden over de standpunten van de verschillende partijen, zo¬ dat hij de Tweede Kamer adequaat over de actuele politieke situatie in Suriname kon inlichten. Lachmon ontkende dat de gesprekken de coalitie en de oppositie nader tot elkaar hadden gebracht.32 Wat niet naar buiten kwam, was dat Vondeling op de Nederlandse An¬ tillen serieus had geprobeerd om te bemiddelen tussen Wijntuin, Lach¬ mon en Nooitmeer. Lachmon liet Vondeling in een persoonlijk onder¬ houd weten twee eisen te hebben: de erkenning van de driemansfractie Liesdek-Clarke door de regering en de aanvaarding door de Staten van de grondwet vóór de eindstemming over de rijkswet ter beëindiging van het Statuut. In ruil voor het inwilligen van deze eisen verklaarde Lachmon te zullen instemmen met een politieke godsvrede tot en met 25 november. Dit betekende dat hij geen medewerking zou verlenen aan een poging om het kabinet-Arron voordien ten val te brengen.33 In het gesprek dat Vondeling vervolgens met Wijntuin, Nooitmeer en Lachmon gezamenlijk voerde, spraken de eerste twee zich uit vóór het sa¬ menstellen van een Statendelegatie om de debatten in het Nederlandse parlement bij te wonen. Beide coalitieleiders verklaarden er de voorkeur aan te geven de debatten vóór 21 oktober (de datum die inmiddels door de Tweede Kamer was vastgesteld) te laten plaatsvinden. In dat geval zou Suriname de eerste fase van de parlementaire beraadslagingen achter de rug hebben, waardoor er tot 25 november meer tijd zou resteren voor de debatten in de Staten. Lachmon herhaalde dat Wijntuin niet de bevoegd¬ heid bezat om eigenhandig een Statendelegatie samen te stellen en bleef erbij dat de aanname van de grondwet in de Staten vooraf diende te gaan aan de aanname van de rijkswet in het Nederlandse parlement. Wijntuin en Nooitmeer erkenden dat het kabinet-Arron de steun van Lachmon nodig had om verder te kunnen regeren, maar Nooitmeer zei er rekening mee te houden dat Lee Kong Fong mogelijk weer in de schoot van de

npk zou

vh p-fractie’.

terugkeren en dat er misschien ‘iets zou gebeuren in de

Onduidelijk is of Nooitmeer met deze opmerking speculeer¬

de op een ommezwaai in het standpunt van de

vhp

of voorkennis droeg

van het overlopen van individuele VHp’ers naar de coalitie. Lachmon ont¬ hield zich van uitspraken over mogelijke bewegingen in het oppositiekamp en eiste wederom erkenning van de groep Liesdek-Clarke door de regering. Het woord godsvrede kwam hem niet meer over de lippen.34 Wel¬ beschouwd was de bemiddelingspoging van Vondeling hiermee mislukt, al rapporteerde de voorzitter van de Tweede Kamer in tamelijk optimisti¬ sche bewoordingen over zijn missie aan Den Uyl.35

192

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

Terug in Paramaribo bleven besprekingen van Wijntuin met Lachmon over de formatie van een Statendelegatie zonder resultaat. Lachmon wei¬ gerde zitting te nemen in een delegatie die door Wijntuin zou worden sa¬ mengesteld en kondigde aan met een grote delegatie naar Nederland te zullen vertrekken om het kabinet-Den Uyl en het Nederlandse parlement te wijzen op hun verantwoordelijkheid voor een democratisch gefundeer¬ de onafhankelijkheid.36 Nadat Lachmon op 29 september op Schiphol was gearriveerd, voegden in de dagen erna de overige leden van de

vhp-

fractie alsmede de Statenleden Liesdek-Clarke, Somohardjo en Lee Kong Fong zich bij hem. Tweede Kamerleden toonden zich uitgesproken scep¬ tisch over het bezoek van de voltallige oppositie aan Nederland. De uitlandigheid van de Statenleden blokkeerde naar hun mening het parlemen¬ taire werk in Suriname en verhinderde dat daadkrachtig aan een politieke verzoening tussen de coalitie en de oppositie kon worden gewerkt.37 Kamervoorzitter Vondeling maakte kenbaar dat de behandeling van de rijkswet op 21 oktober zou doorgaan mits hij tijdig een lijst met namen van Surinaamse delegatieleden van Statenvoorzitter Wijntuin zou ont¬ vangen. Hij verwachtte dat de Tweede Kamer akkoord zou gaan met elke delegatie die door Wijntuin zou zijn samengesteld, ook als deze alleen uit NPK-parlementariërs zou bestaan.38 Voor Lachmon waren dit weinig bemoedigende uitspraken. Zij bena¬ drukten dat het proces richting 25 november voor de Nederlandse volks¬ vertegenwoordigers onomkeerbaar was. In een gesprek dat Lachmon op 6 oktober met de ministers Den Uyl en De Gaay Fortman voerde, namen de Nederlandse bewindslieden een gelijkluidend standpunt in. Premier Den Uyl liet weten het absurd te vinden als de coalitie en de oppositie in Suriname elkaar niet zouden kunnen vinden om tijdig de grondwet en de rijkswet te behandelen. De vhp had volgens hem de grondwet in principe aanvaard, zodat de weg vrij was om constructieve besprekingen op gang te brengen.39 Eerder had Den Uyl al naar voren gebracht dat de Neder¬ landse regering het in hoge mate zou betreuren als de Surinaamse rege¬ ring zou besluiten om de onafhankelijkheid uit te roepen zonder de hier¬ voor benodigde parlementaire steun te verwerven. Deze mogelijkheid was in PNR-kringen geopperd en door minister Hoost naar voren gebracht in reactie op het halsstarrige verzet van de oppositie.40 Naarmate 25 novem¬ ber dichterbij kwam, werden vertegenwoordigers van de Nederlandse re¬ gering stelliger en lieten zij weten niet te zullen meewerken aan een der¬ gelijke procedure.41 De leden van de groep-Liesdek-Clarke benutten hun aanwezigheid in Nederland om in de meest schrille bewoordingen de situatie in Suriname

193

te schetsen. Liesdek-Clarke en Somohardjo stelden dat Suriname ‘in staat van oorlog’ verkeerde en dat alleen een ‘representatief overgangskabinet van verzoening en eenheid’ het tij zou kunnen keren. Voorts bleven zij er¬ bij dat het aannemen van de grondwet in de Staten vooraf diende te gaan aan de behandeling van de rijkswet in het Nederlandse parlement. Hoewel Lachmon zich akkoord had verklaard met de inhoud van een communiqué hierover, onthulden Tweede Kamerleden en Statenleden dat de twee ge¬ ledingen van de oppositie niet in alle opzichten op één lijn zaten. ‘Blinde hartstocht’ en ‘politieke onervarenheid’ - zo merkten zij op - inspireerden de groep Liesdek-Clarke tot een compromisloze kruistocht tegen Bruma. Politiek realisme, waarbij de invloed van Wijntuin in positieve zin diende te worden genoemd, lag ten grondslag aan de meer gematigde opstelling van Lachmon. Dit laatste bleek uit een aantal zaken. Zo zou de VHP-leider kunnen leven met een overgangskabinet bestaande uit het kabinet-Arron, aange¬ vuld met enkele VHP-ministers, terwijl de groep Liesdek-Clarke erop zou staan dat de PNR-ministers, maar ook premier Arron, alle door VHP-ministers zouden worden vervangen. Voorts zou Lachmon, anders dan Lies¬ dek-Clarke, bereid zijn in te stemmen met de erkenning van de groep Liesdek-Clarke als een afzonderlijke fractie in de Staten in plaats van als een NPS-fractie. In ruil voor deze erkenning zou Lachmon, eveneens in afwijking van het standpunt van de groep Liesdek-Clarke, niet onwelwil¬ lend staan tegenover het behandelen van de rijkswet vóór de aanname van de grondwet, mits de eindbeslissing over de rijkswet tot na de aan¬ vaarding van de grondwet zou worden uitgesteld. Daarentegen riepen beide partijen om het hardst dat zij met een motie van wantrouwen tegen de regering zouden komen.42 Verontwaardiging was er in het oppositiekamp over het besluit van Den Uyl om vast te houden aan de ‘heilige datum’ van 25 november met voorbijgaan aan de ‘menselijke tragedie’ die zich in Suriname afspeelde. Leden van de groep-Liesdek-Clarke betitelden deze houding als een Pontius Pilatus-opstelling. Zij en de vertegenwoordigers van de

vhp-

fractie maakten kenbaar nog geen motie van wantrouwen tegen het kabi¬ net-Arron te hebben ingediend, omdat zij vreesden voor hun leven. De oppositie achtte het denkbaar dat de Koninkrijksregering krachtens arti¬ kel 43 van het Statuut in Suriname zou ingrijpen. Nederlandse bewinds¬ lieden voelden er echter niet voor zich in te laten met de interne aangele¬ genheden van Suriname. Had de oppositie een Statenmeerderheid, zoals zij bij herhaling beweerde, dan diende zij die in het Surinaamse parle¬ ment te tonen. De omstandigheden in Suriname waren er niet naar dat

194

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

dit ónmogelijk zou zijn. De Surinaamse regering had uitdrukkelijk toege¬ zegd de veiligheid van de Statenleden te zullen waarborgen.43 De opvatting dat de patstelling tussen de coalitie en de oppositie een interne aangelegenheid was van Suriname weerhield Den Uyl er niet van om achter de schermen zijn invloed te blijven aanwenden. In een ver¬ trouwelijk telefoongesprek op 7 oktober deelde Den Uyl aan Arron mee dat hij Lachmon had laten weten het ‘hoogst gevaarlijk en hoogst onver¬ standig’ te vinden als deze met twintig man in de Staten iets tegen Arron zou proberen te ondernemen. Zijns inziens zocht Lachmon naar een uit¬ weg, mits hij zijn gezicht kon redden. Arron liet zijn irritatie blijken over de steeds wisselende eisen van Lachmon en schilderde hem af als onbe¬ trouwbaar. Naar zijn zeggen kon hij als NPS-voorzitter de groep LiesdekClarke onmogelijk accepteren en was een reconstructie van zijn kabinet niet aan de orde. Hij betwijfelde of Lachmon werkelijk op de formatie van een nationaal kabinet uit was. Tijdens de besprekingen over zijn tien¬ puntenplan had hij steeds aangegeven in een dergelijk kabinet geen zit¬ ting te willen nemen. Arron verklaarde niet bang te zijn dat de oppositie bij terugkeer in Suriname zijn kabinet ten val zou brengen. Hij had de oppositie toege¬ zegd dat er na de soevereiniteitsoverdracht nieuwe verkiezingen zouden worden uitgeschreven en hij verwachtte dat zij daarmee genoegen zou nemen. Arron deelde de mening van Den Uyl dat tot elke prijs voorko¬ men diende te worden dat 25 november door Lachmon zou worden ge¬ torpedeerd. Op de herhaalde vraag van Den Uyl op welke wijze ervoor ge¬ zorgd kon worden dat de soevereiniteitsoverdracht niet in gevaar zou komen, maakte Arron omtrekkende bewegingen, waarin zich andermaal zijn wantrouwen jegens Lachmon manifesteerde. Den Uyl nam hier geen genoegen mee en drong aan op een gezamenlijke actie van Arron en Lach¬ mon, bijvoorbeeld een ‘goed gesprek’ of een oproep aan de Surinaamse bevolking om eendrachtig te bouwen aan de toekomst van het land. Arron liet weten dat hij geen heil zag in nog een onderhoud met Lachmon. Maar Den Uyl hield aan en onderstreepte dat een akkoord ‘ongetwijfeld bevrijdend’ zou werken. Arron merkte op begrip te hebben voor dit stand¬ punt, maar gaf aan dat Den Uyl op zijn beurt diende in te zien dat diens verzoek naar twee kanten toe zou werken. Den Uyl beaamde dit, waarna beide heren hun openhartige gesprek beëindigden.44 Een lichtpuntje voor Den Uyl en Arron was ongetwijfeld dat de Chi¬ nese afdeling van de

nps,

Fa Tjauw, op 9 oktober Lee Kong Fong opriep

om terug te keren naar de NPK-fractie. De voorzitter van Fa Tjauw liet weten dat de regering in voldoende mate tegemoet was gekomen aan de

195

wensen van de afdeling om het cis te reorganiseren en waarborgen te verschaffen met betrekking tot de grondwet. Dinsdag 25 november dien¬ de naar het oordeel van Fa Tjauw als datum voor de onafhankelijkheid ge¬ handhaafd te blijven.45 De redactie van De Ware Tijd had te doen met Lee Kong Fong: ‘Hij is al opgetrokken met Somo, liet die in de steek, trad op met Liesdek, liet die in de kou, schaarde zich weer aan haar zijde. Nu zou hij haar weer de rug moeten toekeren. Politiek is dat allemaal zonder hand¬ omdraai mogelijk, maar moreel is dat niet meer te verkopen zonder het laatste greintje zelfrespect kwijt te raken.’ Volgens de krant had Fa Tjauw zijn vertegenwoordiger eerst zijn nek laten uitsteken en hem vervolgens laten vallen. Er was niet veel voorstellingsvermogen voor nodig om in te zien dat Lee Kong Fong ten prooi was aan wanhoop en radeloosheid.46 Voor De Gaay Fortman was de opstelling van Fa Tjauw een reden te meer om minister Hoost, voor wie hij grote waardering had, ervan te door¬ dringen dat Nederland vasthield aan een parlementaire goedkeuring van de soevereiniteitsoverdracht. Alle conceptovereenkomsten zouden con¬ cepten blijven en alles wat daarin geregeld was op losse schroeven komen te staan als de Surinaamse regering zou besluiten de onafhankelijkheid eenzijdig te proclameren.47 GIJZELING

Op maandag 13 oktober wist een jongeman, genaamd Rob Salomons, zich wederrechtelijk toegang te verschaffen tot het huis van de familie Arron en Arrons echtgenote Netty en haar moeder48 enige uren in gijze¬ ling te nemen. Spanningen die al maandenlang de politieke arena be¬ heersten, manifesteerden zich nu op een grimmige wijze in de privésfeer van de minister-president. Arron (met tegenzin): We waren net wakker. Ik was bezig om mij klaar te maken om naar het ministerie te gaan. De auto die mij van en naar het mi¬ nisterie bracht, was er nog niet. Een jongeman belde aan met het verzoek mij te spreken. Mijn vrouw, die open had gedaan, vroeg hem even te wachten, zo¬ dat zij de boodschap aan mij kon overbrengen. Voordat zij het wist, had die jongeman de voordeur ingetrapt en rende hij naar boven met een vuurwapen in zijn hand. Er wordt gezegd dat het een automatisch pistool was, maar ik heb het vuurwapen nooit gezien. Mijn vrouw riep mij toe: verdwijn, direct. Ik had toen nog niet onmiddellijk door wat er gebeurde. Ik hoorde wel ineens een deur dichtklappen en een mannenstem die vroeg: waar is uw man? Toen begreep ik de boodschap van mijn vrouw. Ik ben toen naar het achterbalkon gehold, heb een laken aan het bed gebonden en ben zo in mijn plunje naar beneden gegaan. Bij Glans, de buurman, hoefde de politie niet meer gebeld te worden. Dat

196

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

was al gebeurd. Je weet, zoiets gaat als een lopend vuurtje door Paramaribo. De man hield ondertussen mijn vrouw en schoonmoeder onder bedreiging vast. Dat duurde wel een paar uur. Hij zei niet wat hij wilde. Hoe het er verder in huis aan toe is gegaan, weet ik niet, want ik was er niet bij. De politie pro¬ beerde natuurlijk die vent uit die kamer te krijgen, maar dat lukte niet. Op een gegeven moment bleek dat een familielid van hem Bruma kende. Bruma is er toen bij gehaald om te bemiddelen. Nadat hij met de man had gepraat, heeft hij zich overgegeven. Men kwam er al snel achter dat hij gebukt ging onder psychische proble¬ men. Hij is toen onder behandeling gesteld van ’s Lands Psychiatrische Inrich¬ ting, waar dr. Frits Jessurun het hoofd van was. Die had zijn poli hier aan de Gemenelandsweg. Met Frits Jessurun heb ik toen een vertrouwelijke afspraak gemaakt. Want ik wilde die jongen wel eens zien en hem vragen waarom hij dit grapje had uitgehaald. Niet lang na de gijzeling heeft Jessurun hem een keertje naar zijn poli gebracht. We hebben daar met z’n drieën gezeten. De man heeft niets losgelaten over zijn motieven. Ik heb niets uit hem kunnen krijgen. De achtergronden van die gijzeling zijn daardoor ook nooit boven tafel gekomen. Hij is - ik heb er ook voor gepleit hoor - niet vervolgd. Hij is alleen onder psy¬ chiatrische behandeling gesteld. NettyArron: ‘Het was vroeg in de ochtend. Ik was beneden, maar liep nog in mijn slaapkleren. Er werd gebeld bij de voordeur. Toen ik open¬ deed, zag ik een keurig uitziende man. We hadden toen nog een laag hek, waardoor je gemakkebjk toegang tot het erf had. De man zei dat hij Henck moest spreken, direct. Het ging geloof ik om een baan. De man deed heel gejaagd. Ik liet hem weten dat ik verwonderd was over het ongewoon vroege tijdstip waarop hij was gekomen. Maar de man hield aan en her¬ haalde dat hij Henck onmiddellijk wilde spreken. Ik zei tegen hem: wacht u even, ik ga Henck even zeggen. Ik liep naar boven, waar Henck achter zijn bureau zat. Hij had toen ook boven een studeerkamer. Maar terwijl ik naar boven liep, hoorde ik achter mij lawaai en glasgerinkel. De man was bezig de voordeur in te trappen. In no time was hij binnen en snelde hij achter mij aan, de trap op naar boven. Ik holde de kamer in van Henck en deed snel de deur op slot. De man schoot meerdere keren door de deur, vlak langs mij heen. Hij kon mij zien staan, maar wilde mij kennelijk niet raken. Ik riep: Henck, je moet weggaan, hij wil jóu, niet mij. Eerst wilde Henck niet, maar ik drong er bij hem op aan dat hij weg zou gaan. Hij is toen via de slaapkamer naar het achterbalkon gegaan. Door lakens aan el¬ kaar te knopen, kon hij zich vanaf het balkon naar beneden laten zakken. Hij is naar het erf van de buren gerend en heeft alarm geslagen. Kort daarna ging ik onderuit tegen de muur van de studeerkamer. Ik

197

werd er met kracht tegenaan geduwd door de man die met de geforceerde deur naar binnen was gevallen. Toen ik weer was opgestaan, had ik de te¬ genwoordigheid van geest om de man bij zijn schouders te pakken en te stamelen: mijnheer, mijnheer, waarom doet u dit? Ik stond doodsangsten uit. Hij vroeg mij dreigend waar Henck was en dwong mij op de grond te gaan liggen. Mijn moeder, die bij ons logeerde, was op de herrie en het geschreeuw afgekomen. Zij mocht in een stoel plaatsnemen. De man hijgde met wijd opengesperde ogen en zweette hevig. Ook hij verkeerde in doodsangst. Ik probeerde mijn hoofd er zo goed mogelijk bij te houden en zo vriéndelijk mogelijk te blijven. Ik zei: man, denk aan je moeder. Heb je kinderen, denk aan hen. Denk aan degenen van wie je houdt, want dan doe je niemand kwaad. De man liet weten dat hij een sigaret wilde. Ik zei dat hij de blakat’tei (zware shag) kon pakken die op Hencks bureau lag. Dat deed hij. Maar hij kon geen sigaret rollen, want hij wilde het pistool dat hij in zijn hand hield niet loslaten. Toen heb ik de sigaret voor hem gerold. Het vloeitje liet ik hem zelf likken. Hij heeft drie of vier sigaretten gerookt. Inmiddels waren er allerlei mensen op het erf verschenen. Ze pro¬ beerden via de trap naar boven te komen. Wij konden het gedempte pra¬ ten en het gekraak van de treden horen. Toen de man deze geluiden hoor¬ de, reageerde hij panisch. Hij richtte zijn pistool naar boven en loste drie schoten in het plafond. Dat had effect. Het gekraak en gemompel hielden op. Om de situatie te normaliseren, probeerde ik een gesprek met hem aan te knopen. Ik dacht: zolang ik babbel, zal hij geen gekke dingen doen. Ik zei: luister, we zitten allebei in de rotzooi. Ik ga mijn best doen dat men¬ sen begrip zullen hebben voor jouw situatie en dat deze zaak met een sisser zal aflopen. Doe geen domme dingen. Wij zijn geen vrienden, maar wel lotgenoten. Ik kan niets beloven, maar ik ga mij voor je inzetten. Door de geluiden die van buiten de kamer binnendrongen, merkten we dat in Paramaribo langzaam het leven op gang begon te komen. Men¬ sen, niet wetende wat er aan de hand was, probeerden telefonisch con¬ tact met ons te maken. Als er gebeld werd, dan nam de man op. Meestal werd er naar Henck of naar mij gevraagd. Hij zei dan dat we er niet waren. Twee keer sprak hij langer: een keer met wat later een nichtje van hem bleek te zijn en een keer met Bruma. Anderen hadden hen kennelijk ge¬ charterd met het verzoek op de man in te praten. Beiden kenden hem per¬ soonlijk, zo begreep ik later. Het gesprek met Bruma, die met het nichtje en haar man naar ons huis is gekomen, heeft er uiteindelijk toe geleid dat de man zich heeft overgegeven. Eerst mocht mijn moeder vertrekken. Daarna kreeg ik van de man

198

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

toestemming om in de kamer ernaast snel een blouse en een broek aan te trekken. We zijn toen met z’n tweeën naar beneden gegaan: ik voorop, de man vlak achter mij. Tegen de mensen die we onder aan de trap tegen¬ kwamen, riep ik: niemand doet deze man iets, niemand schiet op hem, niemand raakt hem aan. Buiten wachtte een woedende menigte ons op. De mensen waren boos op de man, voor wat hij had aangericht, maar ook op mij, omdat ik hem in bescherming nam. Zij vonden dat ongepast. Maar ik had de man mijn woord gegeven en ik wilde dat hij correct be¬ handeld zou worden. Het stond voor mij vast dat hij hulp nodig had. Met moeite baanden wij ons een weg door de menigte. Het publiek joelde toen de man plaatsnam in een gereedstaande auto. Omstanders probeerden de wagen op te tillen, maar zij werden door de politie gesommeerd zich op afstand van het voertuig te houden. Onder een regen van verwensingen verliet de auto ons erf. Anders dan bij mijn moeder, die tamelijk onaangedaan was door het gebeuren, heeft de gijzeling bij mij lang doorgewerkt. Ik heb veel met Frits Jessurun, de psychiater, over het voorval gesproken. Hij legde mij uit dat mijn mildheid tegenover de dader voortkwam uit een tweeslachtig ge¬ voel: enerzijds doodsangst voor alles wat hij mij had aangedaan en ander¬ zijds opluchting dat hij mij had gespaard. Hierdoor word je heen en weer geslingerd tussen boosheid en dankbaarheid. Ik heb tegen Frits gezegd: je moet die man helpen, hij is een patiënt. Ook Eddy Hoost heb ik dit voorgehouden. Henck had hier moeite mee. Hij vond dat ik mij bemoeide met de geneeskundige praktijk en met de rechtsgang. Gelukkig duurde dit maar even. Ook bij hem overheerste blijdschap over de goede afloop. Henck waardeerde mijn optreden tijdens de gijzeling zeer. Hij liet dit vaak blijken. Lange tijd was ik angstig bij het horen van geluid op de trap. Hierdoor werd ik voortdurend aan de gijzeling herinnerd. Het hielp ook niet dat ik twee jaar na het voorval de man toevallig tegenkwam bij Kersten. Hij keek mij strak aan en liep stoïcijns door. Ik was doodsbang. Zijn beweeg¬ redenen heb ik nooit kunnen achterhalen. Hij zei dat hem een baan was beloofd. Het is mogelijk dat hij in paniek is geraakt toen ik naar boven ging om Henck in te lichten. Misschien dacht hij dat Henck zijn superi¬ eur zou bellen en dat dan zou uitkomen dat hij loog. Ik weet het niet hoor, maar ik kan mij voorstellen dat je hieruit zijn wanhoopsactie zou kunnen verklaren. Het was in elk geval geen politieke daad. Er waren ook geen anderen bij betrokken. Ook Bruma niet, zoals sommige mensen denken. Salomons deed het allemaal op eigen houtje.’49 Buurman Cyril Glans: Tk had in die tijd mijn handelskantoor aan huis.

199

Uit gewoonte zat ik ’s morgens vroeg altijd even buiten. Ook die bewuste ochtend. Ik herinner mij dat ik op een gegeven ogenblik gegil hoorde. Geen schoten. Even dacht ik dat Henck en Netty ruzie hadden, maar ik kwam er al snel achter dat dit niet klopte. Staande op een plek waar onze erven aan elkaar grenzen, zag ik Henck vanaf het achterbalkon met be¬ hulp van aan elkaar geknoopte lakens naar beneden zakken. Hij had al¬ leen een onderbroek aan. Snel sprong hij over de afscheiding, die toen nog laag was, mijn tuin in. “Kom Cyril”, zei hij, “laten we vlug naar boven gaan. Er is een man met een pistool in mijn huis.” Boven ging hij onmiddellijk achter mijn bureau zitten. Eerst belde hij de minister van Justitie, vervolgens een paar andere ministers. Ook stelde hij zich in verbinding met de politie. Ik kreeg niet de gelegenheid iets te doen. Hij was in charge. Er was niets paniekerigs in zijn manier van optreden. Hij sprak normaal en leek zichzelf goed onder controle te hebben. Ik gaf hem een broek en een hemd, die hij aantrok. Ook deed hij een paar slippers aan. Omdat mijn kleren veel te groot waren voor hem, trok hij er een badjas overheen. Later bracht iemand hem passende kleren. Ik geloof dat het zijn zuster was. Hij heeft zich toen opnieuw verkleed. Voordat ik het wist, was het een drukte van jewelste. Ministers arri¬ veerden, parlementariërs, omstanders. Op een gegeven ogenblik liep bij¬ na de voltallige regering hier rond. Ook Pa Lem was er. Hij vroeg of hij ge¬ bruik mocht maken van de pellets die op mijn erf stonden. Ik gaf hem daarvoor toestemming. Hij bouwde toen inderhaast een podium. Henck klom erop en hield een korte toespraak. Iedereen luisterde. Ook de pers, die natuurlijk lucht had gekregen van de zaak en die zich bij de aanwezigen had gevoegd. Henck belde met Netty en met Salomons. Ook Bruma en mw. Henar, een nichtje van Salomons, spraken telefonisch met hem. Bruma en het echtpaar Henar vertrokken daarna naar Hencks huis en onderhan¬ delden - zo begreep ik later - op de trap met hem. Ik kreeg de indruk dat het met het gevaar wel meeviel. Anders was er wel een arts of een andere deskundige bij gehaald. Arron, maar ook de an¬ dere ministers, bleven al die tijd rustig. Eerst mocht Hencks schoonmoe¬ der vertrekken. Zij ging weg met een familielid. Daarna kwamen Salo¬ mons, Netty, Bruma en het echtpaar Henar naar buiten. Henck hield daarna weer een toespraak vanaf het geïmproviseerde podium. Hij kal¬ meerde de mensen en zei dat hij verheugd was dat iedereen ongedeerd was gebleven. Hij sprak zijn bewondering uit voor de moed van Netty en verzocht alle aanwezigen rustig te blijven. Ministers en parlementariërs verheten daarop mijn erf en gingen samen met Henck naar diens huis om na te praten. Van werken kwam die dag niet veel meer.’s°

200

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

Waldemar Henar: ‘Op de radio had ik over de gijzeling gehoord. Maar je weet hoe dat gaat: de berichten waren heet van de naald en riepen al¬ lerlei vragen op. Ik ben toen eerst naar het huis van Ahmed Karamat Ali, de minister van Openbare Werken, gereden, die ik goed kende. Hij woon¬ de ook in de Gravenberchstraat. Met hem was alles in orde. Daar kreeg ik van mijn toenmalige vrouw een telefoontje dat Robby Salomons de gij¬ zelnemer was. Robby was een neef van haar. Zij is toen ook naar het huis van Karamat Ali gekomen en samen zijn we naar het huis van Cyril Glans gereden. Het was daar één consternatie. Frits Jessurun was er ook. Hij verbood iedereen om naar binnen te gaan. De zaak zou verergeren, voor¬ spelde hij. Er zouden meer mensen gijzelaar worden gemaakt. Ik ant¬ woordde dat ik naar binnen wilde. Robby zou mij geen kwaad doen, daar was ik van overtuigd. Maar wie was ik? Een jongeman van 28 jaar zonder gezag. Bruma, die er ook bij was gehaald, had wel gezag. Hij was boven¬ dien een goede onderhandelaar. Hij kon Robby de garantie van bijvoor¬ beeld een vrijgeleide geven. Op een gegeven moment heeft Bruma de knoop doorgehakt en gezegd: kom, we gaan. Met zijn drieën. Bruma, mijn vrouw en ik begaven ons naar het huis van Arron en he¬ pen de trap op naar boven. Daar aangekomen, riep ik: “Robby!” Toen hij mijn stem hoorde, werd hij hysterisch. “Waarom hebben ze jou gestuurd? Ze weten dat ik jou niets ga doen!” Door de muur heen hebben we met hem gepraat. Spontaan. We hadden niets van tevoren afgesproken. Ach¬ teraf misschien een beetje gek, maar de situatie was er niet naar dat we met een vooropgezet plan naar hem toe gingen. Robby liep naar een be¬ lendende kamer en deed voor ons open. We zijn naar binnen gegaan en met onderhandelen begonnen. Hij beloofde de twee vrouwen te zullen vrijlaten als wij hem zouden begeleiden naar de kliniek van dokter Brunings. Die was als huisarts gevestigd aan de Van Idsingastraat. Robby wil¬ de alleen in mijn auto daarnaartoe. Ik dacht toen dat Netty en haar moeder op zouden staan en weg zou¬ den gaan. Maar Netty ging naar Robby toe en zei met veel nadruk: “Wij hebben een afspraak. Wij gaan geen gekke dingen doen.” Ze heeft zich in een groen pakje gestoken en is samen met haar moeder naar beneden ge¬ gaan. Daarna volgden wij. Bruma, mijn vrouw en ik als schild voorop, Robby achter ons. Onder aan de trap stonden wel acht politieagenten met karabijnen in de aanslag. Ik heb gegild: “Gaan jullie weg!” Inspecteur Brewster heeft die mannen toen weggehaald. Brewster heeft zich bij ons gevoegd en erop gestaan bij ons in de auto te komen. Robby ging daarmee akkoord. Het was een oude wagen. Mijn vrouw en ik gingen voorin zitten, Robby met pistool en Brewster met pistool achterin. Bizar, maar waar.

201

Robby had ook nog een flesje met gif bij zich. Tenminste, dat beweerde hij. Op het erf was er groot tumult. Mensen probeerden onze auto op te tillen, maar gelukkig werden we door de politie ontzet. We zijn naar de kliniek van dokter Brunings gereden en daar heeft volgens afspraak de overdracht plaatsgevonden. Robby was een good looking guy. Groot, sterk, verzorgd gekleed. Ik herinner mij dat hij die dag een bruin kostuum droeg. Zijn leven was niet over rozen gegaan. De oorzaak daarvan lag in zijn jeugd. Hij was een voorkind51 en voelde zich een verschoppeling. Het lukte hem maar niet om zijn draai te vinden. In Nederland, waar hij lange tijd woonde, had hij alleen maar baantjes voor korte tijd gehad en was hij van lieverlee op het criminele pad terechtgekomen. Na een paar veroordelingen verliet hij vrouw en kind in Nederland en kwam hij hier om werk te zoeken. Hij wil¬ de bij de

ciD,

de Centrale Inlichtingen Dienst. Om zijn kansen te vergro¬

ten, deed hij aan kracht- en conditietraining. Maar men hield hem aan het lijntje. Op een gegeven moment heeft hij die snap gekregen. Want hij voelde zich opnieuw afgewezen. Hij wilde verhaal halen bij Arron, for¬ meel hoofd van de

cid.

Volgens zijn kronkelredenering zou Arron die job

voor hem moeten regelen. Daar had hij naar zijn mening recht op. Nadat hij over de edge was gegaan, werd hij enige tijd psychiatrisch behandeld. Maar al snel keerde hij weer terug in de burgermaatschappij. Hij had af en toe werk, onder andere in het leger, maar leefde vooral van een uitkering die hij uit Nederland ontving. Hoewel niet helemaal toerekeningsvat¬ baar, was hij in de gewone omgang een heel zachtaardige en prettige jon¬ gen. Een heel goede schaker ook. We hebben nooit meer over het voorval gesproken. Bewust niet. Doorgaan met leven was voor hem het beste. Zijn familie steunde hem daarbij. Ergens in de jaren negentig is hij ge¬ storven.’52 Nadat duidelijk was geworden dat de gijzeling na een aantal spannen¬ de uren met de overgave van de gijzelnemer was beëindigd, verklaarde Arron in een emotionele televisietoespraak dat men het op zijn leven had gemunt. Volgens sommigen wekte hij met die opmerking de suggestie dat de dader een werktuig was in handen van de oppositie en dat politieke te¬ genstanders voor de gijzelingsactie verantwoordelijk waren. In de Maag¬ denstraat en Jodenbreestraat en op de Centrale Markt werden in reactie op deze woorden stalletjes van Hindostaanse kooplieden door Creolen ondersteboven gesmeten en vernield. Verschillende handelaren liepen lichamelijk letsel op, enkelen werden beroofd. De politie in oproertenue greep in en herstelde de orde. De volgende dag bleef een groot aantal kooplieden uit angst voor nieuwe ongeregeldheden thuis. Sommige bus-

202

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

houders, die de dag ervoor met stenen en flessen waren bekogeld, wei¬ gerden passagiers te vervoeren.53 Arron: De gebeurtenissen in de stad zijn niet het gevolg van wat ik op televisie over de gijzeling heb gezegd. Natuurlijk, ik ben ook een mens, ik heb het direct in de politieke sfeer getrokken, maar ik heb alleen maar gezegd: now den wan’ kir’ mi [nu willen ze mij vermoorden] of woorden van gelijke strekking. Vervolgens was er rotzooi aan de Jodenbreestraat. Lachmon heeft dat geïnterpreteerd alsof ik een raciale uitspraak had gedaan. Alsof die gijzeling uit het Hindostaanse kamp kwam. Maar ik ben niet gek. Dat was niet de bedoeling. Ik heb gezegd: now den wan’ kir’ mi, want dat was toch waar? Waarom ga je gijzelen? Om iets af te dwingen? Nee. Er was niets af te dwingen. De oppositie liet zich niet door deze lezing overtuigen. Lachmon sprak van opruiende uitspraken en gaf te kennen het bespelen van raciale sentimenten gevaarlijk te vinden.54 Andere politieke tegenstanders trok¬ ken openlijk de toedracht tot de gijzeling in twijfel. De Statenleden Somohardjo en Lee Kong Fong verklaarden dat Arron welbeschouwd de vrijheidsberoving zelf had uitgelokt, aangezien hij weigerde de meerder¬ heid in het parlement te erkennen.55 De VHp’er Mungra bestond het om diezelfde maand in de Nederlandse Tweede Kamer te verkondigen dat Arron de gijzeling persoonlijk had geënsceneerd.56 Weer andere VHp’ers wezen Bruma aan als de kwade genius achter de gijzelingsactie. De pnrleider zou de oppositie verdacht hebben willen maken en zichzelf als be¬ middelaar een aansprekender imago hebben willen aanmeten.57 Al deze aantijgingen waren ongegrond. De zaak was een eenmans¬ actie zonder politiek oogmerk, die relschoppers ertoe bracht om onschul¬ dige burgers te molesteren en Statenleden aanmoedigde om uit de affaire politieke munt te slaan. Dat Arron zich, tegen zijn gewoonte in, ook had laten meeslepen door hartstochten, illustreerde hoezeer de politiek op dat moment zijn leven beheerste. Tegelijk waren de omstandigheden waar¬ onder hij zijn uitspraken had gedaan uitzonderlijk. De fysieke integriteit van hem, zijn vrouw en zijn schoonmoeder waren in ernstige mate be¬ dreigd geweest. Kennelijk meer dan hij besefte, had dit zijn handelwijze beïnvloed.58

HINDORI

In de Staten van Suriname bestond nog altijd onduidelijkheid over de getalsmatige verhouding tussen de coalitie en de oppositie. VHP-leider Lachmon hield het op

20-19

in het voordeel van de oppositie en zag hierin

aanleiding om vergaderingen van het parlement te blijven boycotten, npkleider Arron stelde zich op het standpunt dat zolang de oppositie er niet

203

in slaagde met twintig leden in de Staten te verschijnen, de meerderheid onverminderd in handen van de coalitie was. Hoe kon onder die omstan¬ digheden de onafhankelijkheid op een rechtmatige wijze worden gereali¬ seerd? De ontstane patstelling zou worden doorbroken via een dramatische ontknoping, die politiek Suriname op zijn kop zette en tot de dag van vandaag met vragen is omringd. Hoewel Arron bij eerdere gelegenheden al een tipje van de sluier oplichtte59, liet hij niet eerder in detail zijn licht over deze zaak schijnen. Arron: In de tijd dat ik mij bezighield met psycho¬ analyse, mede aan de hand van Psychoanalyse en politiek van Herbert Marcuse, was George Hindori lid van de VHP-fractie. Ik observeerde zijn positie en ik projecteerde hem, uitgaande van zijn optreden in het parlement, maar ook van wat hij daarbuiten vertelde, naar de toekomst. Ik wist ook dat hij een troonpretendent van Lachmon was, samen met Alwin Mungra, maar hij was iets daarboven. Dan begin je te focussen op een dergelijke figuur. Ik heb hem toen een keer in het parlement gezegd: Mijnheer Hindori, wees voorzichtig in de politiek, want je zou wel eens een lonely rider kunnen worden. Dat was lang vóór oktober 1975, maar ik was al wel minister-president.60 Hindori tenniste op een baan die direct grensde aan het ministerie van Algemene Zaken, waar ik mijn kantoor had. George Hering, mijn toenmalige perschef, maakte mij daarop attent. We hebben toen samen een scenario ont¬ wikkeld. Hering kreeg de opdracht om te gaan praten met Hindori. Gewoon luchtige gesprekjes eerst, om vertrouwen te wekken, maar voerend naar een bepaalde climax. Er zijn toen een aantal gesprekken tussen die twee geweest. Op een gegeven moment achtte ik het moment aangebroken om het vogeltje - lees Hindori - in de klep te krijgen. Nog niet direct, maar je begint hem te lokken, via die gesprekken met Hering, die zich gingen richten op maar één ding: word geen lonely rider, doe een goeie nationale zaak, wantje hebt meer potentie dan je denkt. En die boodschap schijnt hem aangesproken te hebben, want ik stond er ook versteld van toen Hering op een zeker moment naar mij toekwam en zei dat Hindori een verklaring wilde afleggen. Toen heb ik aan Hering gevraagd: wat wil hij zeggen? Dat werd toen van hem losgepeuterd, niet op papier, maar verbaal. Daar zette ik ook iets verbaals tegenover, via Hering. Ik zei: zeg aan George Hindori dat hij mij zeer zou plezieren als hij dit bracht. Toen kwam de grote dag, dinsdags oktober. Hering zei tegen me: Hindori heeft zijn verklaring af. Ik zeg: dan wil ik het nu wel zwart op wit zien. Hindori zond me de tekst toe op het ministerie. Ik heb toen een aantal wijzigingen aan¬ gebracht. Vervolgens moest worden geregeld dat Hindori zijn verklaring afleg¬ de via de televisie, met simultane uitzending op de radio. Maar hoe kregen we Hindori daar. Want die zaak was tense hoor, op dat moment. Toen heb ikge-

204

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

zegd: laat hem hier bij mij thuis komen. Ik had intussen al metFrits Pengel van de stvs afgesproken hoe dat technisch allemaal zou moeten. Eerst kon het niet. Toen heb ik gezegd: wat kan niet? Wat kan niet in deze wereld? Het móet. Frits heeft de organisatie op zich genomen enHindori is hiernaartoe gekomen. Toen hebben wij de laatste wijzigingen in zijn tekst aangebracht, want ik had nog een paar correcties. Vervolgens hebben we Hindori getransporteerd naar het ministerie van lvv, schuin tegenover de stvs.61 Een paar minuten voor halfacht is Hindori de televisiestudio ingeloodst en direct bij aanvang van het jour¬ naal heeft hij zijn verklaring afgelegd. In zijn redevoering - die hij, zoals hijzelf vaststelde, precies zeven jaar na zijn toetreding tot de Staten van Suriname hield - bracht Hindori in herinnering dat hij zich vier weken daarvóór openlijk had verzet tegen het bezoek van de voltallige oppositie aan Nederland.62 Het stond voor hem vast dat de delegatieleden in Nederland moeilijk enige bijdrage zou¬ den kunnen leveren aan de oplossing van problemen die zeer speciaal in Suriname liggen’. Hij verklaarde uit loyaliteit tegenover zijn partij naar Nederland te zijn meegereisd, maar meende dat nu de onafhankelijkheid onomstotelijk vaststond, het zaak was dat ‘door gezamenlijk optreden waardige en verantwoorde voorbereidingen [... ] worden getroffen ten behoeve van ons nieuw Suriname’. Hoofdzaken voor hem waren de aan¬ name van een deugdelijke grondwet, de inwerkingtreding van de nood¬ zakelijke organieke wetten en het houden van verkiezingen binnen zes maanden na de soevereiniteitsoverdracht. Deze laatste overgangsmaat¬ regel diende te worden vastgelegd in de grondwet. Om genoemde doelen te realiseren, verklaarde Hindori dat hij besloten had om het partijbelang ondergeschikt te maken aan het landsbelang en mee te helpen het ‘parle¬ mentaire mechanisme’ weer op gang te brengen, zodat ‘conform onze parlementair democratische normen’ gebouwd kon worden aan ‘het noodzakelijke juridische fundament van ons onafhankelijk Suriname’.63 Bij de oppositie sloeg de redevoering van Hindori in als een bom. Uit¬ gerekend de kroonprins van Lachmon - ‘de meest betrouwbare man van mij, die met al mijn geheime stukken rondliep’64 - durfde het aan om ‘het principe van automatische gehoorzaamheid’, zoals Hindori het formu¬ leerde, terzijde te schuiven en de coalitie aan een parlementaire meerder¬ heid te helpen. Door de vertrouwensband die hij met Hindori onderhield en de politieke toekomst die hij voor hem in gedachten had, vatte Lachmon Hindori’s verklaring op als een persoonlijke belediging die hem tot in het diepst van zijn ziel krenkte. Het waren de teleurstelling en verbittering van een vader, die zijn gezag ondermijnd en zijn vertrouwen beschaamd ziet door een weerspannige en ondankbare zoon. Hoewel het in de Suri-

205

naamse parlementaire geschiedenis niet ongebruikelijk is dat Statenleden van politieke loyaliteit wisselen en zich bij een concurrerende partij of partijcombinatie aansluiten, was de schok bij de

vhp

groot, omdat de

stap van Hindori in één klap een einde maakte aan wat voor de partij een heilige opdracht was geworden: het tegenhouden van de onafhankelijk¬ heid.65 Ook voor de coalitie kwam de redevoering van Hindori als een verras¬ sing. Sommige NPK-leiders betwijfelden of hij wel op eigen gezag had ge¬ handeld. Tegenover de Nederlandse diplomaat Henk Leopold, die later dat jaar tot ambassadeur in Suriname zou worden benoemd, merkte Van Genderen op dat hij Hindori een hoogstaand mens vond. Hij was van brahmaanse afkomst en bezat een brahmaanse geest. Daarmee onder¬ scheidde hij zich van zijn partijgenoot Mungra, die volgens de NPS-partijraadsvoorzitter van de laagste kaste was, alleen negatief kon denken en handelen, en voor wie in de partij strategie dan ook altijd een negatieve rol werd gereserveerd. Toch noemde Van Genderen de verklaring van Hindori een ‘toneelopvoering, die in alle details in overleg met Lachmon was voorbereid en ingestudeerd’. Hindori zou volgens hem de

vhp

nooit

afvallen. Deze uitlatingen illustreren het ongeloof van Van Genderen in de eigenstandigheid van Hindori’s beslissing en in diens moed om tegen de VHP-partijdiscipline in te gaan. Er kon overigens niet worden beweerd dat - los van Arron en Hering - vooraf niemand van Hindori’s initiatief op de hoogte was geweest. In de ochtend van 13 oktober had Hindori - die op zoek was naar morele steun - een gesprek onder vier ogen gehad met gouverneur Ferrier. Na dit onderhoud had hij tegenover een medewerker van de Nederlandse ambassade-in-opbouw verklaard dat hij rekende op de medewerking van vijf of zes van zijn partijgenoten in de Staten. Als hij het spits afbeet, dan zouden ook zij volgens Hindori bereid kunnen worden gevonden om aan een geordende procedure in de Staten mee te werken.66 Er wordt tot op de dag van vandaag gespeculeerd over de vraag door welke motieven Hindori werd gedreven. Zelf zei hij er in zijn verklaring over dat hij handelde uit overtuiging en krachtens zijn geweten, en dat er momenten van diepgaande bezinning aan zijn besluit vooraf waren ge¬ gaan. Hij merkte op te weten dat veel fractiegenoten zijn standpunt deel¬ den, maar niet in een positie verkeerden om hier ruchtbaarheid aan te geven. Naar zijn zeggen was het niet zijn ambitie om anderen tot zijn in¬ zichten over te halen. Een ‘stap van verzoening’, zoals hij had gezet, was volgens hem alleen van waarde als die ‘van binnenuit’ kwam. Hindori ver¬ klaarde de consequenties van zijn handelen in nederigheid te zullen aan¬ vaarden, ook al zou dit het einde van zijn politieke carrière betekenen.

206

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

Met deze laatste opmerking gaf hij er blijk van doordrongen te zijn van de politieke risico’s van zijn daad.67 Uit de correcties die Arron in de verklaring van Hindori aanbracht, blijkt dat de laatste zijn tekst vooral had geschreven met het oog op het verantwoorden van zijn besluit tegenover partijgenoten. Kennelijk om de VHP-fractie milder te stemmen, was hij daarbij kritiek op de regering niet uit de weg gegaan. Begrijpelijk genoeg was Arron van deze aanmerkingen minder gecharmeerd. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de passage waarin Hin¬ dori opmerkt het niet eens te zijn met de wijze waarop de regering de kwestie van de onafhankelijkheid had aangepakt. In de definitieve versie van de verklaring staat dat hij het hier niet geheel mee eens was. Een verge¬ lijkbare afzwakking betreft Hindori’s beschuldiging aan het adres van de regering, dat zich in politiek en bestuurlijk opzicht vele tekortkomingen hadden voorgedaan in de aanloop naar de soevereiniteitsoverdracht. Deze zin werd gewijzigd in helaas tekortkomingen hadden voorgedaan. Ten slotte is er op die plaatsen in de verklaring waar Hindori zich als vHp’er presen¬ teert, deze aanduiding één keer doorgehaald en is twee keer VHp’er ver¬ anderd in Surinamer. Met de wijzigingen die werden aangebracht, nam Hindori, meer dan hij zich aanvankelijk had voorgenomen, afstand van de VHP en benadrukte hij dat zijn steunbetuiging aan de coalitie voortkwam uit patriottistische overwegingen. Achter de overstap van Hindori is door menigeen de hand van Neder¬ land vermoed. Arron: Er wordt verteld dat Nederlandse parlementariërs en ministers Hindori ook onder druk hebben gezet. Hij heeft dat tegenover mij al¬ tijd ontkend. Hij heeft toegegeven dat het de gesprekken met George Hering zijn geweest die hem ertoe hebben gebracht zijn verklaring af te leggen. Daar¬ naast was het de opstelling van Lachmon die hem begon te vervelen: iedere keer zeggen dat je wilt meewerken en je dan weer terugtrekken. Meewerken, terugtrekken, meewerken, terugtrekken, het ging hem de keel uithangen. Hij wilde om die reden kappen met de automatische gehoorzaamheid en het parle¬ mentaire mechanisme, dat door Lachmon was stopgezet, weer op gang brengen. Want het parlement vergaderde dan wel niet, de voorbereidingen richting de onafhankelijkheid gingen gewoon door. En Hindori onderkende dat het niet in het landsbelang was dat deze situatie bleef voortbestaan. Otmar Rodgers bevestigt de lezing van Arron: ‘Hindori ergerde zich aan het gedrag van Lachmon, die steeds een akkoord met ons leek te berei¬ ken, maar dan vervolgens weer op zijn schreden terugkeerde. Anders dan veel VHP’ers had Hindori een bredere kijk op de ontwikkelingen, omdat hij zich in een veel ruimer milieu bewoog, onder andere via het tennis. Hij was tenniskampioen van Suriname geweest. Zijn peergroup zocht hij

207

niet alleen bij Hindostanen. Ook liet hij zich meer door zijn ratio dan door zijn gevoel leiden. De

vhp

ging uit van het standpunt: wat goed is

voor de vhp is goed voor Suriname. Hindori draaide het om: wat goed is voor Suriname dient ook goed te zijn voor de vhp. Bovendien had hij een goed contact met Nederlandse politici en was hij gevoelig voor erken¬ ning van zijn bijdrage door de Hollanders. Deze combinatie van factoren leidde ertoe dat Hindori zijn besluit nam. Maar het overkwam Arron. Een kwestie van geluk hebben kan je zeggen, maar hij werkte er ook voor.’68 Azimullah: ‘Hindori was geen typische

VHP’er.

Hoewel hij van Hin-

dostaanse afkomst was, leek hij in zijn optreden meer op een verwesterste Creool of een Nederlander. Heel lang heeft hij zich als

VHP’er

dienst¬

baar opgesteld en zijn persoonlijke ideeën ondergeschikt gemaakt aan die van de partijleiding. Tot 14 oktober 1975. Toen was de maat voor hem vol. Hij wilde dat de onafhankelijkheid op een ordelijke manier tot stand kwam. Het diende een gedenkwaardig moment te zijn in de Surinaamse geschiedenis. Ook de Nederlanders waren die mening toegedaan. Bij hen lag Hindori goed. Zij beschouwden hem - anders dan de vuurspuwer Mungra, de filosoof Adhin en de leider Lachmon - als een man met wie je op een rationele wijze kon discussiëren. Wat daarbij hielp, was dat Hin¬ dori in die tijd een zware borrelaar was, net als Pronk. Dat vergemakke¬ lijkte de communicatie.’69 Dochter Jayanti Hindori: ‘Voor ons staat vast dat hij uit liefde voor zijn land heeft gehandeld. Wel kan je je afvragen wat er bij hem voorop heeft gestaan: uit de politieke impasse komen en de raciale spanningen wegnemen of de onafhankelijkheid realiseren. Persoonlijk denk ik dat als de situatie niet zo grimmig was geweest en de coalitie en de oppositie niet zo onverzoenlijk tegenover elkaar hadden gestaan, hij niet zou zijn om¬ gegaan. Hij was geen fervente voorstander van onafhankelijkheid. Maar hij zag op een gegeven moment dat die onafhankelijkheid er hoe dan ook zou komen en hij vond dat politici de verantwoordelijkheid hadden om de soevereiniteitsoverdracht op een waardige wijze te laten plaatsvinden. Met die opstelling heeft hij het zichzelf als

VHP’er

niet gemakkelijk ge¬

maakt. De beschuldigingen van verraad waren niet van de lucht. Ook in latere jaren zou hij daarmee geconfronteerd worden. Mensen verweten hem dat zijn steun aan de coalitie de oorzaak was van de coup van 1980 en van de decembermoorden. “Het begon niet bij mij”, reageerde hij dan laco¬ niek, “maar bij Columbus.” En inderdaad, zo ver terug in de tijd kan je gaan als je een zondebok wilt zoeken. Zijn houding was: ook al begrijpen ze mij nu niet, later zullen ze inzien dat het een juiste beslissing is geweest. Ook Arron had die instelling met betrekking tot de onafhankelijkheid.’70

208

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

Volgens Arron liep Lachmon sinds 14 oktober 1975 met de gedachte rond dat Den Uyl zijn kroonprins had overgehaald om zich bij de coalitie aan te sluiten. Volgens Sedney waren het de ministers De Gaay Fortman en Pronk geweest, die in september op de twintig Surinaamse parlemen¬ tariërs hadden ingepraat en daarbij Hindori over de streep hadden ge¬ trokken. Pronk verklaarde achteraf dat deze gesprekken inderdaad had¬ den plaatsgevonden, maar dat het Hindori’s eigen idee was geweest om de kant van de coalitie te kiezen. Vaststaat dat Hindori ook met De Gaay Fortman sprak en dat de laatste diens opvattingen ‘verstandig en beleidsvol’ achtte.71 Tegen het einde van zijn leven verklaarde Lachmon dat Hin¬ dori volgens hem in Nederland onder druk had gestaan van Tweede Kamer¬ leden. Hij hield er echter ook rekening mee dat leden van de coalitie hem in Suriname hadden bewerkt. Over de betrokkenheid van Nederlandse ministers wilde hij zich niet uitspreken.72 Hoewel partijhistorici het misschien graag anders zouden zien, is het waarschijnlijk dat elke van bovengenoemde lezingen, die per saldo niet met elkaar in tegenspraak zijn, een stukje van de waarheid bevatten. Door de patstelling die er in het najaar van 1975 bestond, is Hindori’s geweten gaan spreken en heeft hij uit vaderlandsliefde gemeend een daad te moe¬ ten stellen. Dat hij, opererend in een complex krachtenveld, bloot heeft gestaan aan externe invloeden, is evident. Surinaamse en Nederlandse politici zijn hem behulpzaam geweest bij het vormgeven van zijn gedach¬ ten en bij het laten uitkristalliseren van zijn initiatief. Maar uiteindelijk is het Hindori’s persoonlijke beslissing geweest om zijn verklaring af te leggen.73 Voor Arron betekende de stap van Hindori dat hij zijn twintigste man binnen had, dat de impasse was doorbroken en dat de parlementaire be¬ raadslagingen konden worden hervat. Achteraf stelde hij vergenoegd vast dat het hem was gelukt om, zij het met behulp van een kunstgreep, uit de problemen te komen. Met smaak herinnert hij zich wat zich tij¬ dens de toespraak van Hindori afspeelde: Laat toevallig - en daar lachen we nu beiden om, Lach en ik - laat toevallig Lachmon, die er niets van wist, samen metAlwin Mungra in de auto zitten. Want zo werd vroeger politiek be¬ dreven. Als je politieke geheimen te bespreken had, dan ging je autoritjes ma¬ ken. Mungra zet op een gegeven moment zijn radio aan. Hé, George Hindori op de radio, laten we horen. Toen was George nog met zijn inleiding bezig. Dus Lach dacht: ach, laat die jongen gaan. En toen kwam die slag. Lachmon heeft mij uitgelegd, hij zei: Henck, als ik hartpatiënt was geweest, dan had ik een hartaanval gehad, direct. Ik was onmiddellijk doodgegaan. Als ik toevallig bij een stoplicht had gestaan, had ik niet gekeken of het rood, groen of oranje was.

209

Tegenover de pers verklaarde Hindori dat hij niet achter de regering was gaan staan en dat hij evenmin plannen had om de

vhp

de rug toe te

keren. In zijn televisietoespraak had hij uiteengezet dat de twintig oppo¬ santen in Nederland een motie van wantrouwen tegen de regering had¬ den voorbereid, maar dat het indienen van een dergelijke motie naar zijn oordeel pas relevant zou zijn op het moment dat de regering zou weige¬ ren rekening te houden met de standpunten van de oppositie. Naar zijn zeggen was het nog niet zover en stond nog te bezien of het ooit zover zou komen. Ook wilde het er bij hem niet in dat nieuwe verkiezingen iets zouden oplossen: Tn alle realiteit weiger ik te geloven dat een totaal nieu¬ we regering onder de huidige omstandigheden in staat zal zijn binnen enkele weken de onafhankelijkheid beter voor te bereiden, nog afgezien van de nieuwe spanningen die er kunnen ontstaan.’ Als verkiezingen al op korte termijn georganiseerd konden worden en een zege voor de op¬ positie zouden opleveren, dan was het volgens Hindori onwaarschijnlijk dat nog vóór 25 november een nieuw kabinet geïnstalleerd zou kunnen worden. In een dergelijke situatie was het denkbaar dat een demissionair kabinet-Arron de onafhankelijkheid eenzijdig zou proclameren. Daarmee zouden politiek en samenleving nog verder van een waardige start van de republiek Suriname verwijderd zijn. VHP-prominenten toonden zich niet ontvankelijk voor de argumen¬ ten van Hindori. Zij namen het ‘deserteren’ van hun partijgenoot hoog op, laakten zijn ‘verradersrol’, beschuldigden hem van ijdelheid en serviliteit richting de Nederlanders, en achtten voortzetting van de samenwerking met hem niet langer mogelijk. Tijdens de debatten in het Nederlandse parlement over de rijkswet bagatelliseerde Lachmon de rol van zijn voor¬ malige kroonprins door te stellen dat niet Hindori de impasse had door¬ broken, maar de voltallige Surinaamse oppositie, een paar dagen vóór Hindori’s rede. Volgens Lachmon had de oppositie op 10 oktober in een brief aan Kamervoorzitter Vondeling aangekondigd het werk van de Staten niet langer te zullen frustreren, zodat de onafhankelijkheid op een parlementair-democratische wijze tot stand kon worden gebracht.74 Vilein merkte Lachmon op Hindori een waardevol lid van zijn partij te vinden en niets te zullen nalaten om hem voor de vhp te behouden. Maar vervol¬ gens haalde hij met een beeldspraak vernietigend naar hem uit: ‘Hij zit op een tak van een boom; hij is bezig de tak af te zagen aan de kant van de stam, denkende dat, wanneer de tak is doorgezaagd, misschien alleen die tak naar beneden valt; hij valt echter ook met die tak naar beneden en de stam blijft staan.’ Verontwaardigd stelde Lachmon vast dat Hindori onder lofprijzingen werd bedolven75, maar dat Liesdek-Clarke en Somohardjo

210

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

voor verraders werden uitgemaakt en bekogeld en besmeurd werden. Als Hindori een idealist werd genoemd, waarom Liesdek-Clarke en Somohardjo dan niet? Diende een overstap van oppositie naar coalitie anders te worden gewaardeerd dan een stap in omgekeerde richting?76 Hoewel de gewezen kroonprins zijn politieke goeroe tijdens het debat in de Staten over de onafhankelijkheid om vergiffenis vroeg voor het leed dat hij zijn leermeester had aangedaan en nederig verzocht hem weer in genade aan te nemen, weigerde diens politieke vader zijn spijtbetuigingen te accepteren. Voor het oog van de aanwezige Statenleden en ministers had Lachmon de naar hem toe lopende Hindori op 19 augustus vaderlijk begroet, maar het publiek had hieruit ten onrechte afgeleid dat daarmee de lucht tussen de twee weer was opgeklaard.77 De verontwaardiging van Lachmon over de stap van zijn politieke vertrouweling was ook jaren na dato nog niet bekoeld. Arron: Toen Hindori in september mee was met de op¬ positie naar Nederland, heeft Lachmon de delegatie een keer uit eten gebracht. De stemming was uitgelaten. Er werd gezongen, Hindori speelde mondharmo¬ nica. Dat kon hij goed. Hij was de bandleader. Lach zegt tegen mij: Henck, kan je voorstellen, terwijl die vent me duur eten daar eet, is ie bezig me te verraden! En dan zingt hij ‘Gore Gore’ (lacht). Het zijn historische anekdotes, maar ze tekenen de gemoedstoestand van Lachmon.78 Toen Hindori in 1986, volgend op een geslaagde operatie aan zijn schouder, werd getroffen door een bacteriële infectie, ging zijn gezond¬ heid snel achteruit. Een optredende hersenvliesontsteking kon niet met medicijnen worden bestreden, omdat deze in Suriname niet voorhanden waren. Arron: Die medicijnen zijn toen via de consul-generaal in Miami, Joke de Vries, besteld. De Vries was een familielid van de Hindori’s en hij heeft natuurlijk al het mogelijke gedaan om te helpen. Maar terwijl de medicijnen uit Miami onderweg zijn, overlijdt Hindori. Lachmon weigerde om naar zijn crematie te gaan. Evenals anderen heb ik het toen als mijn plicht beschouwd om met hem te gaan praten. Ik zei: Lach, dit kan je niet maken. We hebben toen twee gesprekken gevoerd en uiteindelijk heeft hij eraan meegewerkt om afscheid van Hindori te nemen. Ik zie ons nog zo in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis staan. Dat hij toch gegaan is, ook naar Weg naar Zee, vond ik echt in zijn voordeel pleiten. Volgens Arron heeft de teleurstelling over de opstelling van Hindori in 1975 Lachmon er vanaf doen zien het roer van de vhp tijdens zijn leven aan een partijgenoot over te dragen.79

PARLEMENTAIRE DEBATTEN IN NEDERLAND

Op 10 oktober werd bekend dat Statenvoorzitter Wijntuin definitief had besloten dat er een delegatie uit het Surinaamse parlement naar Neder-

211

land zou reizen om deel te nemen aan de geplande debatten in de Eerste en Tweede Kamer. Aangezien de oppositie had geweigerd mee te werken aan het kiezen van een delegatie krachtens artikel 17 lid 2 van het Statuut, was Wijntuin overgegaan tot het aanwijzen van zeven leden van de coali¬ tie. Hij hield zeven plaatsen open voor leden van de oppositie. Toen de NPK-delegatie naar Nederland was vertrokken, verzocht Lachmon Twee¬ de Kamervoorzitter Vondeling om de debatten in het Koninkrijksparlement met een week uit te stellen. Tegelijk vroeg hij een Statenvergadering aan, zodat de ‘bijzondere gedelegeerden’ alsnog op de reglementaire wij¬ ze konden worden aangewezen. Beide initiatieven leken vooral bedoeld om tijd te winnen. Vondeling en plaatsvervangend Statenvoorzitter Komproe weigerden om het verzoek van Lachmon in te willigen. Voor Vonde¬ ling was het verzoek een gepasseerd station. Naar het oordeel van Komproe was het niet gebruikelijk Statenvergaderingen te beleggen als grote delen van de coalitie en de oppositie in het buitenland vertoefden. De grootste teleurstelling kwam voor Lachmon echter uit zijn eigen fractie. Hindori liet weten het als zijn plicht te beschouwen het

vhp-

standpunt uiteen te zetten bij de behandeling van de rijkswet in het Koninkrijksparlement indien de vhp zou afzien van deelname aan de de¬ batten. Op grond hiervan besloot Lachmon zijn strategie te wijzigen. Net uit Nederland teruggekeerd, maakte hij bekend onder protest met zes leden van zijn fractie de debatten in Nederland te zullen bijwonen. De VHP-leider droeg zijn fractiegenoot Hindori op naar Suriname terug te keren, een sommering waaraan de laatste, verheugd dat zijn partij over¬ stag was gegaan, gehoor gaf.80 Na de behandeling van de associatieover¬ eenkomst van Suriname met de

eeg

in 196281 en de goedkeuring van de

iBA-overeenkomst in juni 197582 was dit de derde keer dat Surinaamse parlementariërs het debat over een rijkswet in het Nederlandse parle¬ ment bijwoonden en ter zake voorlichting gaven. De debatten in de Tweede Kamer vonden plaats van 21 tot en met 23 oktober. Uit de bijdragen van de Surinaamse afgevaardigden kwam niet alleen de tweedeling naar voren die er nog altijd bestond tussen de coali¬ tie en de oppositie. Wat in het bijzonder opviel, was de ijver waarmee ge¬ delegeerden deze kloof benoemden en de achtergronden ervan toelicht¬ ten. De ‘voorlichting’ van de Surinaamse delegatie bleek onderdeel van een intern debat, waar op het scherpst van de snede opinies werden uit¬ gewisseld en statements werden gemaakt. Het was merkbaar dat de Staten lang niet in vergadering bijeen waren geweest en dat de leden er behoefte aan hadden om met elkaar de degens te kruisen. Hoewel Arron uitsluitend als lijdend voorwerp in de debatten figureerde, weerspiegelden de uitla-

212

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

tingen over hem treffend de positie die hij op dat moment in het politieke krachtenveld innam. De oppositie trapte af door te benadrukken dat de Surinaamse dele¬ gatie tegen de regels in was samengesteld en dat Statenvoorzitter Wijn¬ tuin niet kon worden beschouwd als de voorzitter van de totale delegatie. Lachmon memoreerde dat Wijntuin na 18 augustus drie keer een convo¬ catie had uitgeschreven voor een vergadering van het parlement, maar dat deze bijeenkomsten door een gebrek aan quorum niet hadden kunnen doorgaan. Dat de oppositie geen quorum had verléénd, verzweeg hij. Aan¬ gezien het Koninkrijksparlement de ‘onwettig samengestelde delegatie’ van Wijntuin had erkend, had de oppositie volgens Lachmon besloten om onder protest aan de debatten deel te nemen, zodat het parlement vol¬ ledig voorgelicht een besluit kon nemen over de rijkswet.83 Wijntuin lichtte toe dat hij al het mogelijke had gedaan om de Suri¬ naamse delegatie volgens artikel 17, lid 2 van het Statuut samen te stel¬ len. ‘[—] Ermee rekening houdende dat het om een zaak gaat van veel grotere actieradius dan dat alledaagse, platvloerse politieke gedoe’ had hij geprobeerd langs andere weg met Lachmon tot overeenstemming te komen. Al deze pogingen waren naar zijn zeggen echter gestrand, waar¬ na hij gemeend had actie te moeten ondernemen om de behandeling van de rijkswet in Nederland niet op te houden. Mungra bestreed deze voor¬ stelling van zaken en schaarde zich achter de versie die zijn voorzitter van de gebeurtenissen had gegeven. Beiden wezen erop dat Wijntuin een week daarvóór nog had geweigerd een vergadering van de Staten uit te schrijven, ondanks het feit dat vijf leden van de oppositie deze vergade¬ ring hadden aangevraagd. Ondervoorzitter Komproe zou deze weigering hebben gemotiveerd door erop te wijzen dat de oppositie de vergadering alleen maar had willen aangrijpen om een motie van wantrouwen tegen het kabinet-Arron in te dienen. Een Statenvoorzitter schreef daar naar zijn zeggen geen vergadering voor uit. Lachmon en Mungra lieten weten dat het verzoek van de vijf was ingediend vlak vóór de terugreis van de Surinaamse oppositie naar Suriname, waarop Wijntuin met zijn delega¬ tie naar Nederland was ‘gevlucht’ om de aangevraagde vergadering te tor¬ pederen. Wijntuin en Nooitmeer ontkenden dat dit de diepere bedoeling van hun reis was geweest. Zij stelden dat een groot deel van het Surinaamse parlement in Nederland verbleef op het moment dat het verzoek werd in¬ gediend. Het was hoogst ongebruikelijk om onder die omstandigheden een Statenvergadering aan te vragen.84 Liesdek-Clarke, die zich profileerde als fractievoorzitster van de nps, herdacht in haar rede Johan Adolf Pengel, medeverantwoordelijk voor

213

het opstellen en naleven van het Statuut, dat thans voor Suriname zou worden beëindigd. Zij legde uit dat haar partij zich wel had moeten op¬ werpen als ‘redder in een thans dreigende rassenoorlog in Suriname’. Volgens haar was het hoog tijd dat Arron zich ging manifesteren als een nationaal leider ten behoeve van een ‘gelukkig Suriname’. Naar haar zeg¬ gen waren de NPS-fractie en de fractie van de VHP-combinatie bereid hem hierin te steunen, mits gekozen zou worden voor een nationaal be¬ leid en een nationaal kabinet. Voor beide partijen was volgens LiesdekClarke de datum van de onafhankelijkheid geen issue meer. Het kwam er nu op aan dat het kabinet-Arron overgehaald werd ‘eindelijk de deur open te doen voor onze broeders in de vhp’.8s Nooitmeer merkte in een reactie op dat de was van de nps

npk,

nps

een geïntegreerd deel

‘waardoor het niet mogelijk is voor anderen om zich als

op te stellen. Dit wordt door de partijorganen uitdrukkelijk verbo¬

den. Niemand heeft buiten de

npk

om het recht van de partij gekregen

zich als zodanig op te stellen.’ Liesdek-Clarke bracht in herinnering dat in de

nps

het besluit tot formering van de

npk

op een weinig democratische

manier tot stand was gekomen: ‘Niemand minder dan de heer Nooit¬ meer zelf is het erover eens geweest, dat er twee moties door 45 kernen waren ingediend [... ] die de wenselijkheid hadden uitgesproken om, on¬ danks het feit dat men als combinatie zou optreden, als identiteit te blij¬ ven bestaan. Wij zouden de identiteit van onze partij nimmer wegdoen. De heer Nooitmeer heeft zelfs eerder dan ik gepoogd de NPS-gedachte voort te zetten, omdat dat de gedachte van integratie is. Op het laatste moment echter zijn wij elkaar kwijtgeraakt. Ik ben ermee voortgegaan. [... ] Elke beslissing, die zou zijn genomen volgens de heer Nooitmeer, is op geen enkele officiële partijraad genomen.’86 Nooitmeer verwaardigde zich niet op deze kritiek in te gaan. Wel ontvouwde hij de theorie van de wijkende horizon. Doelend op de tegenstanders van de onafhankelijk¬ heid merkte hij op dat ‘[... ] altijd, wanneer tegemoet wordt gekomen aan één eis van de oppositie, nieuwe eisen door de oppositie worden gesteld. Het is daarmee precies als met de horizon: Hoe dichter je erbij denkt te komen, hoe verder hij blijkt te zijn.’87 Mungra trok bitter van leer tegen de Nederlanders en Surinamers die eendrachtig naar de soevereiniteitsoverdracht hadden toegewerkt. In bloemrijke bewoordingen beschuldigde hij het kabinet-Arron ervan slaafs naar de pijpen van het kabinet-Den Uyl te hebben gedanst: ‘Droevig, ui¬ termate triest is het voor ons, dat premier Arron van Suriname met on¬ voorstelbare onbeholpenheid inzake politiek en staatsmanschap de heer Den Uyl alle gelegenheid heeft gegeven om schaterlachend en triomfan-

214

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

telijk de deur der democratische sacristie in te trappen. [Het relikwie] van die schending in deze tijd is zijn overzeese beleid, dat duizenden be¬ angstigde Surinamers opjaagt naar uw dreven, waar zij weer worden ver¬ dreven door eveneens angstig geworden Hollanders.’88 Volgens Mungra had het ‘verblinde’ kabinet-Arron ervoor gezorgd dat Keerpunt '72 - het verkiezingsprogramma waarin PvdA,

ppr

en D’66 de wens hadden uitge¬

sproken dat Suriname vóór eind 1976 onafhankelijk zou worden - kon worden vervuld. Ondanks het ‘verwaten fors doen’ en ‘tjilpen’ van menig NPK’er had de coalitie niet meer geproduceerd dan een ‘windje voor mole¬ naar Den Uyl’. Zijn karakterisering van Arron hing hij andermaal op aan diens vermeende ondergeschiktheid aan Bruma: ‘Henck zonder meer¬ derheid, die zich niet stoort aan parlement en wetten en alleen maar een willoos werktuig is van het rode zwaard dat vandaag boven het hoofd van Suriname hangt.’89 De hyperbool was ook nu weer Mungra’s meest geliefde stijlfiguur: ‘Twee jaren van een apartheidsbeleid in Suriname, duidelijk raciaal ge¬ richt en uit op terroriseren en onderdrukking van andersdenkenden, ge¬ steund door uw regering, mijnheer Den Uyl, die altijd geweigerd heeft, de oppositie of de minderheid bij de onderhandelingen te betrekken, heb¬ ben een versplinterd en een gefrustreerd volk achtergelaten.’ De branden in Paramaribo waren volgens Mungra de schuld van Den Uyl, die gewei¬ gerd had om met de oppositie rond de tafel te gaan zitten. Hij noemde het een sprookje dat Surinamers door hun landgenoten bang waren gemaakt en naar Nederland waren vertrokken. Het was naar zijn zeggen hun angst voor de toekomst, die hen had doen vluchten, een toekomst die een ‘grim¬ mig uiterlijk’ bezat door de ‘machtswellustige’ opstelling van de Surinaam¬ se regering.90 Naar het oordeel van Nederlandse en Surinaamse afgevaardigden overschreed Mungra royaal de grenzen van het fatsoen met de reservering van het woord ‘Herrenvolk’ voor de ‘superieure’ Nederlanders en met de opmerking dat de opvangcentra voor Surinaamse migranten in Nederland te vergelijken waren met ‘concentratiekampen’. Wijntuin bood excuses aan voor de wijze waarop Mungra zijn standpunten naar voren had ge¬ bracht, hierin bijgevallen door Liesdek-Clarke. Lachmon wenste als ‘lei¬ der van de heer Mungra’ hem in het openbaar te corrigeren. Deze correc¬ tie bestond eruit dat hij begrip en clementie vroeg voor de woorden en beelden die Mungra had gebruikt. Via Kamervoorzitter Vondeling zou Mungra ook zelf zijn verontschuldigingen aanbieden voor de vergelijkin¬ gen die hij had gemaakt.91 Lachmon liet weten te zullen meewerken aan de verwezenlijking van

215

de onafhankelijkheid, mits deze gezamenlijk gerealiseerd zou worden, waarbij overeenstemming over de grondwet een voorwaarde was. Voor¬ alsnog was de conceptgrondwet naar het oordeel van de

vhp

echter on¬

aanvaardbaar.92 Daarnaast diende volgens hem de krijgsmacht een af¬ spiegeling te zijn van ‘de samenstelling van het Surinaamse volk’ en diende een bepaling hierover in de grondwet te worden opgenomen. Voorts voerde Lachmon aan dat er binnen zes maanden na de soevereiniteits¬ overdracht nieuwe verkiezingen dienden te worden gehouden, dat alle Surinamers de gelegenheid dienden te krijgen voor hun nationaliteit te opteren en dat er te weinig ontwikkelingsgeld beschikbaar was om het ontwikkelingsplan van 6 miljard gulden te kunnen financieren. Ten slot¬ te wees hij op de precaire raciale verhoudingen in Suriname. Volgens hem was het een feit dat de drie grootste bevolkingsgroepen niet geïnte¬ greerd waren. Eén politieke manoeuvre kon de vlam in de pan doen slaan, zoals gebleken was bij het bezoek van Den Uyl aan Suriname in mei.93 PNR-afgevaardigde Derby riep in herinnering dat de onafhankelijk¬ heid een duidelijke plaats had gekregen in het verkiezingsprogramma van de

npk

en dat de regeringsverklaring daardoor geenszins als een ver¬

rassing kon komen. Hij stelde dat het voorgestane progressieve beleid van deze combinatie alleen gerealiseerd kon worden met de onafhanke¬ lijkheid als instrument. De onafhankelijkheid bracht volgens Derby trots met zich mee in de betekenis van ‘gelijkheid van naties en volkeren’. Maar ook trots in emotionele zin: ‘Trots maakt je hart groot. Trots is heroïsch. Trots is heldhaftig. Trots geeft je een gevoel van dapperheid. Trots geeft je een waarde, waardoor je je nimmer ondergeschikt kan voelen aan ande¬ ren.’ Derby merkte op uit te kijken naar ‘de nieuwe Surinamer, de Surinamer die geloof heeft in eigen kunnen, de Surinamer die geloof heeft in eigen kracht, de Surinamer die geloof heeft in eigen inspanning en de Surinamer die het geloof heeft dat hij zijn lot in eigen handen dient te ne¬ men ultimo 1975’. Doelend op Lachmon: ‘De

npk

zal niet toestaan, dat in

het land politiek op een horizontale basis wordt bedreven. Er zal een poli¬ tiek op verticale basis worden bedreven, waarbij dwars door alle lagen en groeperingen op een rationele wijze en een ideologische basis een beleid zal worden gevoerd. Dat brengt met zich mee, dat versteende gedachten, fossielen in de politiek, die hun plafond hebben bereikt, dit beleid nim¬ mer zullen begrijpen.’94 Ook Rodgers sloeg in zijn redevoering een optimistische toon aan. Hij voorspelde dat er geen rechtsvacuüm of juridische chaos zou ont¬ staan en dat alle relevante wetsontwerpen tijdig in het parlement zouden worden aangenomen alvorens de statutaire rechtsorde zou worden be-

216

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

eindigd. In wat een illustratie leek van de ‘dynamiek van de eigen reto¬ riek’95 vervolgde Rodgers: ‘Wij willen ons inzetten voor de werkelijke vrijheid in volle omvang van de totale Surinaamse natie [...]. Onze ver¬ antwoordelijkheid voor land en volk [...] zal een blijvende bron van in¬ spiratie vormen om ons met volledig negeren van het persoonlijke en het partijbelang steeds zo in te zetten dat Suriname binnen redelijk korte ter¬ mijn een waardige plaats in de rij der volkeren kan innemen. [... ] Nu wij ons opmaken om volledig op eigen benen te staan, dringt zich aan mij nog scherper op de betekenis van de woorden: In vrijheid te zijn geboren is een toeval, in vrijheid te leven is een voorrecht, doch in vrijheid te ster¬ ven is een verplichting.’96 De Gaay Fortman merkte instemmend op dat hij deze laatste woorden graag tot de zijne maakte.97 Rodgers zou de regel - die hij ontleende aan Emilio Maspero - tijdens de debatten in de Eerste Kamer nogmaals citeren.98 In antwoord op het betoog van Liesdek-Clarke stelde Van Eer dat de npk

de

de ware erfgenaam van het integratie-ideaal van Pengel was en dat

npk

het Surinaamse volk van de ‘raciale vloek’ wilde verlossen. Het

kabinet-Arron was volgens hem verder gegaan dan het laatste kabinetPengel, maar had dezelfde weg bewandeld. De gevoelens van ongerust¬ heid in de Surinaamse samenleving waren volgens Van Eer gewekt ‘door het opzettelijk scheppen van een klimaat van vrees, haat of angst’. Het ge¬ bruik van woorden als dictatuur, fascisme, terrorisme en communisme had hier sterk toe bijgedragen.99 Nooitmeer liet zich ontvallen het schromelijk overdreven te vinden wanneer mensen stelden dat de parlementaire democratie in Suriname het zwaar te verduren had gehad in de laatste maanden. Volgens hem had het parlement niet steeds naar behoren gefunctioneerd, maar dat was wat anders: ‘Wij leven rustig in Suriname. Er zijn alleen maar politieke tegen¬ stellingen. Het is ook goed, duidelijk te maken dat de politieke leiders vaak met elkaar overhoop liggen, maar hun volgelingen niet, tenzij zij worden opgestookt en de leiders, die dat doen, gaan schuilen. Dat is ech¬ ter nog niet gebeurd.’100 Dat er Statenleden waren die in alle openheid bezig waren hun achterban op te hitsen, liet Nooitmeer onvermeld. Nadat eerder Nederlandse afgevaardigden van verschillende politie¬ ke partijen hadden aangedrongen op een verzoening tussen de coalitie en de oppositie in Suriname en op een gezamenlijk voorbereiden van de on¬ afhankelijkheid, deed ook De Gaay Fortman een dwingend beroep op de ‘Surinaamse vrienden’ om de gelederen te sluiten en hard aan het werk te gaan om de noodzakelijke wetgeving tot stand te brengen.101 Deze oproep tot samenwerking werd door Wijntuin overgenomen. Zijn uitspraak:

217

‘Mijnheer Lachmon, wij gaan het samen doen in Suriname!’ werd met applaus ontvangen. Ook Nooitmeer en Liesdek-Clarke spraken verzoenen¬ de woorden. De bijdrage van Van Eer was eveneens als een handreiking bedoeld: ‘Ik moge uw Kamer namens de Surinaamse regering medede¬ len, dat zij voornemens is, zo spoedig mogelijk na de onafhankelijkheidswording nieuwe verkiezingen uit te schrijven.’102 Lachmon en Adhin handhaafden echter hun kritische opstelling, Mungra en Somohardjo na¬ men geen woord terug van de profetieën die zij aan de ondergang van Suriname hadden gewijd. Kamervoorzitter Vondeling oogstte applaus door in zijn afsluitende rede het eerste couplet van het Surinaamse volks¬ lied aan te halen, waarna op de publieke tribune Opo kondreman, un opo werd aangeheven.103 Op 23 oktober, de laatste dag van de Tweede Kamerdebatten, keerde Charles Lee Kong Fong, na ruim twee maanden buiten de landsgrenzen te hebben vertoefd, stilletjes terug naar Suriname.104 Daags na aankomst in Paramaribo stelde hij premier Arron er officieel van op de hoogte dat hij zijn zetel in de Staten ter beschikking stelde. Bekend werd gemaakt dat tot opvolger van Lee Kong Fong de

ktp Ter

Frederik Martodihardjo zou

worden voorgedragen. Met steun van het lid Hindori zouden de Staten Martodihardjo op 4 november als lid van dit college toelaten.105 Alvorens op 25 oktober naar Aruba te vertrekken, verzoende Lee Kong Fong zich met de vereniging Fa Tjauw en regelde hij enkele zaken met de top van de nps.

Zijn bliksembezoek aan Suriname verliep zonder incidenten. Lee

Kong Fong - het tegendeel van een standvastig politicus - zei te hopen na een periode van rust weer naar Suriname te zullen terugkeren. Zijn ver¬ trek uit de Staten maakte een definitief einde aan de twijfels die waren gerezen over de krachtsverhoudingen in het parlement.106 In de Eerste Kamer vroegen op 27 en 28 oktober Nederlandse verte¬ genwoordigers, in het bijzonder van wd-huize, aandacht voor de tegen¬ stellingen, ruzies en verdachtmakingen waarvan de Surinaamse politiek naar hun zeggen vergeven leek. Zij stelden bezorgd vast dat het kabinetDen Uyl de zaken formeel en materieel goed geregeld had, maar dat het de menselijke factor veelal over het hoofd had gezien. De Nederlanders wezen op de noodzaak de grondwet in het Surinaamse parlement met al¬ gemene stemmen aan te nemen.107 De oppositie tekende andermaal be¬ zwaar aan tegen de ‘onwettige samenstelling’ van de Surinaamse delega¬ tie, tegen de weigering van Arron om de grondwet in de Staten met een gekwalificeerde meerderheid te laten goedkeuren en tegen het ontbreken van wettelijke voorzieningen op het gebied van de rechterlijke macht, de defensie en de president.108

218

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

De

VHP-afgevaardigde

Mungra stelde de zaken wederom op scherp

door te beweren dat er in Suriname geen fundament bestond voor demo¬ cratie, sociaal-economische ontwikkeling, natievorming en vrede. Mensen vluchtten naar zijn zeggen ‘voor terreur, voor georganiseerd molest, voor vernieling, voor mishandeling in het openbaar, voor groepsonderdrukking, voor discriminatie, dictatuur, verlies van mensenrechten en vrij¬ heid’. Mungra herhaalde dat de Surinaamse regering raciaal was samen¬ gesteld, een raciaal beleid voerde en steeds geweigerd had om met ‘een minderheid’ (lees: de oppositie) te praten.109 De psv’er Bean verwoordde het NPK-gevoel het beste, toen hij in een reactie op de uitlatingen van Mungra opmerkte dat het Surinaamse volk de

npk

de regeermacht had

geschonken en dat de oppositie zich nog altijd niet over haar verkiezings¬ nederlaag heen had kunnen zetten. De bestaande machtsdeling nam vol¬ gens hem echter niet weg dat samenwerking tussen coalitie en oppositie het parool diende te zijn.110 De discussie kwam op de brasa (omhelzing) van Jagan en Burnham bij de totstandkoming van de onafhankelijkheid van Guyana. Lachmon wees op het ‘verraad’ dat Burnham niet lang hierna had gepleegd, toen hij Jagan ‘in de wurggreep van het valse kiesstelsel’111 terecht had laten ko¬ men. Rodgers interrumpeerde: ‘Wij zijn ervan overtuigd dat op de dag van de onafhankelijkheid de heer Lachmon en de heer Arron elkaar [... ] zullen omhelzen en dat de heer Lachmon wijzer is dan de persoon die hij zo-even heeft aangehaald, ook omdat de heer Arron niets zal doen, waar¬ door de heer Lachmon een excuus kan hebben om te komen uit de om¬ helzing van de heer Arron.’ Lachmon: ‘Ik zal mijn best ervoor doen, dat ik niet in de houdgreep van de heer Arron zal worden genomen, maar dat het een waarachtige omhelzing zal zijn. Als een waarachtige omhelzing mogelijk is, zal ik niet aarzelen deze te aanvaarden. Als het echter een houdgreep is, zal ik niet aanwezig zijn, maar trachten hèm in een houd¬ greep te nemen.’ Rodgers: ‘[... ] Wij mogen de overtuiging uitspreken, dat de heer Arron nimmer heeft geprobeerd, de heer Lachmon in welke greep dan ook te krijgen, doch slechts in een eerlijk bedoelde omhelzing ten behoeve van land en volk.’ Lachmon: ‘Hij heeft mij nu al in een houdgreep en ik tracht daaruit te komen.’ Bean: ‘Er is plaats voor de heer Lachmon. Deze plaats hebben wij ook voor hem gereserveerd. Wij hopen niet, dat hij telkens weer een stap verder van deze plaats doet. Hij is een leider, waarin wij hebben geïnvesteerd, zoals één van onze collega’s in het Surinaamse par¬ lement heeft gezegd. Wij zullen trachten hetgeen wij in hem hebben geïnvesteerd er weer uit te halen. Hij is een wijze leider. Deze wijsheid

219

hebben wij als jongeren nodig om het land te brengen, waar het zijn moet. Hij moet echter de bereidheid hebben, deze wijsheid over te dragen. Hij mag daarmee niet naar het graf gaan.’112 Lachmon toonde zich weinig gevoelig voor deze vleierij. Hij verklaar¬ de ‘broedertwist en chaos’ te willen voorkomen en van de onafhankelijk¬ heid iets goeds te willen maken, maar niet tot elke prijs. Het was uitgeslo¬ ten dat de

vhp

voor de coalitie zou kruipen. Opnieuw sprak hij zich uit

tegen het ontnemen van het Nederlanderschap aan Surinamers. Dit was volgens hem het opleggen van de wil van de minderheid aan de meerder¬ heid. Toch, zo liet hij weten, zou hij geen andere keus hebben dan deze bittere pil te slikken. Ook over het feit dat de grenzen van Suriname nog altijd niet waren vastgesteld, zou de vhp desnoods kunnen heenstappen. Maar niet over principiële zaken met betrekking tot de grondwet, het leger, het kiesstelsel, nieuwe verkiezingen na de onafhankelijkheid en een aantal kleinere punten. Werden de wensen van de vhp op deze onder¬ delen niet ingewilligd, dan zou de oppositie, zo dreigde Lachmon, tegen de grondwet stemmen.113 In navolging van enkele Kamerleden vóór hem stelde Den Uyl dat het aanvaarden van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, van meerderheid voor minderheid en omgekeerd, een wezenskenmerk was van de parlementaire democratie: ‘Het komt aan op de houding van een regering, in dit geval van de Regering-Arron, een regering die met minder¬ heden en met oppositie rekening behoort te houden. Het democratisch gehalte van een regering komt, zo meen ik, vooral tot uitdrukking in de manier waarop zij met minderheden omgaat. Dat geldt in dit land en dat geldt in Suriname. Het komt ook aan op de houding van een oppositie. Een oppositie moet bereid zijn, de eigen zelfstandige verantwoordelijk¬ heid van een regering te erkennen, ook wanneer het hard is er geen deel van uit te maken. Het komt vooral aan op vertrouwen.’ Den Uyl vervolgde zijn redevoering met een opmerking over de rol van de selffulfilling prophecy in samenlevingen-in-ontwikkeling. Hij ver¬ duidelijkte dat het ging om ‘de rol die gespeeld wordt door de verwach¬ tingen die men van de toekomst heeft, de vrees die men over zichzelf kan bewaarheiden. Vrees wekt vrees. Wantrouwen is besmettelijk. De angst voor overheersing kweekt agressie. Agressie leidt tot onderdrukking. Onderdrukking versterkt de agressie. Zo sluit de fatale cirkel zich. Ik ver¬ oorloof mij met alle terughoudendheid die mij past te zeggen, dat het er vandaag vooral op aankomt dat in Suriname het bestaande wantrouwen tussen Hindoestanen en Creolen, niet samenvallend met het wantrou¬ wen tussen Regering en oppositie, wordt overwonnen. Alleen als er ver-

220

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

trouwen is in de oprechtheid van eikaars bedoelingen en de bereidheid, het met elkaar te proberen, zullen en kunnen de fundamentele menselijke rechten en vrijheden gewaarborgd zijn, want die vragen en veronderstel¬ len een vertrouwensbasis.’114 De Gaay Fortman sloot zich bij deze woor¬ den aan.115 In tweede termijn drongen Kamerleden er nogmaals bij hun Surinaam¬ se collega’s op aan de politieke patstelling te doorbreken, de strijdbijl te begraven en aan te sturen op daadwerkelijke samenwerking.116 Aanslui¬ tend sprak Nooitmeer verzoenende woorden richting Lachmon. Somohardjo benadrukte daarentegen dat de npk in gevecht was met talloze groepen in de samenleving voor wie geen rol in het onafhankelijkheidsproces was weggelegd. Suriname werd volgens hem onafhankelijk bij macht, niet bij wet, in een tijd van oorlog, ellende en verdeeldheid. Hij zei te hopen dat het spreekwoord: wat baten kaars en bril als den uil niet zienen wil, niet op de Nederlandse regering van toepassing was. Mungra merkte op de opvattingen van Somohardjo te delen, maar sprak de bereid¬ heid uit om met de regeringspartijen te onderhandelen. Adhin zei te besef¬ fen voor een voldongen feit te staan en verklaarde mee te zullen werken aan een goede grondslagvoor de soevereine republiek Suriname. Lachmon eindigde zijn betoog met veel gevoel voor drama: ‘De tijdbom zal nu ont¬ ploffen. Het Koninkrijk zal worden opgeblazen. Laten wij hopen dat de scherven die links en rechts zullen rondvliegen Nederland noch Suriname zullen raken.’ Derby vatte de gebeurtenissen op een zakelijker wijze sa¬ men: ‘Ik heb gezegd, dat wat er zich nu in Suriname voltrekt, geen zaak is van rassenproblematiek. Het is een strijd van nieuw tegen oud.’117 De Gaay Fortman deed een laatste beroep op de Surinaamse delegatie om op een constructieve wijze tot een zo groot mogelijke meerderheid voor de grondwet in het parlement te komen. De WD’er Polak haakte hier¬ bij aan en riep op tot een ‘eensgezinde opbouw van Suriname’. Vervolgens sprak Den Uyl de wens uit dat de natiewording, ‘de volkswording’, een feit zou worden in Suriname en dat het leven van de Surinamers een leven van gelukkige mensen zou zijn. Het was volgens hem van belang dat het Surinaamse volk zich verbonden zou weten in een gemeenschappelijk lot en die gemeenschappelijkheid ruimhartig zou aanvaarden en beleven.118 Was de rijkswet in de Tweede Kamer met 106 tegen 5 stemmen aangeno¬ men, in de Eerste Kamer was de verhouding 53 stemmen voor en 11 tegen.119

HET SLOTDEBAT IN DE STATEN

Met het debat over de rijkswet achter de rug konden de politieke partijen hun aandacht nu richten op de parlementaire behandeling van de grond-

221

6. Henck Arron, Emile Wijntuin en Jagernath Lachmon in vooroverleg over de ontwerpgrondwet op 13 november 1975

wet. Hoewel de tijd drong, kwamen de voorbereidingen enigszins stroef op gang. Op 4 november wees Lachmon een uitnodiging van Arron om informeel de verhoudingen tussen de coalitie en de oppositie te normali¬ seren van de hand.120 Berichten in de week erna dat drie Statenleden zich van de

vhp

zouden willen afscheiden in ruil voor drie ministerszetels

werden door de betrokken parlementariërs met klem tegengesproken, maar voedden aanhoudende geruchten over omkoping en verraad.121 Op 12 november werden de besprekingen tussen Arron en Lachmon hervat. De

vhp

verklaarde vast te zullen houden aan haar standpunten

met betrekking tot de rechtstreekse verkiezing van de president, het hou¬ den van parlementaire verkiezingen kort na de soevereiniteitsoverdracht, het treffen van regelingen ten aanzien van de samenstelling van het leger en de eis van een tweederde meerderheid in het parlement indien tot het nationaliseren van bedrijven zou worden overgegaan. De oppositie, die tevens verklaarde niet akkoord te kunnen gaan met de Surinaamse vlag aangezien daarin de VHP-kleur ontbrak, kondigde aan deze eisen tijdens de parlementaire beraadslagingen als amendement op de ontwerpgrond¬ wet te zullen indienen.122 Het vooroverleg tussen Arron en Lachmon was bedoeld om knelpunten te inventariseren en een constructief klimaat te scheppen voor de behandeling van de constitutie. Alleen op die manier zou volgens de twee leiders toegewerkt kunnen worden naar een aan-

222

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

7- Eddy Bruma en Henck Arron bij aanvang van de behandeling van de ontwerpgrondwet in de Staten van Suriname op 16 november 1975

vaardbaar compromis en een eensgezind overschrijden van de drempel van de onafhankelijkheid.123 Op zondag 16 november begon in de Staten om 11.00 uur het debat over de Surinaamse grondwet. Zowel van de zijde van de coalitie als van de oppositie werd de ontwerpwet in de ruim zeventien uur dat de eerste ronde van beraadslagingen duurde van commentaar voorzien. Aan de op¬ roep van voorzitter Wijntuin om zakelijkheid en waardigheid te betrach¬ ten bij de behandeling van het ontwerp werd gehoor gegeven.124 Arron: Wat Lachmon helemaal dol heeft gemaakt, is dat de redevoering die hij bij de behandeling van de grondwet zou houden, in de tas zat van Hindori (lacht). Achteraf heeft hij tegen me gezegd: Kan je voorstellen, alle deskundigen in de partij hebben meegewerkt aan mijn redevoering, het zou lang worden, drie, vier uren, ik zegje: je zou er niet onderuit komen. Maar dan is die vent wegge¬ gaan met zijn tas, waarin me redevoering zat. Kom ik daar in het parlement, moest ik alle stukken bij elkaar graaien om toch iets zinnigs te kunnen zeggen. Daarom heb je me kunnen pakken! Ik zeg: Lach, ik heb nooit gewild dat je geen redevoering zou kunnen houden (lacht). George heeft me ook nooit ver¬ teld dat hij die redevoering bij zich had. Ik hoor dat nu pas voor het eerst. VHP-leider Lachmon merkte tijdens de beraadslagingen op dat de re¬ gering er goed aan zou doen de amendementen van de oppositie over te nemen, zodat de ontwerpgrondwet met algemene stemmen kon worden

223

aangenomen. Hij beklaagde zich er opnieuw over dat de regering de op¬ positie buiten alle zaken de onafhankelijkheid betreffende had gehouden en dat de beëindiging van het Statuut de wil van Nederland weerspiegel¬ de, niet die van Suriname. Er zou naar zijn zeggen op 25 november ook geen sprake zijn van een overdracht van soevereiniteit. Suriname was immers geen kolonie meer en behartigde al sinds 1954 zijn bestuurlijke aangelegenheden zelfstandig.125 Op dinsdagochtend 18 november - na twee dagen van parlementaire beraadslagingen waarbij enkele oppositieleden, het Statenlid Hindori voorop, aankondigden dat de VHP-combinatie haar medewerking zou ver¬ lenen aan de totstandkoming van de grondwet126 - kwam Arron thuis: Ik had tot vrij laat vergaderd, onder andere met de grondwetscommissie. Het zal een uur of vijf, halfzes in de ochtend zijn geweest. Technisch-theoretisch had¬ den we de grondwet behandeld. Lachmon had links en rechts moeten plukken, want hij beschikte niet over de tekst van zijn redevoering. Maar hoewel ik dat niet wist, had ik wel in de gaten dat hij bezig was met pikin pikin prei (lacht).127 Maar hoe nu verder? Ik kwam er niet uit. Ik ben op het achterbalkon gaan zit¬ ten. Er speelde maar één vraag door mijn hoofd: hoe kom ik uit dat politieke deel? Ik zeg je: het was een ingeving van bovenaf. Ik heb er niet over nagedacht. Overigens, ik had niet eens de gelegenheid om er echt over na te denken, want de Staten zouden om een uur of tien weer met vergaderen beginnen. Een stem zei me: je moet Lachmon het gevoel geven dat je bereid bent hem als je meer¬ dere in politicis te erkennen. Gun hem die grani. Geef hem die eer, ondanks het feit dat hij al vele keren de gelegenheid heeft gehad om met de minister¬ president de onafhankelijkheid in eenheid en eensgezindheid te realiseren. Je kunt dat natuurlijk mooi verbaal brengen, maar daarmee had ik hem die erkenning, die hij naar mijn gevoel verlangde, nog niet gegeven. Hierop verder denkend, was er voor mij maar één oplossing mogelijk. Ik diende mij zichtbaar op te stellen als zijn politiek mindere, het spreekgestoelte te verlaten, hem de hand te drukken en hem te zeggen dat we het met z’n tweeën gingen doen. Toen dacht ik: Henck, nu heb je die catch. Ik heb niemand ingelicht, ook de regering niet. Bruma heeft het me overigens bijzonder kwalijk genomen.128 De overige ministers zaten gewoon verbijsterd toe te kijken. Maar ik wilde mn catch heb¬ ben, omdat ik daarin de enige uitweg uit de impasse zag, erop speculerend dat Lachmon nooit nee zou kunnen zeggen tegen een handreiking van mijn kant. Het enige dat ik verder heb gedaan, is het afdekken aan de propagandistische kant. Met het oog op de doorwerking van de actie naar de totale gemeenschap heb ik kort voor de vergadering, zonder aan te geven wat ik ermee bedoelde, aan George Hering gezegd: zodra je hoort, dat ik zeg: ik ga naar de heer Lachmon toe, zorg je ervoor dat alle camera’s op mij gericht zijn. Dat is ook gebeurd.

224

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

De zitting van de Staten op 18 november, door voorzitter Wijntuin op voorhand als een historische dag betiteld, zou inderdaad een historische dag blijken te zijn. In een verzoenende toespraak, waarin hij recht pro¬ beerde te doen aan de inbreng van de coalitie en de oppositie in de dis¬ cussie, benadrukte Arron dat de grondwetscommissie was samengesteld op basis van juridische deskundigheid, niet op basis van politieke gezind¬ heid. De grondwet was dan ook niet het product van de regering of van een politieke combinatie, maar van het Surinaamse volk, dat tijdens de hoorzittingen van de commissie duidelijk zijn wensen kenbaar had ge¬ maakt. Arron voegde eraan toe dat de ontwerpwet die de regering aan de Staten had aangeboden, het ongewijzigde ontwerp van de grondwets¬ commissie was. Het was de bevoegdheid van het parlement om eventuele wijzigingen in het concept aan te brengen.129 Arron zette uiteen dat de onafhankelijkheid het sluitstuk was van de constitutionele evolutie die Suriname na de Tweede Wereldoorlog had doorlopen. Hij vroeg in dit verband speciale aandacht voor het aandeel hierin van Wim Bos Verschuur (voorman van de ‘Baas in eigen huis’-beweging in de jaren veertig), Johannes Mungra (prominent VHPer die al in 1952 zijn verlangen naar ‘een eigen onafhankelijk Suriname’ kenbaar had gemaakt)130 en Johan Adolf Pengel (wiens uitspraak ‘Slechts de volle¬ dige zelfstandigheid van Suriname kan ons een waardige plaats in de rij der volkeren geven’ uit 1969 hij citeerde). Tevens herinnerde Arron aan een uitspraak van Theo van Lier, leider van de Nederlandse Kamerdele¬ gatie, die in 1971 had verklaard dat zijn delegatie er geen bezwaar tegen had als Suriname de onafhankelijkheid halverwege de jaren zeventig zou willen realiseren. Ook haalde Arron de bekende passage uit Keerpunt '72 aan, waarin PvdA,

ppr

en D’66 aankondigden dat Suriname en de Neder¬

landse Antillen vóór eind 1976 onafhankelijk zouden worden en dat vóór t975 in overleg met beide landen zou worden bepaald op welke wijze die nieuwe status het beste gestalte kon worden gegeven. Volgens Arron nam een volk dat zichzelf respecteerde zelf het initiatief voor het realiseren van zijn onafhankelijkheid en had de NPK-regering naar dit inzicht ge¬ handeld.131 Arron verklaarde de onafhankelijkheid te beschouwen als het instru¬ ment om te komen tot nationale eenwording. Het was het middel bij uitstek om gevoelens van achterdocht en wantrouwen weg te nemen. Niettemin achtte hij een waarschuwing op zijn plaats: ‘Wij zullen vrij zijn en het is heerlijk om vrij te zijn. Maar deze vrijheid [...] zal dan pas inhoud heb¬ ben, wanneer wij geloof in onszelf hebben, wanneer wij bereid zijn begrip op te brengen voor eikaars problemen, wanneer wij het voorrecht van eigen

225

verantwoordelijkheid erkennen en van hieruit onze toekomstidealen stel¬ len, maar bovenal wanneer we bereid zijn onze handen uit te steken en te arbeiden.’ Naar zijn zeggen konden Surinamers bezield door de beginse¬ len van verdraagzaamheid, democratie en vooruitgang vrije mensen in een vrije maatschappij zijn en een blijvend monument oprichten van een¬ heid en eensgezindheid. Arron presenteerde dit laatste als het primair nieuwe dat de onafhankelijkheid de Surinaamse mens zou brengen.132 Hoewel de verzoeningsgedachte volgens Arron het leidende principe was geweest bij het opstellen van de grondwet en de pijler zou moeten zijn waarop het soevereine Suriname rustte, had hij er geen moeite mee de oppositie tegemoet te komen door een passage hierover in de pream¬ bule van de grondwet te schrappen. Voorts verdedigde hij de introductie van een nieuwe staatsrechtelijke figuur, de president. Deze zou optreden als staatshoofd, maar geen politieke verantwoordelijkheid dragen. Hij zou gekozen worden door het parlement, niet rechtstreeks door het elec¬ toraat. De ministers zouden, zoals al sinds 1950 het geval was, verant¬ woording afleggen aan het parlement. De coalitie ging niet mee met de voorkeur van de oppositie voor een rechtstreeks door het volk gekozen president. Ook hield Arron vast aan het districtenstelsel. Hij beschouw¬ de dit stelsel, anders dan het door de oppositie omarmde stelsel van even¬ redige vertegenwoordiging, als de beste garantie voor het handhaven van de band tussen kiezers en gekozenen en als een stimulans voor coalitie¬ vorming. Tevens wierp het districtenstelsel volgens hem een noodzakelijke dam op tegen partijpolitieke versnippering. Wel wilde hij de opposi¬ tie ter wille zijn door de bestudering van deze materie op te dragen aan een speciale commissie. Die zou zich dan tevens kunnen buigen over de wenselijkheid om de kiesgerechtigde leeftijd te verlagen. Het argument van de oppositie dat een parlement bestaande uit Nederlanders na 25 november een parlement zou worden bestaande uit Surinamers en dat daarom het houden van nieuwe verkiezingen voor de hand lag, werd door Arron weerlegd met verwijzing naar artikel 1 van de additionele bepalingen van de grondwet. Dat stelde dat alle op het tijdstip van de inwerkingtreding van de grondwet bestaande autoriteiten zouden worden gehandhaafd, totdat, met inachtneming van de grondwet, zij door andere autoriteiten zouden worden vervangen. Het parlement was vol¬ gens Arron een dergelijke autoriteit. Hoewel verschillende wensen van de oppositie het met andere woorden niet haalden, ging Arron wel mee met enkele andere bezwaren van de oppositie, onder andere betreffende de grondrechten die in de ontwerpwet waren vastgelegd.133 Ter afsluiting van zijn redevoering richtte Arron zich persoonlijk tot

226

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

Lachmon, naar zijn zeggen omdat op hen beiden een bijzondere verant¬ woordelijkheid rustte. Deze dienden zij via hun politieke combinaties te laten gelden tegenover het Surinaamse volk. In welgekozen bewoordin¬ gen deed hij een oproep aan Lachmon om in het belang van de toekomst van Suriname de strijdbijl te begraven: ‘Laten wij [...] bereid zijn elkaar te accepteren met onze menselijke gebreken. Laten wij bereid zijn om de barrières, die er misschien niet zijn, maar die als schimmen steeds voor ons staan, te doorbreken. Laten we bereid zijn het wanbegrip dat tussen oppositie en coalitie, dat tussen regeringspartijen en oppositie, dat mis¬ schien tussen Lachmon en mij bestaat, laten wij die barrières wegbreken, want ook met onze menselijke gebreken zullen we een monument moeten vestigen en dit monument [... ] zal geen Suriname mogen zijn, verscheurd door onze inzet, maar een Suriname dat zich opbouwt in eenheid en eensgezindheid, door samenwerking van ons. De dag van vandaag [... ] zal niet alleen een historische dag mogen zijn in politicis, maar een histori¬ sche dag kenmerkend in wezen de nieuwe Surinamer van straks, bezield van de bereidheid elkaar te respecteren en te eerbiedigen als mens. De heer Lachmon en ik zullen het Surinaamse volk als twee leiders moeten tonen dat wij tegen elkaar strijden, hard en vaak meedogenloos hard, maar dat we geen vijanden van elkaar zijn, maar op de eerste plaats Surinamers op wie de plicht rust dit land gezamenlijk op te bouwen. Ik ga naar de heer Lachmon toe [...] en ik reik hem de hand als Surinamer, want wij zullen samen dit land verder moeten opbouwen. Dit is een land van Suri¬ namers en de heer Lachmon en ik zijn Surinamers. Wanneer op 4 decem¬ ber de Surinaamse natie, de soevereine staat Suriname, zich aan de wereld zal presenteren, dan zal het nimmer zo mogen zijn dat ik het doe. Dan zal het zijn [... ] het Surinaamse volk en tot het Surinaamse volk behoort ook de leider van de oppositie. Het zal voor mij en voor de Surinaamse rege¬ ring een grote eer zijn als de heer Lachmon met ons zal zijn in de Ver¬ enigde Naties, wanneer Suriname zich als het 144ste lid aan de wereld zal presenteren.’134 Na het uitspreken van deze woorden liep Arron op Lachmon toe, bei¬ de politici reikten elkaar de hand en omhelsden elkaar. Het enthousias¬ me van de aanwezigen in de Statenzaal manifesteerde zich in spontaan applaus.135 De verzoening waar veel mensen op hadden gehoopt en waar gelovigen vurig voor hadden gebeden, was eindelijk werkelijkheid ge¬ worden. Het nieuws van de brasa (omhelzing) verspreidde zich als een lopend vuurtje door Paramaribo. De ontlading na zo veel maanden van oplopende spanning was groot. Mensen slaakten kreten van blijdschap en vielen elkaar ontroerd in de armen. Automobilisten claxonneerden in de

227

straten en staken hun armen in zegevierende gebaren door het portier¬ raam naar buiten. De opluchting die zich van veel Surinamers meester maakte, doorbrak de sfeer van verlamming en negativisme die de samen¬ leving de maanden ervoor had beheerst. In de Staten sprak Lachmon met waardering over het gebaar van Arron. Hij verklaarde te hopen ‘dat deze geste als uiting en gevoelen in het intermenselijk verkeer daadwerkelijk zal bijdragen tot een zodanige overeenstemming, dat de door ons voorgenomen amendementen over¬ bodig zullen worden. Daarom spreek ik hierbij mijn innige wens uit, dat de heren Arron en Lachmon elkaar niet slechts tijdelijk omarmen, maar dat door de aanname van de aldus veranderde grondwet een zodanig ver¬ trouwen zal worden geschapen, dat het Surinaamse volk tot in lengte van jaren op dit fundament zal kunnen leven en elkaar zal omhelzen. En dan richt ik mij persoonlijk tot Henck Arron. Henck Arron is een leerling van mijn politieke vriend. Ik dacht dan ook dat de heer Henck Arron van de filosofie van mijn politieke vriend, die - helaas - is overleden, op de hoog¬ te zal zijn. Indien u die politiek wenst te realiseren in Suriname en u mijn medewerking op welke wijze dan ook nodig hebt, hier sta ik, gebruik mij!’136 Arron: Toen konden opeens alle problemen op z’n Surinaams worden op¬ gelost. Lachmon was direct een andere man. Maar ook een heel ander politicus. We hebben toen onder vier ogen - het was een langdurig gesprek - de grond¬ wet doorgenomen, systematisch artikel voor artikel. Lachmon heeft daarna zijn amendementen voorgelegd, die we vrijwel allemaal hebben overgenomen, overigens ook de amendementen van de coalitie. Vervolgens is de grondwet met volstrekte meerderheid van stemmen aangenomen. Drie leden waren er niet: Somohardjo en Dasiman137 zaten in Nederland en Rasam kon wegens familie¬ omstandigheden niet bij de stemming aanwezig zijn. Liesdek-Clarke was er wel. Ook zij heeft vóór gestemd. Vervolgens is alles van een leien dakje gegaan. Tijdens het gesprek onder vier ogen nam Arron namens de regering meerdere voorstellen van de

vhp

over. De oppositie werd in het bijzon¬

der tevredengesteld op het punt van de evenwichtige samenstelling van de krijgsmacht. Hieraan werden in de grondwet en in de bijbehorende memorie van toelichting passages gewijd, die volledig tegemoetkwamen aan haar wensen. Wat betreft het houden van vervroegde verkiezingen deed Arron de belofte binnen acht maanden na de onafhankelijkheid ver¬ kiezingen uit te schrijven, echter met de aantekening dat de partijstruc¬ turen hierover zouden moeten worden geraadpleegd. Voorafgaande aan de stemming liet Lachmon weten dat de oppositie vier amendementen in¬ trok en een vijfde amendement niet in stemming liet brengen. Op 19 no-

228

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

8. Henck Arron en Jagernath Lachmon na de goedkeuring van de grondwet op 19 november 1975

vember werden vervolgens de grondwet en de rijks wet ter beëindiging van het Statuut met algemene (36) stemmen door de Staten van Suriname aangenomen.138 Over de aanvaarding van de grondwet schreef De West: ‘Nadat de voor¬ zitter de uitslag van de stemming bekend had gemaakt, hief het publiek spontaan het Surinaamse Volkslied aan. Ministers, Statenleden en andere aanwezigen vielen in. De premier en de oppositieleider werden omhan¬ gen met kransen. Bloemstukken werden aangeboden. Statenleden felici¬ teerden elkander, soms met een omarming erbij. Buiten de Statenzaal begroette het publiek de geboorte van de Grondwet met het afschieten van vuurwerk. Een deel van de mensen op straat begaf zich in het Staten¬ gebouw om gelukwensen aan te bieden. Het geheel verkeerde in een feestvreugde. Bisschop Zichem kwam persoonlijk zijn felicitatie aanbie¬ den. Zowel de voorzitter der Staten als de premier achtte hetgeen zojuist tot stand kwam het hoogste wat zij in hun politieke loopbaan hebben be¬ reikt. Oppositieleider Lachmon was van oordeel dat er een basis was ge¬ legd voor eenwording.’139 Ook De Ware Tijd stelde vast dat Paramaribo in een feestroes verkeer¬ de. Op straat riepen mensen: we want Arron, we want Lachmon, we want Clarke, we want Hindori. ‘Er heerste een enthousiaste geest van verbroe¬ dering. Er was grote vreugde over de vreedzame oplossing na maanden van

229

stijgende spanning, onbehagen, vrees en begin van gewelddadigheden. Gisteravond om tien voor half zeven is een basis gelegd om van de zo ge¬ mengde bevolking één volk te maken dat aan zijn welvaart moet bouwen met vereende krachten.’140 Ook De Vrije Stem noemde het met algemene stemmen aannemen van de grondwet een ‘bijzonder heuglijk feit’ en hét bewijs dat de kloof tussen oppositie en coalitie niet zo groot was dat deze niet in het landsbelang overbrugd kon worden. De ‘diamanten handdruk’ van Arron had voor de gewenste ontspanning gezorgd tussen de twee machtsblokken, maar volgens de krant de verhouding tussen de de

pnr

onder druk gezet. De

pnr

nps

en

was ontstemd, aangezien het stakings¬

recht niet in de grondwet was opgenomen zoals de partij zich dit had voorgesteld en aangezien Arron afzonderlijk met Lachmon was gaan on¬ derhandelen, waardoor Bruma aan de kant was geschoven en buitenspel was komen te staan.141 Op 20 november werden met algemene stemmen de wetsontwerpen betreffende de nationaliteitenregeling, het militair strafrecht, de militai¬ re strafrechtspleging, het militair tuchtrecht en de taakomschrijving van de krijgsmacht aangenomen. De leden van de oppositie die een jaar daar¬ vóór in het rapport van de Koninkrijkscommissie een minderheidsnota over de nationaliteitenregeling hadden laten opnemen, verheten om principiële redenen vóór de stemming de Statenzaal.142 Als sluitstuk van de marathondebatten werd op 21 november de Surinaamse vlag met alge¬ mene stemmen bij wet vastgesteld.143 Om een tijdige levering van de nieuwe vlag mogelijk te maken, had premier Arron vooruitlopend op het besluit van de Staten bij een Nederlands bedrijf een order geplaatst. Op het moment dat leden van de coalitie en de oppositie over het vlagontwerp debatteerden, was een toestel van de Koninklijke Luchtvaart Maat¬ schappij

(klm)

met exemplaren van het kleurige doek reeds op weg naar

Suriname. Het geluk was met de minister-president. De Staten namen het ingediende wetsontwerp zonder wijzigingen over. De feestelijke apothe¬ ose van zes dagen bijna doorlopend vergaderen werd in de Staten luister bijgezet met de voordracht van gedichten door de leden Bean, Martodihardjo en Raveles. De laatste droeg het bekende gedicht ‘Wan bon’ voor.144 Het goedgekeurde vlagontwerp was het werk van de commissie vlag en wapen van Suriname. Arron had deze adviescommissie onder leiding van Evert Azimullah in juni 1975 geïnstalleerd.145 Aan de commissie wer¬ den 270 vlagontwerpen en 69 wapenontwerpen ter beoordeling voorge¬ legd. Geen van de wapenontwerpen kon de goedkeuring van de commis¬ sie wegdragen. Wel keurden de leden drie vlagontwerpen goed, waarvan twee van de hand van Jack Pinas. De commissie plaatste deze ontwerpen

230

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

in een prioriteitsvolgorde en bracht verslag uit aan Arron. Deze drong aan op het vaststellen van één ontwerp. Hij wenste dat daarbij in ieder ge¬ val zou worden afgezien van het gebruik van een zwarte ster, zoals door Pinas was voorgesteld. Al wilde de ontwerper hiermee vooral de band met de oude vlag symboliseren, een dergelijke kleur zou in combinatie met de eveneens gebruikte kleur rood naar het oordeel van Arron te zeer worden geïdentificeerd met de kleur van de pnr, de partij van Pinas. De commissie besloot na vele gesprekken en consultaties - onder an¬ dere met Pinas - tot een samenvoeging van de drie ontwerpen tot één compositorisch en esthetisch geheel. Van de ontwerpen van Pinas werden de baanverhouding en de kleurensamenstelling overgenomen. De vijf ba¬ nen waren uitgevoerd in de kleuren wit (ktpi), groen (nps) en rood (pnr). Om ook de VHP-kleur in de vlag te verankeren, werd bij de vaststelling van de kleur rood op advies van commissielid Robles de Medina gekozen voor een samenstelling van zes delen karmijnrood en vier delen vermiljoenrood. Die laatste kleur bevat belangrijke bestanddelen oranje, de kleur van de vhp. Uit praktische overwegingen, maar ook om de psv-kleur een plaats te geven in het nationale symbool, werd de vijfpuntige gele ster uit het derde ontwerp gebruikt. Behalve partijpolitieke stromingen repre¬ senteerden de kleuren nationale idealen. Groen stond voor vruchtbaar¬ heid en de hoopvolle verwachting van het nieuwe Suriname, wit voor ge¬ rechtigheid en vrijheid, rood voor vooruitgang en de strijd voor een beter bestaan, geel voor de eenheid van de natie en de gerichtheid op een gou¬ den toekomst. De gele ster zou ook terechtkomen op het nieuwe wapen van Suriname, dat verder onveranderd bleef.146 De bereidheid van Lachmon om op 19 november compromissen te sluiten, werd positief beïnvloed door de opstelling van gouverneur Ferrier. Vóór de brasa met Arron had Lachmon vanuit het Statengebouw naar Ferrier getelefoneerd en hem vervolgens op het paleis het verzoek ge¬ daan of hij de eerste president van de republiek Suriname wilde worden. Lachmon meende dat de naleving van de grondwet onder zijn president¬ schap meer vertrouwen gaf voor de toekomst. De bezittingen van de gou¬ verneur en zijn gezin waren al gepakt en in containers opgeslagen, klaar om te worden verscheept naar Nederland waar Ferrier zich na de soeve¬ reiniteitsoverdracht zou vestigen. Maar omdat duidelijk was dat een posi¬ tieve reactie zou bijdragen aan het staken van Lachmons verzet tegen de onafhankelijkheid, wilde Ferrier diens verzoek inwilligen, op voorwaar¬ de dat zijn presidentschap ad interim zou zijn. Lachmon stemde hiermee in. Een gelijkluidend verzoek van Arron dat hierop volgde, en dat hem ge¬ daan werd namens de ‘gehele ministerraad’ en de ‘ganse bevolking’, werd

231

door Ferrier eveneens aanvaard, zij het met de aanvullende voorwaarde dat Arron de aan de oppositie toegezegde algemene verkiezingen ‘binnen de kortst mogelijke tijd’ zou laten plaatsvinden. Arron was hiermee ak¬ koord gegaan. Aldus zou Ferrier de eerste president van de republiek Suriname worden.147 Was de geste van Arron, die de angel haalde uit de gespannen verhou¬ ding tussen de coalitie en de oppositie, een spontane inval en kwam dit initiatief uit zijn eigen koker? Een feit is dat na de reis van de oppositie naar Nederland achter de schermen door meerdere personen was gepro¬ beerd om te bemiddelen tussen de twee politieke leiders. S.D. Tewarie, invloedrijk zakenman en persoonlijk vriend van Lachmon, zocht op ei¬ gen initiatief contact met Arron, maar kreeg nul op rekest toen hij Arron het verzoek deed de politieke strijd met Lachmon te staken.148 Tegenover Nederlandse ambtenaren liet Lachmon zich in deze dagen ontvallen ge¬ voelig te zijn voor een groots gebaar van Arron en voor een signaal dat deze prijs zou stellen op een gezamenlijke verwezenlijking van de onafhanke¬ lijkheid. Er zijn aanwijzingen dat zijn gesprekspartners Arron telefonisch op de hoogte brachten van deze wens. Lachmon besprak zijn verlangen naar erkenning ook met gouverneur Ferrier, die op zijn beurt dit gegeven in zijn wekelijkse besprekingen met Arron meenam.149 Los van vertegen¬ woordigers van religieuze groepen, werkgevers en vakbonden drongen ook Statenleden in het openbaar aan op een verzoening tussen de twee leiders, zoals zij onder andere in oktober in de Nederlandse Staten Gene¬ raal hadden gedemonstreerd. In feite kreeg Arron de sleutel tot het doorbreken van de patstelling dus door Lachmon zelf aangereikt. Het type stap dat gezet moest worden om de oppositie gunstig te stemmen was Arron met andere woorden be¬ kend. De vorm die het gebaar moest krijgen en het moment van presenta¬ tie stonden daarmee echter nog niet vast. Gezegd moet worden dat Arron de situatie meesterlijk taxeerde, dat zijn timing niets te wensen overliet en dat hij zijn gebaar met maximale uitbuiting van het dramatisch effect voor het voetlicht bracht. Voor Arron was 18 november een hoogtepunt in zijn politieke carrière en een van die momenten dat zijn intuïtie hem feilloos naar het juiste besluit navigeerde. Woorden van Pengel zullen hem in die dagen meer dan eens door het hoofd zijn gegaan: Al houden wij niet van elkaar, laten wij elkaar omhelzen als het landsbelang daarom vraagt.’ DE SOEVEREINITEITSOVERDRACHT

De voorbereidingen voor de soevereiniteitsoverdracht voerden in snel tempo naar de beoogde climax.150 Op 21 november opende premier Arron

232

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

aan de Kleine Waterstraat het Onafhankelijkheidshotel. Het honderd ka¬ mers tellende bouwwerk was in de recordtijd van vijf maanden opgele¬ verd en was bedoeld om onderdak te bieden aan de buitenlandse gasten die de onafhankelijkheidsviering zouden bij wonen. In de nacht van 21 op 22 november werd het standbeeld van koningin Wilhelmina van het Oranjeplein verwijderd en getransporteerd naar een plek achter Fort Zeelandia. Officieel werd als reden voor de verplaatsing opgegeven dat de regering wilde voorkomen dat tijdens de feestelijkheden het beeld door kwaadwil¬ ligen zou worden beschadigd. Maar de symboliek van de handeling kon niemand ontgaan. Met de operatie - die met instemming van Den Haag plaatsvond - nam het kabinet-Arron een voorschot op de nieuwe verhou¬ dingen met Nederland.151 Tijdens een receptie georganiseerd door gouverneur Ferrier deelde premier Den Uyl mee dat het koningin Juliana had behaagd om Ferrier te benoemen tot commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Arron en Wijntuin tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Ook andere Surinaamse notabelen waren door de koningin met een onder¬ scheiding bedacht. Op haar beurt had de Surinaamse regering besloten om ter gelegenheid van de soevereiniteitsoverdracht degenen die tot vrij¬ heidsstraffen waren veroordeeld strafvermindering te verlenen. Als ge¬ volg van deze gratiëring zouden per 1 december 46 gedetineerden in vrij¬ heid worden gesteld. Van een aantal gedetineerden werd de levenslange gevangenisstraf omgezet in een gevangenisstraf van 25 j aar.152 Op maandag 24 november werd in de voorzitterskamer van het parle¬ mentsgebouw de nieuwe Surinaamse vlag ingezegend door voorgangers van de rooms-katholieke kerk, de Evangelische Broedergemeente en de moslimgemeente. Diezelfde avond bood de Surinaamse regering haar of¬ ficiële gasten een staatsbanket aan in hotel Torarica. Tot de aanwezigen behoorden onder andere prinses Beatrix en prins Claus, premier Den Uyl, de ministers Pronk en De Gaay Fortman en de premiers van de Neder¬ landse Antillen en Grenada. Later die avond vonden in een afgeladen Suriname-stadion (thans André Kamperveen-stadion) verschillende ma¬ nifestaties plaats. De onderscheiden bevolkingsgroepen trokken in een défilé aan de toeschouwers voorbij. De festiviteiten eindigden met het strijken van de Nederlandse vlag en het zingen van het Wilhelmus, het hijsen van de Surinaamse vlag door politieman Frank Jong Loy153 en het zingen van Opo kondre man un opo!154, en het afsteken van een groot vuur¬ werk. Frifrifri (vrij, vrij, vrij) klonk het klokslag twaalf uur door het stadi¬ on. Mensen juichten, dansten, zongen, sloegen elkaar op de schouder en omhelsden elkaar. Aangespoord door gouverneur Ferrier deden Arron en

233

9- Henck Arron, Olton van Genderen, prinses Beatrix, Johan Ferrier en Jagernath Lachmon in het Suriname-stadion op 25 november 1975

Lachmon ten overstaan van de verzamelde menigte hun brasa nog een keer over. De geboorte van de republiek Suriname - de 156ste soevereine staat ter wereld - was een feit.155 De volgende dag vond om 9.00 uur de soevereiniteitsoverdracht plaats in een buitengewone openbare vergadering van de Staten van Suriname. Deze vergadering werd gehouden in de Centrumkerk.156 Tot de plechtig¬ heden behoorden de ondertekening van de Akte van Soevereiniteit door de aanwezige ministers en de beëdiging van de eerste president van Suriname, Johan Ferrier. Deze legde in handen van parlementsvoorzitter Wijntuin de eed af. In toespraken roemden Ferrier, Den Uyl, Evertsz, Arron, Wijntuin, Lachmon en Nooitmeer de recent gedemonstreerde saamhorigheid, wezen zij op het belang van de beschikbaarheid van een solide grondwet en presenteerden zij als een grondhouding de verplich¬ ting die op alle Surinamers rustte om het land volgens de parlementairdemocratische traditie tot verdere ontwikkeling te brengen. Arron richtte zich in het bijzonder tot de Surinamers in het buitenland. Hij liet weten dat op hun terugkeer werd gewacht en dat de regering hoopte hen spoedig op Surinaams grondgebied te kunnen verwelkomen.157 Na de bijeenkomst in de Centrumkerk werden een aantal overeen¬ komsten met Nederland ondertekend. Arron en Den Uyl plaatsten op het ministerie van Algemene Zaken hun handtekening onder het ontwikke-

234

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

xo. Wilhelm de Gaay Fortman, Joop den Uyl en Henck Arron bij de soevereiniteitsoverdracht op 25 november 1975 (op de achtergrond in het midden: Jan Pronk)

lingssamenwerkingsverdrag, de ministers Cambridge en Pronk voorzagen op het ministerie van Opbouw een bijbehorend protocol van procedure¬ regels van hun handtekening.158 De bevolking vierde uitgelaten feest in de straten van Paramaribo. Op de plaats die niet langer Oranjeplein maar Onafhankelijkheidsplein heette, vormden in groen, rood, wit en geel ge¬ hulde schoolkinderen de Surinaamse vlag. ’s Avonds werden de festivitei¬ ten officieel afgesloten met een staatsbal in hotel Torarica. Naderhand zou Arron nog vaak memoreren dat op 25 november niet wan dagu ben fet’ nanga wan puspusi (niet eens één hond met één kat had gevochten) om te benadrukken dat de soevereiniteitsoverdracht in een harmonieuze sfeer had plaatsgevonden.159 De Vrije Stem sprak van een waardig feest van verbroedering en uit¬ bundigheid.160 De West memoreerde het wonder van de omhelzing en de feestelijkheden in het Suriname-stadion, maar constateerde dat er nog veel problemen om een oplossing vroegen en dat alle burgers eraan dienden bij te dragen dat Suriname een democratisch bestuurd land bleef.161 In een bijzondere rede, getiteld Aan alle Surinamers in alle delen der wereld stond Arron met trots stil bij het heuglijke feit dat Surinamers op 25 november 1975 bewust bezit namen van hun grondgebied, ‘de primaire bron van ons bestaan’ en de ‘grondslag van onze eenheid’. De Surinaamse nationa¬ liteit diende als eigendomsbewijs voor deze grond. Wie deze nationaliteit

235

niet bezat, kon volgens hem niet bewijzen recht op deze grond te hebben. Arron verklaarde het te betreuren dat vele Surinamers dit bewijs van ei¬ gendom niet bezaten, omdat zij bij gebrek aan geloof in eigen kunnen verkozen hadden zich in het buitenland te vestigen. Hij riep hen op naar Suriname terug te keren, stelde hun in het vooruitzicht dat zij liefdevol zouden worden ontvangen en deed de belofte dat zij hun eigendomsrecht automatisch terug zouden krijgen. Indachtig de woorden die hij in Marcanti had gesproken, herhaalde Arron dat Surinamers in den vreemde al¬ tijd de status van gast zouden blijven houden.162 Om al te hoge verwachtingen te temperen en zijn landgenoten een realistisch perspectief aan te reiken, benadrukte Arron dat Surinamers, nu zij onafhankelijk waren geworden, niet te veel tegelijk zouden moe¬ ten willen: ‘De omstandigheid dat velen in ons land in een welvaartstaat zijn opgeleid en opgevoed brengt het gevaar met zich mee dat wij de ver¬ worvenheden van deze rijke landen ook hier onmiddellijk gerealiseerd willen zien.’163 De gerichtheid op de verworvenheden van andere landen maakte Surinamers volgens Arron onbewust vreemdeling in eigen land. Deze oriëntatie werkte ontevredenheid, gemakzucht en passiviteit in de hand en creëerde een mentaliteit ‘waarbij men zichzelf belangrijk wil maken door rechtstreeks of zijdelings te wijzen op fouten van anderen’. In plaats van zichzelf op de voorgrond te plaatsen, was het naar het oor¬ deel van Arron zaak om het land centraal te stellen, om wensen en ver¬ langens geduldig aan te passen aan de eigen inkomsten en om werklust en offervaardigheid aan de dag te leggen: ‘Onze filosofie zal moeten zijn: “Geef mij een vis en ik zal u dankbaar zijn, maar geef mij de visnetten en ik zal zelfstandig zijn.”164 Eens zullen ook wij ons de weelde van de wel¬ vaartstaat kunnen veroorloven, maar deze willen wij zelf veroveren en zelf bepalen.’165 Arron wees op het belang van vrijheid, verantwoordelijkheidszin en discipline, principes die hun vertaling hadden gekregen in de grondwet, het fundament van de democratie en de rechtsstaat, en de hoeksteen van de toekomstige welvaart. Het democratisch systeem diende volgens Arron niet alleen te worden gehandhaafd, maar ook verder te worden ontwik¬ keld en uitgebouwd. De menselijke rechten en vrijheden dienden naar zijn zeggen tot elke prijs te worden beschermd, nageleefd en gewaarborgd. Zoals hij eerder bij de behandeling van de regeringsverklaring uiteen had gezet, benadrukte hij dat dankzij een verhoogde krachtsinspanning ‘een nieuw en beter Suriname’ gerealiseerd zou kunnen worden. Een ‘waar¬ achtig nationalisme’ diende de pijler te zijn waarop ‘onze toekomstige ontwikkeling, groei en stabiliteit zullen zijn gefundeerd. Dit nationalis-

236

VADER VAN DE ONAFHANKELIJKHEID: FINALE

me is een onmisbaar instrument voor eenwording en eensgezindheid en het zal ook dit nationalisme zijn dat het gevoel van lotsverbondenheid zal vergroten.’166 In een dankwoord, uitgesproken op 30 november, aan de vooravond van zijn vertrek naar de Verenigde Naties

(vn),

gaf Arron uiting aan zijn

trots op wat hij omschreef als de waardige en respectvolle wijze waarop het Surinaamse volk zich tijdens de onafhankelijkheidsviering aan de wereld had gepresenteerd. Hij roemde de eenheid en eensgezindheid die aan de dag waren gelegd en de professionaliteit en flair waarmee de bui¬ tenlandse gasten in Suriname waren ontvangen. Het was Arrons overtui¬ ging dat Surinamers ook in de toekomst hun verantwoordelijkheid als burgers van een soevereine staat zouden nemen en aan elkaar zouden doorgeven. Naar zijn oordeel onderschreef het Surinaamse volk waarden die internationaal als fundamenteel werden beschouwd: vrede, menslie¬ vendheid, solidariteit, wederzijds respect en eerbiediging van democra¬ tische principes. Op grond hiervan waren Surinamers volgens hem be¬ reid met iedereen vriendschappelijke betrekkingen te onderhouden en bij te dragen aan wereldvrede en mondiale vooruitgang. Arron kondigde aan de Algemene Vergadering van de

vn

in deze geest te zullen toespre¬

ken, niet namens de Surinaamse regering of het Surinaamse parlement, maar namens het Surinaamse volk.167

237

'

VI Het primaat van de partijpolitiek: Zelfverzekerd voorwaarts

De brasa van Arron en Lachmon straalde positief af op de verhoudingen in de republiek en versterkte het imago van een harmonieuze samenleving dat Suriname wenste uit te dragen, zeker na de toelating van het land tot de Verenigde Naties. De populariteit van Arron reikte tot grote hoogte. De onafhankelijkheid werd nadrukkelijk met zijn persoon vereenzelvigd en hij was het die er als politicus de meeste eer mee inlegde. Toch waren de wittebroodsweken van de republiek van korte duur. Anders dan hij Lach¬ mon in de debatten aan de vooravond van de soevereiniteitsoverdracht had toegezegd, zag Arron in de zomer van 1976 af van het organiseren van ver¬ vroegde verkiezingen. Dit besluit oogstte veel kritiek. Het verbreken van de belofte aan Lachmon deed de spanningen tussen de coalitie en de opposi¬ tie op volle sterkte terugkeren en verlamde de parlementaire arbeid. Begin 1977 kreeg de regering te maken met een corruptieschandaal. Dit leidde tot het aftreden van een KTPi-minister. Dat de bewindsman te¬ vens voorzitter van de

ktpi

was en door de rechter tot een gevangenis¬

straf werd veroordeeld, was niet bevorderlijk voor de onderlinge verhou¬ dingen. Aan de samenwerking met de

pnr

kwam later dat jaar een einde.

Er volgden verkiezingen, die de krachtsverhoudingen in het parlement onveranderd lieten. Arron formeerde zijn tweede kabinet. De plaats van de

pnr

in de coalitie werd ingenomen door de

hpp.

Lachmon werd weder¬

om gedwongen in de oppositiebanken plaats te nemen. De vhp hield vol dat de coalitie had gefraudeerd met stemmen en zich op oneigenlijke gronden had uitgeroepen tot winnaar van de verkiezingen. De regering ontkende. Het lukte Arron de politieke strubbelingen in goede banen te leiden, maar tot zijn leedwezen moest hij vaststellen dat de opbouw van een nieuw Suriname en de creatie van de nieuwe Surinamer niet de aandacht kre¬ gen die hij zich vooraf had gewenst. De lange en intensieve werkdagen die hij maakte, trokken een wissel op zijn gezondheid. Begin 1978 werd Arron opgenomen in het academisch ziekenhuis. Vastgesteld werd dat hij door een licht hartinfarct was getroffen. Na zes weken revalideren gaven de behandelende artsen hem toestemming zijn werk te hervatten.

239

ïi. Henck Arron presenteert de soevereine staat Suriname bij de vn op 4 december 1975

TOETREDING TOT DE VERENIGDE NATIES

Op 1 december verleende de Veiligheidsraad zijn goedkeuring aan de toe¬ lating van Suriname tot de vn.1 Aansluitend presenteerde Arron op 4 de¬ cember de onafhankelijke republiek Suriname voor het oog van de we¬ reld tijdens een speciale bijeenkomst van de Algemene Vergadering. Het verheugde hem dat deze datum samenviel met de verjaardag van zijn echtgenote.2 Nadat de Algemene Vergadering met algemene stemmen Suriname als lidstaat had toegelaten, sprak Arron woorden van dank uit voor het welkom dat de lidstaten Suriname hadden bereid. Hij wees erop dat 25 november 1975 het begin markeerde van Suriname als soevereine staat: ‘Het is daarom op zijn plaats dat wij eer betuigen aan al die dappere mannen en vrouwen die het hoogste offer hebben gebracht en wier bloe¬ dige revolutie tegen de slavernij leidde tot de afschaffing daarvan op 1 juli 1863. Vanaf 15 december 1954 zijn wij autonoom in de binnenlandse aan¬ gelegenheden en wij hebben het volste vertrouwen dat de ervaring die wij gedurende al deze jaren hebben opgedaan ons in staat zal stellen om als volwaardige natie deel te hebben aan internationale aangelegenhe¬ den [...].’ Volgens Arron hadden ‘de eigen vrije wil van het Surinaamse volk’ en de medewerking van Nederland en de Nederlandse Antillen aan de onafhankelijkheid ten grondslag gelegen. Hij merkte op dat Suriname op een waardige wijze wenste samen te werken met de rijke landen in de

240

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

12. Surinaamse delegatie bij de presentatie van Suriname bij de vn op 4 december 1975

(voorv.l.n.r.: HenckArron, Eddy Hoost en Emile Wijntuin; achterv.l.n.r.: Henk Heidweiller, Jagernath Lachmon en Rufus Nooitmeer)

wereld, zoals Nederland, en met de ontwikkelingslanden, in het belang van de verbetering van eikaars levenskansen. De toelating werd luister bijgezet door zangeres en actrice Pearl Bailey. Als speciaal ambassadeur bij de

vn

sprak zij de Surinaamse delegatie toe. ‘You walk with dignity’,

galmde haar stem door de zaal. De Surinaamse delegatie voelde zich op¬ getild door haar woorden.3 Daags na de toelating van Suriname werd voor het hoofdkwartier van de vn de Surinaamse vlag gehesen. In een toespraak die aan de vlagceremonie voorafging, heette secretaris-generaal Kurt Waldheim Suriname officieel welkom als 144ste lid. Hij verklaarde er alle vertrouwen in te hebben dat Suriname volwaardig zou bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van de organisatie. De plechtigheid werd besloten met een lunch die de secretaris-generaal Arron aanbood.4 Na dit middagmaal was Arron het middelpunt van een receptie voor het corps diplomatique en vertegenwoordigers van het vN-secretariaat. In het weekend van 6 en 7 december organiseerde de Surinaamse diplomatieke vertegenwoordiging een receptie voor de Surinaamse gemeenschap in de Verenigde Staten. Ook daar gaf Arron acte de présence. Op 8 december trad Arron op als gastheer tijdens een diner dat de

241

Surinaamse regering aanbood aan de ambassadeurs van de landen van het Westelijk Halfrond. In een toespraak in het Spaans en het Engels be¬ nadrukte Arron de vriendschappelijke betrekkingen die Suriname met de betrokken landen wenste te onderhouden en identificeerde hij als ge¬ meenschappelijke belangen de strijd tegen slavernij en kolonialisme en de oplossing van de sociaal-economische en politieke vraagstukken waar¬ voor het Westelijk Halfrond zich zag gesteld. Eerder op de dag was de Surinaamse delegatie een lunch aangeboden door de Permanente Verte¬ genwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden bij de

vn.

Staats¬

secretaris van Buitenlandse Zaken P.H. Kooijmans had bij die gelegen¬ heid de overtuiging uitgesproken dat Suriname en Nederland hun goede relaties zouden voortzetten.5 Voor Arron was de toetreding van Suriname tot de

vn

een tweede

hoogtepunt in zijn politieke carrière. Het vervulde hem met blijdschap en trots dat de republiek door de wereldgemeenschap als een onafhanke¬ lijke staat werd erkend, dat de voormalige kolonie op een genereuze wij¬ ze was verwelkomd door de volkerenorganisatie en dat het land in het vervolg op voet van gelijkwaardigheid met andere lidstaten kon meepra¬ ten over mondiale vraagstukken. Het deed Arron bovendien genoegen dat de Surinaamse delegatie vertegenwoordigers van de coalitie én de op¬ positie telde. Vooral de aanwezigheid van VHP-leider Lachmon betekende niet alleen de inlossing van een belofte die de premier hem enkele weken daarvoor had gedaan, maar weerspiegelde ook de sfeer van samenwer¬ king en verzoening waarin de soevereiniteitsoverdracht uiteindelijk zijn beslag had gekregen.6 In de maanden die volgden, trad Suriname toe tot verschillende an¬ dere multilaterale organisaties. Daarbij hoorden diverse gespecialiseerde organisaties van de vn, zoals de Food and Agriculture Organization de World Health Organization zation

(ilo)

Organization

(who),

(fao),

de International Labour Organi¬

en de United Nations Educational, Scientific and Cultural (unesco).

Ook de Groep van 77 van de United Nations

Conference on Trade and Development (unctad ) en de Economie Commission for Latin America and the Caribbean

(eclac)

maakten deel uit

van deze categorie.7 Van bijzonder belang was de aansluiting van Suriname bij de Lomé Conventie. Dit was een akkoord dat de negen lidstaten van de

eeg

op 28

februari 1975 hadden gesloten met 46 landen uit Afrika, de Caraïben en het Stille Oceaan-gebied. Het doel van het verdrag was het versterken van de sociaal-economische ontwikkeling van de landen van de African, Caribbean and Pacific Group of States

242

(acp).

De Surinaamse regering

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

hechtte grote waarde aan het continueren van de relaties met de

eeg

vanwege de beschermde status die Surinaamse rijst, suiker en banaan op de Europese markt genoten en vanwege de mogelijkheid om middelen te verwerven uit het EEG-Ontwikkelingsfonds en bij de Europese Inves¬ teringsbank. In zijn vergadering van 14 juli 1976 keurde de ACP-EEG-ministerraad de toetreding van Suriname tot de Lomé Conventie met alge¬ mene stemmen goed. In zijn dankwoord roemde Arron de eenheid en solidariteit binnen de ACP-groep, zijns inziens het fundament van de on¬ derhandelingspositie van de landen tegenover de

eeg.

Hij verklaarde dat

Suriname gemotiveerd zou bijdragen aan de totstandbrenging van een meer rechtvaardige en evenwichtige economische verhouding tussen de betrokken ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden.8 Suriname trad op 22 februari 1977 als 26ste lid toe tot de Organization of American States

(oas).

In Washington ondertekende Arron het hand¬

vest van de organisatie en het Protocol van Buenos Aires en sprak deels in het Engels, deels in het Spaans de vergadering toe. Hij liet weten dat Suriname zich ‘volkomen geïntegreerd’ achtte in de Latijns-Amerikaanse regio en verklaarde dat de permanente vertegenwoordiger van Suriname bij de

oas,

R.F. Karamat, zich zou inspannen om de diplomatieke relaties

van Suriname met de andere lidstaten uit te breiden en te verdiepen. Arron bracht hulde aan Simón Bolivar, geestelijk vader van de beweging tot eenheid onder de Amerikaanse staten, en sprak de hoop uit dat de

oas

zou bijdragen aan de totstandbrenging van een nieuwe economische we¬ reldorde. In Washington voerde Arron verder besprekingen met leden van het Amerikaanse Congres, met de Amerikaanse minister van Buiten¬ landse Zaken Cyrus Vance en met vertegenwoordigers van de World Bank, het International Monetary Fund

(imf)

en de Inter-American Develop-

ment Bank (1 db).9 In december van dat jaar trad Suriname tot voornoem¬ de organisaties toe.10 Op 6 september 1979 zette de Surinaamse regering een volgende stap op het gebied van haar multilaterale betrekkingen. De republiek trad toe tot de Non-Aligned Movement

(nam),

de Beweging van Niet-Gebonden

landen, tijdens de zesde topconferentie van de organisatie in Havana. Tot de nieuwe lidstaten die werden toegelaten, behoorde ook Grenada, waar in maart van dat jaar een staatsgreep Maurice Bishop aan de macht had gebracht.11 Het speciaal voor de conferentie gebouwde complex van za¬ len, restaurants en winkels had us$ 22 miljoen gekost en overweldigde de Surinaamse delegatie door zijn omvang, comfort en strenge veiligheids¬ voorzieningen. De inrichting van de villa waar Arron was ondergebracht, stak schril af bij het beeld dat hij zich van de levensomstandigheden op

243

het eiland had gevormd. Tijdens zijn bezoek zou hij niet de gelegenheid krijgen deze omstandigheden in ogenschouw te nemen.12 In zijn toespraak tot de

nam

op 3 september legde Arron in nuchtere

bewoordingen en wars van het radicalisme dat de redevoeringen van ver¬ tegenwoordigers van veel andere lidstaten kenmerkte, de nadruk op het verkrijgen van economische zelfstandigheid als follow-up van de politie¬ ke onafhankelijkheid die de aangesloten landen eerder hadden verwor¬ ven. Hij verklaarde dat de belangrijkste opdracht van de

nam

eruit be¬

stond om in eenheid en solidariteit te streven naar de ‘verwezenlijking van een progressieve omvorming van de internationale politieke en eco¬ nomische structuur van onze wereld’. Hoewel dit als een moeilijke taak gold en er nog een lange weg te gaan was, meende Arron dat de organisa¬ tie de plicht had om met een verhoogde inspanning dit doel naderbij te brengen.13 Tegenover een journalist verduidelijkte hij: ‘We vragen geen aalmoes. Wat we willen is ons rechtmatig aandeel in de productie van de wereldeconomie.’14 Onomstreden was de toetreding van Suriname niet. De directe aan¬ vaarding van het lidmaatschap van deze organisatie riep de vraag op of Suriname niet beter eerst, zoals St. Lucia en Dominica, een waarnemers¬ status had kunnen aanvragen, gelet op het feit dat Cuba in de persoon van Fidel Castro de komende vier jaar zou optreden als voorzitter van de or¬ ganisatie en meerdere lidlanden voorstander waren van samenwerking met Moskou.15 Vanuit het gangbare diplomatieke beginsel dat het aanbe¬ veling verdient om zo veel mogelijk vrienden in de wereld te hebben, was Arron echter overtuigd van de juistheid van toetreding van Suriname tot de

nam.

Hij voelde zich ook persoonlijk aangesproken door de grondslag

van de organisatie: het voeren van een onafhankelijke, op vreedzame co¬ ëxistentie gebaseerde politiek gericht op de liquidatie van alle vormen van buitenlandse overheersing en agressie. Meer specifiek onderschreef hij de noodzaak van een nieuwe internationale economische orde, een ideaal dat de

nam

in 1973 had geproclameerd tijdens de vierde topconfe¬

rentie in Algiers.16 Van de vijf geestesvaders van de

nam

- Sukarno, Nehru, Nasser,

Nkrumah en Tito - was alleen de laatste nog in leven. Hoewel op leeftijd en zich moeizaam voortbewegend in een rolstoel straalde Tito op de con¬ ferentie onverminderd gezag uit. Onder de aanwezigen dwong hij boven¬ dien veel respect af, ook bij gastheer Fidel Castro. Een persoonlijke ont¬ moeting met Castro, in gezelschap van alleen ambassadeur Heidweiller en zijn echtgenote, rekende Arron tot de hoogtepunten van zijn bezoek aan Cuba. Ook voelde hij zich gestreeld door het verzoek aan de Suri-

244

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

naamse delegatie om als rapporteur op te treden tijdens de conferentie. In het verlengde van de topontmoeting zou Castro aandringen op de ves¬ tiging van een Cubaanse ambassade in Paramaribo. Arron vond dat er geen overtuigende argumenten waren om dit verlangen niet te honore¬ ren. De demissionaire status van zijn regering zou echter verhinderen dat de opening van deze ambassade tijdens zijn ambtstermijn haar beslag zou krijgen.17 De toetreding tot de

vn

en de

nam

bepaalde het kader waarbinnen

Suriname in de tweede helft van de jaren zeventig zijn multilaterale rela¬ ties gestalte gaf. De lidmaatschappen van internationale organisaties lie¬ ten een voor de hand liggend patroon zien en verbonden het land met de westerse en de niet-westerse wereld. Hoewel zijn affiniteit met de wes¬ terse wereld groter was, erkende Arron de voordelen van nauwere banden met landen die tot de derde wereld werden gerekend. Naar zijn mening diende echter onder alle omstandigheden een gematigde en zakelijke buitenlandse politiek de boventoon te voeren. Er kon moeilijk aan voorbij worden gegaan dat Suriname een klein land was dat met geringe midde¬ len en beperkte menskracht aansluiting probeerde te vinden bij de inter¬ nationale gemeenschap. De republiek verkeerde nog in de opbouwfase van de ontwikkeling van een eigen buitenlands beleid en was nog zoe¬ kende naar een aanpak en rol die pasten bij een bescheiden nieuwkomer op het mondiale toneel.18 VERBREKING VAN DE BELOFTE AAN LACHMON

Oppositieleider Lachmon had het mogelijk gemaakt dat de onafhanke¬ lijkheid van Suriname met steun van het voltallige parlement kon worden gerealiseerd nadat Arron had toegezegd dat er binnen acht maanden ver¬ kiezingen zouden worden gehouden. Hoewel Arron aan zijn belofte de voorwaarde had verbonden dat de partijorganen met dit besluit zouden moeten instemmen, beschouwde de oppositie de handreiking als een harde afspraak. Lachmon ging er vanuit dat de regeringsleider zijn gege¬ ven woord gestand zou doen. Ook de publieke opinie twijfelde hier niet aan. Aanvankelijk wees weinig erop dat de ontwikkelingen een andere wending zouden nemen. Tijdens een informele bijeenkomst op

30

de¬

cember van parlementariërs en ministers had het NPK-lid Nooitmeer in herinnering geroepen dat de oppositie de onafhankelijkheid lange tijd beschouwd had als een sprong in een leeg zwembad. De VHp’er Mungra had daar olijk op ingehaakt door te memoreren dat de oppositie nog net op tijd water in het lege bad had laten lopen. Arron stelde berustend vast

245

dat er altijd wel strijd zou zijn tussen coalitie en oppositie en dat dit ook niet bezwaarlijk was, zolang het nationaal belang voor ogen werd gehou¬ den en debatten neerkwamen op familie kijven, familie blijven.19 In zijn Nieuwjaarstoespraak sprak hij monter over de nieuwe geest die in het Surinaamse volk was gevaren en die zich richtte op het ‘bouwen aan een eigen toekomst’ en een ‘geloof in eigen kunnen’.20 Op bezoek in Nederland riep Lachmon in een televisie-uitzending zijn landgenoten op om terug te keren naar Suriname om het land mee te helpen opbouwen. Er waren verkiezingen in aantocht en het was van het grootste belang dat zo veel mogelijk kiezers daaraan deelnamen.21 Hindori - monddood gemaakt door zijn partijgenoten en officieus een eigen frac¬ tie vormend - was de eerste die Arron via een interpellatievoorstel ver¬ zocht de datum van de toegezegde verkiezingen bekend te maken.22 Arron liet via de media weten dat hij binnen acht maanden de partij organen zou raadplegen over de te houden verkiezingen. Hij maakte er geen geheim van niet warm te lopen voor een vervroegde electorale krachtmeting. Naar zijn verwachting zou deze een vertragend effect hebben op de ont¬ wikkeling van het land en daarmee een negatieve weerslag op het inves¬ teringsklimaat. Lachmon weigerde in deze gedachtegang mee te gaan. Hij verklaarde ervan overtuigd te zijn dat de minister-president het volk niet teleur zou stellen. De sfeer van verzoening, ontspanning en rust diende volgens Lachmon in de geest van 19 november gehandhaafd te blijven. De vHP-leider maakte kenbaar het aantreden van een brede coa¬ litie van Hindostanen en Creolen na de verkiezingen toe te juichen. Hij verklaarde er geen moeite mee te hebben als Arron leider van een derge¬ lijke coalitie zou worden, mits de pnr van regeringsdeelname zou wor¬ den uitgesloten.23 Desondanks hielden ingewijden er rekening mee dat het plan om op korte termijn verkiezingen te organiseren van de baan was. Een gang van het volk naar de stembus kwam Arron niet gelegen, omdat hij als rege¬ ringsleider nog onvoldoende aansprekende resultaten kon laten zien. En met een belangrijk deel van zijn electoraat in Nederland was Lachmon nog onvoldoende op sterkte om het tweegevecht met de npk te kunnen aangaan. Tegenover de Nederlandse ambassadeur Leopold had Arron zich laten ontvallen dat Lachmon om die reden helemaal geen verkiezin¬ gen wilde. Hij zocht naar een excuus om hier onderuit te komen zonder in het openbaar zijn eis te hoeven laten vallen.24 Op 1 maart 1976 was de Surinaamse regering de operatie Kapu Tjin a No Sjin (riet kappen is geen schande) gestart. Deze nationale campagne deed een appèl op burgers om inhoud te geven aan waarden als daadkracht,

246

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

zelfopoffering en patriottisme. De actie richtte zich niet in de eerste plaats op het verhogen van de nationale suikerproductie, maar op het be¬ strijden van het vooroordeel dat landarbeid slavenwerk was. Om tot ont¬ wikkeling te komen, diende een natie naar het oordeel van de regering te beschikken over werknemers die in alle economische sectoren inzetbaar waren. De bevolking voorzag zichzelf van een brevet van onvermogen als het voor minder gewilde banen gastarbeiders bleef aantrekken uit nabu¬ rige landen, zoals Guyana en Haïti.25 De campagne bestond uit een bezoek dat kopstukken van het kabinet-Arron aan suikeronderneming Mariënburg brachten. Dit bedrijf, tus¬ sen 1880 en 1964 eigendom van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (nhm),

was in 1974 tegen betaling van een symbolisch bedrag in handen

van de staat gekomen. Ministers begaven zich naar de suikerrietvelden waar zij in gezelschap van honderden vrijwilligers met veel flair een de¬ monstratie rietkappen verzorgden. Met opgestroopte mouwen en stralen¬ de gezichten verrichtten Arron, Van Genderen, Venetiaan, Bruma, Hoost en anderen het zware werk. Hun manhaftige poses werden op foto en film vastgelegd en via televisie en kranten onder de aandacht van de be¬ volking gebracht. De boodschap was duidelijk: deze politici namen hun verantwoordelijkheid, voelden zich niet te groot om arbeid te verrichten dat ten onrechte een minderwaardige status had en nodigden landgeno¬ ten uit om hun voorbeeld te volgen. Hoewel de campagne als een rege¬ ringsinitiatief werd gepresenteerd, hadden de

nps

en de

pnr

aan de wieg

van het project gestaan.26 Het zou te gemakkelijk zijn om de campagne af te doen als een naïef experiment in de socialistisch-realistische traditie. Daarvoor was de op¬ roep van te veel oprecht enthousiasme en idealisme doortrokken. De ac¬ tie illustreerde vooral de roes van de maanden net na de soevereiniteits¬ overdracht en van het geloof in de maakbaarheid van de samenleving. De campagne was vrij gemodelleerd naar het Cubaanse streven in 1970 om een record van 10 miljoen ton suiker te oogsten.27 De verrichtingen in het Commewijne-district zorgden voor een kortstondige opleving van natio¬ nalistisch elan, maar sorteerden niet het effect dat de initiatiefnemers voor ogen had gestaan. De suikerproductie op Mariënburg zou afhanke¬ lijk blijven van arbeiders uit de regio.28 In april merkte Arron tijdens een werkbezoek aan Nickerie op geen heil te zien in vervroegde verkiezingen. Hij vroeg aandacht voor de har¬ monie die er onder de bevolking heerste en benadrukte dat prioriteit moest worden gegeven aan het uitvoeren van ontwikkelingsprojecten. Verkiezingen zouden te veel onrust veroorzaken en de stabiliteit in het

247

land onnodig op de proef stellen. Anders dan tegenstanders van de coali¬ tie wel beweerden, leefde de bevolking naar het oordeel van Arron niet in onmin met de regering. Was dit wel het geval, dan waren vervroegde ver¬ kiezingen naar zijn mening op hun plaats.29 Het oppositielid Ch. Tilakdharie stelde vast dat Arron zich bediende van de Burnham-strategie: ontkennen dat er verkiezingen in aantocht zijn en deze dan plotseling binnen een termijn van dertig dagen uitschrij¬ ven. Door op de gebruikelijke wijze verkiezingen te organiseren zou de regering volgens Tilakdharie het signaal afgeven dat zij zichzelf niet bo¬ ven het volk verheven voelde.30 Lachmon memoreerde tijdens de viering van de veertigste verjaardag van Arron dat er tussen hem en de jarige me¬ ningsverschillen bestonden, maar dat beide politici elkaar toch op een fundamenteel moment gevonden hadden.31 In antwoord op twee brieven die hij Arron kort hierna schreef en waarin hij de premier verzocht om overleg over een geschikte verkiezingsdatum32, nodigde de minister-president Lachmon uit voor een onderhoud. De twee leiders spraken elkaar op 13 mei op het ministerie van Algemene Zaken. Het enige dat zij na af¬ loop wensten prijs te geven, was dat zij hun gesprek eind juni zouden ver¬ volgen.33 Volgens George Hindori - die zich half maart van de vHP-combinatie had afgesplitst en sindsdien een eenmansfractie in het parlement vorm¬ de34 - was het een veeg teken dat Lachmon met deze afspraak had inge¬ stemd. Dit wees er naar zijn zeggen op dat er geen verkiezingen binnen de toegezegde periode zouden plaatsvinden. Na het onderhoud van eind juni zou er immers nog maar een maand resteren om de verkiezingen eind juli, wanneer de acht maanden verstreken zouden zijn, te laten plaatsvin¬ den. Het was onmogelijk om binnen die termijn de beoogde stembus¬ gang volgens de regels te organiseren. In dit verband achtte Hindori het veelzeggend dat Lachmon er tot dat moment vanaf had gezien deze kwes¬ tie in het parlement aanhangig te maken.35 De Ware Tijd ging nog een stap verder en concludeerde dat er in 1976 überhaupt geen verkiezingen te verwachten waren. De coalitie en de op¬ positie waren nog niet met de noodzakelijke voorbereidingen begonnen en zouden hier ook geen aanstalten mee willen maken. De krant herhaal¬ de dat parlementariërs van de coalitie tegen vervroegde verkiezingen wa¬ ren aangezien zij voorrang wensten te geven aan het realiseren van ont¬ wikkelingsprojecten. De

VHP

zou huiverig staan tegenover verkiezingen

aangezien een deel van haar achterban naar Nederland was gemigreerd, waardoor het voor de partij moeilijk zou worden om een parlementaire meerderheid te behalen.36 De West voegde hieraan toe dat de vhp zich te-

248

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

meer in een lastig parket bevond, omdat de partij Liesdek-Clarke en Somohardjo als dank voor bewezen diensten zou moeten belonen. Hierdoor zou er minder ruimte op de verkiezingslijst zijn voor Hindostanen. Ten slotte zou de afscheiding van Hindori naar verwachting een electorale aderlating tot gevolg hebben. Diens (niet gering geachte) aanhang zou weigeren zijn stem nog langer op de vh p uit te brengen.37 Van de coalitiepartijen verzette de

pnr

zich met kracht tegen ver¬

vroegde verkiezingen. Bruma had afwijzend gestaan tegenover de belofte van Arron aan Lachmon en was niet van standpunt hierover veranderd. De PNR-cultuur was wars van compromissen, zeker met een volgens de partij etnisch geprofileerd en conservatief politicus als Lachmon.38 De nps

wilde het voortbestaan van de coalitie niet in gevaar brengen, maar

had wel steeds meer te stellen met de

pnr.

Door de

den lieten zich regelmatig kritisch uit over

pnr

geleide vakbon¬

nps-kopstukken

en over de

leiding van de Moederbond. Daarnaast waren er in toenemende mate wrijvingen tussen de twee partijen over benoemingen. In Nps-kringen nam bovendien de irritatie toe over het slecht functionerende cis, dat er maar niet in slaagde de bevolking stelselmatig van betaalbare basispro¬ ducten te voorzien. Prijscontroleurs traden streng op tegen winkeliers in overtreding, maar konden niet verhinderen dat handelaren in en rond de centrale markt ongestraft prijzen voor hun producten vroegen die boven de vastgestelde maxima lagen. Minister Bruma bleek niet bij machte om dit tij te keren.39 Volgens Lachmon waren de conclusies van de krantenredacties voor¬ barig. Naar zijn zeggen hadden hij en Arron nog geen definitieve afspra¬ ken gemaakt over vervroegde verkiezingen. Deze dienden er wat hem be¬ treft gewoon te komen, aangezien op een Statuutwijziging nu eenmaal een volksuitspraak diende te volgen. Wel verklaarde hij te kunnen leven met een latere datum dan ultimo acht maanden na 25 november 1975, mocht hier bij Arron behoefte aan bestaan. Dat het inbouwen van deze reserve niet zonder reden was, bleek uit een verklaring waarmee Arron vervolgens naar buiten trad. Daarin nam hij afstand van de toezegging die hij op 19 november had gedaan. Arron legde uit geen verkiezingen binnen de overeengekomen termijn te hebben beloofd, maar een bijeen¬ komst met de NPK-partijstructuren waarin deze over vervroegde verkie¬ zingen zouden worden gehoord.40 Het onderhoud dat Arron en Lachmon voor eind juni hadden gepland, vond plaats op 5 juli en eindigde voor Lachmon in een teleurstelling. Arron liet weten het parlement te zullen laten beslissen of er vervroegde verkiezingen zouden moeten worden gehouden. Naar het oordeel van

249

Lachmon kon het parlement echter niet over zijn eigen ontbinding be¬ slissen. Dat was ondemocratisch en inconstitutioneel. Hij kondigde aan een interpellatievoorstel over de kwestie te zullen indienen. Daarnaast merkte hij op dat het Arron vrijstond de NPK-partijorganen te raadplegen, maar dat dit niet van invloed kon zij n op het houden van de verkiezingen. Lachmon herinnerde eraan dat de Surinaamse grondwet op 19 november met medewerking van de

vhp

tot stand was gekomen na de belofte van

Arron om binnen uiterlijk acht maanden verkiezingen uit te schrijven. Op basis van deze belofte had de

vhp

een amendement betreffende het

houden van verkiezingen binnen zes maanden ingetrokken. Voor de ge¬ loofwaardigheid van het kabinet-Arron was het volgens Lachmon van fun¬ damenteel belang dat de gedane toezegging zou worden nagekomen.41 Arron stelde hier tegenover dat volgens de grondwet het zittende ka¬ binet tot eind 1977 kon aanblijven. Alleen indien er sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden zouden er vervroegde verkiezingen kunnen plaatsvinden, maar naar zijn zeggen waren die omstandigheden er niet. De minister-president verzocht de samenleving zich te richten op de ont¬ wikkeling van het land en af te zien van zaken die de eensgezindheid on¬ der de bevolking zouden kunnen verstoren. Lachmon en Mungra formu¬ leerden een interpellatievoorstel waarin zij de regering opriepen om opheldering te verschaffen over de verkiezingen. Volgens de oppositie was het een uitgemaakte zaak dat het horen van de partijorganen ‘op niets anders betrekking kon hebben, dan dat met deze organen overleg zou worden gepleegd ten aanzien van de bepaling van de datum, waarop de verkiezingen binnen de genoemde periode van acht maanden zouden dienen plaats te vinden’. De essentie was niet binnen welke termijn de partijorganen zouden worden geraadpleegd, maar binnen welke termijn de verkiezingen zouden worden gehouden.42 Op 8 juli aanvaardde het parlement met algemene stemmen het in¬ terpellatievoorstel dat het lid Hindori op 3 februari had ingediend. Parlementariërs kwamen overeen om na de terugkeer uit Brussel van een delegatie onder leiding van Arron de kwestie van de verkiezingen verder te bespreken. Voorzitter Wijntuin weigerde het interpellatievoorstel van de afgevaardigden Lachmon en Mungra in behandeling te nemen. Pro¬ testen hiertegen van de kant van de oppositie vonden geen gehoor. Een tweede tegenslag voor de

vhp

was dat het oppositielid S. Kartopawiro

aankondigde te zijn toegetreden tot de coalitie. Naar aanleiding van het overlopen van Kartopawiro merkte NPK-fractieleider Nooitmeer op dat de

vhp

bezig was ‘een ontbindingsproces’ door te maken. Ten slotte liet

het lid Hindori weten in het vervolg te zullen optreden als vertegenwoor-

250

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

diger van de

hpp.

Hij verklaarde in die hoedanigheid te willen afrekenen

met de ‘oude, dubbelhartige politiek’.43 In zijn vergadering van 26 juli besloot het parlement om af te zien van het houden van vervroegde verkiezingen. Arron herhaalde dat de re¬ gering alleen bevoegd was deze te organiseren indien hiervoor gewichtige redenen waren. Naar zijn zeggen ontbraken deze. Het argument van Lachmon dat op een verandering van de staatkundige structuur een volks¬ raadpleging diende te volgen, achtte Arron niet steekhoudend. Hij voeg¬ de hieraan toe dat het houden van verkiezingen bovendien moeilijk lag, gelet op de staat van de verkiezingslijsten. Hij stelde andermaal vast dat in de fase waarin Suriname zich bevond het aankwam op eendracht en onderlinge samenwerking om het land als zelfstandige natie op te bouwen. In reactie op vragen van de oppositie verzekerde Arron het parlement dat het afzien van vervroegde verkiezingen geen stopzetting van de Neder¬ landse ontwikkelingshulp tot gevolg zou hebben. Hij schatte in dat Den Haag de hulp nooit zou stopzetten, omdat deze voortsproot uit een bij¬ zondere verantwoordelijkheid die Nederland ten aanzien van Suriname bezat. Na afloop van het debat verwierp het parlement met dertien stem¬ men voor en achttien stemmen tegen een motie waarin de oppositie de inlossing van de verkiezingsbelofte had geëist.44 De redactie van De Ware Tijd kwalificeerde het besluit van het parle¬ ment als ‘hoogst bedenkelijk’: ‘Er is sprake van schending van vertrou¬ wen en het beschamen van een gegeven woord.’ Vooral premier Arron moest het ontgelden.45 In een tweede commentaar stelde de krant dat Arrons uitspraak over het raadplegen van de partij organen betrekking had op het vaststellen van de juiste datum van de op 19 november toege¬ zegde verkiezingen. Maar de premier deed het nu ‘met een niet eens zo handig foefje’ voorkomen alsof de partijorganen dienden uit te maken of er vervroegde verkiezingen zouden moeten worden gehouden: ‘Wanneer de premier op 19 november inderdaad bedoelde dat de partijorganen die beslissing moesten nemen dan heeft hij “politiek gespeeld” in de ongun¬ stige betekenis van het woord. Hij is niet oprecht geweest en heeft de op¬ positie erin laten lopen. [Het] is hoogst bedenkelijk om op zo’n belangrijk moment met zulke belangrijke zaken “politiek te spelen”.’ Volgens De Ware Tijd was het vertrouwen in de geloofwaardigheid van de premier ernstig aangetast: ‘Wij zullen ons nu bij alles wat hij verklaart, moeten af¬ vragen wat hij bedoelt, of hij oprecht is, of we hem kunnen geloven, of we op hem kunnen vertrouwen. Dit is funest.’ De Ware Tijd meende dat het op zichzelf deugdelijke argument om liever aan de opbouw van het land te werken dan tussentijdse verkiezin-

251

gen te organiseren door Arron bekwaam had kunnen worden uitgespeeld en dat hij daarmee veel sympathie had kunnen verwerven, ook bij de op¬ positie. Maar door zijn gegeven woord niet na te komen, had hij deze sympathie verspeeld: ‘Dit is allemaal bijzonder jammer, want er zijn zeer velen die ongeacht politieke kleur met geestdrift aan de ontwikkeling van de republiek Suriname willen meewerken en sympathiek staan tegen¬ over de aanpak van premier Arron. Deze goedwillenden zijn nu in opper¬ ste verbazing gedompeld over een premier die zijn geloofwaardigheid met zulk een gemak te grabbel gooit en het vertrouwen in hem als leider [met] drei-ai beschaamt. Premier Arron heeft de eerste stap gezet om een gezonde demokratie te verlaten en de volksvertegenwoordiging vindt dat best.’46 De West oordeelde in zijn commentaar niet minder kritisch. Volgens de redactie van het avondblad leek de handelwijze van de

npk

‘bedenke¬

lijk veel op woordbreuk’, was de minister-president kennelijk vergeten wat het begrip ‘fair play’ betekende en was dit een houding die hij zich niet kon permitteren ‘zonder tenslotte te vervallen in dictatuur’. De West oordeelde dat de premier de oppositie had moeten uitnodigen voor een gesprek, deze had moeten wijzen op de praktische bezwaren ten aanzien van het uitschrijven van verkiezingen en vervolgens met de oppositie een akkoord had moeten sluiten. Nu waren eerder gedane toezeggingen aan de oppositie door de

npk

niet gehonoreerd op grond van een verdediging

die naar het oordeel van de krant alleen maar als ‘uiterst zwak’ kon wor¬ den betiteld.47 Volgens oppositieleider Lachmon was Arron door krachten binnen de NPK-coalitie onder druk gezet om op zijn belofte terug te komen. Naar zijn opvatting had Arron consequent gehandeld als hij was afgetreden. Een premier die niet achter zijn woorden kon staan, was volgens Lachmon zijn functie niet waardig.48 Tijdens een VHP-massameeting op 1 augustus werd een resolutie aangenomen waarin het optreden en de houding van de minister-president werden afgekeurd. Arron werd ervan beschuldigd onwaarheid te hebben gesproken en de geloofwaardigheid van de rege¬ ring te hebben ondergraven. Er was volgens de resolutie sprake van een bedreiging van de parlementaire democratie, immers de door de regering gebruikte argumenten konden ook nadien naar believen worden gebruikt om het niet houden van verkiezingen te rechtvaardigen. Er werd bij Arron op aangedrongen de verkiezingsbelofte binnen de kortst mogelijke termijn alsnog na te komen.49 Ook Hindori toonde zich teleurgesteld in de weigering van Arron om te erkennen dat hij op 19 november verkiezingen binnen acht maanden

252

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

had beloofd. Hij betreurde het dat de regeringsleider zich kennelijk op het standpunt stelde dat wie de macht in handen heeft, bepaalt wat er ge¬ beurt. Tegelijk had Hindori geen goed woord over voor de

vhp,

die vol¬

gens hem louter komedie had gespeeld en pas nadat de termijn van acht maanden nagenoeg was verstreken serieus actie had ondernomen. Hij hield er rekening mee dat Lachmon in de tussenliggende maanden had geprobeerd om Arron over te halen de

vhp

zitting te laten nemen in de

regering. Nadat hem dit geweigerd was en Arron de weg richting verkie¬ zingen had afgesneden, was hij tegen de koerswijziging in het geweer ge¬ komen. Toen was het te laat.50 Naar aanleiding van de massameeting van de

vhp

meende De Vrije

Stem dat Arron op een kruispunt stond: ‘Het wordt tijd dat premier Arron zijn mind opmaakt en bepaalt welke weg hij wil opgaan: die van een han¬ dige politikus of die van een staatsman met allure. In het eerste geval kan hij manipuleren met woorden en handelingen, tot het volk genoeg ervan heeft en hem vervangt. In het laatste geval zal hij beslist vijanden maken onder zijn partijgenoten, die de politiek uitsluitend zien als de kortste en gemakkelijkste weg tot zelfverrijking en zelfverheerlijking. Maar hij zal een grote bijdrage kunnen leveren tot de verheffing van onze gemeen¬ schap, niet alleen materieel, maar ook geestelijk. Onze gemeenschap heeft grote behoefte aan dergelijke staatslieden. Maar aan politici hebben we een enorm overschot. Politici zijn bereid alles te doen om aan de macht te blijven en die macht gebruiken ze uitsluitend tot eigen glorie en gewin. Staatslieden daarentegen gebruiken hun macht uitsluitend om de gemeen¬ schap te dienen en te verheffen. Aan eigen gewin en glorie hebben ze geen behoefte.’51 Op 9 augustus verwierp het parlement met vijftien stemmen vóór en zestien stemmen tegen het interpellatievoorstel van Lachmon en Mungra. Hindori had vóór gestemd, zich op het principiële standpunt stellende dat aan een recht van het parlement om inlichtingen te verkrijgen zou worden voldaan. Tijdens het debat werden geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Arron herhaalde dat de eerstvolgende verkiezingen in Suriname vier jaar na het aantreden van het zittende kabinet zouden plaatsvinden. De oppositie liet weten dat zij de belofte van Arron, op 19 november gedaan, nooit zou hebben geaccepteerd als zij toen had gewe¬ ten dat hierin een beperking was ingebouwd.52 Arron: Een van de amendementen van Lachmon had betrekking op het houden van vervroegde verkiezingen. Dat amendement is niet in de grondwet terechtgekomen. Er is ook niet over gestemd. Dat moet ik direct duidelijk ma¬ ken. Er is wel een afspraak gemaakt tussen Lachmon en mij dat er uiterlijk

253

acht maanden na dato vervroegde verkiezingen zouden plaatsvinden, echter gehoord hebbende de regeringspartijen en gehoord hebbende de discussies van de heer Lachmon in zijn eigen partij. Het kwam erop neer dat de partijstructu¬ ren voor die verkiezingen toestemming zouden moeten geven. Zo heb ik het gebracht in het parlement. Dat mensen dat laatste een angel in het verhaal vinden of zelfs van een gemenigheidje spreken, als mensen dat ervan willen maken, is dat niet mijn probleem. Iedereen mag er zijn eigen in¬ terpretatie aan geven, maar ik weet wat ik heb gedaan en ik weet wat ik heb bedoeld. Vooraf dienden de partijstructuren te worden gehoord. Dat gold voor alle partijen in het parlement. Als Lachmon vindt dat hem op die manier een loer is gedraaid, dan vind ik dat jammer. Want ik heb het geformuleerd - en daarom weet ik het. Ik heb het toen ook voorgelegd binnen de regering en daar kon men ermee leven. Alleen Bruma had bezwaren. Vergeet niet: ik kon niet het politieke risico nemen om zonder steun van in ieder geval de partijen waar¬ mee ik samenwerkte, maar vooral de partij waartoe ikzelf behoorde, iets der¬ gelijks toe te zeggen. Als Lachmon vindt dat hij daarmee is gepakt, dan had hij een grotere mate van politiek inzicht aan de dag moeten leggen. Zo simpel zie ik het. Als je de hele politieke geschiedenis doorgaat, met name de schrijvers op het stuk van de realisatie van de onafhankelijkheid, met name in de regio waarin wij wonen, dan zul je steeds zien dat de persoon of de partij die de on¬ afhankelijkheid heeft gerealiseerd, nooit een verkiezing kort daarna zal kun¬ nen verliezen. Nooit.53 Wanneer het ging om de versterking van de parlemen¬ taire en politieke positie van de vier partijen in NPK-verband, dan waren die verkiezingen geen probleem. We hadden die verkiezingen glansrijk gewonnen, met een vermeerdering van het verschil in aantal zetels tussen het NPK-blok en de vhp-combinatie. Op grond daarvan alleen zou ik als realpoliticus die verkiezingen hebben gehouden. Echt, met de onafhankelijkheid net achter de rug en met de verdragsmiddelen waarover wij beschikten, hadden we electo¬ raal niets te vrezen. Al had daar een paal gestaan in plaats van Arron, dan had die paal de verkiezingen gewonnen. Maar het ging moeilijk binnen de afzonderlijke partijstructuren. Vooral de partijen die met de nps samenwerkten, dachten aan hun eigen positie. In het bijzonder binnen de pnr stelde men zichzelf de vraag: komen wij terug met hetzelfde aantal zetels? Zal Arron weer zo vrijgevig zijn nu hij ministerpresi¬ dent is in de onafhankelijke republiek of gaat hij ons in zetelaantal beknotten? Ik kan mij indenken dat bij de psv en de ktpi eveneens dergelijke gedachten leefden. Maar ook binnen de nps vroeg men zich af: moeten we er onze mede¬ werking aan verlenen of moeten we dat maar liever niet doen? Ik had er geen twijfel over dat we de verkiezingen zouden winnen, maar binnen de partij bena-

254

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

drukten anderen juist het risicodragende karakter ervan. Kortom, verkiezin¬ gen lagen moeilijk bij de structuren van alle vier partijen. Als ze vandaag iets anders beweren, dan is dat nonsens. Alle vier partijen hebben er intern over vergaderd en alle vier hadden hun bedenkingen. Ik zal niet zeggen bezwaren, maar bedenkingen. En daar moet je als politiek leider dan naar luisteren. Maar ook dan zou ik op een gegeven moment het politieke risico hebben durven nemen, omdat ik de positie van de nps kende. Maar ik heb het niet ge¬ daan. Omdat ik mijzelf niet kon overtuigen van één zeer belangrijk aspect, dat wel zou gaan spelen in die verkiezingen en dat is het raciale element. Ik was als de dood zo bang daarvoor. Dus eigenlijk heb ik geofferd een versterking van de parlementaire en politieke positie van

npk i

aan het voorkomen van een

broederstrijd. De soevereiniteitsoverdracht met alle dyugudyugu daarom¬ heen was achter de rug, maar die kern was er nog niet uitgeslagen. Echt. En ik ben bereid ten koste van mijzelf dit op elk denkbaar podium te verkondigen. Ik kon mijzelf er niet van overtuigen dat het niet zou gebeuren. Als dat element er niet was geweest, had ik die verkiezingen gewoon gehouden. Indicaties dat die broederstrijd er zou komen, waren gevoelsmatige indi¬ caties. Zoals gezegd, politiek - althans bij mij, maar ik zie het ook bij anderen, ach volgens mij is het universeel - is niet alleen maar een kwestie van ratio, maar ook een kwestie van gevoel. Ik was gewoon bang voor een raciale strijd, zonder dat ik daar tastbare bewijzen voor had. Maar de ervaring die ik in de achterliggende jaren had opgedaan, heeft mij gewaarschuwd: wees voorzich¬ tig. Want podiumtaal is een andere taal dan de taal die in het parlement wordt gesproken. En dan hoefde het niet Lachmon te zijn, maar kon het ook gaan om iemand van een andere partij, inclusief de

nps.

Voor je het weet, gaat een gek

dingen op een podium uitkramen die spoken oproepen die je niet meer kunt bezweren. Er hoeft maar één vonkje over te slaan en je hebt een brand. Vandaar dat ik politieke winst ondergeschikt heb gemaakt aan raciale rust. Ik heb dat offer gebracht, dat is de waarheid. Ik heb die hebi genomen en zal met die hebi moeten blijven rondlopen tot ik dood ga.54 Hoewel er naar de letter genomen verschillende interpretaties van de verkiezingsbelofte mogelijk waren, was de geest die van een handreiking en een toezegging. Hoe was het anders te verklaren dat de oppositie in re¬ actie op déze belofte haar amendement betreffende het houden van ver¬ kiezingen binnen zes maanden introk? Tegen deze achtergrond kon Arrons uitspraak over het raadplegen van de partijorganen alleen betrek¬ king hebben op het vaststellen van de datum van de verkiezingen. Indien hij had willen aangeven dat de partijorganen beslisten over het houden van vervroegde verkiezingen, dan had hij hier geen misverstand over mogen laten bestaan.

255

Het belangrijkste motief voor Arron om af te zien van verkiezingen was het verlangen om zijn positie te consolideren. Het ging daarbij om het behartigen van de belangen van de

nps,

maar evengoed om het ac¬

commoderen van de coalitiepartners. Deze waren verdeeld over het hou¬ den van verkiezingen of verzetten zich ertegen, zoals de

pnr,

die van meet

af aan afwijzend had gestaan tegenover de handreiking aan Lachmon en weinig vertrouwen had in een voor haar gunstige afloop van een electora¬ le krachtmeting, al was het maar omdat niet verwacht mocht worden dat de

nps

andermaal zo gul zou zijn met het vergeven van posities op de

NPK-verkiezingslijst. Het bij elkaar houden van de coalitie betekende niet alleen een conti¬ nuering van de positie van Arron in het machtscentrum. Het stelde zijn partij bovendien in staat om nog een jaar te werken aan het boeken van aansprekende resultaten op het gebied van de ontwikkeling van Surina¬ me. Deze prestaties zouden naar verwachting afstralen op de

nps

als

grootste regeringspartij en het fundament leggen voor een verkiezingszege in 1977. Daarbij hoopte de

nps

te laten zien dat de partij niet, zoals kwade

tongen beweerden, aan de leiband liep van de

pnr.

Eens en voor altijd

kon op deze wijze het valse beeld dat de soevereiniteitsoverdracht vooral de verdienste van Bruma was, worden rechtgezet.55 Arron stelde er een eer in om zijn regering de volle termijn te laten uitzitten en de oppositie niet het succes te gunnen van een vroegtijdig vertrek uit het machtscentrum. Dit had alles te maken met het ingesleten wantrouwen tussen de

nps

en de vhp en een behoefte in kringen van de

coalitie om de tegenstander - zoals Lachmon het eerder had geformu¬ leerd - ‘in de houdgreep te houden’. De NPK-aanhang juichte het toe wan¬ neer hun leiders ben kis’Lachmon moi (Lachmon mooi te pakken hadden). Waren er in 1976 verkiezingen gehouden, dan had de

npk

deze waar¬

schijnlijk gewonnen, maar Arrons uitleg dat verkiezingen de raciale vre¬ de in Suriname in gevaar zouden hebben gebracht, had veel weg van een rationalisatie. In ieder geval zou Arron het tegenovergestelde bereiken, immers het niet laten doorgaan van de verkiezingen zou de verhoudingen tussen de

npk

en de

vhp

weer op scherp zetten, met alle consequenties

voor het politiek-bestuurlijke klimaat en de interetnische verhoudingen van dien. Had Arron de consequenties van zijn handelen realistisch ingeschat? Was hij zich voldoende bewust geweest van de impact die zijn besluit kon hebben? Het verbreken van het gentleman’s agreement met Lachmon ontnam hem hoe dan ook de mogelijkheid om tot werkbare verhoudin¬ gen met de oppositie te geraken. Twee jaar van strijd tussen oppositie en

256

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

coalitie waren achter de rug en de maanden van relatieve rust die waren ingetreden na de soevereiniteitsoverdracht hadden kunnen worden be¬ stendigd door het Surinaamse volk in vrijheid zijn oordeel over het ge¬ voerde beleid te laten vellen. Het schenden van de belofte aan Lachmon verstoorde deze rust, deed afbreuk aan de beleving van de parlementaire democratie en beschadigde het imago van Arron, die het odium van on¬ betrouwbaarheid op zich laadde en hier welbeschouwd niet meer vanaf zou komen. De befaamde wenk van Machiavelli om het goede vast te hou¬ den indien mogelijk en het kwade te omarmen indien noodzakelijk had de regering in praktijk gebracht op een wijze die de Florentijnse denker tot mistroostig hoofdschudden zou hebben aangezet.56

DE EERSTE VERJAARDAG VAN DE ONAFHANKELIJKHEID

Ter gelegenheid van het eenjarig bestaan van de republiek Suriname hield Arron een radio- en televisierede, waarin hij het belang onderstreepte van de natie ‘als één lotsverbonden volk, gebonden aan één levensbron: de grond. De gezamenlijke verbondenheid met elkaar, met de grond en onze democratische gezindheid is de voedende gedachte van ons nationalisme [...], het democratisch nationalisme, waarin samen komen de rechten, wensen en plichten, verbonden aan de Surinaamse natie.’57 Door de erfenissen van het koloniaal verleden waren mensen zich volgens Arron onvoldoende bewust van de waarde en het potentieel van het Surinaamse grondgebied. Deze erfenissen ontmoedigden hen om de uitdagingen van het nieuwe Suriname aan te gaan en zelf verantwoorde¬ lijkheid te dragen in plaats van deze af te schuiven op anderen. Te vaak prevaleerde naar het oordeel van Arron het eigenbelang boven het lands¬ belang en zorgde een negatieve, afbrekende mentaliteit - die velen niet als schadelijk, maar als natuurlijk en vanzelfsprekend ervoeren - voor een ‘ontheiliging’ en ‘ontkrachting’ van de eigen samenleving. Arron be¬ klemtoonde dat op de Surinaamse mens de plicht rustte deze negatieve mentaliteit - naar zijn zeggen kenmerkend voor een gebrek aan zelfver¬ trouwen, onderlinge waardering en verantwoordelijkheidsbesef - om te buigen. Dat zou niet gemakkelijk zijn. De realisatie van de onafhankelijk¬ heid betekende niet dat mensen als bij toverslag een metamorfose onder¬ gingen. De gewenste mentaliteitsverandering zou alleen worden gereali¬ seerd als mensen hard en gestaag werkten en gebruikmaakten van de positieve kracht van het volk. Arron benadrukte zijn geloof in deze kracht. Hij prees het sociaal ge¬ voel van burgers ten opzichte van elkaar en ‘de unieke veelheid van cultu¬ rele waarden’ als een ‘welhaast onuitputtelijke bron voor geestelijke ver-

257

nieuwing, scheppingskracht en originaliteit en daarmee een geweldige potentiële kracht voor moderne ontwikkeling’. Ook roemde hij de ‘aller¬ wegen geldende eerbied voor de Schepper, de godsdienstige instelling en het gevoel voor geestelijk leven [...] die voor ons een garantie kan zijn voor de bewaring van de natuur als bron van ons bestaan’. De kritische zin van de Surinamer en zijn drang naar vrijheid noemde hij ‘één der grootste garanties voor de handhaving van de democratie’ en zijn grote verdraag¬ zaamheid en zin voor humor ‘een garantie voor een goede en evenwichtige samenleving’. De ‘relatief hoge intelligentie’ en ‘vanouds bekende studie¬ zin’ van de Surinamers beschouwde Arron ten slotte als stuwende krach¬ ten achter de ontwikkeling van land en volk.58 Arron deed een beroep op zijn landgenoten om deze positieve krach¬ ten in te zetten voor het creëren van duurzame welvaart en maatschap¬ pelijk welzijn. Dit vroeg om discipline, zakelijkheid, plichtsbetrachting en orde: ‘Ieder van ons heeft zijn eigen persoonlijke verlangens, maar wij zullen het geduld moeten kunnen opbrengen deze verlangens een korte tijd uit te stellen ten behoeve van de economische zelfstandigheid van de Natie.’59 Het was daarbij volgens Arron van belang dat er een omvorming plaatsvond van isolatie naar integratie, zowel op nationaal niveau - in de contacten tussen burgers binnen de eigen samenleving - als op internati¬ onaal niveau - in de relaties die Suriname onderhield met andere landen in de wereld. Naast de bestrijding van negatieve elementen in de Surinaamse men¬ taliteit en de aanwending van positieve krachten voor de ontwikkeling van de natie identificeerde Arron nog een derde plicht: arbeid. Elke bur¬ ger had naar zijn zeggen de opdracht te werken voor zichzelf, zijn gezin en zijn land: ‘Wij zullen niet vooruitgaan wanneer wij onze energie ver¬ spillen met kritiek leveren zonder meer. Wij zullen niet vooruitgaan door praten en redeneren. Wij komen niet vooruit als iedereen meent beter te weten hoe het wel moet en vindt dat anderen fout zijn. Wij komen niet vooruit door op ons gemak te blijven zitten en anderen voor ons te laten werken. Wij zullen niet vooruitgaan wanneer wij ons nu reeds de weelde van welvaartstaten willen veroorloven. Wij zullen niet vooruitgaan wan¬ neer wij zaken nastreven die wij niet zelf kunnen betalen uit de produkten die wij zélf voortbrengen. Vooruitgang is alleen mogelijk door de handen in onze modder te steken en hard te werken.’60 Arron verklaarde vertrouwen te hebben in het Surinaamse volk en hechtte eraan zelf het goede voorbeeld te geven: ‘Laten wij steeds beden¬ ken dat wij de ontwikkeling van ons Volk centraal moeten stellen in ons denken en ons handelen daarvoor moeten blijven inzetten. [...] Ikzelf

258

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

geef U de garantie dat ik persoonlijk, zolang het mij gegeven is, hard zal blijven werken voor deze Natie, deze Republiek Suriname. Ik beloof U dat ik alles zal doen om U voor te gaan in ijver en werklust. Ik geef U de verzekering dat ik ervoor zal blijven waken dat de gehele Regering zich volledig zal blijven geven aan onze nationale doelstellingen. Staat u daar¬ om samen met ons op om dag en nacht voor dit Land te arbeiden. En laten wij samen daarbij bedenken dat Samenwerking leidt tot Eenheid, dat Kracht ontstaat door Arbeid en dat onze nationale kracht door U alleen wordt bepaald.’61 De boodschap van opwekking en vermaning sloot aan bij redevoerin¬ gen die Arron eerder had gehouden en waarin hij zijn idealen eveneens had verbonden met het Surinaamse grondgebied en met de levenshouding van zijn bewoners. Elementen uit zijn rede kwamen terug in de toespraak die president Ferrier op 25 november 1976 hield tijdens een plechtige openbare vergadering van het parlement. Daarin stelde hij vast dat vele jonge staten die ooit van start waren gegaan met ‘de bezielende idee der waarachtige democratie’, zichzelf al snel waren tegengekomen, onder andere omdat de voor de democratische ontwikkeling benodigde bewus¬ te burgers te gering in aantal waren om het ideaal te bewaren, te verdedi¬ gen en uit te dragen. Daardoor kon het gezag in het land worden overge¬ nomen door het leger, waarvoor macht gewoonlijk geen uiting was ‘van de verantwoordelijkheid, zoals wij die in ons democratisch denken aan¬ vaarden’.62 Ferrier greep terug op de langjarige parlementaire traditie die Suri¬ name kende, maar onderstreepte dat democratie meer was dan alleen een maatschappijvorm. Liet was ook een levensstijl, die Suriname niet vreemd was, maar die nog niet tot een beleving van democratie op basis van consensus had geleid. Het kwam nog te vaak voor dat tegenstellingen sterk werden geaccentueerd. Ferrier gaf voorbeelden van parlementszittingen waarbij de oppositie de vergaderzaal verliet vóór de stemming over wetsontwerpen. Hij voorspelde dat dit in de toekomst zou verbeteren en dat de macht die volksvertegenwoordigers was toevertrouwd ten dienste zou worden gesteld van de gehele samenleving.63 Evenals Ferrier wenste ook parlementsvoorzitter Wijntuin proble¬ men te onderkennen, maar optimisme de overhand te laten hebben. Niet alleen om een bij de gelegenheid passende toon te treffen, maar ook van¬ uit de overtuiging dat dit de manier was om de welwillende burger te be¬ reiken. Volgens Wijntuin hadden de politieke leiders van Suriname rond de soevereiniteitsoverdracht het goede voorbeeld gegeven en zouden zij hun verantwoordelijkheid ook in de toekomst nemen: ‘Na een jaar onaf-

259

hankelijkheid durf ik met een nog grotere zekerheid [te] zeggen, dat de harmonie in ons dierbaar vaderland, ook in de toekomst, nimmer ver¬ stoord zal worden, zolang de leiders van dit volk zich de grote verant¬ woordelijkheid realiseren, welke op hun schouders rust voor de vestiging van een vreedzame samenleving. Op deze dag willen wij misschien met meer klem en grotere hartstocht onze leiders voorhouden, elke dag op¬ nieuw te beseffen, dat het geluk van ons volk voor een groot deel in hun handen is gelegd.’64 Vooraf was de onafhankelijkheidsviering door de Regerings Pers Dienst in de etalage gezet als een dag van bezinning. Onder het motto ‘Republiek Suriname. Hier is mijn bijdrage’ waren burgers door middel van stickers en posters uitgenodigd om te reflecteren op de bijdrage die zij hun land konden leveren. Om op voorhand iedere schijn van vrijblij¬ vendheid weg te nemen, had Arron er zelf de voorkeur aan gegeven om 25 november 1976 om te dopen tot dag der plichten. Ter gelegenheid van de feestelijkheden onthulde minister van Binnenlandse Zaken Ooft het naambordje van het Onafhankelijkheidsplein. De president van de Cen¬ trale Bank, V.M. de Miranda, bood eerste exemplaren van speciaal gesla¬ gen gouden en zilveren herdenkingsmunten aan. Deze werden in ont¬ vangst genomen door president Ferrier en minister van Financiën Arron. Er was ten slotte de aankondiging dat er een stelsel van decoraties was ontworpen en dat de eerste onderscheidingen in 1977 zouden worden uitgereikt.65 Het commentaar in De West op de onafhankelijkheidsviering was knorrig. De Surinaamse regering bood volgens hoofdredacteur Findlay brood en spelen aan en was ondertussen bezig de economie te gronde te richten. Er heerste in het land een schijnwelvaart. Zonder verdragsmiddelen zou de republiek reddeloos verloren zijn. De receptie van de presi¬ dent was volgens het commentaar drukbezocht, maar ‘ondanks het ge¬ schetter over natievorming waren het hoofdzakelijk Creolen, die op de receptie verschenen. Van de Aziatische bevolkingsgroepen was er bijna niemand.’ Findlay kwalificeerde de toespraken van Arron, Ferrier en Wijntuin als ‘veel te lang’. Met deze uitlating miskende hij de relevantie van de problematiek die in deze redevoeringen was aangesneden.66

DE SMEERGELDENAFFAIRE

‘Politiek betaalt’ was een gevleugelde uitdrukking van Johan Adolf Pengel, die de verleidingen van het ambt van politicus van nabij kende en een scherp oog had voor de fatale rol die menselijke zwakheden in staatsza¬ ken konden spelen. Mensen werden aan zijn woorden herinnerd, toen in

260

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

maart 1977 het bericht naar buiten kwam dat minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij Soemita verdacht werd van het aannemen van steek¬ penningen. De journalist Jozef Slagveer, redacteur/uitgever van het Aktueelkollektief en directeur/eigenaar van Persbureau Informa, bracht dit nieuws in de vorm van een brochure in de openbaarheid. In deze publica¬ tie - een compilatie van justitiële documenten zonder begeleidend com¬ mentaar - was een brief opgenomen van procureur-generaal M.G. de Miranda, gedateerd 3 maart 1977. In dit schrijven verzocht hij het parle¬ ment om te beoordelen of er voldoende gronden tot vervolging van Soe¬ mita aanwezig waren en - in het geval het antwoord bevestigend luidde om de minister in staat van beschuldiging te stellen. Een dergelijk besluit zou het De Miranda mogelijk maken vervolging tegen de bewindsman in te stellen. Er was volgens de procureur-generaal voldoende komen vast te staan dat Soemita zich vermoedelijk schuldig had gemaakt aan ambts¬ misdrijven zoals omschreven in artikel 427 en 430 van het Surinaamse Wetboek van Strafrecht.67 De verklaringen die over Soemita waren afgelegd, waren voor de mi¬ nister inderdaad belastend. Dit kwam overtuigend naar voren uit de processen-verbaal, die door de rechter-commissaris en ambtenaren van poli¬ tie waren opgemaakt en die integraal in de brochure waren afgedrukt. Hieruit bleek dat Soemita, met hulp van medewerkers die aan het

ktpi-

bestuur waren gelieerd, geldbedragen had gevorderd en ontvangen voor het toewijzen van percelen grond in het district Nickerie, terwijl de minis¬ ter wist ‘dat die geldbedragen nimmer aan hem of aan de Staat verschul¬ digd konden zijn als tegenprestatie voor de toewijzing van domaniale gronden’.68 Soemita had het tegenover zijn medewerkers doen voorko¬ men alsof de geldbedragen bestemd waren voor de verkiezingskas van de KTPi.

Een van zijn vertrouwelingen, die persoonlijk meeprofiteerde van de

knevelarij, verklaarde echter tegenover de rechter-commissaris: ‘Minister Soemita stopte de gelden die ik hem bracht altijd in een diplomatenkof¬ fer. Hij droeg ze kennelijk niet af aan de penningmeester. Dat gebeurde wel vaker. Soemita was door zijn machtspositie in de partij in staat zelf donaties voor de partij te ontvangen en om zelf te beslissen waaraan hij ze besteedde.’69 Het nieuws over de kwestie, waar media al enige tijd omzichtig over rapporteerden zonder precies te weten wat er aan de hand was,70 sloeg in de samenleving in als een bom. Al vanaf september 1976 waren er ge¬ ruchten in omloop over Soemita’s betrokkenheid bij het aannemen van smeergelden. Arron had zich terughoudend opgesteld, zoals hij ook had gedaan toen begin 1975 vergelijkbare beschuldigingen tegen zijn collega-

261

minister waren ingebracht. Maar de zaken zagen er nu ernstiger uit. Wat de kwestie voor Arron ingewikkeld maakte, was dat Soemita behalve een politieke bondgenoot ook een persoonlijke vriend van hem was. Het twee¬ tal begaf zich regelmatig buiten de stad om te gaan hengelen.71 Arron: We zijn begonnen met een kabinet bestaande uit ministers met tien schone vingers. Soemita is zijn grappenmakerijen gaan uithalen. We heb¬ ben hem twee keer bij ons geroepen, de politieke leiders. Bruma was erbij, Karamat Ali, de NPK-top. We hebben Soemita gevraagd: zijn de aantijgingen aan jouw adres waar? Bruma heeft Soemita aangeboden: als je het hebt gedaan, zeg het ons. Dan zorg ik voor juridische bijstand. Ik ga dan mijn eerste klap krijgen. Soemita gaat in de kamer van de minister-president op zijn knieën en zweert op het kind in de buik van zijn vrouw dat de aantijgingen niet waar zijn. Ik heb dat geaccepteerd. De zaak ontwikkelt zich verder. De pg stelt een onderzoek in.72 Ik stond op het punt naar Washington te vertrekken voor de toelating van Suriname tot de oas.

De pg laat weten: we moeten Soemita maar aanhouden. Steeds meer ge¬

tuigen bleken verklaringen tegen de minister te hebben afgelegd. Soemita wees de beschuldigingen opnieuw van de hand toen ik hem met deze feiten confronteerde. Wat te doen? Ik heb de

pg

geantwoord: ik ben een man van de

rechtsstaatgedachte, maar dit is een zo ingrijpende zaak, dat ik u nu niet ga zeg¬ gen wat u moet doen. Het enige wat ik u vraag is: geef mij uw rapport, zodat ik het kan lezen en mijn houding ten opzichte van mijn minister kan bepalen. Dan mag u met het rapport verder doen wat u wilt. De pg stemde hiermee in. Tijdens mijn reis naar Washington en in Washington heb ik het rapport gelezen en herlezen. Toen stond voor mij vast dat Soemita de dingen waarvan hij beschuldigd werd gedaan had. Dat was voor mij de tweede klap. Maar die klap is van mindere betekenis dan die eerste klap, toen hij ons had bezworen dat de aantijgingen vals waren. Terug in Paramaribo heb ik contact opgeno¬ men met de

pg

en tegen hem gezegd: u kunt het proces voortzetten. De

pg

heeft toen een verzoek bij het parlement ingediend om Soemita in staat van beschuldiging te stellen. Voor het eerst is toen het woord impeachment in de Surinaamse politiek gebruikt. Het resultaat was dat Soemita werd gedwongen om af te treden. Ik heb mijn minister niet verdedigd. Stel je voor. Het was over en uit. De smeergeldenaffaire - zoals de zaak in het vervolg werd genoemd kwam voor Arron hoogst ongelegen. Er zouden later dat jaar verkiezin¬ gen worden gehouden en door verschillende tegenvallers, zoals de stag¬ natie in de volkswoningbouw, stond de regering er al minder goed voor dan zij had gehoopt. Omdat de zaak in Nickerie speelde, zou Lachmon naar verwachting de zaak met bovengemiddelde belangstelling volgen en

262

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

electoraal garen spinnen bij een veroordeling van de minister. Het was voor Arron zaak om Soemita tactvol uit de circulatie te halen, zonder dat de

ktpi

zijn steun aan de regering zou intrekken. Maar in plaats van - zo¬

als menigeen veronderstelde - de schade zoveel mogelijk te beperken en Soemita waar mogelijk te ontzien, besloot Arron van de nood een deugd te maken en zijn behandeling van de affaire te presenteren als een voor¬ beeld van clean government.73 Op 14 maart boog het parlement zich tijdens een huishoudelijke ver¬ gadering over het verzoek van de procureur-generaal om Soemita in staat van beschuldiging te stellen. Coalitie en oppositie namen kennis van een brief van minister Soemita waarin deze verklaarde gehoord te willen worden door de parlementaire commissie die over de kwestie had geadvi¬ seerd. De minister hield vol dat hij niets met de smeergeldenaffaire te maken had. Het college schonk eveneens aandacht aan een brief van de afwezige parlementariërs Somohardjo en Rasam. Daarin verklaarde het tweetal zich niet te kunnen verenigen met een procedure die gericht was op het in staat van beschuldiging stellen van alleen minister Soemita. Volgens hen kon ‘het totale wanbeleid van de NPK-regering’ ónmogelijk op deze ene bewindspersoon worden afgewenteld. Alle corruptieve en frauduleuze handelingen die gedurende de regeerperiode van Arron had¬ den plaatsgevonden, dienden naar hun oordeel door de procureur-gene¬ raal te worden onderzocht.74 Het feit dat de twee parlementariërs aan tien ‘corruptiezaken’ refe¬ reerden zonder hierover in detail te treden en zonder namen te noemen van eventuele verdachten wekte op zijn minst de indruk dat zij stemming wensten te maken tegen de regering. Er waren aanwijzingen dat zij dit deden in nauwe afstemming met oppositieleider Lachmon. Deze maakte er geen geheim van de affaire-Soemita te willen aangrijpen om een ver¬ bond te smeden tussen de groep van Soemita en die van Somohardjo, die begin 1977 een eigen partij, de Pendawa Lima, had opgericht.75 Op die manier hoopte Lachmon een parlementaire meerderheid te behalen en via een motie van wantrouwen de regering ten val te brengen.76 Dit kwam duidelijk naar voren tijdens de openbare vergadering van het parlement op 16 maart. Tijdens deze zitting besloot de volksvertegen¬ woordiging Soemita in staat van beschuldiging te stellen. Zeventien le¬ den van de coalitie en vijf van de oppositie stemden hier voor. De reactie van de

ktpi

liet niet lang op zich wachten. Het bestuur kondigde aan de

samenwerking met de

npk

te verbreken. De ministers Soemita en Soe-

perman stelden hun portefeuilles ter beschikking. De KTPi-leden van de NPK-fractie lieten weten als een zelfstandige KTPi-fractie onder leiding

263

van R. Amat verder te zullen gaan. Lachmon wist genoeg. De regering be¬ schikte volgens hem niet langer over een parlementaire meerderheid en diende hieruit ‘de enige juiste consequentie’ te trekken.77 Op 17 maart onthulde Arron op een persconferentie dat hij Soemita twee keer had gevraagd naar de juistheid van de geruchten die hem via de media hadden bereikt en van de beschuldigingen die tegen hem waren ingebracht. Soemita had bij beide gelegenheden de aantijgingen van de hand gewezen en verondersteld dat deze het werk waren van politieke te¬ genstanders. Ook toen de procureur-generaal op 3 maart zijn verzoek bij het parlement had ingediend, hield hij vol het slachtoffer te zijn van een politiek complot. De minister weigerde in te gaan op het voorstel van Arron om hangende het onderzoek zijn ministersportefeuille neer te leggen. Bij een bezoek van het KTPi-hoofdbestuur aan zijn kantoor op 15 maart had Arron uitgelegd dat een politieke oplossing niet voorhanden was. Tot zijn verbijstering hadden minister Soeperman en de parlementariërs Amat en Martodihardjo hem toen het verzoek gedaan bij het Hof van Justitie te bewerkstelligen dat de minister, indien hij schuldig zou worden bevon¬ den, geen vrijheidsstraf zou krijgen opgelegd, maar alleen een hoge geld¬ boete. Arron had verklaard hieraan onmogelijk mee te kunnen werken. Vervolgens had het drietal gevraagd of de premier ervoor kon zorgen dat het parlement afzag van het voortzetten van de impeachmentprocedure. Niet verrassend was de reactie van Arron op dit verzoek eveneens nega¬ tief geweest. Het had de premier extra pijnlijk getroffen dat minister Soeperman daags na dit gesprek te kennen had gegeven zich het bespro¬ kene niet meer te kunnen herinneren. Aangezien de

ktpi

niet om politieke redenen uit de coalitie was ge¬

stapt, merkte de minister-president op dat het kabinetsbeleid ongewijzigd zou blijven. Indien de onschuld van Soemita zou worden vastgesteld, zou hij vrij zijn zijn ministersambt weer op te nemen. Arron zei ervan op de hoogte te zijn dat VHP-leider Lachmon met een motie van wantrouwen op zak liep. Naar zijn zeggen diende de oppositie deze niet in aangezien zij er niet zeker van was of zij over een parlementaire meerderheid be¬ schikte.78 Lachmon liet een dag later weten dat hij geen motie van wan¬ trouwen in voorbereiding had. Volgens hem diende de regering via een motie van vertrouwen te laten zien nog altijd de meerderheid te bezitten. Hij verklaarde dat de verhouding coalitie-oppositie thans 19 tegen 20 ze¬ tels was en dat de regering het niet op een stemming durfde te laten aan¬ komen.79 Intussen had de ministerraad Soemita eervol ontslag verleend uit het ambt van minister. Met zijn collega Soeperman zou kort hierna hetzelfde

264

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

gebeuren. Maar in de

ktpi

rommelde het. Volgend op de parlementsver¬

gadering van 16 maart was er binnen de partij onenigheid ontstaan over het verbreken van de banden met de

npk.

De parlementariërs Amat en

Martodihardjo zouden onder dwang van vader Iding Soemita de brief over hun vertrek uit de NPK-fractie hebben geschreven en daar bij nader inzien spijt van hebben gekregen. Iding Soemita zou ook de leidende fi¬ guur zijn geweest achter de ontslagaanvrage van zijn zoon en minister Soeperman. De KTPi-parlementariërs stelden zich in verbinding met de NPK-top om te onderzoeken of zij op hun schreden konden terugkeren.80 Niet veel later was het zover. Tijdens een algemene vergadering van de

op 27 maart -die door Arron, Van Genderen en Nooitmeer werd

ktpi

bijgewoond - besloot de partij tot een herstel van de samenwerking met de

npk.

de

pnr

In het parlement zou de

en de

psv

ktpi

weer in NPK-verband met de

nps,

optrekken en tevens zou de partij als voorheen weer re¬

geringsverantwoordelijkheid aanvaarden. De dagelijkse leiding van de partij zou voortaan in handen zijn van een driemanschap bestaande uit de hoofdbestuursleden Amat, Soeperman en Kramaredja. De positie van Amat werd in dit verband het sterkst geacht. Als religieus leider kon hij rekenen op de steun van ruim veertig Javaanse gemeenten. Het plan van Lachmon en Somohardjo om via een Javaanse bundeling - Iding Soemita’s ideaal van eenheid onder de Javanen - de meerderheid te verkrijgen in het parlement had gefaald. Beide politici hadden onderschat dat de ja¬ renlange bestrijding van Soemita door Somohardjo sporen had nagelaten bij de leiding en de achterban van de

ktpi.

Somohardjo werd vooral na¬

gedragen dat hij de affaire-Soemita had geëntameerd via het populaire station Radika (Radio Dihaat Ki Awaaz, De stem van het district).81 De verhoudingen normaliseerden zich. De KTPi-parlementariërs hervatten hun werk als leden van de NPK-fractie en minister Soeperman keerde terug als bewindsman op het ministerie van Sociale Zaken. Ter vervanging van Soemita, die volgend op de in-staat-van-beschuldigingstelling was gearresteerd, trad Cornelis Ardjosemito aan als minister van Landbouw, Veeteelt en Visserij. Waarnemers meenden dat machtsoverwegingen het handelen van de regering bepaalden en dat rechtsmotieven hieraan ondergeschikt waren gemaakt.82 De Vrije Stem verklaarde dat het gezag van ministers en parlementariërs nog nooit zo gering was geweest en signaleerde een verhoogde omloopsnelheid van moppen die de termen ‘politicus’ en Arronloog’ introduceerden als synoniem van leugenaar.83 Dit was een tendentieuze voorstelling van zaken. Arron kon moeilijk veel worden verweten. Hij had een streven naar machtsbehoud vergezeld la¬ ten gaan van een naleving van de principes van de rechtsstaat.

265

Er verschenen ook commentaren waarin Arron werd afgeschilderd als roomser dan de paus. Omkoping en corruptie waren immers schering en inslag en werden in brede kring als een onuitroeibaar fenomeen be¬ schouwd. Anders dan Javanen leken Creolen en Hindostanen over meer kennis en betere onderhandelingsvaardigheden te beschikken en terug te kunnen vallen op gespecialiseerde advocaten uit eigen kring waardoor zij vaker ongestraft met gepleegde malversaties konden wegkomen.84 Het was niet duidelijk waar deze veronderstelling op was gebaseerd. Ook van corruptie verdachte niet-Javanen zouden tijdens Arrons termijn als rege¬ ringsleider worden vervolgd en veroordeeld. In de parlementsvergade¬ ring van i april, die aan de affaire was gewijd, stelde Arron de afwikkeling van de kwestie voor als een voorbeeld van clean government en kwalificeer¬ de hij het optreden van de KTPi’er Amat als ‘een getuigenis van politieke rationaliteit’. De meesmuilende reacties van NPK-politici op de mislukte poging van de oppositie om de regering ten val te brengen, beantwoordde Lachmon met het uitspreken van de wens dat het kabinet-Arron door zou gaan met het maken van fouten, zodat vervroegde verkiezingen alsnog de samenstelling van een stabiele regering mogelijk zouden maken.85 De publicatie van Jozef Slagveer over de smeergeldenaffaire had de regering onaangenaam getroffen. Onduidelijk was hoe de journalist aan zijn informatie had kunnen komen. Dat er gelekt was door politiefuncti¬ onarissen en door medewerkers bij het Hof van Justitie achtten velen aannemelijk, maar werd nooit bewezen. De rechter sprak Slagveer vrij in een zaak die de regering tegen hem aanhangig had gemaakt. Aangezien de journalist in het bijzonder de

nps

als leidende coalitiepartij in de pro¬

blemen had gebracht, verbrak het kabinet-Arron de zakelijke banden met het Aktueelkollektief en met persbureau Informa. Het nieuwe pand van Informa was op 24 juli 1976 nog door minister-president Arron geopend, maar in minder dan een jaar tijd was de situatie radicaal gewijzigd en werd Slagveer vanwege zijn onwelgevallige berichtgeving door de regering geboycot in zijn beroepsuitoefening. De tijd was voorbij dat hij onbelem¬ merd ministeries kon binnenlopen en vrijuit informatie kon vergaren.86 De beroering over de smeergeldenaffaire vond plaats tegen de achter¬ grond van op handen zijnde parlementsverkiezingen. Dat verklaarde de gretigheid waarmee de oppositie de zaak naar haar hand probeerde te zetten en de slagvaardigheid waarmee de coalitie trachtte de opdoemen¬ de crisis te bezweren. Beide kampen waren bezig zich een gunstige uit¬ gangspositie te verschaffen voor hun krachtmeting. Arron had een voor¬ keur voor het houden van verkiezingen in juli of augustus 1977. Maar voordat deze konden plaatsvinden wilde hij nog een aantal zaken realise-

266

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

ren, zoals de raamwet Algemene Ziektekostenverzekering en de wet in¬ houdende de wijziging van het kiesreglement, die de instelling van een Onafhankelijk Kiesbureau mogelijk maakte.87 Het was door de vertraagde behandeling van de laatste wet - die pas op 19 juli met algemene stemmen (26) zou worden aangenomen88 - dat de verkiezingsdatum naar 31 oktober zou worden verschoven. De raamwet Algemene Ziektekostenverzekering was op 16 mei met algemene stemmen (34) door het parlement goed¬ gekeurd.89 DE PNR UIT DE COALITIE De PNR had bij de verkiezingen van 1973 vier zetels behaald, maar door¬ dat een aantal gekozen leden van de

npk

- onder wie Arron, Bruma en

Karamat Ali - minister waren geworden, kwam de op vijf zetels. De

nps

pnr

door opschuiving

had een zetel moeten inleveren en was van dertien

naar twaalf zetels teruggevallen. Dit was een consequentie van samen¬ werken als partijcombinatie. Ook de drie ministersposten die de

pnr

toebedeeld had gekregen, vloeiden voort uit afspraken die de NPK-partners eerder hadden gemaakt. Toch maakte de verdeling van de posities binnen de combinatie in de gelederen van de leidende coalitiepartner ook kritische reacties los. Veel NPs’ers meenden dat de

pnr

minder op ei¬

gen kracht en meer dankzij de ruimhartigheid van de

nps zo

veel parle¬

mentszetels en ministersposten had weten te verwerven. Vooral aanhan¬ gers van de brede basis-politiek meenden dat de

pnr

in NPK-verband was

overbedeeld en eisen stelde die niet in verhouding stonden tot de electo¬ rale sterkte van de partij.90 Wat bij de oordeelsvorming over de partij meespeelde, was de strijd¬ bare en ideologisch geprononceerde opstelling van de de onafhankelijkheid had de

pnr

pnr.

Ten tijde van

geprobeerd de vhp zoveel mogelijk van

betrokkenheid bij de soevereiniteitsoverdracht uit te sluiten. Deze offen¬ sieve houding kwam voort uit aversie tegen de conservatieve koers van de partij, maar ook uit vrees voor een NPS-VHP-samenwerking waarbij de pnr

overbodig zou worden. Het volgen van deze compromisloze lijn werd

vooral aan Bruma toegeschreven en door aanhangers van de brede basispolitiek veroordeeld. Na de soevereiniteitsoverdracht ging de kritiek op de PNR-leider in toenemende mate vergezeld van kanttekeningen bij diens functioneren als minister. Anders dan zijn partijgenoten Hoost en Frijmersum - die als minister een goede reputatie genoten - wist Bruma als minister van Economische Zaken niet te imponeren. Zijn loon- en prijsbeleid, bedoeld om de kosten van eerste levensbehoeften te drukken, was op een misluk-

267

king uitgelopen en het cis functioneerde gebrekkig.91 Ook liet Bruma zich weinig gelegen liggen aan de rapporten van de Rekenkamer en de Centrale Lands Accountants Dienst.92 Ten slotte zou de PNR-voorman zich schuldig maken aan favoritisme, onevenredig veel tijd in het casino doorbrengen en zich ophouden met malafide figuren. De hardnekkig¬ heid van deze geruchten en het kennelijke onvermogen van de bewinds¬ man om deze aantijgingen adequaat te pareren, droegen negatief bij aan de beeldvorming rond zijn persoon.93 Bij onderhandelingen op 1, 3 en 5 augustus 1977 over het vaststellen van de NPK-verkiezingslijst kwamen de

nps

en de

flict. Met verwijzing naar de positie van de

pnr

pnr

met elkaar in con¬

in het parlement eiste

Bruma vijf verkiesbare plaatsen op de NPK-verkiezingslijst. Naar zijn oor¬ deel diende de

pnr

geaccommodeerd te worden uitgaande van het aantal

parlementszetels dat de partij op dat moment bezat. Ook wenste de partij opnieuw drie ministersportefeuilles indien de

npk

er weer in zou slagen

22 zetels te verwerven. Bovendien verlangde de partij, redenerend vanuit het standpunt dat de eenheidsgedachte versterkt tot uitdrukking diende te worden gebracht, dat de NPK-leiders op de eerste vier plaatsen van de lijst in Paramaribo zouden worden gepositioneerd. Ten slotte meende de

pnr

dat verschillende van haar vertegenwoordigers (Frijmersum, Hoost, Derby en Raveles) een betere waardering op de kandidatenlijst verdienden.94 Deze eisen schoten de NPK-top in het verkeerde keelgat. Arron toon¬ de zich voorstander van voortzetting van het NPK-verband op basis van de in 1973 aanvaarde verdeelsleutel met betrekking tot de posities op de kandidatenlijst. Deze verdeelsleutel weerspiegelde volgens hem de wer¬ kelijke sterkte van de deelnemende partijen. Hij kon zich niet verenigen met de eis van Bruma dat hij in het kader van de eenheidsgedachte als tweede op de lijst in Paramaribo diende te worden geplaatst, onmiddellijk na Arron. Een dergelijke positionering zou betekenen dat Ahmed Karamat Ali, ondervoorzitter van de

nps,

niet langer aanspraak zou kunnen ma¬

ken op die plaats. Voor Arron was dit onaanvaardbaar. Ten slotte was laatstgenoemde van oordeel dat de door Bruma genoemde PNR-vertegenwoordigers beslist niet ondergewaardeerd waren als gekeken werd naar hun positie op de kandidatenlijst. Arron kreeg bijval voor zijn opstelling van de voorzitters van de psv en de Om de

pnr

raad van de

nps

ktpi .9S

van de ernst van de zaak te overtuigen, besloot de partij¬ op 7 augustus om Arron en Van Genderen te machtigen

de onderhandelingen met de samenwerkende partijen in NPK-verband voort te zetten op basis van de door de

npk

in 1973 aanvaarde verdeel¬

sleutel voor toewijzing van posities op de kandidatenlijst. Zou de

268

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

pnr

zich niet in dit uitgangspunt kunnen vinden, dan stond het de partij vrij uit de npk te stappen. Tevens werd tijdens de partijraadsvergadering over¬ eengekomen dat Arron en Van Genderen besprekingen zouden openen met de

hpp

om de mogelijkheden voor samenwerking te onderzoeken.

In reactie op het besluit van de

nps-partijraad

herhaalde Bruma zijn ei¬

sen, waarop Arron, Van Genderen, Wijntuin en Soeperman namens hun partijen lieten weten dat het voeren van onderhandelingen op de door Bruma voorgestelde grondslag niet mogelijk was. Door de houding van de PNR-voorzitter was volgens hen ‘de basis van vertrouwen in eikaars oprechte bedoelingen ernstig geschaad’.96 Bruma toonde zich bereid zijn voorstel voor een kopgroep van voor¬ zitters als symbool van de eenheid binnen de

npk

in te trekken. Hij deed

dit met tegenzin, aangezien tot de verbeelding sprekende ‘voorhoedestrijders’ zijns inziens onmisbaar waren ‘voor het verslaan van de volks¬ vijanden’. Tegelijk wenste hij vast te houden aan zijn eis dat bij voortzetting van de samenwerking de vijf PNR-zetels in het parlement gegarandeerd dienden te zijn bij een stembusuitslag van

22

zetels voor de

npk.97

Voor

Arron en Van Genderen voldeed deze reactie niet aan de gestelde voor¬ waarden. Drie dagen na ontvangst van de brief van Bruma besliste de par¬ tijraad van de

nps

dat gelet op de opstelling van de

pnr

‘de noodzakelijke

vertrouwensbasis voor samenwerking met de partij’ was komen te verval¬ len en dat om die reden de samenwerking met de De samenwerking met de

psv

en de

ktpi

pnr

werd verbroken.

zou worden voortgezet en even¬

tueel uitgebreid met andere daarvoor in aanmerking komende partijen.98 De vijf PNR-vertegenwoordigers in het parlement reageerden furieus op het besluit van de NPS-partijraad. Zij lieten weten per direct uit de NPK-fractie te stappen en als een zelfstandige PNR-fractie verder te gaan. Uit protest tegen de handelwijze van de

nps

zegden zij bovendien het

vertrouwen op in de ministers Arron, Van Genderen, Cambridge, Karamat Ali en Venetiaan." Hierop verzochten de NPK-ministers hun collega’s van PNR-huize om hun portefeuilles ter beschikking te stellen, een stap die laatstgenoemden weigerden te zetten. De

pnr

zag geen reden om zo

kort voor de verkiezingen en zonder dat het parlement hierover een uit¬ spraak had gedaan mee te werken aan een regeringswisseling waarvan aangenomen mocht worden dat die de stabiliteit van het landsbestuur in gevaar zou brengen. De partij beloofde het NPK-beleid vooralsnog te zul¬ len blijven steunen. Dit argument wist de niet-PNR-ministers in het kabi¬ net te overtuigen. De regering zou haar zittingstermijn uitdienen.100 In een redactioneel commentaar stelde De Ware Tijd dat de leiding van de

pnr

‘onbegrijpelijk gefaald’ had. Het zeker stellen van vijf parle-

269

mentszetels was niet realistisch en op eigen kracht zou de partij nooit de zetels binnenhalen die de

nps

haar had aangeboden.101 De Vrije Stem had

vóór de breuk geschreven: ‘NPS-leider Arron heeft in het verleden alles gedaan om de

pnr

de hand boven het hoofd te houden, waardoor in eigen

gelederen het verwijt werd geuit dat hij een watra-moen [watermeloen] is: groen van buiten en rood van binnen.’102 Maar de

pnr

had volgens de

krant nu duidelijk haar hand overspeeld en zou als zelfstandig deelnemer aan de verkiezingen tot vrijwel niets in staat zijn.103 De krant beschouwde de opstelling van de

nps

als de uitkomst van een interne machtsstrijd.

Van Genderen had geprobeerd Arron een hak te zetten, maar deze het te¬ gen de verwachting in de

pnr

tijdig vallen.104

Arron: Wat was mijn voorstel aan de coalitie in augustus 197/? We maken een pas op de plaats, in die zin dat de politieke posities voor wat betreft het parlement en de regering ongewijzigd blijven. Wat betekende dit? Niemand zou erop vooruitgaan, niemand zou erop achteruitgaan. Daar ligt de kern van de breuk. De

pnr

zegt: nee, we hebben ons bewezen in deze combinatie, dus

wij accepteren niet hetzelfde, wij willen meer hebben dan in 1973. Niet alleen claimde de

pnr

een groter aantal posities, maar ook drong de partij aan op

wijzigingen in de volgorde van bepaalde posities. Zo wilde de partij de tweede plaats op de lijst in Paramaribo. Een onhaalbare zaak, want dat was de positie van de ondervoorzitter van de

nps,

mr. KaramatAli. We deden ons best de te¬

genpartij van ons standpunt te overtuigen, maar we kwamen er niet uit. Toen heeft Bruma op een cruciaal moment de fout gemaakt - er is veel vergaderd hoor - om niet zelf aan de onderhandelingstafel te verschijnen, maar om twee partijgenoten af te vaardigen. Ik zal niet beweren dat het niets¬ zeggende lieden waren, maar in ieder geval geen figuren van het kaliber Bruma of Hoost. Ik vond dat van weinig respect voor de NPK-top getuigen en heb de besprekingen onmiddellijk gestaakt.105 De gevoelens in de

nps

waren

toen al van dien aard dat mensen zeiden: jaag ze weg, gooi ze uit de npk. Toch zag ik het als mijn taak de coalitie te bestendigen. Vergeet niet: de onderlinge verhoudingen waren goed en inhoudelijk zaten we op één lijn. Maar na die ge¬ weldige opstelling van de heer Bruma ben ik naar de partijraad gegaan en heb ik gezegd: dit is het einde. Ik heb geen lange verklaring hoeven af te leggen. Binnen een halfuur was het beslist. Omdat die negatieve gevoelens in de nps al vanaf de toetreding van de pnr tot de combinatie sudderden. Zo zijn we uit elkaar gegaan. Ik heb tegen Bruma gezegd: Eddy, ik ben jon¬ ger dan jij - we schelen meer dan tien jaar - maar wees met één ding voorzich¬ tig: politieke hebzucht leidt tot politieke zelfvernietiging. Hij is de eerste aan wie ik dit heb gezegd. Ik heb er later ook in redevoeringen een paar keer op ge¬ hamerd. Ik zei ook: Eddy, houd er rekening mee, dit betekent voor jou nul zetels

270

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

bij de komende verkiezingen. In de partijraadsvergadering had ik dit ook al naar voren gebracht. Er waren geen ideologische verschillen met de pnr. Juist om die reden heb ik de breuk betreurd. Er waren ook geen verschillen op het stuk van de ontwikkeling van het land. De ontwikkelingsvisie was identiek. Het was zuiver politieke hebzucht. Nou ja, ze hebben het geweten op 31 oktober. Bruma voelde zich door de nps op een vernederende manier aan de kant geschoven. Zijn analyse was dat de nps de pnr kennelijk nodig had gehad om de onafhankelijkheid te realiseren, maar dat de partij, nu deze voor de nps haar betekenis had verloren, uit de gratie was geraakt. Bin¬ nen de pnr voelden veel leden zich overvallen door het nieuws dat een continuering van de samenwerking met de NPK-partners van de baan was. Menigeen trok de conclusie dat Bruma te solistisch was opgetreden, onvoldoende had afgestemd met de partijtop en zijn eigen positie had overschat.106 Het vertrek van de pnr uit de npk kan worden uitgelegd als een triomf voor partijraadsvoorzitter Van Genderen. Hij slaagde erin de PNR-kritische stemming binnen de nps naar zijn hand te zetten en met succes aan te sturen op een breuk met de pnr. Maar ook in de beleving van Arron had Bruma een kritische grens overschreden en zichzelf als coalitiepart¬ ner onmogelijk gemaakt. Hij greep de eisen van de pnr aan om de npk te herstructureren en binnen de nps de gelederen te sluiten. Tot op zekere hoogte nam Van Genderen revanche voor het gezichtsverlies dat Arron hem in 1972 tijdens de brede basis-discussie had laten lijden. Toch was het effect van zijn optreden beperkt. De breuk maakte definitief de weg vrij voor samenwerking met de hpp - waartegen de pnr zich uit vrees voor verlies van invloed steeds had verzet -, maar leidde niet tot een vorm van toenadering tot de vh p .loy De pijn voor Arron lag behalve in het beëindigen van een politieke sa¬ menwerking waaraan hij zich gecommitteerd had in de verwijdering die optrad tussen hem en PNR-minister Eddy Hoost. Arron kende Hoost al lang vóór de totstandkoming van npk i via zijn jeugdvriend Morris Tuur. Hoost woonde ‘om de hoek’ bij Tuur en het was daar dat de vriendschap tussen Arron en Hoost ontstond. De drie gingen op de Rechtsschool met elkaar om en ontmoetten elkaar bij Labor Omnia Vincit.108 Binnen npk i waren Arron en Hoost de verbindende schakels tussen de clusters van nps- en PNR-ministers. Informele ontmoetingen tussen de twee vonden plaats ten huize van Morris Tuur, waarbij ook partijgenoten als Otmar Buyne en Waldi Willemzorg aanschoven.109 Arron: Hoost is de minister die ik het meest heb vertrouwd. Hij was mijn rechterhand. Hij was de minister die als we bij mij thuis vergaderden in mijn slaapkamer mocht komen. Zo goed

271

was de verhouding. De vriendschap zou in de verkiezingsstrijd die op de breuk in de combinatie volgde nog verder op de proef worden gesteld.

DE VERKIEZINGEN VAN 1977 Op 19 augustus 1977, twee dagen na het besluit van de partijraad van de nps

om de samenwerking met de

pnr

te verbreken, bracht de

npk

een

communiqué uit waarvan de eerste regels als volgt luidden: ‘In de over¬ tuiging dat de betrokkenheid van de totale Surinaamse bevolking bij de nationale opbouw moet worden gecontinueerd en versterkt hebben de politieke partijen

n.p.s., k.t.p.i., p.s.v.

en

na diepgaand beraad

h.p.p.

besloten door gezamenlijk politiek optreden een bijzonder samenwerkings¬ verband aan te gaan in de nationale n.p.k.

partij kombinatie,

de

n.p.k.

De

is ervan doordrongen dat in ons pas onafhankelijk geworden land

dit samenwerkingsverband de beste garantie biedt voor harmonie in de Surinaamse politiek en samenleving. Uit het voorgaande vloeit logischer¬ wijs voort dat het bereids aangevangen proces ter realisatie van de natio¬ nale ontwikkelingsdoelstellingen door middel van participatie en mobi¬ lisatie zal worden geïntensiveerd.’110 De onderhandelingen van de

nps

met de

hpp,

die op 9 augustus be¬

gonnen waren111, hadden snel hun beslag gekregen. Verwonderlijk was dit niet. Beide partijen waren gebaat bij samenwerking en hielden er een vergelijkbare maatschappij- en ontwikkelingsvisie op na. Voor de tekende de toetreding van de

hpp

npk

be¬

een verbreding van de etnische basis.

Aan de bestaande Creools-Javaanse samenwerking werd een progressief Hindostaans element toegevoegd. Het hielp dat de kleine partij haar naam het jaar ervoor van Hindostaanse Progressieve Partij in Hernieuwde Pro¬ gressieve Partij had gewijzigd. Voor de NPK-partners was echter doorslag¬ gevend geweest dat George Hindori sinds juni 1976 als vertegenwoordi¬ ger van de

hpp

zijn parlementaire arbeid verrichtte. Door met de ervaren

Hindori in zee te gaan, kon worden voortgebouwd op de understanding die tussen hem en het NPK-blok was bereikt aan de vooravond van de on¬ afhankelijkheid. Menigeen vond bovendien dat de

npk

de parlementa¬

riër wel iets verschuldigd was voor de stap die hij op 14 oktober 1975 had gezet. Omgekeerd was toetreding tot de

npk

voor de

hpp

een uitkomst.

Pogingen onder leiding van Evert Azimullah om Hindori, de

hpp

en de

VHP met elkaar te verzoenen en een VHP-nieuwe stijl te lanceren, waren mislukt. Wilde de

hpp

haar ambitie om regeermacht uit te oefenen kun¬

nenwaarmaken, dan bood aansluiting bij de

npk

de beste kansen.112

In het NPK-verkiezingsmanifest en het NPK-verkiezingsprogramma lag het accent op vrijheid, zelfstandigheid en welvaart. Waar het ging om

272

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

vrijheid onderstreepte de

npk

het belang van het waarborgen van de de¬

mocratie en de rechtsstaat. Zelfstandigheid vertaalde zich volgens de combinatie in de zorg voor een evenwichtig beleid van self-reliance vol¬ gens de doelstellingen van het meerjarenontwikkelingsprogramma (mop). Onder welvaart verstonden de partners een gegarandeerd aanbod van be¬ taalbare primaire levensbehoeften, de beschikbaarheid van sociale, edu¬ catieve en culturele voorzieningen, en een verantwoorde exploitatie van ’s lands natuurlijke hulpbronnen door een nauw samenspel tussen over¬ heid, vakbeweging en bedrijfsleven. De afkorting npk zag de combinatie bij voorkeur uitgespeld als Na Pipel Krakti, de kracht van het volk. Het uit¬ gangspunt was dat er zo veel mogelijk aansluiting diende te worden ge¬ zocht bij de Nationale Progressieve Kracht, die het Surinaamse eigene belichaamde, kolonialisme, hokjesmentaliteit en eigenbelang achter zich had gelaten, en zich richtte op de mobilisatie en participatie van alle bur¬ gers in het arbeidsproces.113 Voor Arron braken drukke tijden aan. Tijdens de verkiezingen van 1973 had hij zijn eigen woning als kantoor en verkiezingscentrum van de nps

beschikbaar gesteld. Dat had als voordeel gehad dat de lijnen kort

waren en dat hij zich in persoon met alle facetten van de verkiezingscam¬ pagne had kunnen bemoeien. Het was gelet op de verstoring van zijn hui¬ selijk leven echter geen ideale oplossing geweest. Om die reden werd er in 1977 voor gekozen om Grun Dyari tot zenuwcentrum van de NPS-verkiezingsactiviteiten om te vormen. Het was niet langer vanuit de Gravenberchstraat, maar vanuit de Wanicastraat dat propagandisten werden aangestuurd en de verkiezingscampagne werd gecoördineerd. Evenals in 1973 lag de leiding van de campagne in handen van de partijvoorzitter. No span,

npk

zingsleus van de

e tan (maak je niet druk, de npk.

npk

blijft) was de verkie¬

Deze verwees naar het voornemen van de combi¬

natie om op de ingeslagen weg voort te gaan en het bestaande beleid, dat feitelijk pas sinds 1976 werd uitgevoerd, te continueren. Hoewel de leus de oriëntatie van de npk goed reflecteerde, leek deze tegelijk terug te ver¬ wijzen naar de bekende uitspraak van Johan Adolf Pengel: Wacht even. Weest gerust. Alles komt terecht. Diens woorden hadden een vergelijkbare strekking en bespeelden een verwant register aan emoties. In beide geval¬ len luidde de achterliggende boodschap: lanti (de regering) waakt over het volk, houdt te allen tijde een vinger aan de pols en zal burgers zonder onderscheid in wijsheid en rechtvaardigheid leiden. Het was niet ieder¬ een duidelijk hoe deze les in ootmoed en matiging zich verhield tot ander¬ soortige idealen uit het NPK-verkiezingsmanifest, zoals de aansporing meer activiteiten te ontplooien en een nationaal elan te demonstreren.114

273

De tegenhanger van de tische Partijen

(vdp)

npk

was de combinatie Verenigde Democra¬

onder leiding van Jagernath Lachmon. Hoewel de

voorkeur van Lachmon onverminderd uitging naar een nationaal kabinet met de

nps

en de

ktpi115

wist hij dat een doorstart van de verbroederings-

politiek een illusie was zolang Arron het binnen de

nps

zou hebben. Behalve de

deel uit de Pendawa

vhp

maakten van de

vdp

voor het zeggen

Lima en de Socialistische Partij Suriname. In de strijd om het politieke leiderschap van de javanen hoopte Somohardjo met zijn Pendawa Lima te profiteren van de uitschakeling van

kt pi-voorzitter

Soemita. Deze was

op 2 september door de rechter tot één jaar gevangenisstraf veroordeeld116 en kon alleen op afstand betrokken zijn bij de verkiezingscampagne van zijn partij. De Socialistische Partij Suriname

(sps)

werd geleid door

André Kamperveen en Henk Herrenberg. Door het incorporeren van de kleine en ideologisch afwijkende

sps

- door de

npk

als een gevaarlijke

communistische partij aangemerkt - hoopte Lachmon behalve een Hindostaans en een Javaans element ook een Creools element in zijn combi¬ natie te verankeren.117 De

pnr

besloot op eigen kracht de verkiezingen in te gaan. Hetzelfde

besluit nam een aantal andere progressieve partijen, zoals de Volkspartij onder leiding van Ruben Lie Pauw Sam, de Progressieve Arbeiders en Landbouwers Unie

(palu)

kratisch Volksfront

(dvf)

onder leiding van Iwan Krolis en het Demo-

onder leiding van Humphrey Keerveld. Hoe¬

wel laatstgenoemde partijen een links-radicale agenda met elkaar ge¬ meen hadden, waren het ideologische scherpslijperijen en persoonlijke tegenstellingen die verhinderden dat zij tot een werkbare bundeling van activiteiten kwamen. Prognoses gaven de partijen, in het bijzonder de pnr

de

en de Volkspartij, kans op een zetel, maar herhaalde oproepen van

npk

en de

vdp

om stemmenversnippering tegen te gaan en ondanks

bepaalde reserves toch te kiezen voor een van de twee megablokken bleek uiteindelijk een effectieve strategie.118 In de strijd die ontbrandde richtte de kritiek op de

npk

zich vooral op

het uitblijven van aansprekende economische successen en op het cor¬ ruptieschandaal rond KTPi-leider Soemita. De vdp meende dat de

npk

te

zwaar inzette op infrastructuur en mijnbouw, zoals het West-Surinameproject119, en zich onvoldoende sterk maakte voor de ontwikkeling van andere sectoren van de economie, zoals de (kleinschalige) landbouw. Niet toevallig vond een belangrijk deel van de VHP-aanhang in die laatste sector emplooi. In veel speeches werd Hindori weggezet als een verrader en Pengel verheerlijkt als een kampioen van de integratiegedachte. De kwestie-Soemita liet volgens Lachmon weinig heel van Arrons pretentie

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

dat zijn ministers over tien schone vingers beschikten. Met verwijzing naar deze affaire greep Somohardjo iedere gelegenheid aan om zijn ge¬ hoor te beloven Arron te zullen laten opsluiten mocht hij het in de vol¬ gende regering tot minister van Justitie brengen. Een kort voor de verkie¬ zingen verschenen rapport van de Rekenkamer, waarin de besteding van overheidsmiddelen en de verantwoording van overheidsuitgaven werd bekritiseerd, gaf naar het oordeel van Lachmon voeding aan de gedachte dat de regering haar financiële administratie niet op orde had en onver¬ antwoord omsprong met geld dat de belastingbetaler in de staatskas had laten vloeien.120 Omgekeerd werd de

vdp

verweten te volstaan met het voeren van

een negatieve campagne en geen beleid te presenteren dat zich op een gunstige manier onderscheidde van dat van de de

vdp

npk.

Volgens Arron was

een opportunistisch samenraapsel van partijen, die er geen een¬

duidige visie op na hielden. Hij benadrukte dat het voorbarig was de resul¬ taten van het ontwikkelingsbeleid van zijn regering nu al af te schieten. De onafhankelijkheid - die Suriname een eigen gezicht had gegeven in de wereld en respect had afgedwongen bij bevriende volkeren - was nog maar kortgeleden gerealiseerd en de uitvoering van het meerjarenont¬ wikkelingsprogramma verkeerde nog in haar beginfase. Ook was het niet fair om het West-Surinameproject op te hangen aan het belang dat het had voor de mijnbouw. Het ging om een geïntegreerd programma waar de landbouwsector volwaardig deel van uitmaakte. Arron verwees in dit verband tevens naar het Multipurpose Corantijn-project dat voorzag in een substantiële uitbreiding van het rijstareaal. Waar het ging om de kwestie-Soemita merkte Arron op dat, ondanks de roep om amnestie vanuit de

ktpi,

het recht had gezegevierd. Ten slotte wees hij de sugges¬

tie dat de regering een loopje nam met haar financiële verantwoordings¬ plicht verontwaardigd van de hand.121 Op 27 oktober 1977 verkreeg president Ferrier uit handen van de mi¬ nisters Bruma en Hoost een fotokopie van een dagafschrift van de Southeast First National Bank of Miami, gedateerd 28 februari 1977. Dit af¬ schrift was gesteld op naam van H.A.E. Arron te Paramaribo en onthulde dat de minister-president een positief saldo van us$ 2.395.436,95 op zijn bankrekening had staan. De laatste transactie zou op 31 januari van dat jaar hebben plaatsgevonden. Arron was op verkiezingscampagne in Nickerie en kon om die reden pas op 28 oktober door de president worden ge¬ hoord. Bij die gelegenheid verklaarde Arron dat hij onkundig was van het bestaan van deze bankrekening en uitte hij zijn verbazing over het ge¬ toonde dagafschrift dat hij als een vervalsing bestempelde. Op aandrin-

275

gen van Arron verzocht Ferrier de procureur-generaal om met spoed bij de Southeast First National Bank of Miami een onderzoek in te stellen naar het dagafschrift en naar het vermeende bestaan van de bankrekening.122 Het bankafschrift was afkomstig van de in Miami woonachtige inge¬ nieur Richard Sanders, die het document aan André Kamperveen ter hand had gesteld. Kamperveen - een van de voormannen van de

sps

- had vdp-

leider Lachmon het afschrift aangeboden, maar deze had geen aanleiding gezien iets met het document te doen. Vervolgens was Kamperveen er¬ mee naar Bruma gegaan, die zijn partijgenoot Hoost erbij had gehaald. Samen hadden zij zich met het afschrift bij Ferrier vervoegd en bij hem de zaak aanhangig gemaakt. Sanders koesterde een wrok tegen Arron aan¬ gezien deze hem naar zijn zeggen de opdracht voor de bouw van een brug over de Surinamerivier had ontnomen zonder hier een compenserende vergoeding tegenover te stellen. Lachmon vertrouwde de zaak niet en hield zich op afstand, maar Bruma en Hoost zagen hun kans schoon om Arron de verwijdering van de

pnr

uit de

npk

betaald te zetten.123

Het nieuws over de Amerikaanse bankrekening van Arron en de sug¬ gestie dat het saldo van bijna us$ 2,5 miljoen via corruptie zou zijn ver¬ kregen, bereikte de samenleving op donderdag. De eerstvolgende maan¬ dag zou de bevolking naar de stembus gaan. Arron: Als Bruma de kwestie van het bankafschrift een dag later had gebracht, had ik mij niet meer met be¬ wijsstukken kunnen verdedigen. Ik had natuurlijk nog wel mijn verhaal kun¬ nen houden, maar dan zou vermoedelijk de vraag zijn blijven hangen: houdt die Arron ons niet voor gek? Bruma heeft er geen rekening mee gehouden dat ik zelf uit het bankwezen afkomstig ben en dat ik als regeringsleider een be¬ roep kon doen op de medewerking van de Amerikaanse ambassadeur hier te lande. Die heeft via de Amerikaanse regering die bewuste bank in Miami bena¬ derd. Op zaterdag bereikte ons via de Amerikaanse ambassadeur een verkla¬ ring van de directie van de bank dat het afschrift fake was. De avond ervoor had ik al tijdens een NPK-massameeting op het terrein van de openbare school op Latour de mensen voorbereid op het nieuws. Ik heb de menigte voorgehouden dat ik van Bruma alles had verwacht, maar dat ik niet kon begrijpen dat mijn boezemvriend Hoost, met wie ik op één bed had ge¬ slapen, uit één bord had gegeten en uit één beker had gedronken, mij dit had aangedaan. Op zaterdagmiddag kon ik tijdens de slotmassameeting van de npk

op het Bronsplein, met de verklaring van de bank in mijn handen, de finale

klap uitdelen. Het was een grote stommiteit van Bruma. Een domme wraak¬ actie. En weer die politieke hebzucht die tot politieke zelfvernietiging leidt. Door deze affaire heb ik lange tijd een verstoorde relatie met Hoost gehad. Omdat ik maar niet kon bevatten dat Hoost - wetende dat het om een knullige

276

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

vervalsing ging, wetende dat ik niet zo dom zou zijn om mij door dergelijke nonsens van de wijs te laten brengen - bereid was zich tot een dergelijke actie te verlagen. Hoost die elke dag met mij was! Op het moment dat het gebeurde, heb ik het hem bijzonder kwalijk genomen. Pas vele jaren later, via een gemeen¬ schappelijke kennis, heeft Hoost - want hij had er behoefte aan - de zaak met mij uitgepraat.124 In een televisietoespraak aan de vooravond van de verkiezingen be¬ nadrukte Arron dat dit de eerste keer was dat vrije burgers in de onafhan¬ kelijke republiek naar de stembus gingen. Hij riep de kijkers op om de npk

in de gelegenheid te stellen zijn beleid te continueren. Volgens hem

had de NPk consequent en met respect voor de beginselen van vrijheid en democratie de sociaal-economische ontwikkeling van het land ter hand genomen en de basis gelegd voor een evenwichtige groei naar welvaart en welzijn voor alle burgers. Dit proces nam echter meer tijd dan één kabi¬ netsperiode. Er was een verlenging van de zittingstermijn van de rege¬ ring nodig om de vruchten te kunnen plukken van de processen die reeds in gang waren gezet. Arron zette de pnr weg als een partij die, arm aan verkiezingsthe¬ ma’s, medelijden bij de kiezers probeerde te wekken door te doen alsof de partij door de andere NPK-partners uit de coalitie was gestoten: ‘Wij zul¬ len onze tijd niet verdoen met nogmaals de waarheid uit de doeken te doen en volstaan met voor de zoveelste keer te zeggen dat zij zichzelf uit de kombinatie hebben gezet en wel door zetelgierigheid en een voor ons onbegrijpelijke mate van zelfoverschatting.’125 Ook voor de vdp had Arron weinig lovende woorden over. Hij was er¬ van overtuigd dat deze combinatie geen stand zou houden. Naar zijn zeg¬ gen beriep vhp-voorzitter Lachmon zich voortdurend op zijn doorbraakpolitiek, maar de tegenstrijdige ideologieën die de vdp met elkaar trachtte te verzoenen, maakten het onmogelijk om een stabiele regering te forme¬ ren. Het was niet te verwachten dat op die wankele basis de eenheid zou worden bevorderd en de ontwikkeling van Suriname de gewenste impul¬ sen zou krijgen. Met verwijzing naar de kleine progressieve partijen waarschuwde Arron voor het dreigende gevaar van het communisme. Stemden kiezers op vertegenwoordigers van deze ideologie, dan bestond er volgens hem een gerede kans dat de jonge republiek in avonturen zou worden gestort waarvan de gevolgen niet te overzien zouden zijn. ‘Wij van de

npk

gelo¬

ven in de common sense van de totale Surinaamse bevolking en vertrou¬ wen erop dat het volk de juiste beslissing zal weten te nemen. De stem van het volk is de stem van God.’126

277

De verkiezingen van 31 oktober 1977, die rustig en beheerst verliepen, leverden andermaal een overwinning op voor de won 22 zetels, tegenover 17 zetels voor de

vdp.

npk.

De combinatie

Geen van de kleine pro¬

gressieve partijen had een zetel weten te veroveren.127 Algemeen werd aangenomen dat de bankafschriftaffaire de

pnr

de das om had gedaan en

Arron veel sympathiestemmen had opgeleverd.128 Ook de realisering van de onafhankelijkheid zou door het electoraat positiever zijn gewaardeerd dan velen vooraf hadden ingeschat. De

vhp zou

nadeel hebben onder¬

vonden van de emigratie van duizenden Hindostanen naar Nederland in 1974 en 1975.129 Bovendien zouden veel Hindostanen aanstoot hebben genomen aan de onwaardige behandeling van George Hindori door de VHP-leiding. Juist zij zouden hoop hebben geput uit het verbroederingselement dat de

npk

had ingebracht door de opname van de

hpp

in de

combinatie.130 Beschuldigingen van VDP-zijde dat de

npk

in het district Comme-

wijne zou hebben gefraudeerd met stemmen en op basis hiervan de ver¬ kiezingen zou hebben gewonnen, werden door het hoofdstembureau van Commewijne en het Onafhankelijk Kiesbureau niet bewezen geacht. Het Onafhankelijk Kiesbureau verklaarde dat ‘de bij de algemene verkiezin¬ gen van 31 oktober 1977 gesignaleerde gebreken in de organisatie der ver¬ kiezingen en in de uitvoering daarvan, ook bij de voorgaande algemene verkiezingen voorkwamen, zodat de conclusie gerechtvaardigd voorkomt dat de onderhevige verkiezingen niet ongunstig afsteken bij de voorgaan¬ de’.131 Volgens het Kiesbureau kon in het algemeen worden gesteld ‘dat van onregelmatigheden bij de verkiezing in Commewijne niet is geble¬ ken’.132 Het Onafhankelijk Kiesbureau onderzocht de door de

vdp

inge¬

diende klachten en verklaarde deze ongegrond. In het bijzonder twee grieven trokken de aandacht. In Njoeng Godo Drai zou volgens de oppositie met 115 oproepingskaarten zijn gemanipu¬ leerd. Na onderzoek liet het Onafhankelijk Kiesbureau weten dat ‘met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’ moest worden geconclu¬ deerd dat deze klacht ‘redelijkerwijs niet juist kan zijn’. De andere klacht betrof de telling van stemmen bij een aantal stembureaus. Daarmee zou zijn geknoeid. Het Onafhankelijk Kiesbureau besloot tot een hertelling van deze 2519 stemmen (op een totaal van 6070 in Commewijne uitge¬ brachte stemmen). Deze hertelling leverde volgens het Kiesbureau een zeer gering aantal afwijkingen op, die toegeschreven konden worden aan mogelijke verschillen van inzicht bij de beoordeling van de stembiljetten (vooral op het punt van hun geldigheid) en aan menselijk verklaarbaar feilen. Op grond van deze bevindingen achtte het Onafhankelijk Kies-

278

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

bureau het ‘redelijkerwijs niet aannemelijk [...] dat een uitbreiding van zijn onderzoek, door met name ook het saldo der in Kieskring iv uitge¬ brachte geldige stemmen alsnog hierin te betrekken, tot merkelijk afwij¬ kende resultaten zal leiden’.133 Omdat het Kiesbureau in zijn rapport enige slagen om de arm hield en de

npk

de twee zetels die er in Commewijne te

vergeven waren geweest met een klein verschil van stemmen op de

vdp

had veroverd, zou de kwestie voor jaren conflictstof opleveren en de rela¬ ties tussen coalitie en oppositie onder druk zetten.134 Uit verontwaardiging over de ‘verkiezingsfraude’ weigerden

vdp-

parlementariërs zich gelijktijdig met hun NPK-collega’s te laten beëdi¬ gen. Om het werk van het parlement niet op voorhand te frustreren, leg¬ den op initiatief van president Ferrier op 15 november de leden van de NPK-fractie en de VDP-fractie in twee afzonderlijke groepen de eed af. Bij de installering van de parlementariërs maakte de VDP-fractie procedurele bezwaren die door parlementsvoorzitter Wijntuin niet werden gehono¬ reerd. De VDP-fractie verliet hierop onder protest de vergaderzaal, wat met enig tumult gepaard ging. Voorzitter Wijntuin drong er bij de aanwezigen op aan om de verkiezingsstrijd te beëindigen en elkaar op een waardige wijze tegemoet te treden. ‘Geestelijke adelheid’, ‘burgerlijke beschaving en normbesef’, ‘zelfbeheersing’, ‘toewijding’, ‘verdraagzaamheid’ en ‘op¬ offeringsgezindheid’ waren volgens hem nodig bij het uitoefenen van het ambt van parlementariër.135 Op 28 december 1977 trad onder leiding van Arron het kabinet npk i i aan. Aan de formatie was een eveneens door Arron geleide informatie voorafgegaan waarbij hearings waren gehouden met geledingen uit de samenleving. Tegen de gewoonte in had Arron zich tijdens de formatie behalve over NPS-kandidaten ook een veto toegeëigend over ministerskandidaten die door de coalitiepartners waren voorgedragen.136 In de rege¬ ring waren zeven ministeries toegewezen aan de

nps

parlementszetels), twee ministeries aan de

(drie parlementszetels),

twee aan de

ktpi

psv

(op basis van vijftien

(drie parlementszetels) en twee aan de

hpp

(één parle¬

mentszetel, ingenomen door George Hindori). De vijf NPS-ministers uit npk

i keerden allen op hun post terug. Lesley Goede (Financiën) en R.W.

Willemzorg (onderminister van Algemene en Buitenlandse Zaken) com¬ pleteerden het zevental. Niet alleen gelet op het aantal parlementszetels en ministersposten, maar ook gegeven de aanwezigheid van een politiek minder geprofileerde partner

(hpp)

was duidelijk dat de

nps

haar positie

in de npk had versterkt. Om de coalitie rond te krijgen, had Arron ermee moeten instemmen dat de onderhandelingen namens de

ktpi

werden geleid door voorzitter

279

Soemita. Deze werd hiervoor ’s ochtends onder politiebegeleiding uit de gevangenis gehaald, afwisselend in het gebouw van de Vereniging van Medici en op Republiek met Arron in contact gebracht, en ’s avonds weer bij de directeur van de penitentiaire inrichting afgeleverd. Deze kunst¬ greep - waarop uit de samenleving veel kritiek kwam - tekende de machts¬ positie van Soemita, die zich nog altijd de ongekroonde koning van de Javanen mocht noemen, ondanks de grotere winst van de Pendawa Lima (vier zetels) bij de verkiezingen.137 Uit de regeringsverklaring, die Arron wegens ziekte pas op 15 maart 1978 in het parlement kon presenteren, sprak, volgens verwachting138, de ambitie het door

npk i

in uitvoering genomen beleid voort te zetten: ‘De

centrale doelstelling van de Regering is het bereiken van de nationale eco¬ nomische zelfstandigheid. Het daarop afgestemde ontwikkelingsbeleid zal gericht zijn op het bereiken van welvaart als grondslag voor een recht¬ vaardig welzijnsbeleid.’ De vier doelen uit het meerjarenontwikkelings¬ programma waren richtinggevend bij het realiseren van dit voornemen.139 Om de bevolking bij de les te houden, verklaarde de regering dat het haar ging om ‘de erkenning van de Surinaamse Natie als levende werkelijk¬ heid. Wij zullen moeten arbeiden, hard arbeiden. Wij weten, dat vooruit¬ gang verkregen wordt door vallen en opstaan en daarom zullen wij als volk door positief te denken en opbouwend te handelen, de moed moeten kunnen opbrengen vertrouwen te hebben in onszelf, in elkaar, in onze leiders en in ons land.’14° PUBLIEK EN PRIVÉ Aan de vooravond van de viering van de dertigste verjaardag van de

nps

op 28 september 1976 had Arron in een toespraak de vele verdiensten van Pengel voor de partij herdacht en met voldoening teruggekeken op de realisering van de onafhankelijkheid. Hij noemde het de plicht van de nps

‘uitvoering te geven aan de mentale verheffing van het Surinaamse

volk en elke Surinamer op zijn of haar verantwoordelijkheid tegenover land en volk te blijven wijzen’. Het ideaal van de partij was naar zijn zeg¬ gen ‘een nieuw en beter Suriname waarin het waarachtig nationalisme de hoeksteen zal zijn voor de idealen van vrijheid en democratie, ver¬ draagzaamheid, lotsverbondenheid, menselijke solidariteit en vooruit¬ gang’.141 De viering op Grun Dyari trok veel partijleden en sympathisanten. Het programma van de avond werd ingeleid met enkele liederen gezon¬ gen door het Mannenkoor Maranatha en een optreden van dichter en voordrachtskunstenaar Ruud Mungroo. Rond middernacht namen voor-

280

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

zitter Arron, vicevoorzitter Van Genderen en de overige

nps-ministers

de

gelukwensen in ontvangst van de aanwezigen. Aansluitend legden Arron en Van Genderen in de ochtend van 29 september, de verjaardag van de partij, een krans bij het graf van Pengel, vervolgens bij de graven van en¬ kele andere vooraanstaande NPs’ers en ten slotte bij het standbeeld van Pengel. In de namiddag vond de ceremoniële start plaats van de bouw van een nieuw

nps-partijgebouw

aan de Wanicastraat door drie oudgedien¬

den van de partij, ’s Avonds werd op Grun Dyari een dankdienst gehouden onder leiding van ds. Zeefuik, waarbij het Mannenkoor Harmonie en de Nationale Kapel optredens verzorgden en vertegenwoordigers van verschil¬ lende religieuze gemeenten het woord namen en gebeden uitspraken.142 De gebeurtenissen toonden een partijvoorzitter en regeringsleider op het toppunt van zijn roem. Het was Arron die de onafhankelijkheid had gerealiseerd, die de coalitie door een turbulente periode heen had gesleept en die vastbesloten was Suriname tot verdere ontwikkeling te brengen en een passende rol op het wereldtoneel te bezorgen. De waar¬ dering die hij hiervoor kreeg en het aanzien dat hij ermee verwierf, be¬ antwoordden aan zijn diepste verlangen om zich maatschappelijk te onder¬ scheiden en als een gevierd man door het leven te gaan. De jongen die iets groots wilde verrichten, maar niet wist hoe hij die ambitie moest verwe¬ zenlijken, had hij definitief achter zich gelaten. De vader, die een leven lang had gesappeld in het politiekorps en nooit de positie had toebedeeld gekregen die hem voor ogen had gestaan, was hij met glans voorbijge¬ streefd. Arron verhulde niet dat de nieuw verworven status hem met trots vervulde en hem een groot gevoel van voldaanheid gaf. Zijn droom om in het middelpunt te staan en als politiek leider te schitteren en te stralen, had hij onmiskenbaar verwezenlijkt. Hij genoot van de aandacht die hij kreeg van mensen die hem persoonlijke zaken toevertrouwden, inlicht¬ ten over politieke ontwikkelingen en met hem in discussie gingen over stappen die gezet moesten worden om de republiek vooruit te helpen. Met zijn jongensachtige charme wist hij menigeen voor zich te winnen: eenvoudige burgers en vertegenwoordigers van de hoofdstedelijke elite, maar ook journalisten, voor wie hij zich toegankelijk opstelde en met wie hij graag in een ontspannen sfeer van gedachten wisselde. Het streelde zijn ego dat afgevaardigden van de coalitie hem uitbundig uitgeleide deden als hij naar het buitenland vertrok en hem een groots welkom bereidden als hij bij terugkeer weer voet op Surinaamse bodem zette. Met zichtbaar genoegen dompelde hij zich onder in deze blijken van hulde, schudde handen, deelde schouderklopjes uit, maakte grappen en sprak partijge-

281

noten quasivermanend toe. Mede door zijn positieve instelling en mon¬ tere levenshouding verstond hij de kunst van het vlot en ongedwongen communiceren. Maar Arrons succes had ook een keerzijde. In de

nps

bestond nog al¬

tijd een onderstroom, die hem zijn fortuin misgunde en de veiligstelling van de erfenis van Pengel zocht in hernieuwde samenwerking met de VHP.

Deze zienswijze greep deels terug op een geïdealiseerd verleden en

speelde in op gevoelens van heimwee en nostalgie. Tegelijk kon deze oriëntatie niet los worden gezien van de ambitie van sommige partijprominenten om Arron het voorzitterschap van de

nps

te ontnemen. Om

stemming te maken en leden voor hun standpunten te winnen, speelden zij subtiel in op de hoge verwachtingen die de achterban van maatschap¬ pelijke hervormingen had en suggereerden zij dat Arron de bekwaam¬ heid miste om die veranderingen tot stand te brengen. In dit verband ver¬ wezen zij naar diens religieuze afkomst (‘rooms-katholieken zijn niet te vertrouwen’), zijn vermeende politieke onervarenheid (‘hij heeft te jong te veel macht in handen gekregen’) en zijn onwil om verkiezingen voor het voorzitterschap van de

nps

te organiseren (‘hij lapt de democratische

beginselen van de partij aan zijn laars’). Hoewel zijn leiderschap niet werkelijk werd bedreigd en zijn aanhang groot genoeg bleef om vast in het zadel te kunnen blijven zitten, legde deze oppositie een merkbare druk op Arron. Deze dwong hem waakzaam te blijven en bewegingen in de partij met aandacht te volgen. Bij deze interne oppositie voegde zich de strijd met de parlementaire oppositie, die de coalitie te vuur en te zwaar bestreed. In dit spannings¬ veld voelde Arron zich als een vis in het water. Niets verschafte hem gro¬ ter genot dan het kruisen van de degens met zijn opponenten. Niets deed zijn adrenaline meer omhoogstuwen dan het verbale steekspel met poli¬ tieke tegenstanders, die eropuit waren hem in de wielen te rijden en beentje te lichten. Hij schiep er behagen in om hen af te troeven en in het stof te laten bijten. Sommige tegenstanders inspireerden hem om het hele repertoire van aftasten, veinzen, uitlokken, toeslaan en afserveren tot in het kleinste onderdeel af te werken. Het was in het bijzonder het spelele¬ ment dat hem als ‘man of words’143 in deze confrontaties aantrok. Zijn taalvaardigheid en retorisch vernuft - in het Nederlands en in het Sranantongo - hielpen hem daarbij. Ad rem en behendig bespeelde hij zijn op¬ ponenten en wist hij debatten naar zijn hand te zetten. Waar hij voor het grote publiek in charisma onderdeed voor Pengel compenseerde hij dit met sterk ontwikkelde verbale kwaliteiten.144 Maar redevoeringen en debatten, hoe onderhoudend ook, waren

282

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

nooit vrijblijvend, maar altijd bedoeld om voordelen te behalen, het ini¬ tiatief te veroveren en ontwikkelingen in gang te zetten. Zeker in zaken waarin grote belangen op het spel stonden, was het aangewezen om met inzet van alle middelen te opereren. Het aanwenden van het beschikbare oratorische instrumentarium en het sluiten van strategische allianties dienden in de eerste plaats een partijpolitiek doel. Dit zou in de jaren ze¬ ventig niet veranderen. Initiatieven om de bakens te verzetten en de poli¬ tieke stijl en debatcultuur nadrukkelijker af te stemmen op het bereiken van consensus bleven uit. Ook na de onafhankelijkheid werden de demo¬ cratische spelregels primair aangewend voor het veiligstellen en het ver¬ dedigen van deelbelangen. Dit zou consequenties hebben voor Arrons agenda, die hij volgens de beginselen van het ‘waarachtig nationalisme’ of ‘democratisch nationa¬ lisme’ wenste af te werken. Van het verwezenlijken van die agenda kwam minder terecht dan hij had gehoopt. De partijpolitieke praktijk nam hem dusdanig in beslag en bepaalde zozeer zijn focus, dat veel van zijn idealen in goede voornemens bleven steken. Niet anders dan onder zijn voorgan¬ gers nam de ministerraad vooral besluiten over benoemingen, vergunnin¬ gen en financiële committeringen. De cultuur van patronage en cliëntelisme veronderstelde een welomschreven distributie van middelen en mogelijkheden waarnaast weinig ruimte bestond voor beleidsdiscussies. Dit lag niet aan een gebrek aan visie of engagement bij Arron. Hij was be¬ gaan met het lot van de ‘gewone man’ en toonde zich een warm pleitbe¬ zorger van diens mentale verheffing en materiële vooruitgang. Maar hij slaagde er onvoldoende in om zich boven partijpolitieke woelingen te verheffen en als een nationaal leider daadkrachtig toe te werken naar structurele maatschappelijke veranderingen. Binnen de raad van ministers manifesteerde Arron zich als een pro¬ actief manager, die als procesbegeleider en spelverdeler de toon zette. Ministers zwaaiden de scepter over hun departement en droegen verant¬ woordelijkheid voor hun portefeuille. Onder aansturing van de premier stemden zij af met collega-ministers, zodat er een uniform beleid kon worden gepresenteerd. Arron investeerde de meeste tijd in het verkrij¬ gen van steun voor zijn kabinetsplannen. Het toetsen van beleid op poli¬ tieke haalbaarheid beschouwde hij als zijn voornaamste taak. Daarbij be¬ hoorde het brainstormen en onderhandelen met coalitiepartners - wat binnen een ‘politiek kabinet’ over het algemeen efficiënt verliep - maar evengoed het masseren en rijp maken van de oppositie voor zijn plannen - wat veel lastiger was. Een ander domein waarbinnen Arron zich bewoog, werd gevormd

283

door zijn kring van adviseurs. Deze was klein. In juridische zaken verliet hij zich in hoofdzaak op Ewald Karamat Ali, ten aanzien van ontwikke¬ lingsvraagstukken op Frank Essed. Rudi Braam stond hem als directeur van het ministerie van Financiën bij in financiële aangelegenheden. Lesley Goede zou hem als minister op datzelfde departement eveneens tot steun zijn. D. van der Geld en vervolgens Deryck Heinemann voorzagen Arron van advies op het gebied van buitenlandse zaken. Waar het ging om de grenzenproblematiek riep hij in de eerste plaats de hulp in van Hans Lim A Po, in aangelegenheden met betrekking tot de krijgsmacht stemde hij af met overste Hein Leeuwin, een neef van Netty Arron. Op het gebied van veiligheidszaken bouwde hij op de oordelen van Maurits de Miranda, procureur-generaal, Jimmy Walker, hoofdcommissaris van politie, en Fred Kruisland, officier van justitie. Op het gebied van onderwijs en we¬ tenschap liet hij zich sonderen door Betty Sedoc-Dahlberg, rector van de Universiteit van Suriname. Ten slotte bewees George Hering hem als perschef grote diensten. De relaties met al deze personen waren vriend¬ schappelijk, maar instrumenteel. De politieke vertrouwelingen van Arron waren nog geringer in aan¬ tal. Het was een gezelschap van wisselende samenstelling, waarmee hij intensieve contacten onderhield, maar dat hij vooral benutte om bevesti¬ ging te zoeken voor al gevormde opvattingen en ideeën. Veel van zijn stellingnamen hield hij overigens voor zichzelf. Deels deed hij dit om zijn politieke speelruimte zo groot mogelijk te houden en gedurig te kunnen slijpen aan plannen waarmee hij op het juiste moment voor de dag wilde komen. Deze gereserveerdheid had echter ook te maken met een behoef¬ te aan privacy en een neiging om mensen maar beperkt toegang te ver¬ lenen tot zijn particuliere universum.145 Vaak ontving Arron zijn

nps-

vrienden bij zich thuis. Er werd gegeten en geborreld en de politieke verwikkelingen van de dag werden er doorgenomen. Op het terras van het huis aan de Gravenberchstraat waaide in de namiddag een koele bries en was het na een inspannende dag aangenaam toeven. De ontmoetingen met NPS-getrouwen vonden ook plaats thuis bij Hedy Does. Arron had haar als zijn persoonlijke secretaresse aangetrok¬ ken en onderhield sinds 1974 een bijzondere vriendschap met haar. Hedy bewaakte zijn agenda, beheerde zijn archief en schermde hem af van mensen voor wie hij geen tijd kon of wilde vrijmaken. Zij gold als een har¬ de werker, die altijd voor de premier klaarstond en wanneer zij dit nodig vond voor hem in de bres sprong. Haar opgewekte en zorgzame karakter vielen op, evenals haar vrijmoedigheid van spreken en beslistheid van handelen. Zij combineerde een onmiskenbare bewondering, zo niet ado-

284

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

ratie, voor Arron met een grote betrokkenheid bij het wel en wee van de nps.

Hoewel zij in de beslotenheid van haar woning hartstochtelijk over

politiek mee debatteerde, onderscheidde zij zich vooral als gastvrouw die er een eer in stelde partijgenoten in een beschermde omgeving momen¬ ten van ontspanning en gezelligheid te bieden. Niet alle

nps-vertrouwelingen

verwaardigden zich een gang naar het

huis van Hedy. Er was een ‘Netty-kamp’ en een ‘Hedy-kamp’, waartussen een bepaalde mate van overlap bestond. Indeling bij een van de kampen hing samen met persoonlijke sympathie voor een van de twee vrouwen, maar ook met het al dan niet onderschrijven van bepaalde maatschappe¬ lijke en morele conventies. Hoe Arron hier zelf in stond, daarover liet hij zich niet uit. Beide vrouwen - in uiterlijk, karakter en optreden welhaast eikaars tegenpolen - waren deel van zijn leven, ingewikkelder leek hij het niet te willen maken. Waren vertrouwelingen naar hem op zoek, dan volstond hij met een eenvoudig ‘ik ben thuis’ of ‘ik ben bij 16’. De laatste mededeling was een verwijzing naar het huisnummer van Hedy. Tegen¬ over zijn echtgenote zou Arron steevast ontkennen een intieme relatie met zijn secretaresse te onderhouden. De zelfverzekerdheid waarmee Arron zich presenteerde en het machtsbewustzijn dat hij daarbij etaleerde pasten bij de functies van re¬ geringsleider en partijvoorzitter die hij in zijn persoon verenigde. Deze karaktereigenschappen verschilden niet noemenswaardig van die van collega-leiders. Hetzelfde gold voor zijn neiging om opvattingen en ideeen aan zijn omgeving te ontlenen, deze naar zijn eigen hand te zetten en er tegenover de buitenwereld goede sier mee te maken. Ook die praktij¬ ken waren onderdeel van een geaccepteerde cultuur en dwongen bij het grote publiek bewondering af, zeker als de toe-eigeningen met smaak werden opgediend.146 Arrons omgang met de macht zou ten tijde van npk ii steeds meer het karakter krijgen van een langgerekte krachtmeting met politieke opponenten. Andere Surinaamse leiders waren hem ook in dat opzicht voorgegaan. In het defensief gedrongen door de oppositie en prikkelbaar door de geringe vorderingen die hij in beleidsmatig opzicht maakte, deden bij Arron een aantal eigenschappen zich in sterkere mate gelden: een gebrek aan bestuurlijke doortastendheid, een onwil om bin¬ nen zijn eigen entourage voldoende tegenspraak en kritiek te organise¬ ren, en een routineus wegwuiven van de noodzaak urgente problemen op een resolute en vindingrijke wijze op te lossen.147 Hoewel Arron te midden van de vrienden uit zijn inner circle het meest op zijn gemak was en het meest zichtbaar van het leven genoot - een borrel drinkend, een blaka t’tei (zware shag) rokend, geanimeerd lachend

285

en pratend - was hij zoals gezegd ook in dit gezelschap gesloten over zijn diepste drijfveren. Achter de sociaal vaardige politicus met de energieke uitstraling ging een man verborgen die zich niet in de kaarten liet kijken en voor wie het bedrijven van politiek in de kern een solitaire aangele¬ genheid was. De intensieve en tijdrovende onderhandelingen rond de onafhankelijkheid en de moeizame omschakeling sindsdien naar de op¬ bouw van een nieuw Suriname hadden hem echter niet onberoerd gela¬ ten. Meer dan hij de buitenwereld wilde laten merken, hadden de talrijke verwikkelingen waarmee hij in korte tijd werd geconfronteerd een wissel op zijn gezondheid getrokken. De spanningen van het politieke bedrijf resulteerden half februari 1978 in de opname van de premier in het Aca¬ demisch Ziekenhuis. Hij kreeg een medische check-up waarbij werd vast¬ gesteld dat hij door een licht hartinfarct was getroffen. Gedurende drie weken zou hij ter observatie in het ziekenhuis verblijven. Als gevolg hier¬ van maakte hij het slot van het staatsbezoek van koningin Juliana en prins Bernhard aan Suriname niet mee en zou hij zijn regeringsverkla¬ ring later uitspreken.148 Op 3 maart werd Arron uit het Academisch Ziekenhuis ontslagen.149 Op last van zijn artsen zou hij nog enige tijd rust nemen alvorens zich weer in het openbare leven te vertonen. Na een onderbreking van ruim zes weken zou hij officieel op 28 maart zijn werk weer hervatten.150 Al snel werd hij weer volledig door politieke en bestuurlijke aangelegen¬ heden in beslag genomen. Later dat jaar liet hij zich zekerheidshalve in New York, waar hij verbleef om de vn toe te spreken, medisch onderzoe¬ ken. Uit deze keuring kwam naar voren dat operatief ingrijpen niet nood¬ zakelijk was. Hij had ook geen last meer van zijn hart. Wel werd hem te verstaan gegeven dat zijn levensstijl niet bevorderlijk was voor het ade¬ quaat functioneren van dit orgaan. Aanvankelijk hield Arron zich aan een streng dieet van vissoep en meed hij de consumptie van tal van ge¬ rechten waaraan hij zich onder normale omstandigheden graag tegoed deed. Hij zag er vooral op toe dat hij zich onthield van het nuttigen van vet. Maar de boog kon niet altijd gespannen zijn. Geleidelijk stond Arron zichzelf versoepelingen van zijn eetregime toe en niet lang hierna verviel hij alweer in oude gewoonten. De gevolgen van zijn onstuitbare werk¬ drift en laconieke omgang met zijn gezondheid - die hij met zijn vader gemeen had - zou hij in de jaren tachtig aan den lijve ondervinden.

286

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: ZELFVERZEKERD VOORWAARTS

VII Het primaat van de partijpolitiek: Bilaterale betrekkingen

De toetreding van Suriname tot de

vn

maakte de weg vrij voor het aan¬

gaan van banden met andere multilaterale organisaties. Maar hoe be¬ langrijk de aansluiting bij de Lomé Conventie, de

oas

en de

nam

ook was

voor de acceptatie van de republiek door de internationale gemeenschap, de armslag en eigen inbreng van Paramaribo op het gebied van de buiten¬ landse betrekkingen was het grootst bij het onderhouden en intensiveren van de bilaterale relaties met bevriende staten. In dit verband zette Arron in op het continueren van de betrekkingen met Nederland. Het voormalige moederland bleef voor Suriname van groot belang, vooral vanwege het ontwikkelingssamenwerkingsverdrag dat de twee landen in 1975 hadden gesloten. Het concept van gedeelde ver¬ antwoordelijkheid dat aan dit verdrag ten grondslag lag, zorgde vanaf het begin echter voor spanningen tussen de twee partners en leidde in 1978 tot een tijdelijke breuk in de samenwerking. Ook de aanhoudende migratie van Surinamers naar Nederland zorgde voor terugkerende wrijvingen in de verhouding tussen beide regeringen. Daarbij vergeleken kenmerkten de betrekkingen met de vs zich door rust en stabiliteit. Als afnemer van bauxiet en aluinaarde gold het land als cruciaal voor de Surinaamse economie. Maar ook vanuit een geopolitiek en militair-strategisch oogpunt achtte Arron het aangewezen om goede relaties met Washington te onderhouden. Daarnaast concentreerde Arron zich op een aantal landen op het Zuid-Amerikaanse continent. Het aanha¬ len van de betrekkingen met Brazilië en Venezuela betekende het voort¬ bouwen op contacten die al in de tijd van Pengel waren gelegd. De grootste ambitie van Arron bestond echter uit het oplossen van de grensconflicten met Frans-Guyana en Guyana. Met dit doel ontwikkelde de Surinaamse regering een vermetele strategie die territoriale en econo¬ mische belangen op een onorthodoxe manier met elkaar verbond. Het pri¬ maat van de partijpolitiek en de controversiële wijze waarop Paramaribo het geschil met Frans-Guyana wenste te beslechten, verhinderden echter

287

dat onderhandelingen met Georgetown en Parijs met het door Arron be¬ oogde resultaat konden worden beklonken. CONTINUÏTEIT EN VERANDERING De bilaterale betrekkingen van Suriname werden vóór de onafhankelijk¬ heid onderhouden door de regering van het Koninkrijk der Nederlanden. De Caraïbische rijksdelen hadden hierin een aandeel, maar de stem van Den Haag in de Koninkrijksregering was dominant. Sinds de soevereini¬ teitsoverdracht kwam het buitenlands beleid van Suriname volledig voor rekening van de eigen regering en behartigde de republiek haar buiten¬ landse betrekkingen zelfstandig.1 Met dit doel werden er ambassades gevestigd in een aantal landen en werd in Paramaribo toegewerkt naar de oprichting van een ministerie van Buitenlandse Zaken. De bescheiden middelen waarover de republiek be¬ schikte en het geringe aantal getrainde diplomaten waar de regering op kon terugvallen2 noodzaakten Arron om bescheiden te beginnen. Gedu¬ rende twee kabinetten zou hij de functie van minister van Buitenlandse Zaken met het minister-presidentschap combineren. Pas in februari 1978 zou het departement van Algemene en Buitenlandse Zaken gesplitst wor¬ den in twee ministeries met elk een eigen directeur.3 De staf van het departement van Buitenlandse Zaken was klein. Deze bestond uit politiek ongebonden ambtenaren die door Arron op relevante kennis en vaardigheden waren geselecteerd en van wie verwacht mocht worden dat zij in de beste pionierstraditie een professionele dienst van de grond zouden kunnen tillen. Juist in het zoveel mogelijk buiten de deur houden van politieke loyalisten op dit departement onderscheidden de twee NPK-regeringen zich van regeringen die na 1980 zouden aantreden.4 Suriname had nog niet beslist of het een Latijns-Amerikaanse of Caraïbische oriëntatie wilde laten prevaleren in zijn buitenlands beleid. Hoewel het land een liaison-status had gehad bij de Caribbean Free Trade Association

(carifta)

en een waarnemersstatus bezat bij de arbeids- en

gezondheidsconferenties van de Caribbean Community (caricom) leek de Surinaamse regering vooralsnog te neigen naar een verdere toenade¬ ring tot Latijns-Amerika. Dit had onder andere te maken met al bestaande banden met Venezuela die uitzicht leken te bieden op een petroleumovereenkomst met Caracas en op een Venezolaanse deelname in de Surinaam¬ se bauxiet- en aluminiumindustrie. Ook de verwachtingen die Suriname had ten aanzien van economische samenwerking met Brazilië speelden hierbij een rol. Tegen deze achtergrond werd het lidmaatschap van com

288

cari¬

vooralsnog als minder urgent beschouwd, al hechtte Suriname aan

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

goede relaties met landen als Trinidad (olie) en Jamaica (iba) en was toe¬ treding tot

caricom

op termijn zeker een optie. De verminderde priori¬

teit die aan samenwerking met landen in het Caraïbisch gebied werd toe¬ gekend, had ook te maken met een gebrek aan animo in Den Haag om Suriname te assisteren bij het leggen van contacten in deze regio. De gelijkvormige markten en verwante productiestructuren in de Caraïbische landen zorgden ervoor dat Suriname naar het oordeel van Den Haag eco¬ nomisch weinig te verwachten had van aansluiting bij

c aricom .s

In februari 1976 waren er Surinaamse ambassades gevestigd in Den Haag en Washington. In het voorjaar kwamen er Surinaamse ambassades in Caracas en Brasilia bij, alsmede permanente missies bij de eeg in Brussel en bij de vn in New York en een consulaat-generaal in New York. De Surinaamse regering zou eind jaren zeventig tevens een ambassade in Georgetown openen. Omgekeerd vestigden in de jaren volgend op de on¬ afhankelijkheid Nederland, de vs, Venezuela, Brazilië, Frankrijk, Guyana, China, India, Zuid-Korea en Indonesië diplomatieke vertegenwoordigin¬ gen in Paramaribo. Een aantal landen - waaronder Japan en Jamaica knoopten diplomatieke banden met Suriname aan via niet-residerende ambassadeurs die de belangen van hun land behartigden vanuit andere posten in de regio. Sommige van deze staten zouden later alsnog eigen diplomatieke vertegenwoordigingen in de Surinaamse hoofdstad vesti¬ gen.6 De betrekkingen met Nederland waren in de beginperiode van de on¬ afhankelijkheid het belangrijkst en zeker vanuit het oogpunt van ontwik¬ kelingssamenwerking het meest intensief. Tegelijk waren deze relaties, omdat er zo veel middelen mee gemoeid waren en omdat het verleden onontkoombaar in de nieuwe verhoudingen bleef mee resoneren, een bron van spanning en onbehagen. In de regio wenste Paramaribo het ac¬ cent te leggen op het continueren van de goede betrekkingen met de vs en het opbouwen van hechtere relaties met Brazilië, Venezuela, FransGuyana en Guyana. Waar het ging om Brazilië en Venezuela investeerde Arron in een politiek van vriendschap en samenwerking, die in beide ge¬ vallen leidde tot het sluiten van verschillende akkoorden, het meest voortvarend met Brasilia. Met Frans-Guyana werd de oplossing van het conflict over de oost¬ grens gezocht in de context van een grootschalig ontwikkelingsprogram¬ ma dat beoogde Suriname van een derde groeipool te voorzien. Het voor¬ stel bleek niet van stoutmoedigheid ontbloot en stuitte op bezwaren van de oppositie. Het voornemen van Arron om de gespannen verhouding met Guyana van haar scherpe kanten te ontdoen, had meer succes. Arron

289

en Burnham wisten het zich voortslepende grensgeschil niet op te lossen, maar wel te bevriezen en openingen te creëren voor vormen van samen¬ werking. Bij al deze initiatieven gold dat buitenlands beleid en binnen¬ landse politiek soms moeilijk van elkaar te scheiden waren. Waar Arron met zijn buitenlandoptreden publicitaire winst voor de binnenlandse bühne probeerde te behalen, was de oppositie er snel bij om kritiek te spuien en tegengas te geven.7 De banden met Azië speelden in de Surinaamse buitenlandse poli¬ tiek een rol, maar alleen die met Zuid-Korea en Japan en in mindere mate die met China waren van economische betekenis. De betrekkingen met China, India en Indonesië dienden in belangrijke mate een cultureel be¬ lang, want de landen golden als herkomstgebied van drie bevolkingsgroe¬ pen die inmiddels een eeuw in Suriname woonachtig waren. Arron had persoonlijk de meeste affiniteit met China, niet alleen vanwege zijn fami¬ liegeschiedenis en belangstelling voor de Chinese geschiedenis en cultuur, maar ook vanuit partijpolitiek oogpunt. Veel Surinamers van Chinese af¬ komst stemden

nps

en het was om die reden van belang dat de relaties

met Beijing goed bleven. Overigens verhinderden de grote politieke en economische verschillen die er bestonden tussen Suriname enerzijds en China, India en Indonesië anderzijds dat de relaties zich in de jaren ze¬ ventig noemenswaardig verdiepten.8 NEDERLAND Hoewel de verkregen staatkundige onafhankelijkheid een andere belofte in zich leek te dragen, kenmerkten de relaties met Nederland zich na 1975 vooral door continuïteit. De statutaire banden waren doorgesneden, maar de regeringen en bevolkingen van beide landen bleven op elkaar be¬ trokken. Deze verbondenheid manifesteerde zich in de vorm van een Nederlandse ambassade in Paramaribo (uitgerust met een grote consu¬ laire afdeling en een militaire missie), een Surinaamse ambassade in Den Haag (die de relaties onderhield met de naar verhouding grote Surinaam¬ se gemeenschap in Nederland) en een vrij personenverkeer tussen beide landen (tot eind 1980, toen de twee regeringen kort na elkaar een visum¬ regeling introduceerden). Dat de onderlinge relaties goed waren, werd gedemonstreerd door de staatsbezoeken die over en weer werden afgelegd. Van 29 mei tot 8 juni 1976 bracht premier Arron een bezoek aan Nederland om overleg te voe¬ ren over de ontwikkelingssamenwerking, maar ook om tijdens een onder¬ houd op paleis Soestdijk koningin Juliana uit te nodigen voor een staats¬ bezoek aan Suriname. De vorstin had de viering van de onafhankelijkheid

290

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

niet bij kunnen wonen, maar had te kennen gegeven het eerste buiten¬ landse staatshoofd te willen zijn dat de republiek met een bezoek vereerde. Juliana aanvaardde dan ook in dank de uitnodiging van de Surinaamse re¬ gering. Het diplomatieke gebruik wilde echter dat de jongere staat eerst een bezoek bracht aan de oudere staat. Om die reden werd afgesproken dat president Ferrier een staatsbezoek aan Nederland zou brengen alvo¬ rens Juliana zich naar Suriname zou begeven.9 Door de op handen zijnde verkiezingen in Suriname kreeg het be¬ zoek van Ferrier in 1977 een zekere urgentie. Het lag in de lijn der ver¬ wachting dat het zittende staatshoofd het bezoek aan het voormalige moederland zou brengen. Voor Ferrier gold dat hij aanzien genoot als be¬ stuurder, altijd goede relaties met Nederland had onderhouden en een persoonlijke genegenheid koesterde voor het Nederlandse koningshuis. Maar de mogelijkheid bestond dat hij na de verkiezingen als president zou aftreden. Beide regeringen achtten het gewenst dit moment voor te blijven. Aanvankelijk was het staatsbezoek gepland voor juni 1977. De Molukse gijzelingsacties bij De Punt en Bovensmilde namen de Neder¬ landse regering echter dusdanig in beslag dat het staatsbezoek naar een later tijdstip moest worden verschoven. Ferrier, die al in Nederland ver¬ bleef, werd informeel door koningin Juliana ontvangen. Zij overhandigde hem de Akte van Erkenning van de Republiek Suriname, waarna Ferrier haar de grootordeketen behorende bij de Ere-Orde van de Gele Ster van de Republiek Suriname uitreikte.10 Het staatsbezoek van president Ferrier, zijn vrouw en twee dochters aan Nederland van 14 tot 17 september 1977 vond plaats in aanwezigheid van premier Arron en ambassadeur Van Eer. In redevoeringen tijdens het galadiner in het Koninklijk Paleis op de Dam roemden beide staatshoof¬ den de vriendschapsbanden tussen Nederland en Suriname en spraken zij de wens uit dat deze banden zich zouden bestendigen. Ferrier reikte enkele leden van het Koninklijk Huis het Grootlint in de Orde van de Gele Ster uit. Verschillende ministers, staatssecretarissen en ambassa¬ deur Leopold ontvingen het Grootlint in de Orde van de Palm. De publie¬ ke belangstelling voor het staatsbezoek was gering.11 Het tegenbezoek van koningin Juliana en prins Bernhard aan Suriname van 9 tot 15 februari 1978 stond eveneens in het teken van de historische vriendschap en goede persoonlijke en zakelijke banden die tussen de twee landen bestonden.12 Bepalend voor de Surinaams-Nederlandse relaties waren de afspraken op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking. Deze lagen vast in het verdrag van 1975 dat Arron als een van zijn belangrijkste wapenfeiten be¬ schouwde en waarvan hij hoge verwachtingen had. Als minister-presi-

291

13- Koningin Juliana, prins Bernhard en Henck Arron tijdens het staatsbezoek van de eerste aan Suriname in 1978

dent en minister van Buitenlandse Zaken was hij nauw betrokken bij het werk van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname

(cons).

De drie Surinaamse en drie Nederlandse leden van deze

commissie toetsten projectvoorstellen aan de doelstellingen van het Meer¬ jaren Ontwikkelingsprogramma te discussies. De Surinaamse

(mop).

CONS-Ieden

Dit leidde regelmatig tot verhit¬ meenden dat met een marginale

toetsing van de ingediende projectplannen kon worden volstaan. Naar hun oordeel behoorden de verdragsmiddelen toe aan de Surinaamse staat en mocht de Surinaamse regering daarover naar eigen goeddunken be¬ schikken. Het doneren van de middelen door Den Haag diende volgens hen te worden beschouwd als een vorm van genoegdoening voor drie eeuwen Nederlandse exploitatie van de voormalige kolonie. Nederland weigerde echter verdragsmiddelen ongeconditioneerd aan Paramaribo over te maken. De opbouw van Suriname diende volgens de voormalige kolonisator te voldoen aan criteria die de Nederlandse re¬ gering overal in de wereld aanlegde bij het financieren van samenwer¬ kingsprojecten en in de pas te lopen met moderne ontwikkelingseconomische inzichten. Dat betekende dat de

cons

naar het oordeel van Den

Haag de taak had door Suriname ingediende projecten grondig op hun

292

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

deugdelijkheid, effectiviteit en coherentie te beoordelen. In de ogen van de Surinaamse regering stond deze interpretatie haaks op de geest van het ontwikkelingssamenwerkingsverdrag en kwam de gekozen benade¬ ring neer op een onaanvaardbare inmenging in de interne aangelegenhe¬ den van de republiek. Op haar beurt stelde de Nederlandse regering dat deze betrokkenheid de logische consequentie was van de gedeelde ver¬ antwoordelijkheid die beide landen volgens de verdragsbepalingen op zich hadden genomen.13 De

cons

werd in Suriname beschouwd als een superministerie. Dit

had te maken met de tot de verbeelding sprekende bedragen waarvoor de commissie een bestemming vaststelde en de vele beleidsterreinen waar¬ op zij invloed uitoefende. De positie van de

cons

werd versterkt door het

zwak functionerende Surinaams Planbureau, dat verondersteld werd het ontwikkelingsbeleid vorm te geven en te coördineren, maar in termen van deskundigheid en slagvaardigheid tekortschoot en door de matig werd overvleugeld. De

cons

cons

stelsel¬

besteedde de verdragsmiddelen aan

de hand van het Programma voor de Sociaal-Economische Ontwikkeling van Suriname. Dit had de functie van de

cons

mop

en bevatte doelstellingen die

hanteerde als toetsingscriteria. Deze doelstellingen waren het

vergroten van de economische weerbaarheid van Suriname (door diver¬ sificatie van de productieve sectoren), uitbreiding van de werkgelegen¬ heid, verbetering van de leefomstandigheden van de totale bevolking (via inkomensherverdeling en sociale voorzieningen) en regionale spreiding van welvaart (door het creëren van nieuwe groeipolen om de bestaande concentratie op Groot-Paramaribo te verminderen).14 Volgens de verdragstekst stond de ontwikkelingssamenwerking in het teken van het reduceren van de welvaartsverschillen tussen de partnerlanden. Dit was een lofwaardig, maar ambitieus streven, de histori¬ sche ongelijkheid tussen de twee landen en de financieel-economische kwetsbaarheid en relatief zwakke bestuurlijke infrastructuur van Surina¬ me in aanmerking genomen. In de praktijk was het verdrag vooral door het gehanteerde concept van gedeelde verantwoordelijkheid en de domi¬ nantie van Nederland een onevenwichtige constructie, die het onder¬ houden van zakelijke relaties bemoeilijkte en Suriname weinig ruimte liet om zelfstandig aan de opbouw van het land te werken. De verdeelsleutel die de

cons

in maart 1976 overeen was gekomen,

bepaalde dat 50 procent van de verdragsmiddelen diende te worden be¬ steed aan direct-productieve projecten, 25 procent aan infrastructurele pro¬ jecten en 25 procent aan sociaal-educatieve projecten. Onder de twee npkregeringen zou het leeuwendeel van de middelen naar infrastructurele

293

initiatieven gaan, in het bijzonder naar het West-Surinameproject.15 Dit was een grootschalige kapitaalintensieve onderneming, die voorzag in de aanleg van een dam in de Kabalebo-rivier, de bouw van een hydro-elektri¬ sche centrale, het ontwikkelen van een bauxietmijn in het Bakhuis¬ gebergte en de aanleg van een spoorlijn van dit wingebied naar het tach¬ tig kilometer noordelijker gelegen plaatsje Apoera. Volgens plan diende Apoera uit te groeien tot een haven- en industriestad met een aluinaarde¬ fabriek en een aluminiumsmelter. In de visie van Frank Essed, architect van het plan en vooraanstaand CONS-Iid, had het West-Surinameproject een cruciale functie: het was een geïntegreerd ontwikkelingsplan, dat niet alleen beoogde een impuls te geven aan de mijnbouw, maar ook aan de landbouw en de bosbouw. In de omgeving van Apoera zouden veeboerderijen, tuinbouwbedrijven en oliepalmplantages verrijzen, die voor noemenswaardige werkgelegenheid en productie zouden zorgen. Aan Paramaribo zou een groeipool worden toegevoegd, die een push aan de economische ontwikkeling van het land zou geven en de gewenste sprei¬ ding van welvaart zou bevorderen. Het uitstralingseffect van het WestSurinameproject werd door de Surinaamse regering hoog ingeschat.16 In 1971 was een joint venture tot stand gekomen tussen het Ameri¬ kaanse aluminiumbedrijf Reynolds en de Grasshopper Aluminium Company (Grassalco), het aluminiumbedrijf van de Surinaamse overheid. Indien aangetoond zou worden dat er in West-Suriname 50 miljoen ton exploiteerbare ertsreserves aanwezig waren, zouden de twee bedrijven met gelijke inzet van middelen de beoogde aluinaardefabriek en alumini¬ umsmelter bouwen. Reynolds trok zich in 1974 echter terug. De onder¬ neming meende dat niet was aangetoond dat de overeengekomen hoe¬ veelheid winbare bauxiet in het Bakhuisgebergte te vinden was en zette vraagtekens bij de rendabiliteit van het project. De Surinaamse regering deelde deze opvatting niet en wenste het project op eigen kracht voort te zetten. In de verwachting dat andere particuliere investeerders zich spoedig zouden melden, werd begonnen met de aanleg van een spoorlijn van het Bakhuisgebergte naar Apoera. De Surinaamse regering ging er¬ van uit dat vooral de aanwezigheid van deze transportverbinding belang¬ stellenden zou overhalen tot deelname aan de onderneming. Tussen 1976 en 1979 werd aan de bouw van de spoorlijn gewerkt. Deze kwam grotendeels gereed, maar zou nooit in bedrijf worden genomen.17 Het West-Surinameproject is door critici vaak veroordeeld als een megalomaan initiatief waarmee de NPK-regeringen vooral de eigen clien¬ tèle - aannemers, ingenieurs, handelaren - met opdrachten en vergunnin¬ gen wensten te bedienen. De regeringen zouden bovendien te gemakke-

294

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

lijk verdragsmiddelen in het kader van het West-Surinameproject hebben laten terugvloeien naar Nederland. Dit is een vereenvoudigde voorstel¬ ling van zaken. De praktijk van patronage en cliëntelisme werkte inder¬ daad onzakelijkheid in de hand en liet de deur open voor het plegen van corruptieve handelingen. Er hoefde niet aan te worden getwijfeld dat de NPK-clientèle meeprofiteerde van het West-Surinameproject, maar of dit buitenproportionele vormen aannam, is zeer de vraag. Door de verdrags¬ matig vastgelegde gebondenheid van de hulp was de inschakeling van Nederlandse bedrijven en adviesbureaus bij het uitvoeren van projecten bovendien onvermijdelijk.18 Wat zich bij de aandacht voor de negatieve aspecten van het initiatief aan het oog dreigde te onttrekken, was dat de NPK-top oprecht geloofde in de mogelijkheden van het West-Suriname¬ project. Vooral binnen de

nps

was men ervan overtuigd dat de ‘droom

van Essed’ Suriname zou leiden naar de nieuwe horizon. Arron was een van hen. Hij had een groot vertrouwen in de bauxietsector als motor van de Surinaamse economie en meende dat met een extra vliegwiel een duur¬ zaam fundament kon worden gelegd voor de toekomst van de republiek. Dat het plan berustte op ruwe en optimistische schattingen (er was lange tijd weinig met zekerheid bekend over de kwantiteit en winbaarheid van de bauxietvoorkomens in het Bakhuisgebergte) werd reflexmatig aan het visioen van vooruitgang ondergeschikt gemaakt. Zeker vanaf 1978 reageerde de Surinaamse regering betrekkelijk laconiek op de scepsis van de Nederlandse regering, de Wereldbank, de

idb

en Billiton, die

vraagtekens hadden gezet bij de haalbaarheid van rendabele bauxietexploitatie in West-Suriname. Een tegenvaller voor de Surinaamse regering was dat in de late jaren zeventig de vraag naar aluminium op de wereld¬ markt daalde, de bauxiet-levy de concurrentiepositie van Suriname als bauxietproducent verzwakte en potentiële investeerders bij voorkeur uitweken naar landen waar bauxiet gemakkelijker en goedkoper te win¬ nen was, zoals Brazilië, Guinee en Australië. Het West-Surinameproject zou een twistpunt blijven in de betrekkingen tussen Suriname en Neder¬ land en in de aanloopfase blijven steken. Na de staatsgreep van 1980 zou het project in de koelkast belanden.19 Behalve over de mate van toetsing en de toetsingscriteria vonden in de eerste jaren van de

cons

ook uitvoerige discussies plaats over de toe¬

passing van regels en het doorlopen van procedures. Hierbij ging het in hoofdzaak om de projectplanning, de projectrapportage en de admini¬ stratieve en financieel-technische verantwoording van projecten. Geen van de landen blonk uit in het voeren van een consequent beleid. Neder¬ land zwalkte tussen rechtlijnigheid en toegeeflijkheid. Koele zakelijkheid

295

en paternalistische betrokkenheid streden bij de Nederlandse CONS-Ieden om de voorrang. Het was minister Pronk die de Surinamers door¬ gaans het voordeel van de twijfel gunde en niet zelden tegen de zin van zijn adviseurs besloot de gevraagde hulpgelden te alloceren.20 De Surinaamse regering slaagde er niet in de kwaliteit van het overheidsap¬ paraat te verbeteren en de uitvoeringscapaciteit te vergroten. Het voor¬ nemen om de economie te herstructureren, werd veelvuldig geuit, maar onvoldoende in daden omgezet. Arron meende dat de cons op zichzelf goed werk verrichtte, maar zich te veel met pietluttigheden bezighield en door haar vooruitgeschoven rol regelmatig politiek overleg tussen de twee landen doorkruiste.21 In de tweede helft van 1977 kwamen de Nederlands-Surinaamse rela¬ ties in toenemende mate in een negatieve spiraal terecht. De stagnatie in het formuleren van nieuwe projecten en in het met succes realiseren van goedgekeurde projecten beantwoordde Nederland in toenemende mate met kritiek op het sociaal-economisch beleid van het kabinet-Arron en gedetailleerde bemoeienis met de projectplanning en -uitvoering. In ja¬ nuari 1978 barstte de bom. De negende coNS-vergadering, die van 23 tot 25 januari in Paramaribo plaatsvond, eindigde in een breuk. Aanleiding was de algemene ziektekostenverzekering, een paradepaardje van Arron. Nederland stelde zich op het standpunt dat het prestigeproject onvol¬ doende was uitgewerkt om voor financiering in aanmerking te komen.22 De Surinaamse CONS-Ieden Karamat Ali en Essed speelden de kwestie hoog op en verklaarden dat Suriname zich niet het vernederen door bet¬ weterige en bevoogdende Nederlanders, die ónmogelijke voorwaarden stelden en weigerden toe te staan dat hun verdragspartners een zelfstan¬ dige koers volgden, met alle onvolkomenheden en fouten die daarbij hoorden. De Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking Jan de Koning, die Pronk als bewindsman was opgevolgd, reisde naar Suri¬ name en slaagde erin de breuk te lijmen.23 Anders dan Pronk, die bij voorkeur het contact met minister-president Arron had gezocht, wenste De Koning zoveel mogelijk rechtstreeks zaken te doen met minister van opbouw Cambridge. Op initiatief van De Koning werd er halfjaarlijks ministerieel overleg geïntroduceerd met de bedoeling de cons zakelijker en inhoudelijker te laten opereren, zoveel mogelijk los van de dagelijkse politiek. Arron kon zich vinden in een poli¬ tiek minder geprononceerde rol voor de cons. Via de raad voor ontwikke¬ lingssamenwerking - een van de onderraden van de Surinaamse minis¬ terraad24 waarin ook Cambridge en Ahmed Karamat Ali zitting hadden verzekerde hij zich ervan nauw bij de ontwikkelingssamenwerking be-

296

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

trokken te blijven. Binnen de

cons

verschoof de aandacht in toenemende

mate naar financiële kwesties en werden op instigatie van de Nederlandse leden meer dan voorheen projectvoorstellen afgewezen. Hierdoor stag¬ neerden vanaf 1978 de geldovermakingen naar Suriname. Een noemens¬ waardig effect op het economisch beleid van de Surinaamse regering had dit echter niet.25 Niet alleen de uitvoering van het West-Surinameproject, maar ook dat van een aantal andere grootschalige projecten verliep niet naar ver¬ wachting. Het ging om het Landbouw Ontwikkelingsproject Commewijne (vooral gericht op het bevorderen van de rijstbouw), het Multi Purpose Corantijn Project (eveneens gericht op het vergroten van de rijstproductie) en het Oliepalmproject Patamacca (het telen van oliepalm als alternatieve werkgelegenheid voor de lokale bevolking van wie werd verwacht dat deze door uitputting van de bauxietreserves in het ge¬ bied rond Moengo haar baan in de mijnbouwsector zou verhezen). De voorbereiding van de drie projecten bleek ontoereikend en de verwachte reële betrokkenheid van de beoogde werknemers bij deze initiatieven bleef uit. De doelstellingen van het mop ten spijt zouden de NPK-regeringen er niet in slagen de diversificatie van de productieve sectoren en de regionale spreiding van welvaart de gewenste impulsen te geven.26 Doordat de groei van het nationaal inkomen grotendeels consump¬ tief werd besteed, heerste er in Suriname een schijnwelvaart.27 De verdragsmiddelen kwamen in plaats van en niet in aanvulling op de eigen besparingen en het aan te trekken particulier kapitaal. Van de staat ging geen aansprekende dynamiek uit en de overheid deed overwegend dienst als werkarm van de coalitie en vangnet voor politieke loyalisten. Als ge¬ volg hiervan verloren mensen in toenemende mate het vertrouwen in hun bestuurders. Waren er in 1974-1975 niet minder dan 50.000 Surinamers naar Nederland vertrokken, in de jaren 1979-1980 migreerden nog eens een kleine 30.000 Surinamers naar het voormalige moederland. Arron betreurde het teruglopende vertrouwen in zijn regering en de negatieve effecten van de braindrain op de opbouw van Suriname. De keerzijde van de medaille was dat de export van maatschappelijke onvrede de stabili¬ teit van zijn regime ten goede kwam.28 De omvang van de verdragsmiddelen, de gedeelde verantwoordelijk¬ heid voor de besteding van deze middelen en de toezichthoudende rol die Nederland als oud-kolonisator informeel door westerse mogendhe¬ den was toebedeeld, bezorgden het voormalige moederland een grote in¬ vloed. Meer dan eens laakte Arron de opstelling van Nederland.29 Deze leek bedoeld om Surinaamse politici te intimideren en tot meegaandheid

297

en inschikkelijkheid te bewegen. Waarom was het Suriname niet vergund met vallen en opstaan zijn eigen weg te vinden en achtte Den Haag het nodig om te pas en te onpas Paramaribo voor de voeten te lopen en de les te lezen? Waarom klonk in Haagse kritieken en Nederlandse persbijdra¬ gen zo vaak een zelfvoldane ondertoon door van ‘we wisten het wel, ze kunnen het niet, we gaven hun onafhankelijkheid, maar ze laten alles uit hun handen vallen en mislukken’? Het proces van ontwikkeling nam tijd en vergde geduld. Het idee dat Suriname dankzij de miljardenhulp in een handomdraai tot voorspoed en bloei kon worden gebracht, was irreëel. De Surinaamse irritatie over de houding van Nederland vertaalde zich richting Den Haag in wrevel, onverzettelijkheid en een soevereine opstelling. De nadruk op infrastructurele projecten - een terugkerend kritiekpunt van Nederland - pareerde Arron door erop te wijzen dat Nederland de republiek had achtergelaten met een gebrekkige infra¬ structuur. Adequate onroerende voorzieningen, in de vorm van wegen, bruggen, tunnels en viaducten, waren nu eenmaal een voorwaarde voor het serieus op gang brengen van ontwikkeling. Ook diende volgens Arron niet te gemakkelijk kleinschaligheid te worden omhelsd als panacee voor de economische problemen van Suriname. Weinig mensen waren er naar zijn zeggen van doordrongen dat veel kleine landbouwbedrijven welbe¬ schouwd pauperbedrijven waren, die wel enige werkgelegenheid creëer¬ den, maar bovenal inefficiënt produceerden, armoede in stand hielden en de kiemen van sociale onrust in zich droegen. Om sociaal-economische en etnische tegenstellingen af te zwakken en integratie te bevorde¬ ren, schreef het

mop

volgens Arron met recht een ‘rationele combinatie

van grote, middelgrote en kleine ondernemingen’ voor.30 Naast het ontwikkelingssamenwerkingsdossier was het migratievraagstuk de voornaamste bron van spanning tussen Suriname en Nederland. Den Haag maakte zich zorgen over de toestroom van Surinamers rich¬ ting Nederland en de geringe bereidheid tot remigratie van Surinamers die in Nederland woonachtig waren. Het indammen van deze migratie was voor Nederland een van de belangrijkste motieven geweest om de overdracht van de soevereiniteit aan Suriname te steunen. In december 1976 hadden de twee landen een protocol ondertekend waarin zij afspra¬ ken een gezamenlijk remigratiebeleid te ontwikkelen. Nederland ver¬ weet Suriname onvoldoende werk te maken van de gemaakte afspraken, een verwijt dat Suriname van de hand wees met verwijzing naar onder¬ zoek dat in Suriname werd uitgevoerd en de inspanningen van een amb¬ telijke commissie voor remigratiezaken waarvan Nederlanders en Suri¬ namers deel uitmaakten. In 1978 stelde de Surinaamse ministerraad een

298

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

onderraad voor remigratiezaken in en het jaar erna installeerde de Nederlandse minister van Sociale Zaken Albeda een eigen overleg- en coördinatieorgaan ten behoeve van de remigratie van Surinamers naar hun geboorteland.31 Er kwam echter geen noemenswaardig beleid van de grond. De groei¬ ende omvang van de Surinaamse gemeenschap in Nederland was in de ogen van Arron een ontwikkeling waaraan bijna niet te ontkomen viel. Alle voormalige koloniën hadden te maken met zich uitbreidende migranten¬ gemeenschappen in hun voormalige moederland en waren onvoldoende toegerust om deze trend te keren. Een meerderheid van de Surinamers in Nederland weigerde hun Nederlandse nationaliteit op te geven, wat be¬ tekende dat zij bij terugkeer in Suriname als vreemdeling werden geregi¬ streerd. Voor hun herintegratie was dit weinig bevorderlijk en voor het proces van natievorming achtte Arron dit zelfs ongewenst. Wat volgens hem het maken van beleid verder bemoeilijkte, was het gebrek aan be¬ trouwbare gegevens over de mate van inpasbaarheid van remigranten in de Surinaamse samenleving. Er bestond in Suriname geen helder beeld van de benodigde arbeidskrachten en de beschikbare opvangmogelijkhe¬ den. Wel stond vast dat de werkgelegenheid zich in een aantal sectoren in een neerwaartse spiraal bewoog. Ten slotte was de registratie in Suriname en Nederland van het aantal vertrekkers en blijvers verre van adequaat. Ook dat maakte het nemen van passende maatregelen problematisch.32 Los van deze praktische aangelegenheden liepen de belangen van de twee landen uiteen. Suriname wilde meewerken aan het bevorderen van selectieve remigratie. Het ging de Surinaamse regering specifiek om het rekruteren van kader. Tegelijk weigerde Paramaribo remigranten een voor¬ keursbehandeling te geven. De regering achtte dit niet fair ten opzichte van degenen die in Suriname waren gebleven. Volgens Paramaribo kon Nederland remigratie bevorderen door de om- en bijscholing van Suri¬ naamse migranten te financieren en zorg te dragen voor een belangrijk deel van hun repatriëringskosten, mits de benodigde investeringen niet ten laste zouden worden gebracht van de verdragsmiddelen. Nederland daarentegen was voorstander van de terugkeer van zowel goed opgeleide als gebrekkig geschoolde en ongeschoolde Surinamers. Alleen op die ma¬ nier zou de Nederlandse arbeidsmarkt worden ontlast en zouden proble¬ men rond de opvang en integratie van Surinamers werkelijk kunnen wor¬ den aangepakt. Daarbij toonde Den Haag zich niet ongenegen om remigranten tegemoet te komen in de financiering van de kosten van hun terugkeer. Het zou niet mogelijk blijken de zienswijzen van de twee lan¬ den met elkaar te verzoenen. Beide regeringen vonden elkaar alleen in de

299

overtuiging dat grootschalige remigratie een utopie was. De opnamecapa¬ citeit van de Surinaamse arbeidsmarkt liet dit niet toe. Bovendien was de verwachting dat de meerderheid van de Surinaamse migranten zich blij¬ vend in Nederland zou willen vestigen vanwege de hogere levensstan¬ daard en het sociale vangnet dat de verzorgingsstaat hun bood.33 Voor Arron was dit geen reden om niet te proberen Surinamers naar hun geboorteland te laten terugkeren. Hij bleef erop wijzen dat Suri¬ namers niet in Nederland thuishoorden. Mede door de beschikbare ont¬ wikkelingsgelden was er naar zijn zeggen in Suriname voor iedereen een boterham te verdienen. Maar remigranten dienden zich erop in te stellen dat zij in ieder geval financieel een stapje terug zouden moeten doen, aangezien Suriname de salarissen en sociale voorzieningen die Neder¬ land kon bieden, zijn onderdanen nooit kon leveren.34 Om teleurstellin¬ gen te voorkomen, wees Arron op de noodzaak van een goede voorberei¬ ding. Degenen die in Suriname de Nederlandse situatie wensten aan te treffen en niet bereid waren zich naar de lokale omstandigheden te schik¬ ken, zouden onherroepelijk bedrogen uitkomen. Arron constateerde dat Surinamers in Nederland een Suriname hadden gecreëerd waarin zij zich volledig thuis voelden. Dit was echter een omgeving die fundamen¬ teel verschilde van het Suriname dat zij hadden achtergelaten.35 Arron mikte op de beter opgeleide Surinamers, die in hun land van herkomst met succes in het productieproces konden instappen. Hij voelde er niet voor grote groepen remigranten toe te laten als dit het binnenhalen bete¬ kende van criminelen (in het bijzonder handelaren in verdovende mid¬ delen), gelukzoekers en politiek radicalen.36 Als bewijs van hun krediet¬ waardigheid dienden remigranten zelf zorg te dragen voor middelen van bestaan en huisvesting. Degenen die in overheidsdienst wilden treden, kwamen hiervoor alleen in aanmerking als zij voor de Surinaamse natio¬ naliteit opteerden.37 Ook de oppositie verklaarde zich sterk te willen maken voor een ver¬ snelde terugkeer van landgenoten naar Suriname. Volgens Lachmon had Suriname behoefte aan vakmensen en waren goed opgeleide Surinamers vooral in Nederland te vinden. Dat hij wilde inzetten op het terughalen van kader voor de ontwikkeling van de (kleinschalige) landbouw en vee¬ teelt demonstreerde dat Lachmon de uitbreiding van zijn achterban als een belangrijk nevendoel beschouwde. De coalitie nam aanstoot aan de¬ ze vorm van onwaarachtigheid. Dezelfde Lachmon die in 1974-1975 uit politiek gewin Hindostanen had geadviseerd om Suriname te verlaten, probeerde nu uit politiek gewin diezelfde mensen weer naar Suriname te laten terugkeren. Lachmons verzet tegen het West-Surinameproject ken-

300

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

merkte zich volgens de coalitie door eenzelfde ongerijmdheid. Ten tijde van het kabinet-Sedney, toen hij tot de coalitie behoorde, presenteerde Lachmon zich als een warm pleitbezorger van het project, dat immers in zijn geboortedistrict, een erkend VHP-bolwerk, zou worden uitgevoerd. Nu hij deel uitmaakte van de oppositie dreigde hij zijn greep op het dis¬ trict kwijt te raken en keerde hij zich tegen het project, dat inhoudelijk onveranderd was gebleven, maar dat in handen van de coalitie voor hem iedere politieke aantrekkingskracht had verloren. Het stemmen met de voeten in de periode 1979-1980 liet vooral zien dat veel inwoners van Suriname de onzekerheid van een nieuw bestaan in Nederland verkozen boven de zekerheid van een gemankeerd verblijf in hun geboorteland. Anders dan in de jaren 1974-1975 lag aan deze mi¬ gratiestroom geen propagandavoering door politieke leiders ten grond¬ slag. De migranten waren burgers die weloverwogen argumenten tegen elkaar afwogen en op grond daarvan, in het zicht van de introductie van een visumregeling, de oversteek naar Bakrakondre (Nederland) waagden. Op een persconferentie in september 1979 erkende Arron dat veel land¬ genoten de wijk namen naar Nederland, maar ontkende hij dat de exodus te wijten was aan het politieke klimaat in Suriname. Hoofdoorzaken van het vertrek van Surinamers naar Nederland waren volgens hem het ver¬ langen om familieverhoudingen te bestendigen, het koesteren van een geflatteerd beeld van Nederland en de soepele toelatingsvoorwaarden die Nederland hanteerde.38 Na zijn vertrek uit de actieve politiek zou Arron niet zonder bitter¬ heid terugkijken op de verhouding met Nederland. Naar zijn zeggen was er sprake geweest van ‘een structureel verstoorde relatie’, die een nega¬ tieve invloed had gehad op de democratische stabiliteit, economische ontwikkeling en sociale rust in Suriname. Hoewel Arron meende dat de samenwerking in de periode 1975-1978 ‘redelijk tot goed’ was geweest, zag hij het vastlopen van de negende coNS-vergaderingop 25 januari 1978 als een keerpunt. Gedurende de resterende regeerperiode zou de ontwikke¬ lingsrelatie zich volgens hem hebben gekenmerkt door spanningen en onenigheid. De Nederlandse hebbelijkheid om af te wijken van de verdrags¬ bepalingen was hier naar zijn zeggen de oorzaak van.39 Arron bleef het standpunt huldigen dat de ontwikkelingshulp geen cadeau was, maar een dermate dringende verplichting van moraal, dat deze het karakter had gekregen van een rechtsverplichting.40 Aan deze verplichting was Neder¬ land gehouden, ook na uitputting van de in 1975 toegezegde verdragsmiddelen.

301

VERENIGDE STATEN

Evenals vóór 1975 lag ook na de soevereiniteitsoverdracht het econo¬ misch zwaartepunt voor Suriname in de vs. De aanwezigheid in Surina¬ me van de Suriname Aluminum Company (Suralco), een dochteronder¬ neming van de in Pittsburgh gevestigde Aluminum Company of America (Alcoa), verzekerde opeenvolgende Surinaamse regeringen van belang¬ rijke inkomsten. Behalve een grote werkgever was Suralco, actief in Paranam en Moengo, een toonaangevend bedrijf waar het ging om het delven van bauxiet, het verwerken van bauxiet tot aluinaarde, en het uit aluin¬ aarde produceren van aluminium. Een kleinere speler in de Surinaamse bauxietindustrie was het van oorsprong Nederlandse maar sinds 1970 Nederlands/Britse bedrijf Billiton, dat vooral mijnbouwactiviteiten ont¬ plooide in Onverdacht. In de tweede helft van de jaren zeventig bepaal¬ den bauxiet, aluinaarde en aluminium voor 75 procent het Surinaamse exportpakket.41 Vooral de activiteiten van Suralco maakten de vs tot de voornaamste handelspartner van Suriname. In politiek opzicht was de dominantie van de vs op het Westelijk Halfrond eveneens onmiskenbaar. De Surinaamse regering was zich er¬ van bewust dat opname in de Amerikaanse invloedssfeer behalve voorde¬ len als politieke en strategische steun en militaire bescherming als van¬ zelfsprekend ook beperkingen met zich meebracht, bijvoorbeeld waar het ging om het aanknopen van betrekkingen met landen die tot het com¬ munistische machtsblok werden gerekend. Het antikolonialisme werd in Washington als een hoogstaand principe beleden, maar stond in belang¬ rijke mate in dienst van de strijd tegen het communisme dat in de tweede helft van de jaren zeventig in het Caraïbisch gebied aan een opmars bezig leek. Bij de ‘socialistische’ regimes in Cuba, Guyana en Jamaica voegden zich in 1979 verwante regeringen in Grenada en Nicaragua, respectieve¬ lijk onder leiding van Maurice Bishop en Daniël Ortega. De pragmatische koers die Arron op het gebied van de buitenlandse betrekkingen voorstond en zijn gerichtheid op vriendschap en samen¬ werking met landen in de regio, brachten met zich mee dat hij met over¬ tuiging investeerde in goede relaties met de Amerikanen. Hij was ervan doordrongen dat Suriname als kleine speler op het Westelijk Halfrond moeilijk buiten de steun en bescherming van de vs kon. Arron onderhield een persoonlijke band met Nancy Ostrander, tussen 1978 en 1980 de Ame¬ rikaanse ambassadeur in Suriname. Ostrander zette het economische en strategische beleid van de Amerikaanse regering ongewijzigd voort, maar wist door haar persoonlijke inzet en betrokkenheid de betrekkingen soms net iets vloeiender te laten verlopen dan onder haar voorgangers.42

302

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

BRAZILIË

Sinds de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog en het vertrek van de Amerikaanse beschermingstroepen uit Suriname waren er Surinaamse politici die er rekening mee hielden dat Brazilië ooit machtsaanspraken op de drie Guyana s zou willen laten gelden en deze landen bij zijn grond¬ gebied zou willen inlijven. De vrees voor dergelijke territoriale ambities had te maken met de expansionistische politiek die Brazilië in de tweede helft van de negentiende eeuw had gevoerd en die tot een aanmerkelijke gebiedsuitbreiding had geleid. Maar sinds de jaren dertig was van deze annexatiedrift weinig meer te merken. Het land koesterde de reputatie van een enigszins in zichzelf gekeerde reus, die hechtte aan principes van non-interventie en zelfbeschikking, en die correcte relaties met zijn buurlanden nastreefde. In de twee decennia (1964-1985) dat militairen in het land de dienst uitmaakten, trad in deze houding geen fundamente¬ le wijziging op, met dit verschil dat bij de nadruk die de Braziliaanse ge¬ neraals op het handhaven van de staatsveiligheid legden wel degelijk een geopolitieke dimensie hoorde. Deze uitte zich vooral in een behoefte sta¬ biliteit in de regio te creëren en af te rekenen met (vermeende dan wel reële) communistische dreigingen. Tussen Brazilië en de Guyana’s be¬ stond - met Guyana meer nog dan met Suriname - een levendige smok¬ kelhandel, die in de jaren zestig en zeventig vooral profijtelijk was voor de bevolking van de meest noordelijk gelegen landen.43 Kritische waarnemers merkten rond 1975 op dat Nederland Suri¬ name te vondeling legde op de stoep van Brazilië.44 Uit die vaststelling sprak scepsis over de goede bedoelingen van het buurland. Er bestond geen twijfel over dat de Braziliaanse regering er alert op was dat de ont¬ wikkelingen in Suriname in de pas liepen met de veiligheidsagenda van de militaire machthebbers. Tegelijk wenste Brasilia, niet anders dan Caracas, goede relaties met Suriname te onderhouden. Beide regionale grootmachten leken enigszins tegen elkaar op te bieden om bij Suriname in de gunst te komen. Venezuela vreesde de veronderstelde Braziliaanse expansiedrift, Brazilië wantrouwde de ambities en toenemende invloed van Venezuela in het Caraïbisch gebied. Wrijvingen tussen de rivalise¬ rende mogendheden manifesteerden zich onder andere tijdens vergade¬ ringen van de

oas.

In dit krachtenveld was de Surinaamse regering zich

bewust van haar juniorpositie. Arron had op 15 maart 1974 namens het Koninkrijk der Nederlanden de inauguratie bijgewoond van generaal Ernesto Geisel tot president van Brazilië.45 Het was zijn eerste bezoek aan het land, maar niet het eerste contact tussen de twee landen op regeringsniveau. In de periode-Sedney

303

had de Braziliaanse minister van Buitenlandse Zaken Mario Gibson Barbosa Suriname bezocht en in april 1975 zou er een visserijovereenkomst tussen de buurlanden tot stand komen, gesloten door het Koninkrijk en Brazilië ter regulering van de garnalenvangst. Kort voor de onafhankelijk¬ heid brachten Surinaamse ambtelijke delegaties bezoeken aan Brazilië waar zij besprekingen voerden over samenwerking, onder andere op het gebied van handel, waterkracht en het ontsluiten van het zuidelijk deel van Suriname.46 Deze besprekingen bleken belangrijk bij het voorberei¬ den van het bezoek dat Arron van 21-23 juni 1976 aan Brazilië bracht, zijn eerste bezoek aan het land als minister-president van het onafhankelijke Suriname.47 Op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Brasilia werd Arron on¬ derscheiden met het Grootkruis in de Nationale Orde van het Zuider¬ kruis (Orden Nacional do Cruzeiro do Sul), een blijk van waardering dat hem met trots vervulde. De onderscheiding werd hem namens de presi¬ dent uitgereikt, omdat hij volgens zijn gastheer de onafhankelijkheid van zijn land op een pragmatische en evenwichtige wijze had gerealiseerd en omdat hij aanwijsbare activiteiten had ontplooid ter bevordering van de vriendschap tussen de twee staten. De besprekingen die vertegenwoordi¬ gers van beide landen met elkaar voerden, handelden over grenskwesties die in de regio speelden48 en over het Cubaanse communisme. De gene¬ raals richtten hun doctrine van nationale veiligheid onder andere op het voorkomen van een gewapend treffen tussen Guyana en Venezuela.49 Arron - in wiens gematigde regering Brasilia aanmerkelijk meer vertrou¬ wen had dan in het regime van Forbes Burnham in Guyana - voerde een persoonlijk onderhoud met president Geisel. Hun gesprek ging onder meer over de voorzichtige stappen richting democratisering die onder Geisel waren gezet. Het bezoek van Arron aan Brazilië culmineerde in het sluiten van drie verdragen: een verdrag van vriendschap, samenwerking en handel, een cultureel verdrag en een verdrag inzake technische samenwerking. Voorts werden er stappen gezet in de richting van militaire samenwerking (het aanbieden door Brazilië van opleidingen en het financieren van uitwisse¬ lingen), het introduceren van een visumvrije periode van drie maanden voor Surinamers die Brazilië wensten te bezoeken, het voorbereiden van een uitleveringsverdrag en het verlenen door Brazilië van kredietfacilitei¬ ten bij de aankoop van Braziliaanse producten. Een gemengde commis¬ sie werd ingesteld om de mogelijkheden te onderzoeken van uitbreiding van de samenwerking, in het bijzonder op het gebied van de handel.50 Langzaam kreeg de samenwerking tussen de twee landen gestalte.

304

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

Begin 1977 reisde een Surinaamse parlementaire delegatie naar Brazilië voor een oriënterend bezoek en aansluitend installeerde Arron in maart de leden van de Surinaamse sectie van de gemengde commissie.51 Op de Braziliaanse Onafhankelijkheidsdag - 7 september - bekrachtigden in Paramaribo Arron en de Braziliaanse ambassadeur het eerder gesloten verdrag van vriendschap, samenwerking en handel en het cultureel ver¬ drag, die de parlementen van beide landen inmiddels hadden goedge¬ keurd. Voor het verdrag van technische samenwerking was geen parlemen¬ taire goedkeuring vereist. Deze overeenkomst was al enige tijd hiervoor in werking getreden.52 Bij zijn bezoek aan Brazilië in juli 1978 ondertekende Arron het ver¬ drag waarmee Suriname, samen met zeven andere landen, verklaarde toe te treden tot de Organización del Tratado de Cooperación Amazónica (otca).

Dit samenwerkingsverdrag, in Suriname beter bekend onder de

naam Amazone Pact, voorzag in het gecoördineerd tot ontwikkeling brengen van de ongerepte regenwouden van de lidlanden. De nadruk lag op het voorbereiden en uitvoeren van infrastructurele projecten en het verantwoord exploiteren van de aanwezige bodemschatten. In het geval van Suriname ging het specifiek om de landsdelen bij de grens met Bra¬ zilië. President Geisel, wiens minister van Buitenlandse Zaken de initia¬ tiefnemer was van het Amazone Pact, merkte op dat het verdrag een in¬ grijpend veranderingsproces in Latijns-Amerika inluidde. Arron beaamde dit. Volgens hem was het samenwerkingsverband een belangrijke stap in het integratieproces op het continent en was er een platform geschapen voor het bespreken van gemeenschappelijke aangelegenheden. Na de eer¬ ste werkvergadering van de ministers van Buitenlandse Zaken van de lid¬ landen werd Arron door de Braziliaanse regering onderscheiden met het Grootkruis in de Orde van Rio Branco. Daarmee wenste Brasilia gepaste waardering uit te brengen voor zijn inspanningen om de Surinaams-Braziliaanse betrekkingen te intensiveren. Vanaf dat moment was Arron drager van de twee hoogste Braziliaanse onderscheidingen.53 In september van dat jaar ondernam minister Cambridge een oriën¬ tatiereis naar Brazilië om zich van de actuele economische situatie in het land op de hoogte te stellen. Hij nam de exploitatie van bauxietvoorkomens in ogenschouw, bezocht waterkrachtwerken en liet zich informe¬ ren over nieuwe vormen van luchtkartering waarmee de Brazilianen in¬ ventariseerden welke grondstoffen er in het grensgebied met Suriname te vinden waren. Zijn gastheren maakten er geen geheim van geïnteres¬ seerd te zijn in het doortrekken van het wegennet in het noorden van het Amazonegebied naar Suriname. Vanuit de zuiderbuur bezien was dit een

305

aantrekkelijke optie vanwege Surinames ligging aan de Atlantische Oceaan. De Surinaamse regering nam met bewondering de verrichtin¬ gen van de Brazilianen waar. Zij hechtte geen geloof aan de territoriale expansiedrift die sommige critici hun toeschreven.54 De eerste werkvergadering van de gemengde commissie vond in ja¬ nuari 1979 plaats in Paramaribo. De leden van de commissie wisselden met elkaar van gedachten over mogelijkheden om de handelsstromen tussen de twee landen meer met elkaar in balans te brengen. Tot dat mo¬ ment werden de handelsbetrekkingen gedomineerd door Brazilië. Op de uitvoer van Braziliaanse consumptiegoederen en luxeartikelen (Volks¬ wagens, ijskasten) naar Suriname had Paramaribo nog geen passend ant¬ woord weten te formuleren. Ook waar het ging om het beschikbaar stel¬ len van studiebeurzen voor Surinaamse studenten bleek de leidende rol van Brazilië.55 Daarnaast spraken de commissieleden over de beschikbare scheepvaartroutes en het ontbreken van een begaanbare wegverbinding tussen beide landen en over samenwerkingsmogelijkheden op technisch en wetenschappelijk gebied.56 Tot een tegenbezoek van president Geisel aan Suriname zou het niet komen. In maart 1979 woonde Arron in Brasilia de ambtsaanvaarding bij van diens opvolger, Joao Baptista de Oliveira Figueiredo.57 Onder diens bewind zou de controle van de militairen over het landsbestuur verder worden afgebouwd en de overgang naar een burgerbewind worden gefinaliseerd. Ook Figueiredo zou Suriname niet met een bezoek vereren. Los van de bescheiden positie van de republiek in de regio leken de poli¬ tieke ontwikkelingen in Suriname - die vanaf 1980 de aan Brazilië tegen¬ gestelde richting uitgingen van militarisering en links-radicalisme - daar in belangrijke mate debet aan. VENEZUELA

Al sinds 1950 onderhield Suriname directe relaties met Venezuela. Flonorair consuls zetten zich in voor het bestendigen en uitbreiden van de vriendschappelijke betrekkingen tussen de twee landen. In 1954 had Caracas het Surinaamse volk een beeld van Simón Bolivar geschonken en vanaf 1960 liet de Venezolaanse regering zich behalve door een honorair consul ook door een beroepsconsul vertegenwoordigen. Venezuela be¬ schouwde zichzelf als een belangrijke geopolitieke speler op het LatijnsAmerikaanse continent en wenste met Suriname een goede verstand¬ houding op te bouwen. Paramaribo erkende de positie van de regionale grootmacht, onderschreef het belang van stabiele relaties met Caracas en hoopte te kunnen profiteren van samenwerking met het land.

306

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

Die samenwerking bestond vóór de onafhankelijkheid vooral uit ver¬ kenningen die werden uitgevoerd om projecten te ontwikkelen op het gebied van landbouw, bosbouw, visserij, mijnbouw, onderwijs en cultuur. Ministers uit beide landen bezochten elkaar en incidenteel vonden er uitwisselingen plaats van studenten, docenten en beleidsadviseurs. Venezuela leverde Suriname wapens ter versterking van Defpol, de de¬ fensiemacht die eind jaren zestig het grensgebied met Guyana bewaakte, en het was in 1971 in Caracas dat het Surinaamse parlement werd toege¬ laten tot het Parlamento Latinoamericano (Latijns-Amerikaans Parle¬ ment, Parlatino).58 Suriname verkeerde vanwege het Statuut niet in de positie om zelfstandig akkoorden met Venezuela te kunnen sluiten, maar kreeg in de aanloop naar de onafhankelijkheid van Den Haag de ruimte om zich op gezamenlijke initiatieven te oriënteren. De meest zichtbare manifestatie van de Venezolaans-Surinaamse samenwerking was het in 1969 in Paramaribo gevestigde Venezolaanse cultureel centrum Andrés Bello. Hier konden Surinamers cursussen Spaans volgen, lezingen bijwo¬ nen en exposities bezoeken.59 In het voetspoor van zijn voorgangers Pengel en Sedney bracht ook Arron, kort nadat hij minister-president was geworden, een bezoek aan Caracas. Hieraan voorafgaand had minister Bruma de beëdiging van pre¬ sident Carlos Andrés Pérez bijgewoond60 en had minister Ooft bij zijn be¬ zoek aan Venezuela van Pérez persoonlijk te horen gekregen dat diens regering uitkeek naar het moment dat de twee landen ambassades op eikaars grondgebied zouden openen.61 Het bezoek van Arron, dat van 28 oktober tot 3 november 1974 duurde, resulteerde in de afspraak dat een gemeenschappelijke commissie van deskundigen een programma van economische, technische, wetenschappelijke en culturele samen¬ werking zou voorbereiden.62 De belangstelling van de Surinaamse rege¬ ring ging uit naar de afname van geraffineerde aardolieproducten uit Venezuela, de bouw van een olieraffinaderij in Suriname en de ontvangst van technische bijstand bij het exploreren van olievoorkomens. Daar¬ naast ambieerde Paramaribo een gezamenlijke exploitatie van in WestSuriname aanwezige bauxietvoorkomens en het verkrijgen van technische en financiële bijstand om de vestiging van importvervangende lokale in¬ dustrieën te bevorderen.63 Arron ervoer zijn persoonlijk onderhoud met Pérez als het hoogte¬ punt van zijn reis. De uitreiking door de president van de Orden de Francisco de Miranda eerste klasse vervulde hem met trots. Deze onder¬ scheiding was samen met de Gran Cordon de la Orden del Libertador, die Pengel in 1967 had ontvangen, de hoogste die Venezuela kende. Pérez ver-

307

klaarde dat Arron de onderscheiding kreeg als blijk van waardering voor de aanzet die hij had gegeven tot de onafhankelijkheid van Suriname en als symbool voor de bijstand die Venezuela Suriname wenste te verlenen. Arron verklaarde de onderscheiding te beschouwen als een onderschei¬ ding voor het gehele Surinaamse volk. Hij lichtte toe dat hij ook namens het Surinaamse volk een krans had gelegd bij de tombe van Simón Bolivar.64 De ontmoeting tussen Arron en Pérez, die beiden golden als ge¬ matigd progressieve politici65, was het begin van een vriendschap die jaren stand zou houden en in het bijzonder in de jaren tachtig voor Arron van betekenis zou zijn.66 In januari 1975 kwamen beide landen overeen dat de samenwerking zou worden toegespitst op de levering van aluinaarde en bauxiet door Suriname ter vergroting van de Venezolaanse aluminiumproductie en de levering van aardolie(producten) tegen relatief lage prijzen door Venezu¬ ela om energiebesparingen in Suriname te realiseren. Aan de mogelijke bouw van een olieraffinaderij in Suriname zou een haalbaarheidsstudie voorafgaan. Waren de uitkomsten van deze studie positief dan zou Vene¬ zuela financiële, technische en personele bijstand leveren om de beoog¬ de bouw mogelijk te maken, zich garant stellen voor de levering van ruwe aardolie en mogelijk op joint venture-basis de raffinaderij met Suriname exploiteren.67 Twee jaar later tekenden de Surinaamse regering en het staatsbedrijf Petróleos de Venezuela een overeenkomst en verzekerde Suriname zich van Venezolaanse expertise bij de exploratie en exploita¬ tie van Surinaamse olievoorkomens.68 Op 27 januari 1978 vond in Paramaribo de ondertekening plaats van een verdrag van vriendschap en samenwerking tussen de Surinaamse en de Venezolaanse regering. Arron ontving bij deze gelegenheid de Gran Cordon de La Orden del Libertador uit handen van de Venezolaanse mi¬ nister van Buitenlandse Zaken Consalvi. De laatste werd op zijn beurt door president Ferrier onderscheiden met het Grootlint in de Ere-Orde van de Palm. Het stemde Arron tot grote voldoening dat hem nu beide hoogste Venezolaanse onderscheidingen ten deel waren gevallen. Het verdrag had tot doel de betrekkingen tussen de landen te verstevigen en de basis te leggen voor een hechtere samenwerking op cultureel, econo¬ misch, technisch, wetenschappelijk en toeristisch gebied. Een gemengde commissie diende de coördinatie van de samenwerking op zich te nemen; sectorale werkgroepen zouden per deelgebied voorstellen formuleren. Bedoelde commissie verwees terug naar afspraken die Arron in novem¬ ber 1974 in Caracas hierover had gemaakt. In de bijna vier jaar die sinds¬ dien waren verstreken had de samenwerking zich met andere woorden

308

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

vooral beperkt tot het uitwisselen van positieve intenties. Minister Consalvi liet tijdens de afsluitende persconferentie weten dat Venezuela door prijsafspraken binnen de

opec

niet in staat was om Suriname olie te le¬

veren tegen lagere prijzen. Paramaribo nam teleurgesteld kennis van deze mededeling.69 Bij zijn bezoek aan Venezuela van 27 tot 30 juni 1978 deponeerde Arron namens Suriname de ratificatieoorkonden behorende bij het ver¬ drag van vriendschap en samenwerking en ondertekende hij enkele deelverdragen die een nadere uitwerking hiervan waren: een verdrag voor technologische en wetenschappelijke samenwerking, een cultureel ver¬ drag en een overeenkomst tot opheffing van de visumplicht voor diplo¬ maten. Een basisverdrag voor economische samenwerking was in voor¬ bereiding. Tevens installeerde Arron met de Venezolaanse minister van Buitenlandse Zaken de gemeenschappelijke commissie waaraan de coör¬ dinatie van de onderscheiden werkzaamheden was opgedragen. Aanslui¬ tend vond in Caracas de eerste vergadering van deze commissie plaats. Tijdens zijn bezoek sprak Arron twee keer met president Pérez, voer¬ de hij overleg met verschillende Venezolaanse ministers en bekrachtigde hij de toetreding van Suriname tot de Sistema Económico Latinoamericano y del Caribe (het Latijns-Amerikaans en Caraïbisch Economisch Sys¬ teem).

sela,

zoals de intergouvernementele samenwerkingsorganisatie

werd afgekort, was in 1975 opgezet door de Latijns-Amerikaanse landen binnen de Groep van 77, had zijn hoofdvestiging in Caracas en streefde naar bevordering van het proces van regionale integratie en economische ontwikkeling. Paramaribo hoopte dat het lidmaatschap van

sela

een im¬

puls zou geven aan de uitbreiding van de rijstexport en de ontwikkeling van de visserij industrie.70 Plet tegenbezoek van Pérez aan Suriname vond een maand later plaats.71 Het eerste bezoek van een Latijns-Amerikaans staatshoofd aan de republiek werd beschouwd als een evenement van formaat en een cru¬ ciale stap in de integratie van Suriname in de regio. Bij aanvang van het bezoek onderscheidde Pérez zijn ambtgenoot Ferrier met de Gran Cordon de la Orden del Libertador, waarna Ferrier op zijn beurt Pérez benoemde tot drager van het Grootlint in de Ere-Orde van de Gele Ster. Tijdens de besprekingen die volgden, erkenden beide delegaties het belang van handhaving van de democratie en de rechtsstaat, namen zij stelling tegen kolonialisme, racisme en de aanhoudende bewapeningswedloop, en be¬ stempelden zij vrede, veiligheid, welvaart en welzijn voor alle volken als een dwingend desideratum. Alleen solidariteit tussen derdewereldlan¬ den zou het naar hun mening mogelijk maken de geïndustrialiseerde lan-

309

den te overtuigen van de noodzaak een nieuwe internationale economi¬ sche orde tot stand te brengen. Pérez bezocht tijdens zijn bezoek aan Suriname de locatie voor het nieuwe onderkomen van het cultureel centrum Andrés Bello72, hield een enthousiast ontvangen toespraak tijdens een buitengewone vergadering van het parlement, woonde een werkvergadering van de Surinaamse mi¬ nisterraad bij en bracht een persoonlijk bezoek aan het houtwinningsbedrijf Bruynzeel. Voorts ondertekenden zijn minister van Buitenlandse Zaken en Arron het verdrag voor economische samenwerking. Hierin stond de bevordering van economische ontwikkeling, handel, transport en communicatie centraal. Visserij, bosbouw en de opwekking van ener¬ gie via waterkracht verdienden volgens het verdrag bijzondere aandacht. In een eveneens ondertekende supplementaire overeenkomst lag de na¬ druk op de verdere ontwikkeling van de bauxietindustrie. Suriname zou Venezuela vanaf medio 1981 bauxiet leveren en kennis op het gebied van bauxietwinning ter beschikking stellen om de eigen bauxiet- en aluinaardeproductie op gang te helpen. Een gemengde werkgroep zou in het kader van het akkoord de mogelijke integratie van de aluminiumindustrieën van beide landen bestuderen.73 Het bezoek van Pérez had in een hartelijke en ontspannen sfeer plaatsgevonden. De regeringen van de twee landen waren elkaar dichter genaderd en hadden eendrachtig samenwerkingsmogelijkheden verkend en benoemd. Dit nam niet weg dat Arron weigerde zich van de wijs te laten brengen door de mooie woorden van zijn gast. Hij was ervan doordron¬ gen dat het optreden van Pérez behalve door een verlangen naar samen¬ werking ook werd ingegeven door binnenlands-politieke en persoonlijke motieven.74 Hij realiseerde zich tevens dat de ondertekende documenten pas betekenis zouden krijgen als beide partijen de geboden kansen daad¬ werkelijk zouden grijpen. Toch wenste hij vooralsnog de positieve op¬ brengsten van het bezoek op de voorgrond te stellen.75 In maart 1979 woonde Arron in Caracas de inauguratie van president Luis Herrera Campins bij, de opvolger van Pérez.76 Aansluitend bracht hij van 19 tot en met 22 november een uitgebreider bezoek aan Venezuela. Campins en Arron bevestigden bij die gelegenheid dat de landen hun sa¬ menwerking zouden intensiveren op basis van de eerder gesloten over¬ eenkomsten. De levering door Bruynzeel van geprefabriceerde woningen aan Venezuela zou worden voortgezet. Het bedrijf had sinds 1978 vijf¬ honderd van deze woningen geleverd. Voorts maakten Campins en Arron afspraken over verkenningen op het gebied van de landbouw (palmolie), het sluiten van een visserijakkoord en het uitbreiden van het Venezo-

310

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

laanse beurzenprogramma voor Surinamers. De levering van aardolie en aardolieproducten aan Suriname en de levering van bauxiet aan Vene¬ zuela zouden een aanvang nemen op het moment dat de spoorlijn in West-Suriname zou zijn voltooid en de bauxietmijn in het Bakhuisgeberg¬ te in bedrijf zou zijn genomen.77 Na de staatsgreep van 1980 raakten de betrekkingen tussen Suriname en Venezuela al snel in het slop. De ge¬ mengde commissie vergaderde door, maar werd in toenemende mate ge¬ hinderd door de politieke instabiliteit in Suriname. Caracas zou na de decembermoorden van 1982 de diplomatieke betrekkingen met Parama¬ ribo verbreken.78 F RANS-GUYANA

Vanaf het voorjaar van 1975 hadden Nederland en Frankrijk druk uitge¬ oefend op Suriname om de grenskwestie met Frans-Guyana te regelen.79 Volgens Den Haag en Parijs had er in 1971 - toen Surinamers en Fransen voor het laatst over de kwestie hadden overlegd80 - al een grote mate van overeenstemming over de oostgrens bestaan. Paramaribo was gebaat bij een goede verstandhouding met Parijs, ook na de soevereiniteitsover¬ dracht, en meende met het regelen van de oostgrens tegelijk voorwerk te kunnen verrichten voor het oplossen van de kwestie rond de westgrens. Als ten aanzien van de oostgrens het principe werd aanvaard dat de rivier met het grootste debiet (de hoeveelheid doorstromend water per tijds¬ eenheid) de grensrivier vormde, dan zou Paramaribo zich in het geschil met Georgetown een gunstige uitgangspositie verschaffen. Volgens het debietprincipe zou de Boven-Corantijn dan de grensrivier tussen Suri¬ name en Guyana zijn. Voor het kabinet-Arron lag deze discussie gevoelig. Het aanvaarden van het debietprincipe gaf in de kwestie van de westgrens zicht op een uitkomst die volledig beantwoordde aan de verlangens van Paramaribo. Maar in de kwestie van de oostgrens zou het tot gevolg hebben dat niet de Marowini, zoals Suriname altijd had gepropageerd, maar de Litani zou worden aangewezen als de rivier die Suriname van Frans-Guyana scheid¬ de. Naar het oordeel van Den Haag en Parijs had Paramaribo echter geen keus. Het debietprincipe was als volkenrechtelijk principe internatio¬ naal aanvaard en liet geen ruimte voor afwijkende opvattingen. Arron was echter op zijn hoede. Hij wilde ervoor waken aan de vooravond van de onafhankelijkheid iets te ondernemen dat kon worden uitgelegd als het prijsgeven van aanspraken op een stuk grondgebied dat Suriname toebehoorde. Alleen als Frankrijk bereid zou zijn een economische sa¬ menwerking met Suriname aan te gaan voor een lange periode en tegen

311

voor Suriname gunstige voorwaarden, achtte hij het denkbaar dat de be¬ sprekingen met Parijs werden hervat op het punt waar zij in 1971 waren afgebroken. Tijdens het overleg met de Nederlandse regering van 14 tot 21 mei 1975 in Paramaribo verklaarde hij zich onder die voorwaarden ak¬ koord met het heropenen van de onderhandelingen.81 Pogingen van Arron om het overleg in Paramaribo te laten plaatsvin¬ den in de vorm van een open gesprek, zonder Franse voorwaarden voor¬ af, stuitten op bezwaren van Parijs. De Fransen weigerden de begrenzing van het omstreden territorium opnieuw ter discussie te stellen en be¬ schouwden de standpunten die hierover in 1971 waren ingenomen als onverminderd geldig. Onderhandelingen in Den Haag tussen een Koninkrijksdelegatie onder leiding van Hans Lim A P082 en een Franse delegatie resulteerden op 14 november in een Protocol van Conclusies en Aan¬ bevelingen. In dit Protocol werd (op voorwaarde dat het debiet in deze ri¬ vier het grootst zou zijn) de Litani door beide partijen als grensrivier aan¬ vaard (zonder dat deze rivier in de tekst bij naam werd genoemd). Voorts werd aanbevolen dat er een speciaal economisch regime zou worden ge¬ vestigd in het gebied tussen de Marowini en de Litani voor de duur van zeventig jaar (te verlengen met perioden van steeds dertig jaar) gericht op economische samenwerking in de ruimste zin, maar met bijzondere aandacht voor de exploratie en exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en het benutten van het aanwezige waterkrachtpotentieel. Daarnaast verplichtte Frankrijk zich tot het geven van hulp ten behoeve van de eco¬ nomische, sociale en culturele ontwikkeling van Suriname. Er werd langdurig overlegd over de noodzakelijke vervolgstappen. De Fransen wensten eerst een grensverdrag te sluiten en vervolgens een overeenkomst te tekenen betreffende economische samenwerking. De Surinamers hechtten eraan beide onderdelen als een twee-eenheid te be¬ schouwen en stonden erop dat dit met zo veel woorden in het protocol werd vastgelegd. De discussie leidde tot het volgende compromis: ‘De sa¬ menwerking zal worden geïnstitutionaliseerd bij een tegelijk met het grensverdrag te sluiten overeenkomst waarbij een permanente gezamen¬ lijke commissie voor ontwikkelingssamenwerking wordt ingesteld, en welke overeenkomst zo spoedig mogelijk zal worden gevolgd door een verdrag voor ontwikkelingssamenwerking.’83 Volgens een afspraak die Suriname en Nederland tijdens hun overleg in mei hadden gemaakt, zou premier Den Uyl een toescheidingsverklaring opstellen waarin het grondgebied van Suriname zou worden om¬ schreven. Arron eiste dat in deze tekst de Marowini zou worden aange¬ duid als de grensrivier met Frans-Guyana. Gebeurde dit niet, dan zou

312

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

vanaf de eerste dag van de onafhankelijkheid de Litani de grensrivier zijn en zou de Surinaamse onderhandelingspositie zijn prijsgegeven. Neder¬ land meende echter dat niet voorbij kon worden gegaan aan het Protocol van 14 november. Van de afspraken die daarin waren vastgelegd, kon niet worden afgeweken. Het vinden van een oplossing nam meer tijd dan ver¬ wacht. Nog op 24 november werd overdag over de kwestie overlegd, na de feestelijkheden in het Suriname-stadion tot de volgende ochtend 6.00 uur en op 25 november overdag. Uiteindelijk vonden Suriname en Nederland elkaar in een verwijzing naar het Protocol van 14 november en werd in de door Den Uyl op 25 november 1975 ondertekende brief noch de Marowini noch de Litani als bronrivier genoemd.84 Hoewel Arron spoed wenste te betrachten met onderhandelingen over de oostgrens85 duurde het tot eind 1976 voordat het parlement - in comité-generaal bijeen - de Surinaamse regering machtigde om de on¬ derhandelingen met Frankrijk voort te zetten op basis van het Protocol van 14 november 1975. Het parlement verleende op 18 december met al¬ gemene (28) stemmen zijn goedkeuring aan de regeringsplannen, nadat de regering eerder een tiental vragen van de oppositie over de grenskwes¬ tie had beantwoord. Voor Arron was dit een hoopgevende ontwikkeling, die strookte met zijn behoefte om het parlement het eindresultaat met al¬ gemene stemmen te laten aanvaarden. Maar hij realiseerde zich dat be¬ hoedzaam opereren geboden bleef. Het verwijt ‘gebiedsafstand’ toe te staan, kon alleen adequaat worden gepareerd indien tegenover een om¬ zichtig geformuleerd grensverdrag een aansprekend samenwerkingsak¬ koord zou staan.86 De onderhandelingen tussen de Surinaamse grenscommissie en een Franse delegatie werden in het voorjaar van 1977 in Parijs hervat. Vooraf hadden de Surinaamse delegatieleden met Nederlandse ambtenaren af¬ gestemd over de redactie van een aantal ontwerpteksten. Desondanks verliepen de besprekingen tussen beide partijen stroef. Naar het oordeel van de Fransen stelden de Surinamers te hoge eisen. Zij drongen aan op meerjarige financiële verplichtingen die Parijs vanwege de geldende budgettaire systematiek niet alleen niet kon aangaan, maar die volgens het Élysée ook buitensporig waren gelet op de behandeling die de (voor¬ malige) Franse overzeese gebiedsdelen van Frankrijk kregen. Op verzoek van de Fransen legde de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Van der Stoel uit dat Parijs diende te begrijpen dat Suriname de verlang¬ de compenserende voordelen optisch duidelijk gepresenteerd wenste te krijgen. Paramaribo streefde ernaar de samenwerkingsovereenkomst als een succes in de etalage te zetten en eventuele kritiek van de oppositie op

313

het ‘weggeven van Surinaams grondgebied in ruil voor een bordje linzen¬ soep’ voor te blijven. Het was voorts met het oog op de komende verkie¬ zingen dat Paramaribo erop stond dat de economische samenwerking niet slechts betrekking kon hebben op de ontwikkeling van de grensdriehoek, maar op die van Suriname in brede zin.87 Nadat het overleg over de beoogde ontwikkelingssamenwerking was afgebroken en de Fransen hadden gedreigd een eerder geparafeerd grens¬ verdrag terzijde te leggen en de onderhandelingen erover weer van voren af aan te beginnen, realiseerde de Surinaamse grenscommissie zich dat de belangen van de twee landen wezenlijk verschilden. Los van een aan¬ vaardbare regeling van de oostgrens en de ontwikkeling van het bijbeho¬ rende grensgebied wilde Suriname een volkenrechtelijke versterking van zijn positie in het grensgeschil met Guyana en Franse medewerking bij de onderhandelingen met de eeg over de Surinaamse garnalenvangst in de Frans-Guyanese tweehonderdmijlszone. Hierbij vergeleken beperkte het Franse belang zich tot de wens om als ‘laatste koloniale mogendheid’ in de regio een onafgemaakte territoriale kwestie definitief te regelen. Op grond van deze overwegingen verklaarden Lim A Po en Essed behalve met een grensverdrag te kunnen instemmen met een tekst waarin de be¬ oogde Frans-Surinaamse ontwikkelingssamenwerking en de instelling van een permanente gemengde commissie waren vastgelegd zonder de¬ tails over de geboden voorzieningen, de looptijd van de hulpverlening en de aard van de te entameren projecten. Hoewel de onderhandelingen hiermee werden vlotgetrokken en later dat jaar twee conceptverdragen gereedkwamen, zorgden de verkiezingen ervoor dat er aan Surinaamse zijde stagnatie optrad in de behandeling van het oostgrensdossier.88 In het voorjaar van 1978 lieten de Fransen weten de arbitrageclausule te willen aanpassen in de twee inmiddels geparafeerde verdragen. Dit leid¬ de tot ongerustheid in Paramaribo. De regering wilde hoe dan ook voor¬ komen dat de samenhang tussen de twee verdragen zou worden aangetast en dat de in Suriname te lanceren package deal hierdoor in het gedrang zou komen. De betrokken onderhandelingsdelegaties kwamen in Den Haag voor spoedoverleg bij elkaar en slaagden er op 28 april in de kwestie tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te brengen.89 Arron leg¬ de de verdragsteksten in augustus voor aan het Surinaamse parlement.90 De bespreking van de documenten op 31 augustus en 7 september leidde tot 102 vragen, die de regering in oktober in de vorm van een memoran¬ dum beantwoordde.91 Sindsdien zocht Arron naar een geschikt moment om de verdragen met algemene stemmen door het parlement te laten goedkeuren. Het uittreden van de ktpi uit de coalitie eiste vooralsnog

314

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

echter al zijn aandacht op. Vervolgens verhinderde de kwestie-Koorndijk dat er zaken konden worden gedaan met de oppositie.92 In de comité-generaalvergadering van het parlement van 12 juli 1979 - die door de oppositie niet werd bijgewoond uit protest tegen wat zij noemde de schending van de grondwet door de coalitie in de kwestieKoorndijk - verzocht premier Arron het parlement om toestemming de geheimhouding ten aanzien van de parlementaire besprekingen op te heffen, zodat de samenleving geïnformeerd kon worden over de resulta¬ ten van het overleg met Frankrijk over de oostgrens. Het grote publiek was immers al die tijd onkundig gebleven van de aard van de besprekingen. Het parlement honoreerde het verzoek van Arron, stemde in met de voorgelegde verdragen en gaf de regering toestemming om de onderhandelingen met Frankrijk over een aantal procedurele aangelegenheden voort te zetten. Tegenover de pers liet Arron weten dat met grensaangelegenheden geen politiek mocht worden bedreven, maar kennelijk had de oppositie redenen om met deze conventie te breken. Hij betreurde dit. Volgens hem had de coalitie welbeschouwd het beleid van de oppositie voortge¬ zet: ‘Eigenlijk heeft niemand minder dan de heer Lachmon mij in de loop van de jaren [ervan overtuigd] dat die Franse zaak de beste zaak is die wij kunnen doen. En het enige wat wij hebben gedaan als regering, als

npk-

regering, is het beleid overnemen, het beleid onderschrijven en het beleid uitbouwen.’ Arron verklaarde ernaar te streven de verdragen zo spoedig mogelijk door beide landen te laten tekenen, waarna de geratificeerde teksten bij het parlement zouden worden gedeponeerd. Met verwijzing naar het parlementaire besluit van 18 december 1976, waarmee de regering het mandaat had gekregen om de oostgrenskwestie te regelen volgens het Protocol van 14 november 1975, merkte Arron op ervan uit te gaan dat ook de oppositie instemde met de ontwerpverdragen. De hoofdzaken wa¬ ren immers toen uitgediscussieerd. De sonderingen van de regering met het parlement na die datum waren vooral bedoeld geweest om deze kwestie in eenheid en met maximale aandacht voor het ermee verbonden nationaal prestige af te ronden.93 Op 1 oktober werd de samenleving opgeschrikt door het bericht dat premier Arron en de chargé d affaires van Frankrijk in het geheim een overeenkomst hadden getekend waarbij Surinaams grondgebied was af¬ gestaan in ruil voor een Franse lening aan Suriname van Sf 1 miljoen. De regering sprak het nieuws met klem tegen. Een verontwaardigde Arron kwalificeerde het bericht als een infame leugen. Ook de verschillende data van ondertekening die in omloop waren, verwees hij naar het rijk der

315

fabelen. Diplomatiek overleg met Frankrijk over een datum was naar zijn zeggen nog gaande. Arron herhaalde dat de regering in elk belangrijk sta¬ dium van de besprekingen het parlement over de voortgang van het over¬ leg had geïnformeerd en dat het volk omstandig zou worden voorgelicht alvorens tot ondertekening van een overeenkomst zou worden overge¬ gaan.94 Aan de oppositie waren deze mededelingen niet besteed. De

vdp

liet weten het comité-generaal van 12 juli als een onwettige vergadering te beschouwen vanwege de aanwezigheid van het ongrondwettig toegela¬ ten lid Koorndijk.95 Pendawa Lima-leider Somohardjo ging nog een stap verder. In een radioprogramma beschuldigde hij Arron ervan een bedrag van us$ 1 miljoen van de Franse regering te hebben ontvangen om het verdrag tot stand te brengen en pleitte hij voor het bezetten van de Franse ambassade ingeval er sprake zou zijn van het afstaan van Surinaams grondgebied aan Frankrijk.96 Tijdens een persconferentie op 25 oktober recapituleerde Arron, ge¬ secondeerd door Hans Lim A Po en Frank Essed, de geschiedenis van het overleg over de oostgrens en benadrukte hij de continuïteit in het stand¬ punt van de Surinaamse delegatie. Dit standpunt was niet het standpunt van de toevallig aan de macht zijnde regering, maar dat van de Surinaam¬ se gemeenschap. De grenskwestie vertegenwoordigde een nationaal be¬ lang en kon alleen op een waardige manier worden opgelost met steun van het voltallige parlement. Arron erkende dat in het conceptverdrag de staatkundige soevereiniteit over de grensdriehoek volgens internationaal aanvaarde normen aan Frankrijk toeviel, maar dat de economische soe¬ vereiniteit hierover zou worden opgedragen aan een internationaal or¬ gaan, namelijk een gemengde commissie. Deze commissie, die de explo¬ ratie en exploitatie van het bewuste gebied ter hand zou nemen, was, ingeval zich onoplosbare problemen zouden voordoen, onderworpen aan het gezag van een internationaal arbitragecollege. Het was de secretaris¬ generaal van de

vn

die de leden van dit college benoemde. De economi¬

sche voordelen van het grensgebied zouden volgens Arron in gelijke mate toevallen aan de betrokken landen en de gedeelde economische soeverei¬ niteit zou de door Frankrijk uitgeoefende staatkundige soevereiniteit overstijgen.97 De oppositie viel vooral over de verklaring van Arron dat niet de Marowini, maar de Litani de grensrivier met Frans-Guyana vormde. Het territorium tussen de Litani en de Marowini had volgens Arron nooit tot Suriname behoord, maar altijd deel uitgemaakt van Frans-Guyana, waar¬ door er bij het te sluiten verdrag met Frankrijk geen millimeter Surinaams grondgebied zou worden afgestaan. Lachmon achtte dit een tendentieuze

316

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

voorstelling van zaken. De regering had tot dat moment altijd over betwist gebied gesproken, naar nu bleek ten onrechte. Ook bestreed Lachmon de rooskleurige voorstelling van zaken die de regering gaf van de instem¬ ming die de oppositie steeds zou hebben betuigd met de onderhandelingen die de grenscommissie voerde. Hij beschuldigde de regering ervan de parlementsvergadering op 12 juli te hebben laten plaatsvinden, wetende dat de oppositie deze onwettige vergadering zou boycotten. De regering zou op die manier de oppositie met opzet buiten de bespreking van het memorandum van oktober 1978 hebben willen houden en niet aan de stemming over het verdrag hebben willen laten deelnemen. Tot slot stel¬ de Lachmon dat een demissionaire regering niet gerechtigd was een aan¬ gelegenheid af te handelen waarbij er zoveel op het spel stond. Hij her¬ haalde dat de oppositie nooit haar goedkeuring zou verlenen aan voor Suriname nadelige grensverdragen.98 De behandeling van de oostgrenskwestie kwam op een ongelukkig tijdstip. Er heerste in het oppositiekamp een grimmige sfeer en een ver¬ beten drang om regeringsinitiatieven hoe dan ook te blokkeren. Het ver¬ zet van de oppositie tegen de verdragen met Frankrijk was echter weinig consistent. De erkenning van de Litani als grensrivier met Frans-Guyana dateerde uit de periode dat Alwin Mungra en André Kamperveen zitting hadden in de grenscommissie. Als oppositieleden tekenden zij nu met veel misbaar bezwaar aan tegen een regeling waar zij zich eerder als coalitieleden mee akkoord hadden verklaard. De kaarten waren bovendien ge¬ schud. Aan Surinaamse zijde kon men alleen nog proberen om maximaal voordeel te behalen in de driehoek tussen de Litani en de Marowini. Inspanningen om de Marowini alsnog als bronrivier van de Marowijne erkend te krijgen, waren volgens het geldende internationaal recht kans¬ loos. Arron kon het zich niet permitteren de kwestie van de oostgrens voor zich uit te schuiven. Dat zou aan Franse zijde niet worden begrepen en de internationale reputatie van Suriname op het spel zetten. De tegenwer¬ king van de oppositie trof hem temeer onaangenaam, omdat hij juist op dit dossier zijn staatsmanschap wilde tonen. Arron spoorde de

vdp

aan

om verantwoordelijkheid te nemen en zich geloofwaardig op te stellen. Mocht de oppositie nu bezwaren opperen en na de eerstvolgende verkie¬ zingen de coalitie gaan vormen, dan zou zij de samenleving en de inter¬ nationale gemeenschap veel hebben uit te leggen.99 Het kwam op dat moment niet bij Arron op dat onderofficieren van de Surinaamse Krijgsmacht

(skm)

met de gedachte speelden de grens¬

kwestie aan te grijpen om hem als minister-president af te zetten. Nadat

317

hij op 25 februari 1980 de macht had overgenomen, zou Bouterse verkla¬ ren dat de coupplegers vanaf eind 1979 hadden gezocht naar een geschik¬ te gelegenheid om militair in te grijpen. Overwogen was om de grens¬ kwestie met Frans-Guyana hiervoor als aanleiding te gebruiken: ‘Als we op dat moment zouden toeslaan, zou de gehele bevolking achter ons staan en zeggen: “Den kis Arron mooi, a man law, a man ser na kondre”. (Het is goed dat ze Arron aangepakt hebben, die man is gek, hij wil het land verkopen). We wisten [...] dat je sfeer moest hebben, maar Arron was slim en deed niets.’100 Het voornemen van de regering om de kwestie tijdelijk te laten rusten en een gunstiger moment af te wachten om tot een overeenkomst met Frankrijk te komen, zou als gevolg van de staats¬ greep van 25 februari 1980 niet worden gerealiseerd.101 GUYANA

De aanwezigheid van gewapende Guyanezen in de betwiste westelijke driehoek102, ondanks de belofte van demilitarisering in 1970 gedaan door de Guyanese leider Forbes Burnham, legde een zware hypotheek op de Surinaamse relaties met Guyana. Volgend op de besprekingen in Chaguaramas had premier Sedney een officieel bezoek aan Guyana en vervol¬ gens premier Burnham een officieel bezoek aan Suriname gebracht. Deze bezoeken hadden geleid tot de instelling van een gezamenlijke commis¬ sie, die onderzoek deed naar samenwerkingsmogelijkheden op cultureel en economisch gebied en een oplossing zocht voor het grensconflict. Veel was er van de commissie echter niet uitgegaan. Ook de inspannin¬ gen van een Koninkrijksdelegatie, die hierna op initiatief van het kabinetSedney naar Guyana was gereisd, waren zonder resultaat gebleven. In 1973 werd het overleg over de grenskwestie door Suriname afgebroken. Naar het oordeel van Paramaribo weigerde Georgetown de in Chaguaramas gemaakte afspraken na te komen.103 Voor Arron was het normaliseren van de betrekkingen met Guyana een belangrijk doel. Een politiek van goed nabuurschap en het verken¬ nen van vormen van samenwerking tussen de twee landen achtte hij be¬ vorderlijk voor het weer op gang brengen van besprekingen over het grensgeschil. Het conflict over de westgrens beschouwde hij als een kolo¬ niale erfenis waarmee Suriname tegen wil en dank was opgezadeld. Hij betreurde het dat Den Haag bij de soevereiniteitsoverdracht de oplossing van het conflict had doorgeschoven naar de Surinaamse regering om de goede betrekkingen met Engeland niet te schaden.104 Voor Georgetown gold dat het zich niet kon permitteren luchthartig met het grensconflict om te gaan. Niet alleen beschouwde de regering de Guyanese staat als de

318

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

rechtmatige bezitter van de omstreden driehoek, ieder toegeven aan Surinaamse verlangens op dit punt zou onbedoeld een precedent kunnen scheppen voor de oplossing van het grensgeschil met Venezuela, dat bij¬ na tweederde van het grondgebied van Guyana (de Essequibo-regio) claimde.105 Al op de eerste dag na de onafhankelijkheid had Guyana zijn consu¬ laat in Paramaribo tot een ambassade opgewaardeerd. Volgens de Guyanese minister van Buitenlandse Zaken Frederick Wills, als gast aanwezig bij de soevereiniteitsoverdracht, had zijn regering belangstelling voor het op gang brengen van nauwere economische samenwerking met Suri¬ name. Beide landen werkten naar zijn zeggen al samen binnen de

iba

en

hadden meerdere belangen met elkaar gemeen.106 De Surinaamse rege¬ ring hield een slag om de arm. Paramaribo gaf er de voorkeur aan voorals¬ nog geen ambassadeur in Georgetown te benoemen om de handen vrij te houden en Georgetown geen aanleiding te geven de vestiging van een di¬ plomatieke vertegenwoordiging als een handreiking uit te leggen. Tevens werd op deze manier voorkomen dat onervaren Surinaamse diplomaten door meer geroutineerde en doortastende Guyanese ambtenaren en poli¬ tici zouden worden ‘ingepakt’. Daar kwam bij dat Arron een pas op de plaats wilde maken, omdat de regeling van de grenskwestie met FransGuyana zijns inziens vooraf diende te gaan aan het oplossen van de pro¬ blemen met betrekking tot de westgrens.107 In het najaar van 1977 ontstond er onenigheid tussen beide landen over het gebruik van de Corantijn door garnalenvissers. Guyanese pa¬ trouillevaartuigen hadden zich meester gemaakt van zeven treilers die Suriname als basis hadden vanwege het schenden van de tweehonderdmijlszone in de Atlantische Oceaan. De vissers werden gearresteerd en beboet, en hun vaartuigen verbeurd verklaard. Paramaribo was door Georgetown niet van de uitbreiding van de Guyanese territoriale wateren op de hoogte gesteld en reageerde woedend bij het vernemen van het be¬ richt dat de vissers waren opgebracht enkele uren nadat de nieuwe zone in werking was getreden. Als represaille voor deze onverhoedse actie - naar het Paramaribo voorkwam een bewuste provocatie - kondigden de Suri¬ naamse autoriteiten aan op korte termijn een eigen tweehonderdmijlszone te zullen instellen en lieten zij weten de vergunningen van Guyanese vissers die op de Corantijn opereerden niet te zullen verlengen. Paramari¬ bo beschouwde de rivier vanaf de linkeroever als Surinaams territorium. Dit besluit viel verkeerd in Georgetown, vooral omdat het doortrekken van de grens in de tweehonderdmijlszone het verlies zou betekenen van een stuk continentaal plateau waar op dat moment naar olie werd ge-

319

zocht. Besprekingen tussen Arron en Wills in Paramaribo mislukten. Beide regeringen wisselden nota’s uit waarin zij in niet mis te verstane bewoordingen kritiek op eikaars handelen leverden.108 Er leek zich een verbetering in de relaties tussen de twee landen aan te kondigen nadat op uitnodiging van Arron, in de marge van de onderte¬ kening van het Amazonepact, een gesprek had plaatsgevonden tussen hem en Rashleigh Jackson, de opvolger van Wills als minister van Buiten¬ landse Zaken. Beide ministers hadden openhartig met elkaar over de ont¬ stane situatie gesproken en de noodzaak erkend om langs de weg van de dialoog tot een oplossing te komen.109 Het overleg leidde in augustus 1978 tot de teruggave van een in Guyana verbeurd verklaarde vissersboot aan Suriname en de teruggave van drie in Suriname verbeurd verklaarde vissersboten aan Guyana. Tevens zegde Paramaribo toe drie door Guyanezen aangevraagde visvergunningen te zullen afgeven. Er werd bekend¬ gemaakt dat Arron en Burnham elkaar voor het einde van dat jaar zouden ontmoeten om de betrekkingen verder te normaliseren en dat gestreefd zou worden naar het sluiten van een visserijverdrag. Hoewel Arron her¬ haalde dat de westelijke driehoek waarop Guyana verklaarde aanspraak te maken Surinaams grondgebied was, riep hij zijn landgenoten op om te kijken naar wat beide landen bond en niet naar wat beide landen van el¬ kaar scheidde.110 Arron hoopte in het bijzonder dat goede betrekkingen met Guyana bevorderlijk zouden zijn voor het verkrijgen van financiële steun van de Wereldbank. Deze instelling was bereid te investeren in een hydro-elek¬ trische centrale in het kader van het Kabalebo-project (onderdeel van het West-Surinameplan) op voorwaarde dat beide landen vreedzame betrek¬ kingen met elkaar onderhielden en Guyana elektriciteit van Suriname zou afnemen. Paramaribo had aanwijzingen dat Georgetown welwillend stond tegenover het betrekken van hydro-elektrische energie uit Suri¬ name en akkoord zou gaan met het onttrekken van water aan de betwiste driehoek om het opwekken van de benodigde energie mogelijk te maken. Met het oog op de onbelemmerde voortgang van het Kabalebo-project werkte Arron mee aan de voorbereiding van een visserijverdrag voor de duur van één jaar, inhoudende het verlenen van toestemming aan vissers¬ vloten van beide landen om in eikaars exclusieve visserijzones te opereren. In de marge van een

vn-vergadering

in New York in oktober 1978

troffen Arron en Jackson nadere voorbereidingen. Aansluitend voerden de visserijcommissies en delegaties van de ministeries van Buitenlandse Zaken van beide landen besprekingen met elkaar. Op 26 maart 1979 kwam in Paramaribo de bedoelde visserijovereenkomst tot stand. Deze maakte

320

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

de weg vrij voor overleg tussen Arron en Burnham de maand erna. De visvangst op de Corantijn maakte geen deel uit van de overeenkomst. Bovendien diende de datum van inwerkingtreding van het verdrag nog nader te worden bepaald. Desondanks kon er gesproken worden van een stap vooruit. Arron waakte er echter voor te vroeg te juichen. Hij hield vast aan het standpunt dat de Surinaamse regering pas bereid zou zijn een ambassadeur te stationeren in Georgetown als er overeenstemming was bereikt over de westgrens.111 Van ii tot met 14 april 1979 ontmoetten Arron en Burnham elkaar in Sam Lords Castle in St. Philip, Barbados.112 De omgeving van het hotel moest vooraf met brandslangen worden schoongespoten aangezien deze was bedekt onder een dikke laag roet. De bron van deze neerslag was de vulkaan La Soufrière, die op het naburige eiland Saint Vincent tot uit¬ barsting was gekomen. Het was een passend decor voor overleg waar het evenmin aan vuurwerk zou ontbreken. Gespreksonderwerpen op Barba¬ dos waren het Kabalebo-project, het grensconflict, de voorgenomen sa¬ menwerking op economisch, cultureel, sociaal en technisch gebied, en het plan voor een veerverbinding tussen Springlands en Nickerie. Over dit laatste idee was Guyana beduidend enthousiaster dan Suriname. Evenals Georgetown meende Paramaribo dat een dergelijke verbinding bevorderlijk zou zijn voor het verkeer tussen beide landen. Tegelijk vrees¬ de de Surinaamse regering een grotere toestroom van illegale migranten uit Guyana.113 Dat de besprekingen op Barbados plaatsvonden, was niet zonder re¬ den. Beide partijen wilden op neutraal terrein een eerste stap zetten in het proces van wederzijdse toenadering. Premier Tom Adams steunde dit streven en trad op als gastheer. De eerste dag begon met een anderhalf uur durend gesprek onder vier ogen tussen Arron en Burnham. Aanslui¬ tend stond een plenaire vergadering van twee uur op het programma. Deze vergadering, die bedoeld was om de agenda van het overleg vast te stellen, werd al na een halfuur met veel tumult door de Guyanese delega¬ tie afgebroken. De verdaging van de bijeenkomst duurde vier uur. Nadien werd de vergadering hervat. Aanleiding voor de schorsing was het grens¬ conflict dat tot verrassing van de Surinaamse delegatie door Burnham zelf ter tafel werd gebracht. De Guyanese regeringsleider, die minder ge¬ polijste omgangsvormen en intimiderend gedrag niet schuwde, wilde er tegenover zijn gesprekspartner geen misverstand over laten bestaan dat er over de betwiste driehoek niet te onderhandelen viel. Barbados was voor Burnham niet alleen een mogelijkheid om openingen te zoeken en gemeenschappelijkheden te identificeren, maar ook

321

om degens te kruisen en nieren te proeven. Arron: Burnham was tough in onderhandelingen. Fair play en foul play wisselden elkaar af, maar fair play overheerste. Maar als je tough bent, dan moet je er rekening mee houden dat de persoon die je tegenover je zou kunnen krijgen dat ook is. Burnham wist on¬ voldoende wie hij tegenover zich had. Naderhand zou hij zich tegenover zijn ambassadeur laten ontvallen: je hebt mij gezegd dat de Surinaamse minister¬ president tough is, but you never told me that he was that tough. Want ik wist waar ik naartoe wilde. Burnham zou zich niet verzetten tegen Kabalebo, want hij had een succes nodig in zijn gevecht met Jagan. Zou hij elektriciteit van ons afnemen en onder de bevolking distribueren, dan zou hij zijn machts¬ basis verstevigen, vooral in dat deel van het land waar Jagan populair was.114 Een winstpunt voor Arron was dat het Kabalebo-project tijdens het overleg ontkoppeld werd van het geschil over de westgrens en dat Burn¬ ham zich akkoord verklaarde met de uitvoering van dit project. Dit bracht een financiering van deze grootschalige onderneming door de Wereld¬ bank een stap dichterbij. Wel zou eerst nog een studie naar de ecologi¬ sche implicaties van het project worden verricht. Vervolgbesprekingen over de grenskwestie zouden op basis van de Chaguaramas-overeenkomst worden gevoerd. Arron en Burnham tekenden de eerder tot stand geko¬ men visserijovereenkomst en gingen in beginsel akkoord met de aanleg van een veerverbinding tussen Springlands en Nickerie. De in de vaart te nemen veerboot zou op pariteitbasis worden geëxploiteerd. Ook kwamen beide delegaties overeen dat Suriname in Georgetown een ambassade zou openen, dat Suriname zou toetreden tot de Beweging van Niet-Gebonden Landen, dat er bilateraal overleg zou worden gestart om na te gaan op welke andere terreinen de landen met elkaar konden samenwer¬ ken en dat de twee regeringsleiders spoedig officiële bezoeken aan elkaar zouden brengen.115 Het patroon zou in 1979 hetzelfde blijken als in 1970. Toen was er af¬ getrapt op Trinidad en bezochten achtereenvolgens de Surinaamse pre¬ mier Sedney Guyana en de Guyanese premier Burnham Suriname. Thans bracht - na het overleg op Barbados - als eerste Arron tussen 18 en 21 juni 1979 een officieel bezoek aan Guyana.116 Hij ontving in Georgetown sym¬ bolisch de sleutel van de stad uit handen van de burgemeester ten teken dat hij zich vrij in het Guyanese bestuurscentrum kon bewegen. Arron legde kransen bij het monument van 1763 (drie jaar eerder onthuld ter herdenking van de slavenopstand in Berbice onder leiding van Cuffy) en het Liberation Monument (opgedragen aan hen die waar ook ter wereld voor vrijheid streden) en hield in de Botanical Gardens een toespraak waarin hij wees op het vele dat beide landen met elkaar gemeen hadden:

322

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

14- Henck Arron en Forbes Burnham begroeten elkaar tijdens het bezoek van de eerste aan Guyana in 1979

historisch, economisch en op het gebied van de eigen ontwikkeling. Kolo¬ niale belangen hadden de twee landen verdeeld gehouden, maar ‘nature, ambition and struggle for life teil us every time again that we are the same and that our destiny is the same. Therefore I will bring you the message that after years of partition, we have now finally entered upon the era of reunion.’ Overal in het centrum van Georgetown hingen spandoeken met de tekst ‘Guyanese and Surinamese are brothers’. Op het moment dat Arron zich tijdens zijn toespraak liet ontvallen: ‘I feel at home’, reageer¬ den omstanders met uitbundig applaus.117 Arron voerde besprekingen met premier Burnham over een groot aantal kwesties, bracht een bezoek aan het binnenland en inspecteerde verschillende agrarische en industriële projecten. Het bezoek werd afge¬ sloten met het ondertekenen van een overeenkomst inzake culturele en wetenschappelijke samenwerking en het bevestigen van de afspraken die op Barbados waren gemaakt. Bij Arron bestond grote voldoening over het bezoek. Hij benadrukte de potenties van bilaterale samenwerking, maar niet minder de mogelijkheden die beide landen hadden om elkaar op inter¬ nationale podia te steunen bij het innemen van standpunten en het uit¬ dragen van idealen. Het succes van zijn tweede ontmoeting met Burnham schreef Arron in belangrijke mate toe aan de inzet van zijn directeur van Buitenlandse Zaken Heinemann en de Guyanese ambassadeur in Parama-

323

ribo. De Nederlandse ambassadeur Vegelin van Claerbergen noteerde: ‘Het snelle tempo waarin de betrekkingen tussen Suriname en Guyana van nauwelijks nabuurschappelijk tot zeer cordiaal zijn geëvolueerd is [...] opvallend.’118 In Suriname werd gemengd gereageerd op het bezoek van Arron. Velen stemden in met de pogingen die de regering ondernam om de be¬ trekkingen met Guyana te verbeteren en om de mogelijkheden tot samen¬ werking te onderzoeken. Dat op deze wijze geprobeerd werd een sfeer te creëren om het grensconflict constructief aan te pakken, ontmoette be¬ grip, maar werd tegelijk beschouwd als een vorm van struisvogelpolitiek waarbij vooral Guyana garen spon. De Ware Tijd: ‘Het alternatief is niet dat wij tot de tanden gewapend de 6000 vierkante mijls driehoek moeten binnenstormen. Met deze Surinaamse krijgsmacht en het gehannes van haar bond zou het toch niet lukken. Een juist alternatief zou moeten zijn dat wij geen bespreking voorbij laten gaan om met klem onze aanspraken te herhalen naast alle andere eerlijke pogingen tot wederzijdse vriend¬ schap en samenwerking.’ Relativerend: ‘Suriname en Guyana zijn in feite twee kleine armoedzaaiers, die wel goede mogelijkheden hebben om zich¬ zelf van een redelijk bestaan te verzekeren. Maar beiden worstelen met problemen die aan kleine, arme ontwikkelingslanden eigen zijn en die voornamelijk liggen op het gebied van een korrupte politiek. Op dat ter¬ rein hoeven ze niets aan elkaar te leren, maar wij kunnen er wel van leren als we ons spiegelen aan Guyana en bedenken dat onze ontwikkelings¬ hulp niet eeuwig duurt.’119 De regering bracht hier tegenin dat beide partijen op Barbados de overeenkomst van Chaguaramas als uitgangspunt voor verdere bespre¬ kingen hadden aanvaard en dat officiële bezoeken niet het podium waren om aanspraken op betwist gebied te laten gelden. De twee ontmoetingen hadden een basis gelegd voor een nieuwe fase van onderhandelingen over het grensgeschil. Met verwijzing naar Burnham en Arron sneerde de oppositie bij monde van Lachmon en Mungra dat twee ‘onderdrukkers’ elkaar advies hadden gevraagd hoe zich te handhaven. De grenskwestie zou volgens de VHp’ers niet tot een oplossing worden gebracht, Guyanese vissers zouden doorgaan de Surinaamse wateren leeg te vissen en praten over toerisme was ‘belazerij’ zolang Guyanezen met niet meer dan vijf¬ tien Guyanese dollar hun land mochten verlaten.120 Van 15 tot en met 18 november 1979 bracht premier Burnham een tegenbezoek aan Suriname. Hij legde in Paramaribo een krans bij het monument voor de gevallenen, voerde besprekingen met Arron, maar ook met leden van het parlement, het bedrijfsleven en de vakbeweging,

324

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: BILATERALE BETREKKINGEN

hield een toespraak tijdens een buitengewone vergadering van de raad van ministers, en bracht bezoeken aan Asidonhopo (residentie van granman Aboikoni van de Saamaka), houtmaatschappij Bruynzeel en het volkswoningbouwproject Half Flora (dat voor een belangrijk deel door Guyanese gastarbeiders werd gerealiseerd). Tijdens een tafelrede in hotel Torarica prees Burnham de ‘zilveren tong’ van Arron, die volgens de hoofdredactie van De West bovenmatig gestreeld was door deze en andere loftuitingen van zijn gast, maar per saldo niet opgewassen leek tegen ‘de grootste vijand van het land’, die zich steeds weer sluw uit discussies met journalisten over de ‘omstreden driehoek’ draaide en er overduidelijk een verborgen agenda op na hield. Arron en Burnham ondertekenden een overeenkomst inzake economische en technische samenwerking en trof¬ fen nadere voorbereidingen voor de beoogde veerdienst over de Corantijn. Voor de financiering van deze oeververbinding hoopten zij een bij¬ drage te verwerven van het Europees Ontwikkelings Fonds.121 De drie opeenvolgende bijeenkomsten illustreerden dat Arron en Burnham er de voorkeur aan gaven de westgrens te beschouwen als een plaats van ontmoeting. De bezoeken die de Surinaamse en de Guyanese regeringsleider elkaar brachten, hadden vooralsnog echter vooral sym¬ bolische waarde. Ze weerspiegelden intenties, die in de toekomst verder gematerialiseerd dienden te worden. De staatsgreep van 1980 verhinderde dat de voorgenomen samenwerking met Guyana - vooral door het stop¬ zetten van het Kabalebo-project door de nieuwe regering - van de grond kwam. Een oplossing voor het conflict over de westgrens zou daardoor niet dichterbij komen.

325

VIII Het primaat van de partijpolitiek: In het defensief

De verkiezingen van 1977 hadden de krachtsverhoudingen in het parle¬ ment intact gelaten. Evenals tijdens de vorige regeringsperiode stonden de coalitie en de oppositie als twee machtsblokken tegenover elkaar en waren zij verwikkeld in een doorlopend gevecht om de meerderheid van de parlementszetels. Arron deed als minister-president moeite om zich boven de dagelijkse schermutselingen te verheffen en vast te houden aan zijn beleidsagenda, maar werd geconfronteerd met een oppositie die hem bleef wegzetten als een NPS-politicus die zijn beloften niet wist waar te maken en in toenemende mate bezig was zijn greep op het landsbestuur te verliezen. De regering legde onverkort het accent op de idealen van natievor¬ ming, self-reliance en ontwikkeling. De wil om te presteren was onmis¬ kenbaar aanwezig en aan plannen om misstanden weg te nemen en onder¬ ontwikkeling terug te dringen, ontbrak het niet. Maar het daadkrachtig en resultaatgericht uitvoeren van initiatieven bleek niet zelden een zware opgave. Projecten liepen stroef als gevolg van onzakelijkheid, kortetermijndenken en een gebrek aan capaciteit. Hierdoor trad op meerdere fronten stagnatie op. De parlementaire arbeid kwam in 1979 maandenlang stil te liggen als gevolg van onenigheid tussen de coalitie en de oppositie over de toelating van een nieuw parlementslid. De oppositie weigerde aan deze toelating mee te werken in een poging de regering haar parlementaire meerderheid te ontnemen. Hierop werkte de coalitie een procedure uit om het parle¬ mentslid buiten de deelname en steun van de oppositie toe te laten. Het weinig verheffende getouwtrek tussen beide kampen bracht ernstige scha¬ de toe aan het vertrouwen in de politiek en aan de geloofwaardigheid van de volksvertegenwoordigers. Een conflict tussen de Surinaamse regering en de Surinaamse Krijgs¬ macht over de erkenning van een vakbond voor militair kader sleepte zich twee jaar voort alvorens onderofficieren - meebewegend op de golven van maatschappelijke onvrede - het vertrouwen in de legerleiding opzeg-

327

den en geconfronteerd met ontslag en gevangenisstraf op 25 februari 1980 gewapenderhand de macht overnamen. Voor Arron was de staatsgreep - in het zicht van verkiezingen die voor 27 maart waren gepland - een even abrupte als pijnlijke afsluitingvan zijn twee termijnen als eerste minister.

PARLEMENTAIRE MACHINE VASTGELOPEN

In zijn nieuwjaarstoespraak op 1 januari 1978 merkte minister-president Arron op dat Suriname zich op de goede weg bevond, vooral waar het ging om de beleving van de democratie en de rechtsstaat, zoals het ver¬ loop van de verkiezingen in oktober had uitgewezen. De teleurstellingen en tegenslagen lagen zijns inziens vooral op het vlak van de ontwikkeling van Suriname - die onder het gewenste niveau was gebleven - en op het gebied van de nog altijd tegenvallende arbeidsproductiviteit.1 Deze som¬ bere voorstelling van zaken zette de toon voor een jaar waarin de politieke verhoudingen vergaand zouden verslechteren en de wetgevende arbeid van het parlement ernstig zou stagneren.2 De eerste complicatie diende zich aan kort nadat Arron op 15 maart de regeringsverklaring had voorgelezen.3 Oud-minister Soemita kwam op vrije voeten en werd bij de ingang van de gevangenis door zijn aanhang geestdriftig verwelkomd. Soemita maakte er geen geheim van dat hij zich weer actief wilde inzetten voor zijn achterban. Hij gaf te kennen dit bij voorkeur te doen in de functie van minister. In een verklaring merkte KTPi-parlementslid Ruben Setrowidjojo op dat Soemita door de wereldse rechter was veroordeeld, maar niet door de Opperrechter. Het volk had hem niet gevonnist, want de stem van het volk was de stem van God. Voor de partijaanhang kon Soemita zijn politieke arbeid zonder bezwaar her¬ vatten. De opstelling van de ktpi na de vrijlating van Soemita zou Arron voor aanhoudende problemen plaatsen.4 In januari had het parlement met algemene stemmen zijn goedkeu¬ ring verleend aan de uitbreiding van Surinames territoriale wateren tot 12 mijl en de instelling van een economische zone van 200 mijl.5 Ook het conflict met Nederland over de cons had de relatie tussen de coalitie en de oppositie niet belast. Het staatsbezoek dat het Nederlandse koninklijk paar van 9 tot 15 februari op uitnodiging van president Ferrier en zijn echt¬ genote aan Suriname bracht - ‘ter bezegeling van een nieuwe verhou¬ ding en ter voortzetting van een oude vriendschap’, zoals de Nederlandse ambassadeur Leopold het formuleerde6 - had zelfs voor een pas op de plaats gezorgd. Maar de rust was van tijdelijke aard. De behandeling van de regeringsverklaring in april zette de sluizen van wederzijdse aanvallen, schimpscheuten en provocaties weer wagenwijd open.

328

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

Al voor aanvang van de debatten had de oppositie geklaagd dat beledi¬ gingen en hatelijkheden aan haar adres aan de orde van de dag waren zonder dat de parlementsvoorzitter ingreep. Het ontnemen van het woord aan oppositieleden en hun verwijdering uit de vergaderzaal, desnoods met medewerking van de politie, geschiedde volgens de vdp op een steeds systematischer wijze. Desondanks beloofde de oppositie veel over haar kant te zullen laten gaan om een opbouwende discussie met de coalitie mogelijk te maken.7 Het goede voornemen zou niet lang standhouden. De zaken hepen uit de hand toen oppositielid Alwin Mungra, in reactie op het verzoek van parlementsvoorzitter Wijntuin om de vergaderzaal te verlaten, de laatste dreigend toevoegde: ‘Eerstdaags ga je met stoel en al door het raam naar buiten.’ Hierbij maakte hij een beweging alsof hij een wapen uit zijn broekzak tevoorschijn wilde halen. Wijntuin voelde zich door het parlementslid bedreigd, schorste de vergadering en verdaagde deze tot een nader te bepalen dag.8 Volgens George Hindori was de oppositie er bewust opuit om parlementszittingen te verstoren. Er dienden schuldigen te worden gevonden voor de recente afwijzing door het electoraat. Daarom zaaiden Lachmon en Mungra naar zijn zeggen paniek en strooiden zij met beschuldigingen: ‘Men is blijkbaar nog niet over de verkiezingsuitslag heen. Men heeft geen vrede. Nog minder vrede heeft men, omdat de hpp - en met name Hindori - een integrerend deel uitmaakt van de npk. Hierdoor kan het sterkste verborgen wapen, namelijk dat van etnische verdeeldheid, niet meer worden gehanteerd. En dat wreekt zich.’ Rancune, afbrekende en irrelevante kritiek, schijnargumenten en persoonlijke aanvallen lieten vol¬ gens Hindori zien dat de oppositie niet begaan was met de ontwikkeling van Suriname, maar uitsluitend gedreven werd door een zucht naar macht.9 In zijn reactie gooide de VHp’er Sardjoe het over een bekende boeg. Hij hekelde de onoprechtheid van Hindori door te refereren aan zijn overlo¬ pen naar de coalitie. Diens onvoorwaardelijke dienstbaarheid aan de npk verklaarde Sardjoe uit het royale inkomen dat hij verdiende, volgens het oppositielid mogelijk gemaakt door tal van lucratieve bijbanen.10 De debatten, waarin leden van de coalitie en de oppositie spreek¬ beurten van vele uren voor hun rekening namen, ontaardden op 5 mei opnieuw in verbale schermutselingen, waarna de voltallige oppositie uit protest de vergaderzaal verliet.11 De beantwoording door premier Arron van vragen die parlementariërs over de regeringsverklaring hadden ge¬ steld, werd eveneens ontsierd door felle botsingen tussen npk- en vdpvertegenwoordigers en door ordeverstoringen die door voorzitter Wijntuin met moeite konden worden bedwongen. Uiteindelijk zou de regerings-

329

verklaring met 21 tegen 13 stemmen worden goedgekeurd.12 Voor Arron betekende de uitslag dat hij zijn voorgenomen beleid kon uitvoeren. Toch woog de verkregen instemming nauwelijks op tegen de reputatieschade die het parlement had opgelopen. Vanuit de samenleving kwamen steeds meer reacties die erop wezen dat de volksvertegenwoordiging haar plich¬ ten verzaakte en bezig was een karikatuur van zichzelf te maken. Het Comité Christelijke Kerken merkte in een memorandum op dat verdeeldheid en conflict de boventoon leken te voeren in het parlement, terwijl de ontwikkelingshulp waarover dit college besluiten nam, nog altijd niet de armste en meest achtergestelde groepen had bereikt. De regering en het parlement deden er volgens het Comité goed aan om in aanvulling op grootschalige projecten, zoals in West-Suriname, kleinschalige pro¬ jecten van de grond te tillen. Die projecten dienden aan te sluiten bij de lokale behoeften en uitgevoerd te worden in het besef dat Suriname een ontwikkelingsland was en geen aanhangsel van de eerste wereld met zijn oriëntatie op winstmaximalisatie en consumptie. De focus op een ver¬ meerdering van de welvaart van enkelen diende naar het oordeel van het Comité plaats te maken voor een verhoging van het welzijn van de totale bevolking.13 In juni ging in Paramaribo het Doe-theaterstuk Keskesi Sani (apenkuren) in première. In een van de bekendste scènes uit dit stuk wordt het Surinaamse parlement uitgebeeld als een losgeslagen groep door elkaar schreeuwende apen. De scène riep bij het publiek reacties van herken¬ ning op en maakte ten overvloede duidelijk dat de leden van dit college in korte tijd sterk in de achting van de bevolking waren gedaald.14 Bijnamen van het parlement die in de zomer van 1978 in omloop kwamen, waren vereniging Wi Prisiri (Ons genoegen) en Circus Stupido (geïntroduceerd door Wilfred Lionarons, hoofdredacteur van De Vrije Stem).15 Weer ande¬ ren betitelden de debatten in de volksvertegenwoordiging als ‘een verma¬ kelijk alternatief voor lieden die te laat voor de bioscoopvoorstellingen zijn.10 Bij de opening van het parlementaire jaar werd op de Nederlandse ambassade bezorgd vastgesteld dat de rede van president Ferrier, die hij namens de regering had uitgesproken, veel futiele details en gratuite toe¬ zeggingen bevatte, maar ten onrechte voorbijging aan het disfunctioneren van het hoogste orgaan van de staat.17 In de Financiële Nota wees minister Goede op de ongewenste stijgingen van de lonen en prijzen en waarschuw¬ de hij voor de verslechterende concurrentiepositie van Suriname die hiervan het gevolg zou zijn. De sombere economische vooruitzichten en het uitblijven van passende maatregelen waren voor oppositieleider Lach-

330

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

mon aanleiding om te spreken van een economische crisis die alleen doel¬ treffend door een nationaal kabinet zou kunnen worden bestreden.18 Tijdens de begrotingsbehandeling in november slaagde het oppositielid Henk Herrenberg erin dertien uur achtereen aan het woord te blijven. Het fenomeen filibuster had ook in de Surinaamse politiek zijn intrede gedaan.19 Binnen de coalitie laaiden de spanningen tussen Arron en Soemita geleidelijk weer op. De KTPi-leider, offensief werkend aan zijn eerher¬ stel, ontkende dat hij zich schuldig had gemaakt aan het aannemen van steekpenningen. Hij had naar eigen zeggen alleen een juridisch-technische, zo men wil administratieve fout gemaakt. Doordat hij zijn straf had uitgezeten, was deze fout echter gecorrigeerd. Desondanks meende hij nog altijd met te weinig respect door coalitiegenoten, in het bijzonder Arron, te worden behandeld. Het zat de KTPi-voorzitter met name dwars dat hij bij de laatste onafhankelijkheidsviering niet was gedecoreerd. Zijn veroordeling had de toekenning van een onderscheiding in de weg gestaan.20 De dagelijkse leiding van de

ktpi

was tijdens zijn internering in han¬

den geweest van een driemanschap onder leiding van Amat, die zich met zijn verzet tegen de dominante positie van de Soemita-dynastie had ont¬ popt als de belangrijkste tegenstrever van de ber 1978 proclameerde Amat de Aktiegroep

kt pi-voorzitter. ktpi,

Op

8

decem¬

die zich in niet mis te

verstane bewoordingen distantieerde van de leiding van de

ktpi

en te ken¬

nen gaf de partij te willen herstructureren. De Aktiegroep liet daarbij weten zich loyaal en zakelijk te zullen opstellen binnen de NPK-fractie.21 De afkondiging miste haar doel niet. Op 13 december 1978 kwam het tot een botsing tussen Arron en de twee andere KTPi-parlementariërs. Bij de minister-president bestond al langer ergernis over de politieke ambi¬ ties van Soemita, die opnieuw aasde op een belangrijke positie en zijn frustraties over het niet bereiken van dit doel steeds meer de vrije loop liet. Soemita oordeelde dat Arron afspraken over de taakomschrijving van onderminister van Binnenlandse Zaken en Districtsbestuur PawiroOelomo niet nakwam. Hij stelde zich op het standpunt dat zijn partijge¬ noot tekort werd gedaan met een inhoudelijk onbeduidende portefeuille. Volgens Soemita kreeg Pawiro-Oelomo een paar kruimels toegeworpen in plaats van als een volwaardig lid van het kabinet te worden behandeld. In het parlement was het de KTPi’er Setrowidjojo die namens zijn voor¬ zitter bij de regering verhaal kwam halen. Arron beschouwde diens aan¬ val als een ongefundeerde aantasting van zijn integriteit. De taakstelling van ministers en onderministers was immers geen zaak van de formateur

331

of de minister-president, maar van de voltallige ministerraad. Hij wees erop dat de

ktpi

tijdens een bijeenkomst van de raad zonder voorbehoud

met de inhoud van de portefeuille van Pawiro-Oelomo akkoord was ge¬ gaan. Voor Arron was de maat vol. Hij besloot het conflict aan te grijpen om zich van de

ktpi

te ontdoen, echter niet na zich ervan te hebben verze¬

kerd dat Amat hem zou blijven steunen. In reactie op de uitlatingen van Setrowidjojo kondigde Arron aan niet langer met de

ktpi

in coalitiever¬

band te willen optrekken, waarna op 14 december de twee KTPi-parlementariërs die Soemita trouw wensten te blijven zich op last van hun voorzitter uit het NPK-blok terugtrokken en zich aansloten bij de opposi¬ tie. Een motie van wantrouwen ingediend door de oppositie werd met 20 tegen 19 stemmen verworpen. Aansluitend stapten de

ktpi-ministers

Ardjosemito (Sociale Zaken) en Sisal (Landbouw, Veeteelt en Visserij) en KTPi-onderminister Pawiro-Oelomo uit de regering.22 In januari 1979 richtte Amat met leden van de Aktiegroep

ktpi

een

nieuwe partij op, de Partij Perbangunan Rakjat Surinam (Progressieve Partij van de Opbouw van Suriname,

pprs).

De

nps,

erop gebrand de

NPK-meerderheid in het parlement te behouden, steunde de totstandko¬ ming van de

pprs.

De betrokkenheid van de grootste coalitiepartner bij

de oprichting van de splinterpartij was dermate groot dat critici van de regering - Soemita voorop - de pprs typeerden als een NPS-creatie en een verlengstuk van de die in de

ktpi

npk.

Volgens Soemita was Amat een geboren NPs’er,

was geïnfiltreerd en na een mislukte poging tot machts¬

overname onder de hoede van de

nps

een eigen partij was begonnen.23

Op 14 februari werden de ppRS-ministers J.T. Kasantaroeno (Landbouw, Veeteelt en Visserij) en R. van Ling (Sociale Zaken) en ppRS-onderminister F. Martodihardjo (Binnenlandse Zaken en Districtsbestuur) in hun nieuwe functies beëdigd.24 De coalitie beschikte thans over een parlementaire meerderheid van één

zetel.25 Dit bracht de redactie van De Ware Tijd ertoe Arron te typeren

als een politieke koorddanser, die was uitgegleden en zich nu met de moed der wanhoop vastklampte aan het smalle touw. Volgens de krant deed hij er verstandig aan vervroegde verkiezingen uit te schrijven, zodat een nieuwe krachtige regering kon aantreden.26 In een verwant commentaar verklaarde De Ware Tijd dat ook gelet op de straatacties van de

SKM-on-

derofficieren (zie volgende paragraaf) er sprake was van een ‘ongezonde ontwikkeling’ in Suriname: ‘Dit kan niet al te lang voortgaan. Een proces van zelfontbinding schijnt zich te hebben ingezet. Het zou beter zijn het mes erin te zetten, dan dit proces te laten voortzieken totdat door de

332

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

voortgeschreden rotting de hele gemeenschap niet meer zal kunnen ont¬ snappen aan een totale instorting.’27 Hoewel dit een wat gedramatiseerde voorstelling van zaken was, klop¬ te het dat het reorganiseren van de coalitie een gelegenheidsoplossing was. Er lagen geen inhoudelijke factoren aan ten grondslag. Het behoud van de parlementaire meerderheid had vooropgestaan. De zelfvoldane wijze waarop Arron volgens de oppositie te werk ging en de verbetenheid waarmee hij zijn regering overeind hield, sloegen in toenemende mate negatief op de NPK-leider terug. VDP-politici putten gretig uit het arsenaal van tegenvallers en teleurstellingen om Arron in een ongunstig daglicht te plaatsen. De verkiezingsbelofte die hij had verbroken en de vermeende stembusfraude in Commewijne werden bij herhaling aangedragen als be¬ wijs voor zijn oneerlijkheid. Leimofo Henckie (leugenaar Henckie) enyu hencki mi (je houdt mij voor de gek)28 kregen als uitdrukkingen geleide¬ lijk een plaats in het taalgebruik. Volgens zijn criticasters was het succes Arron naar het hoofd gestegen en ging hij zich te buiten aan Arrongantie. Er bestond geen twijfel over dat Arron een trotse en zelfbewuste man was, die met opgeheven hoofd door het leven ging en graag uitstraalde dat hij het maatschappelijk had gemaakt. Ijdelheid en een zekere mate van zelfingenomenheid waren hem niet vreemd. Maurits de Miranda: ‘Dat had vooral met zijn houding te maken. Alleen al door zijn manier van lopen, rechtop en met de ogen vastberaden op zijn omgeving gericht, wekte hij de indruk hooghartig te zijn. Als hij zich met medewerkers in zijn kielzog naar zijn kabinet aan de Gravenstraat begaf en de stoep opging om naar binnen te gaan, schoten mensen hem aan. Vaak hadden zij al een tijdje op hem staan wachten. Doorgaans waren het eenvoudige mensen die hem iets wilden vertellen of hem iets wilden vragen. Arron zei dan altijd: “Later, later” en snelde zonder hun reactie af te wachten naar zijn kantoor. Op mensen kwam dat arrogant over. Zij vroegen zich af of hij zich te goed voelde om een praatje met hen te maken. Zij vergeleken hem dan met Pengel, die zij gemoedelijker en toegankelijker vonden.’29 De beschuldigingen waren een vast bestanddeel van het oppositionele instrumentarium. Door Arrons veronderstelde zwakheden aan te dikken en uit te vergroten, kon de

vdp

hem des te steviger aanpakken. Ronald

Venetiaan: ‘Dat Arron arrogant en corrupt was, is vóór 1980 door de op¬ positie gebruikt om hem als regeringsleider neer te halen en na 1980 door de militairen aangegrepen om hun staatsgreep te rechtvaardigen. Maar wat zij arrogant noemden, was in de kern zelfverzekerdheid. Arron was overtuigd van zijn zaak en werkte onbevreesd toe naar resultaten. Met zijn politieke talenten was hij anderen vaak net een stapje voor en wist hij

333

veel van zijn doelen te realiseren. Mensen die daarbij aan het kortste eind trokken, voelden zich dan door hem gepakt. Bruma is daar een voorbeeld van. Die had zich een half leven sterk gemaakt voor de onafhankelijk¬ heid, maar Arron ging er in 1975 met de buit vandoor. Dat stak de

pnr.

Dat wil niet zeggen dat Arron een heilige was. Een loopje met de waar¬ heid nemen is soms nodig in de politiek. Ook Arron was niet altijd een strenge meester van de waarheid. Maar op dit punt onderscheidde hij zich niet wezenlijk van andere politici. Hij was niet de notoire leugenaar waar hij vaak voor werd uitgemaakt. En met corruptie heeft hij zich nooit ingelaten.’30 Aan de vermeende arrogantie van Arron kleefde nog een ander aspect. Los van de trots op zijn verworven positie die hij wilde uitdragen, beoog¬ de hij tegelijk een schild op te trekken om zichzelf tegen zijn omgeving te beschermen. Het creëren van afstand was een voorwaarde om zich als mens en politiek leider te kunnen handhaven. Daarbij was het sowieso onmogelijk om doorlopend voor burgers beschikbaar te zijn. De agenda van de minister-president liet dit eenvoudig niet toe. Zijn tijd en bewe¬ gingsvrijheid als partijvoorzitter waren aan vergelijkbare beperkingen gebonden. Door de NPS-achterban werd dit niet altijd begrepen. Menig partijganger hechtte belang aan een directe band met de leiding en meen¬ de de partijvoorzitter op elk gewenst moment te kunnen benaderen.31 Toen op 3 mei 1979 de NPS-parlementariër W. Zalmijn overleed ver¬ loor de regering haar meerderheid in het parlement. Krachtens de kies¬ wet was M.M. Koorndijkde opvolger van Zalmijn. Hoewel Koorndijkgold als een bij plaatsvervanging wettig gekozen lid van het parlement weiger¬ de de oppositie mee te werken aan zijn formele toelating. Daarmee zag de coalitie zich gesteld voor een serieus probleem. Het was immers het parlement dat over de toelating van het nieuwe lid besliste en een beslis¬ sing kon alleen worden genomen in een vergadering met quorum. Het reglement van orde bepaalde dat de parlementsvoorzitter een commissie benoemde die de geloofsbrieven van het nieuwe lid onderzocht en hier vervolgens, mondeling of schriftelijk, verslag over uitbracht. Vervolgens nam het parlement mede op basis van dit verslag een besluit over zijn toelating. De coalitie meende een oplossing voor de ontstane patstelling te heb¬ ben gevonden. De parlementsvoorzitter kon de commissie in zijn werk¬ kamer in plaats van in het parlement benoemen. Deze commissie kon dan de geloofsbrieven van het nieuwe lid onderzoeken en het schriftelijke verslag hiervan bij de griffier deponeren. Op deze wijze kon de quorumkwestie worden omzeild. Volgens de coalitie druiste een dergelijke han-

334

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

delwijze niet in tegen het reglement van orde, aangezien deze procedure strikt genomen alleen maar een afwijking inhield van het gewoonte¬ recht. Het was het breken met een conventie waartegen de wet zich niet verzette. Maar aan deze opvatting lag volgens menig jurist een onjuiste interpretatie van wetteksten ten grondslag. Bovendien ging de coalitie voorbij aan de politieke dimensie van de zaak. De coalitie was haar meer¬ derheid kwijt, de oppositie voelde zich niet geroepen de regering aan een meerderheid te helpen en dus was het thans aan het electoraat om via verkiezingen uit te maken bij wie de macht berustte. De vorming van een regering van nationale eenheid was onder de gegeven omstandigheden alleen theoretisch mogelijk.32 Op 14 mei liet de VDP-fractie in een brief aan parlementsvoorzitter Wijntuin weten dat zij niet langer quorum zou verlenen voor het houden van vergaderingen.33 Daags erna legde Lachmon tijdens een persconfe¬ rentie uit dat de oppositie weigerde mee te werken aan de toelating van Koorndijk, omdat de regering niet langer de steun van het volk genoot en met haar beleid bezig was de economie van het land te gronde te richten. Dit beleid kon alleen worden omgebogen door een andere regering die na verkiezingen de macht in handen zou krijgen. De zittende regering, die met veel kunst- en vliegwerk en, volgens Lachmon, met manipulaties en wetsovertredingen, haar positie meende te kunnen consolideren, had haar bestaansrecht verloren.34 Voor de NPK-regering was deze opstelling geen reden om van koers te veranderen. Na door het hoofdstembureau gekozen te zijn verklaard, werd Koorndijk op 19 mei door president Ferrier beëdigd. Vervolgens overhan¬ digde hij zijn geloofsbrieven aan parlementsvoorzitter Wijntuin.35 Arron verklaarde tijdens een persconferentie dat een fundamenteel recht van Koorndijk zou worden geschonden als hem na het afleggen van de eed in handen van de president de toelating tot het parlement zou worden ont¬ zegd. Het onderzoeken van de geloofsbrieven van Koorndijk was naar zijn zeggen een formaliteit die volgens het reglement van orde schrifte¬ lijk kon worden afgedaan zonder dat een openbare vergadering hoefde te worden belegd. Het was niet de bedoeling dat het parlement een politie¬ ke afweging maakte. Het ging uitsluitend om het vaststellen van de feitelijke juistheid van het proces-verbaal van het stembureau, de geboorteakte van Koorndijk en de verklaring dat hij de eed in handen van de president had afgelegd. Het was volgens Arron niet meer dan een kwestie van poli¬ tiek fatsoen om in het parlement aanwezig te zijn als een nieuw lid, dat wettig gekozen was, zijn intrede deed.36 Op 20 mei trokken Arron, Van Genderen en Nooitmeer tijdens een

335

partijraadsvergadering op Grun Dyari fel van leer tegen de oppositie. Zij stelden vast dat deze bezig was de ontwikkeling van het land te sabote¬ ren, juist nu het van belang was hier met vereende krachten aan te wer¬ ken. Arron opende de aanval op Soemita, die met de

ktpi

tot het

vdp-

blokwas toegetreden (‘soort zoekt soort’) en maakte de toetreding van de pprs

tot de

npk

bekend. Zijn voornaamste zorg, zo liet hij weten, was de

voortzetting van de coalitie. De val van het laatste kabinet-Pengel stond hem nog helder voor de geest en hield voor hem een belangrijke les in: ‘Laten wij niet voor de tweede keer - zoals in 1969 - de fout maken om de portefeuilles van het kabinet ter beschikking te stellen van het volk! ’37 Koorndijk werd op 25 mei volgens de door de coalitie uitgedachte procedure tot het parlement toegelaten. Hij tekende de presentielijst, zijn geloofsbrieven werden door een door voorzitter Wijntuin aangewezen commissie onderzocht en in orde bevonden, en vervolgens werkte Koorn¬ dijk als 20ste lid aan zijn eigen toelating mee.38 Arron herhaalde dat hij de wet aan zijn zijde had en dat Lachmon er alleen maar opuit was om zand in de wielen van de parlementaire machine te strooien. Een samenwer¬ king tussen de n p s en de vh p was naar zijn zeggen uitgesloten gelet op de breuk tussen beide partijen en hun uiteenlopende visies op de ontwikke¬ ling van Suriname. Arron verklaarde vastbesloten te zijn om door te gaan met regeren en zich niet te laten afleiden door wat hij bijzaken noemde. Maar zo luchthartig werd de affaire door de oppositie niet opgeno¬ men. Twee dagen na de toelating van Koorndijk eiste de

vdp

tijdens een

massameeting in theater Bellevue het aftreden van het kabinet-Arron en het houden van verkiezingen. De

vdp

dreigde niet mee te zullen werken

aan de verkiezing van een opvolger van president Ferrier, die de maand daarvóór zijn aftreden bekend had gemaakt. Bij de ingang van Bellevue werden pamfletten uitgedeeld waarop Arron en Wijntuin waren afgebeeld terwijl zij bezig waren de grondwet te verscheuren.39 De demon¬ stratie vormde de opmaat tot een impasse tussen de coalitie en de opposi¬ tie die maanden zou aanhouden en het parlementaire werk vrijwel zou stilleggen. In de nacht van 31 mei op 1 juni werden het parlementsgebouw, de studio van Radio Paramaribo (Rapar), scholen, overheidskantoren en winkels beklad met leuzen tegen de coalitie. Vooral Arron en Wijntuin moesten het ontgelden. ‘Arron schaamteloos’, ‘Arron go home’, ‘Arron en Wijntuin verkrachters art. 74’ en ‘npk go home’ waren enkele van de tek¬ sten die met verfbussen op de gevels waren gespoten.40 Het Doe-theater startte op 8 juni een serie voorstellingen van het stuk Tk hoor, ik zie, ik zwijg’, dat de situatie in het land op de hak nam. Niet alleen kregen zitten-

336

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

de politici ervan langs, maar ook de bevolking, die zich volgens tekst¬ schrijver Thea Doelwijt overwegend apathisch toonde en de ogen sloot voor misstanden.41 Op n juni 1979 sprongen oppositieleden in het parlement op tafels en gooiden stoelen en microfoons door de zaal uit protest tegen wat zij ervoeren als het eigenmachtige optreden van de regering.42 Het lukte Arron en Lachmon niet om tot een vergelijk te komen. De regeringsleider weigerde zich — zoals hij het formuleerde — door de oppo¬ sitie te laten chanteren en te buigen voor ‘de dictatuur van de minder¬ heid . Op zijn beurt volhardde de oppositieleider in zijn kritiek op de re¬ gering, die volgens hem rechtsregels met voeten trad en niet langer de volkswil representeerde. Coalitieleden verduidelijkten dat al in 1955 een parlementariër met instemming van collega-Statenleden (inclusief vhpleider Lachmon) over zijn eigen toelating had meegestemd43 en dat Lach¬ mon in 1961 in de Staten had verklaard dat voorgedragen schaduwkandidaten die door het hoofdstembureau gekozen waren verklaard niet door de Staten ervan konden worden weerhouden hun zetel in te nemen.44 De oppositie verkoos niet op deze precedenten in te gaan en insisteerde dat Koorndijk niet over zichzelf had mogen oordelen en om die reden on¬ rechtmatig en ongrondwettig tot het parlement was toegelaten. Een me¬ morandum van de vdp aan president Ferrier werd door de laatste met verwijzing naar de autonomie van het parlement slechts in formele zin beantwoord. Het was duidelijk dat het staatshoofd zich niet in het con¬ flict wenste te mengen.45 Op 1 augustus 1979 maakte het oppositielid Herrenberg bekend dat hij in ‘honger- en dorststaking’ ging. Naar eigen zeggen wilde hij met zijn actie het geweten van de burgerij wakker schudden en aandacht vragen voor de ontwrichting van de parlementaire democratie. Het was zijn stel¬ lige overtuiging dat de regering, gesteund door de coalitie, was ‘afge¬ gleden naar de dictatuur’, maar deze bedenkelijke ontwikkeling leek nog onvoldoende tot de meerderheid van de bevolking doorgedrongen. Her¬ renberg riep de regering op ‘onwettig genomen besluiten’ - waarmee hij besluiten bedoelde die het parlement bij afwezigheid van de oppositie had genomen - niet uit te voeren. Meer in het bijzonder verzette hij zich tegen het voornemen van de regering om op deze ‘eenzijdige wijze’ een grensverdrag met Frankrijk te sluiten en een nieuwe president te kiezen. De bestaande politieke crisis kon naar zijn mening alleen worden bezwo¬ ren als er serieuze gesprekken op gang kwamen tussen de coalitie en de oppositie.46 De actie sorteerde nauwelijks effect. Er was een statement gemaakt (‘Het heeft te lang geduurd’)47, maar dit bracht de twistende partijen niet

337

nader tot elkaar. Een op initiatief van Wijntuin georganiseerd gesprek tussen Nooitmeer en Lachmon leverde evenmin resultaat op.48 De

vdp,

die haar geduld begon te verliezen, weigerde nog langer genoegen te ne¬ men met de neutrale opstelling van Ferrier. De partijcombinatie liet de president weten niet aanwezig te zullen zijn bij zijn jaarrede op 1 septem¬ ber indien hij zich afzijdig zou blijven opstellen en de toetreding van Koorndijk tot het parlement niet ongedaan zou maken.49 Er zou in dat ge¬ val geen quorum zijn wanneer Ferrier in een plechtige zitting van het parlement het regeringsbeleid uiteen zou zetten. Bovendien waren in dat geval buitenparlementaire acties niet uitgesloten. Aangezien hij in een dergelijk scenario en een mogelijke aantasting van zijn waardigheid als president moeilijk kon berusten, besloot Ferrier op 22 augustus in te grijpen. Hij praatte eerst met de politieke leiders af¬ zonderlijk en riep vervolgens Arron, Fachmon, Wijntuin en Nooitmeer bij elkaar voor gezamenlijk overleg. Er volgde een moeizaam beraad. Ferrier en Fachmon oefenden druk uit op Arron om hem van de ernst van de situatie te doordringen. Het landsbelang vroeg om het doorbreken van de ontstane patstelling. Op 30 augustus aanvaardde het gezelschap een compromis. Op 31 augustus zou het voltallige parlement bijeenkomen om Koorndijk als lid toe te laten. Daar stond tegenover dat er binnen zes maanden verkiezingen zouden worden gehouden. De oppositie zag in deze laatste afspraak aanleiding haar verzet tegen het bijwonen van de plechtige zitting van het parlement op 1 september te staken.50 Voor Arron was de interventie van de president een tegenvaller. Hoewel de twee naar eigen zeggen een goede werkrelatie met elkaar on¬ derhielden, hadden zij een verschillende kijk op hun wekelijkse ontmoe¬ tingen op het paleis. Ferrier typeerde hun relatie bij voorkeur als een vader-zoonverhouding waarbij de eerste de tweede als raadgever, adviseur en klankbord bijstond. Vooral in de beginperiode van Arrons premier¬ schap hadden hun gesprekken volgens de president hun nut bewezen, maar ook nadien maakte Arron naar zijn zeggen graag van zijn bestuurlij¬ ke inzichten en vaderlijke wenken gebruik.51 Op zijn beurt behield Arron een zekere afstand tot het staatshoofd. Hij had er geen moeite mee dat deze hem met ‘Henck’ aansprak, maar hield het omgekeerd graag bij ‘pre¬ sident’. Dit had te maken met een verschil in senioriteit - Ferrier was 26 jaar ouder dan Arron - en het gangbare betuigen van respect jegens een oudere collega, maar vooral met de gewoonte van de president om zich wat vormelijk op te stellen en zijn ambitie om te figureren als een boven de partijen staande gezagsdrager. Van dit laatste dacht Arron het zijne. Gelet op zijn rol bij de val van Pengel kon Ferrier in zijn ogen moeilijk

338

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

doorgaan voor een apolitiek bestuurder. Bovendien verdroeg zijn cultive¬ ring van hechte relaties met Nederland, in het bijzonder met het Huis van Oranje, zich niet in alle opzichten met het beeld van de soevereine staat Suriname dat Arron wenste uit te dragen. Tot zijn ongenoegen was de kritiek die Ferrier binnenskamers had geuit op zijn besluit om de ver¬ kiezingen van 1976 niet door te laten gaan, teruggekeerd in de discussie over de toelating van Koorndijk, maar nu met een minder gewenste uit¬ komst.52 De vergadering van het parlement op 31 augustus - die niet door Koorndijk zelf werd bijgewoond - duurde slechts kort. Het parlement aanvaardde met algemene stemmen (38) een motie van de oppositie in¬ houdende het alsnog goedkeuren van de geloofsbrieven van het lid Koorn¬ dijk. Volgens fractieleiders Lachmon en Nooitmeer toonde het sluitstuk van de affaire-Koorndijk dat de democratische gezindheid in Suriname springlevend was. De dag erna wees Ferrier aan het einde van zijn jaarrede de volksvertegenwoordiging op de plichten die het parlementaire stelsel oplegde aan degenen die tot leiding geven waren geroepen. Om er zeker van te zijn dat de verkiezingsbelofte gestand zou worden gedaan, liet de oppositie weten dat zij vóór de te houden verkiezingen niet zou meewer¬ ken aan de verkiezing van een nieuwe president. Lachmon zag in Ferrier vooralsnog een onmisbare bondgenoot en een garantie voor een goed verloop van de aankomende verkiezingen.53 Arron verklaarde naderhand dat het voorstel vervroegde verkiezingen uit te schrijven van hem kwam, niet van Ferrier of Lachmon. Naar zijn zeggen had de NPK-regering al sinds het uittreden van de

ktpi

uit de coa¬

litie besloten om het parlement op een geschikt moment te ontbinden en vervroegde verkiezingen uit te schrijven. De kwestie-Koorndijk was het juiste moment. Arron: Wie heeft een einde gemaakt aan het tweede kabinetArron? Arron zelf heeft dit gedaan. De militairen hebben op 25 februari de de¬ mocratie en de rechtsstaat weggeschoten, maar het politieke einde van het ka¬ binet dateert van 30 augustus. De militairen hebben op 25 februari het kabinet wel fysiek weggejaagd. Maar het was een demissionair kabinet dat op het punt stond door een nieuw kabinet te worden afgelost.54 Volgens De Ware Tijd had het akkoord van 30 augustus de politieke crisis voorlopig tot stilstand gebracht, maar was het ‘onderonsje’ dat eraan vooraf was gegaan een parlementaire democratie onwaardig. En als het waar was dat Arron al langer van plan was geweest vervroegde verkiezin¬ gen uit te schrijven, dan had hij naar het oordeel van de krant zijn achter¬ ban geruime tijd misleid en zich wederom van zijn onwaarachtige kant laten zien.55 Het ‘geschikte moment’ was volgens het ochtendblad gecre-

339

eerd door Lachmon. Bij het oplossen van de affaire was Arron een volger geweest, geen initiatiefnemer.56 Sinds 30 augustus was het kabinet-Arron demissionair. Het handelde lopende zaken naar beste vermogen af, maar schoof belangrijke politieke beslissingen voor zich uit. Vooral voor de sociaal-economische ontwikke¬ ling van het land had dit nadelige consequenties. Er was sinds de onaf¬ hankelijkheid al minder van de grond gekomen dan Arron voor ogen had gestaan. Maar de reeds ingezette stagnatie greep nu in versterkte mate om zich heen en de gevolgen waren voor delen van de bevolking niet zel¬ den pijnlijk. De oorzaken hiervan lagen deels buiten het bereik van de re¬ gering. Paramaribo had geen greep op de achteruitgang van de wereld¬ economie, de stijgende kosten van energie en het terugdraaien van de productie door de in Suriname actieve bauxietmaatschappijen. Deels schoot de regering echter tekort, legde onvoldoende bestuurlijk gewicht in de schaal en ondernam te weinig om de noden van de bevolking te ver¬ lichten. In het bijzonder de lagere sociale klassen ondervonden aan den lijve de effecten van de stijgende werkloosheid, de toenemende kosten van levensonderhoud, de woningnood, de gebrekkig functionerende nutsbedrijven, de achterstallige uitbetaling van de kinderbijslag en de al¬ gemene oudedagsvoorziening (aov), en het ontbreken van een minimum¬ loon, een werkloosheidsuitkering en een algemene ziektekostenverzeke¬ ring. Als gevolg hiervan besloten weer meer Surinamers hun land de rug toe te keren. Na een aantal jaren van relatief beperkte emigratie naar Nederland steeg het aantal Surinamers dat de wijk naar het voormalige moederland nam eind 1979 naar 2000 per maand.57 Bij delen van de

nps

bestond steeds minder geduld met de geringe

vorderingen die de regering maakte op sociaal-economisch gebied. Arron trof het verwijt dat hij zich te veel vastbeet in zijn eigen gelijk en te achte¬ loos signalen uit zijn omgeving negeerde. Waarom luisterde hij niet beter naar mensen die werkelijk een toegevoegde waarde hadden en het goed met hem meenden? Waarom investeerde hij zo weinig tijd in belangrijke dossiers en loste hij niet slagvaardig zaken op die dringend om een oplos¬ sing vroegen? Veel partijleden weigerden Arron weg te laten komen met uitspraken als ‘Had ik dat beloofd?’ - als zijn gesprekspartners zich stellig herinnerden dat hij dingen had toegezegd -, ‘Vind je het niet goed zo?’ - als hij kritiek van partijgenoten te verduren had gekregen - en ‘Heb je het eindelijk door?’ - als hij wilde voorwenden op de hoogte te zijn van bepaalde zaken, terwijl zijn omgeving wist dat dit niet of slechts in be¬ perkte mate het geval was. Het effect van deze reacties was dat mensen dichtklapten en discussies in de kiem werden gesmoord.58 Ook andere ty-

340

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

perende frasen waarmee Arron zijn omgeving placht te overtroeven, scho¬ ten steeds vaker hun doel voorbij. Je moet je niet laten leiden door een situatie, jij moet de situatie leiden’ was een van die uitdrukkingen.59 In de aanloop naar het cruciale jaar 1980 had 'de situatie’ Arron echter meer in de greep dan hij bereid was toe te geven.60 Een vergadering van de partijraad van de ber 1979

nps

ontaardde eind decem¬

felle woordenwisselingen. Voorstanders van meer demo¬

cratie in de partij werd het spreken onmogelijk gemaakt door luidkeels agerende NPS-vrouwen. Partijleden die de brede basis-gedachte propa¬ geerden, werden scherp aangevallen.61 Voor Arron kon er geen misver¬ stand over bestaan: Geen brede of ruimere basis. Onze basis is de

npk

en

die is breed genoeg.’62 Partij raadsvoorzitter Van Genderen speurde naar mogelijkheden om af te rekenen met zijn rivaal. Hij praatte in op Nooitmeer om het voorzitterschap van Arron over te nemen. De NPK-fractieleider kon meegaan met een deel van de kritiek op Arron, maar weigerde hem af te vallen. Ook in navolgende jaren zou de trouw van Nooitmeer blijken. Op kritieke momenten koos hij altijd de kant van Arron.63

ONDEROFFICIEREN IN STAKING

Vooruitlopend op de omvorming van de Troepenmacht in Suriname (tris)

- een detachement van het Koninkrijksleger - in de Surinaamse

Krijgsmacht

(skm)

waren vlak voor de soevereiniteitsoverdracht in 1975

veel militairen van Surinaamse afkomst die in Europa waren opgeleid naar Suriname teruggekeerd. Sommigen van hen waren uit eigen beweging gekomen, vervuld van hooggestemde idealen en grootse verwachtingen. Anderen waren overgehaald door de Surinaamse regering, die gerichte wervingscampagnes was gestart waarbij een dringend beroep werd ge¬ daan op het verantwoordelijkheidsgevoel en de vaderlandsliefde van po¬ tentieel belangstellenden. De nieuwe krijgsmacht diende op sterkte te worden gebracht nu Nederlandse militairen niet langer hun dienstplicht in Suriname zouden vervullen en Nederlandse beroepsmilitairen in meer¬ derheid zouden repatriëren. Om militairen die in Nederland werkzaam waren geweest in Suriname niet in inkomen achteruit te laten gaan, was een suppletieregeling in het leven geroepen. Die voorzag in een toeslag op de wedde van deze werknemers tot hun oude salarisniveau. Bij de soe¬ vereiniteitsoverdracht waren Suriname en Nederland overeengekomen dat de suppletieregeling met middelen uit de Nederlandse schatkist gefi¬ nancierd zou worden. Met veel enthousiasme hadden de meeste militairen de oversteek naar hun geboorteland gemaakt, ervan overtuigd een bijdrage te kunnen leve-

341

ren aan de verdere opbouw van Suriname. Er heerste een stemming van schouders eronder en met volle inzet werken aan de toekomst van land en volk. Het bevel over de

skm

was opgedragen aan kolonel Henk Elstak,

een officier van Surinaamse afkomst, die geboren was in Paramaribo, maar carrière had gemaakt in het Nederlandse leger.64 Luitenant-kolonel Reuben Essed trad op als plaatsvervangend bevelhebber en bataljons¬ commandant. Om de legerleiding te assisteren bij het opzetten van de skm

was bij de onafhankelijkheidsbesprekingen bepaald dat een Neder¬

landse Militaire Missie aan de Nederlandse ambassade zou worden toe¬ gevoegd. Deze Missie, die onder leiding stond van kolonel Hans Valk, had tot taak de

skm

advies te geven op het gebied van logistiek, organisatie,

administratie, technische zaken en opleiding. Tevens betrof deze assis¬ tentie het onderhoud en de vervanging van het materieel dat Nederland bij de onafhankelijkheid aan Suriname had overgedragen. Voor het kabinet-Arron was het hebben van een eigen leger tijdens de besprekingen met Nederland een harde eis geweest. Nederlandse be¬ windspersonen hadden de noodzaak van een eigen krijgsmacht in twijfel getrokken en het opzetten van een volwaardig defensieapparaat afgera¬ den, ook gelet op de geschiedenis van staatsgrepen in de regio. Volgens het kabinet-Den Uyl kon een goed voor zijn taak berekende politiemacht de verdediging van de grenzen en de handhaving van de soevereiniteit op zich nemen. In reactie hierop had minister Hoost naar voren gebracht dat een leger onlosmakelijk bij een zelfstandige staat hoorde en dat het onthouden van een militair apparaat aan Suriname zou neerkomen op het toekennen van een gedeeltelijke zelfstandigheid. Er mocht ook niet te lichtvaardig worden geoordeeld over de verdediging van de landsgrenzen. Guyana liet nog altijd machtsaanspraken gelden op Surinaams grondge¬ bied en was tegen de afspraken van Chaguaramas in nog altijd niet tot een demilitarisering van de omstreden driehoek overgegaan. Nederland ging voor deze argumenten door de knieën.65 Bij de start van de

skm

demonstreerden Surinaamse ministers vooral

hun onwennigheid met krijgsmachtaangelegenheden. Legerzaken waren gemakshalve ondergebracht bij het departement van Justitie en vielen onder de verantwoordelijkheid van minister Hoost. Door het ontbreken van relevante kennis en ervaring bij de staf van het ministerie werd het defensiebeleid de eerste twee jaar de facto echter bepaald door bevelheb¬ ber Elstak. In december 1977 werd R.W. Willemzorg, jurist en griffier van het kantongerecht in het Eerste Kanton, benoemd tot onderminister van Algemene Zaken. In die hoedanigheid werd hij belast met defensieaangelegenheden. Hoewel Willemzorg deel had uitgemaakt van de gemengd

342

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

Nederlands-Surinaamse commissie die de

skm

had voorbereid, zorgde

de introductie van een afzonderlijke portefeuille voor defensiezaken niet voor een noemenswaardige wijziging in de opstelling van de regering. Bin¬ nen het kabinet ontbrak een gevoel van urgentie om het leger uit te bou¬ wen tot een gerespecteerde organisatie die een eigen bijdrage kon leveren aan de ontwikkeling van Suriname. Al binnen een jaar na aanvang van zijn dienstverband had Elstak zich bij de officieren en onderofficieren grotendeels onmogelijk gemaakt.66 Dit had alles te maken met het door hem gevoerde beleid. De bevelhebber legde het accent op het aanscherpen van de discipline, het verlengen van de werkdagen en het uitbreiden van de detachementen. Het bemannen van de militaire posten langs de grensrivieren dwong militairen om voor de duur van maanden onder slechte omstandigheden en zonder iets omhan¬ den te hebben in het binnenland te verblijven, legde een groot beslag op de personele en materiële middelen van de

skm

en had een merkbaar ge-

zinsontwrichtend effect. Gevoegd bij de ceremoniële en representatieve taken van het leger en de wachtdiensten die moesten worden gedraaid, le¬ verden de detachementen voor de manschappen een hoge werkdruk op. Een andere bron van ontevredenheid was het willekeurige bevorderingsbeleid van de bevelhebber, dat niet volgens kenbare en toetsbare criteria verliep en menigeen ten onrechte een bevordering of benoeming onthield. Inkomensverschillen tussen degenen die wel en niet onder de suppletie¬ regeling vielen, zorgden voor bijkomende spanningen. Ten slotte was er sprake van een slecht functionerende en alleen sporadisch bij elkaar ko¬ mende krijgsraad, waardoor strafbare feiten vaak onbestraft bleven.67 Protesten van officieren in de vorm van kritische nota’s en indringen¬ de gesprekken met Elstak konden de bevelhebber er niet toe bewegen zijn beleid aan te passen. Elstak schoof de schuld van de onvrede die on¬ der de militairen heerste in de schoenen van de regering, die hem geen personeelsuitbreiding toestond, waarvoor de

skm

geen prioriteit had en

waardoor hij zich in de steek gelaten voelde. Bij herhaling liet hij zich ontvallen dat welbeschouwd alleen een staatsgreep verbetering in de situ¬ atie kon brengen, maar dat hij zich als gezagsgetrouw militair natuurlijk nooit van een dergelijk machtsmiddel zou bedienen. Voor zover Elstak nog het respect van de officieren genoot, verloor hij dit mede door derge¬ lijke uitlatingen in snel tempo. Vanaf 1977 ontstonden er door geldgebrek materiële problemen in het leger, zoals tekorten aan kleding en schoeisel en een gebrek aan inzetbare voertuigen. De officieren luidden meermalen de noodklok bij de regering, onder andere bij Arron persoonlijk, maar hun oproepen sorteerden niet het beoogde effect.6S

343

Hugo Fernandes Mendes, tot begin 1980 als officier in dienst van de skm,

vat de houding van de officieren als volgt samen: ‘De houding van

de officieren kon kortweg worden gekarakteriseerd als het naar buiten toe zorgvuldig geheimhouden van de eigen acties en onlustgevoelens en zich in tijden van crisis verbaal achter de intern verfoeide legerleiding opstellen. Uit de nota’s [van de officieren] blijkt zeer veel begrip voor de inhoudelijke eisen van de onderofficieren [...] doch een scherpe afkeu¬ ring van hun acties.’69 Deze laatste opmerking verwijst naar de pogingen van onderofficieren om tegen de gesignaleerde misstanden in het geweer te komen. Hun bezwaren richtten zich in het bijzonder tegen het detacheringsysteem, dat zij als onnodig hard ervoeren en dat volgens hen geen ruimte liet voor de noodzakelijke vorming en opleiding van de manschap¬ pen, en tegen het ondoorzichtige bevorderingsbeleid van kolonel Elstak. Voorts laakten zij de passieve houding van de regering en het parlement, die de

skm

zoveel mogelijk als een gewone ambtelijke dienst wensten te

beschouwen en evenals het politiekorps onderdeel wilden laten uitma¬ ken van het heersende systeem van patronage en cliëntelisme. Werd er geen gericht defensiebeleid ontwikkeld, dan zouden naar het oordeel van de onderofficieren frustraties in toenemende mate de boventoon gaan voeren. Om beter te kunnen opkomen voor hun belangen formeerden zij in 1978 een Bond van Onderofficieren. Deze Bond, die onder voorzitter¬ schap stond van Desi Bouterse, spiegelde zich aan de Nederlandse Ver¬ eniging van Dienstplichtige Militairen

(wdm)

en zocht erkenning als

vakbond.70 Een reeds bestaande belangenvereniging werd in de beleving van de onderofficieren onvoldoende serieus genomen. De legerleiding en de regering weigerden echter aan het vakbondsverlangen van de militai¬ ren tegemoet te komen.71 In november 1978 kwamen de perikelen binnen de krijgsmacht kort aan de orde in het parlement. Het lid Herrenberg waarschuwde dat de onvrede binnen de

skm

zich tegen de regering dreig¬

de te keren. Er was volgens hem sprake van een kritieke situatie, die ten koste ging van de discipline en de paraatheid van de manschappen. Om te voorkomen dat de toestand uit de hand liep, adviseerde Herrenberg de regering om de wensen van de militairen aan te horen en werk te maken van het oplossen van de gerezen problemen.72 Arron hechtte weinig geloof aan de oprechtheid van deze aanbeveling. Hij gaf te kennen achter de woorden van Herrenberg scenario’s te ver¬ moeden die hij ver van zich wenste te werpen. Fel keerde hij zich tegen degenen die naar zijn zeggen streefden naar de vestiging van een volksre¬ publiek in Suriname door middel van gezagsondermijnende activiteiten en

344

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

onder het mom de macht in handen van het volk te leggen: ‘Hun politieke gulzigheid kent geen grenzen. Zij zijn er doelbewust op uit de gevestigde politieke partijen en hun leiders te liquideren. De gevestigde politieke partijen hebben echter hun antwoord klaar en de achterban wordt gemo¬ biliseerd. Wij gaan niet uit de weg voor intimidatie. Er zal zonder vrees hard worden teruggeslagen. Wie wind zaait, zal storm oogsten.’73 Volgens Arron genoot in het leger discipline de hoogste prioriteit en was een be¬ langenvereniging onder voorwaarden denkbaar. Er diende echter voor gewaakt te worden dat personen en organisaties van buiten de

skm

zich

met de krijgsmacht gingen bemoeien. Het leger bevond zich naar zijn zeg¬ gen nog in een opbouwfase. Het leverde logistieke steun in West-Suriname (het kappen van tracés) en verleende assistentie aan het haven- en loods¬ wezen en bij de ontvangst van staatshoofden. Het zou nadrukkelijker bij¬ dragen aan de ontwikkeling van het land op het moment dat deskundig personeel-in-opleiding zou zijn afgestudeerd.74 Eind 1978 stelde luitenant-kolonel Essed twee bestuursleden van de Bond van Onderofficieren buiten functie. Essed weigerde hierover de discussie met hen aan te gaan. Een verzoek om een onderhoud over de kwestie dat de Federatie van Bonden bij de

skm

onder leiding van Laurens

Neede aan minister-president Arron richtte, bleef onbeantwoord.75 Begin januari 1979 besloot de legerleiding tot een tuchtrechtelijke maat¬ regel (zes dagen cel) tegen de secretaris van de Bond van Onderofficie¬ ren, Ramon Abrahams, die in de Memre Boekoekazerne een open brief had voorgelezen waarin misstanden binnen de

skm

aan de kaak werden

gesteld. De brief was geschreven door een adviseur van de Bond, sergeant Chas Mijnals, maar gold als een schrijven van de Bond en was daarom voorzien van de handtekening van de secretaris. Volgens de legerleiding kon de brief naar toonzetting en inhoud niet door de beugel.76 De onderofficieren beschouwden het zwaar arrest van Abrahams als een inbreuk op hun vakbondsrechten en gingen op 4 januari 1979 in sta¬ king. Zij organiseerden gedurende drie dagen sitdownacties voor het par¬ lementsgebouw en voor het kantoor van de minister-president. Hun ei¬ sen: het ongedaan maken van de strafmaatregel, inlossing van de door de regering gedane belofte dat 55 vrijwilligers van de marinebasis in beroeps¬ dienst zouden kunnen overgaan77 en erkenning van de Bond van Onder¬ officieren als vakbond. Er volgde een gesprek met onderminister Willemzorg, die de onderofficieren meedeelde dat schorsing van de verdere tenuitvoerlegging van de straf in gunstige overweging zou worden geno¬ men indien Abrahams een beklagschrift bij de bewindsman zou indienen. De Bond diende hierop een beklagschrift in, waarop Willemzorg repli-

345

ceerde dat niet de Bond, maar Abrahams dit persoonlijk diende te doen. Deze was niet gestraft in zijn hoedanigheid van lid of bestuurslid van de Bond, maar in zijn hoedanigheid van sergeant.78 In de middag van 5 januari en in de ochtend van 6 januari werd het bestuur van de Bond op het kantoor van de minister-president ontvangen. Bij het eerste gesprek waren onderminister Willemzorg, plaatsvervan¬ gend bevelhebber Essed en kolonel Leeuwin aanwezig, bij het tweede ge¬ sprek leden van de NPK-top. Mijnals: ‘Arron deed laconiek. Eerst moesten de militairen terugkeren naar het kampement, dan kon er gepraat wor¬ den. Wij weigerden met die voorwaarde akkoord te gaan. Ook na tegen¬ werpingen van de kant van de minister-president hielden wij voet bij stuk. Pas de volgende dag kwam er een gesprek op gang. Arron gedroeg zich als de politicus die wij kenden: joviaal, innemend en vaderlijk. Hij nam ken¬ nis van onze eisen, begreep dat het ongepast zou zijn als de legerleiding sancties zou opleggen aan de stakers en stemde in met de vrijlating van Abrahams. Ook Van Genderen en Nooitmeer zaten aan bij het overleg, maar alleen Arron voerde het woord. Het was duidelijk dat hij de beslis¬ singen nam.’79 Wat de onderofficieren had gesterkt in hun acties en Arron had over¬ gehaald om zich met hen te verstaan, waren de adhesiebetuigingen van de vakbonden. De Surinaamse Politiebond hield een protestmars door de stad ter ondersteuning van de stakende militairen. Op initiatief van de Moederbond stuurden de vier vakcentrales op 6 januari een telegram aan de regering, waarin zij stelling namen tegen het schenden van vakbondsrechten door de legerleiding. Zij eisten de onmiddellijke intrekking van de tuchtmaatregel en erkenning van de Bond van Onderofficieren. Deze initiatieven sorteerden een beperkt effect. De regering deed er officieel het zwijgen toe. Bevelhebber Elstak verbleef in Thailand. Waarnemend bevel¬ hebber Essed handhaafde de tuchtmaatregel, al werd de uitvoering ervan opgeschort, Abrahams vrijgelaten en de maatregel later vernietigd. Hoe¬ wel twee van hun eisen, waaronder het verzoek om als vakbond erkend te worden, niet waren ingewilligd, legden de onderofficieren de vrijlating van Abrahams en het uitblijven van sancties tegen hen uit als een over¬ winning en hervatten zij hun werk.80 De Ware Tijd haalde in zijn redactionele commentaren uit naar Arron en Willemzorg. Hun werd verweten schromelijk te hebben gefaald. Beide ministers hadden volgens de krant ten onrechte de moeilijkheden binnen de skm op hun beloop gelaten. Na de ‘geweldloze opstand’ van de onder¬ officieren kon er op de krijgsmacht als disciplinair korps niet langer wor¬ den gerekend. Feitelijk was er naar de mening van de krant sprake van een

346

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

Volledige machts- en gezagscrisis’, want de regering en de legerleiding hadden behalve het leger ook de politie en de vier vakcentrales van zich vervreemd. Hoewel de regering geen duimbreed had toegegeven en te¬ recht geen vakbond had toegestaan, was zij met enig geluk in het zadel gebleven. De neiging van het leger om een eigen weg in te slaan, kon naar het oordeel van De Ware Tijd alleen effectief worden tegengegaan door spoed te betrachten met het nemen van een aantal uitvoeringsbesluiten, zoals het stellen van beperkingen aan het vakbondsrecht van militairen. Werd hiermee nog langer gedraald, dan zou volgens de krant het conflict met de onderofficieren werkelijk tot een uitbarsting kunnen komen.81 Ook De West wees op het gevaar van onderschatting van de muiterij en riep de regering op dit kwaad met wortel en tak uit te roeien. Gebeurde dit niet, dan diende er rekening mee te worden gehouden dat communis¬ ten de macht zouden overnemen. De krant beschouwde Neede, Bouterse en Abrahams als de ringleaders van de muiterij, maar ging ervan uit dat hun acties tot in detail van buitenaf geregisseerd waren.82 Elstak en Essed bestempelden de acties van de onderofficieren als ge¬ zagsondermijnend. Zij meenden dat de opstandige militairen tegenstellin¬ gen onnodig op de spits dreven en geen respect toonden voor de autori¬ teiten die boven hen gesteld waren. In het bijzonder Elstak beschouwde de stakingen, zoals ook de redactie van De West had gedaan, als een vorm van muiterij, een van de ergste vergrijpen waaraan een militair zich schul¬ dig kon maken. Los van de principiële kant van de zaak voelde hij zich ook persoonlijk gegriefd. Zijn ambitie om de s km een voorbeeldig paradeleger te laten zijn, onberispelijk in het uniform en strak in het gelid, was door de onderofficieren ruw onderuitgehaald. Volgens de bevelhebber stonden de demonstraties haaks op de professionaliteit van de krijgsmacht en zou het niet meevallen om de opgelopen imagoschade te herstellen.83 Op 10 januari hield de in Nederland woonachtige Surinamer André Haakmat op uitnodiging van de Moederbond een lezing, waarin hij een aantal aanbevelingen deed om uit de impasse te geraken. Haakmat advi¬ seerde de regering een organieke wet te maken die het grondwettelijk recht om een vakbond op te richten en zich daarbij aan te sluiten voor le¬ den van de krijgsmacht beperkte of hen uitsloot van beide rechten. Hij achtte een militaire vakbond niet wenselijk voor Suriname, gelet op de specifieke taken van het leger en de noodzaak van onderwerping van de skm

aan het democratisch gezag. Op dat moment kende de Surinaamse

grondwet burgers echter zonder beperking het recht toe vakverenigin¬ gen op te richten en zich daarbij aan te sluiten. Door de onderofficieren een vakbond te onthouden, schonden de legerleiding en de regering met

347

andere woorden de grondwet. Daarnaast beval Haakmat aan de (op Nederlandse leest geschoeide) militaire wetgeving door te lichten en waar nodig aan te passen aan de Surinaamse situatie. Ten slotte pleitte hij voor een parlementaire enquête naar de verhoudingen binnen het leger, naar de relatie tussen de civiele en de militaire autoriteiten en naar het gehalte van het intern democratisch functioneren van de krijgsmacht.84 De lezing van Haakmat bracht de gemoederen danig in beweging. De partijen in het SKM-conflict grepen de lezing ieder voor zich aan als be¬ wijs van hun gelijk en als rechtvaardiging voor hun opstelling. De rust leek terug te keren na een gesprek dat Arron op 29 januari voerde met de Bond van Onderofficieren in aanwezigheid van een delegatie van de Moederbond (zie verderop). Het overleg vond in een verzoenende sfeer plaats en resulteerde in de afspraak dat er een onderzoekscommissie zou worden ingesteld. Dit zou de commissie zijn die niet lang hierna onder leiding van O.W. Abendanon aan het werk zou gaan.85 Daags na het over¬ leg ontkende Arron tijdens een vervolgvergadering in het kampement dat hij de avond daarvoor nog andere toezeggingen had gedaan. De onder¬ officieren ontstaken in woede over deze uitlating. Naar hun zeggen had Arron ook het ontslag van Elstak in het vooruitzicht gesteld, maatregelen aangekondigd die beoogden de werkomstandigheden binnen de

skm

te

verbeteren en de deur opengehouden voor het onder voorwaarden erken¬ nen van een vakbond voor onderofficieren.86 In een radio-interview maakte woordvoerder Laurens Neede van zijn hart geen moordkuil. Hij richtte zijn pijlen ondubbelzinnig op wat hij be¬ stempelde als de onbetrouwbaarheid van de regering. Voor de legerlei¬ ding waren zijn kritische uitspraken aanleiding hem arrest op te leggen. Deze strafmaatregel bracht onderofficieren er andermaal toe de straat op te gaan en voor korte tijd sitdownacties te organiseren.87 Naar aanleiding van deze demonstraties richtte parlementariër Herrenberg een persoon¬ lijke brief aan Arron. Hij riep de minister-president op om actie te onder¬ nemen en daadkracht te tonen. Zijns inziens was er geen tijd te verhezen en diende Arron met de onderofficieren en de SKM-leiding overlegstruc¬ turen vast te stellen en een wetsvoorstel in te dienen bij het parlement. Dit voorstel diende beperkingen te stellen aan het oprichten van een vak¬ bond bij de

skm.88

Voor zover bekend, heeft Arron de brief nooit beant¬

woord. Een reactie lag ook niet voor de hand. Aannemelijk is dat Arron het schrijven van Herrenberg beschouwde als het ongevraagde advies van een linkse opposant, niet als de hartenkreet van een bezorgde burger die het evengoed was.89 In zijn gesprekken met de onderofficieren nam Arron zelden een uit-

348

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

gesproken standpunt in. Dit was een bewuste tactiek. Op die manier won hij tijd en creëerde hij speelruimte. Zijn handelwijze sloot aan bij een cultuur waarin politici gewend waren besluiten voor zich uit te schuiven, kansen te wegen en een geschikt moment af te wachten om knopen door te hakken. In de SKM-kwestie onderschatte Arron het effect van deze strategie op de tegenpartij. Niet onbegrijpelijk voelden de onderofficie¬ ren zich door het voortdurende getalm onvoldoende serieus genomen en hadden zij de indruk aan het lijntje te worden gehouden. Niet anders dan de officieren wensten zij eraan mee te werken dat er daadwerkelijk ver¬ beteringen binnen de

skm

werden doorgevoerd.

Welbeschouwd wist Arron niet goed raad met het leger. Hij vond de skm

vooral belangrijk als symbool van de verworven soevereiniteit en

wilde de organisatie zoveel mogelijk politiek onder zijn controle brengen. Had Elstak zijn zinnen gezet op een paradeleger en Essed op een beroeps¬ leger, Arron wilde toe naar een ontwikkelingsleger dat kon worden inge¬ zet bij het aanleggen en onderhouden van wegen, het uitvoeren van pro¬ jecten op het gebied van stedelijke vernieuwing en het opzetten van parastatale productieactiviteiten. Tegelijk was hij sceptisch over het wel¬ slagen van een dergelijke ambitie. Zijn aarzelingen hadden te maken met onzekerheid (er diende een nieuwe organisatie te worden opgebouwd waarmee Suriname geen ervaring had), gebrek aan overtuiging (waren de onderofficieren en manschappen wel berekend op het uitvoeren van ontwikkelingstaken) en zorg (was het mogelijk om een ontwikkelings¬ leger deugdelijk in te passen in de bestaande staatsstructuur).90 Meer specifiek had Arron bezwaren tegen een vakbond voor onderof¬ ficieren. Hij vond een vakbond niet passen bij de specifieke taken van een leger en de ondergeschikte positie van militairen aan het democratisch gezag. Een vakbond zou de krijgsmacht te veel laten lijken op een wille¬ keurige organisatie uit de burgermaatschappij en het hanteren van het stakingsmiddel zou te veel risico’s met zich meebrengen voor het hand¬ haven van de staatsveiligheid. Het belangrijkste bij dit alles was dat Arron een vakbond zag als een potentiële bedreiging voor zijn positie, zeker als een dergelijke bond het bijvoorbeeld samen met de Politiebond zou op¬ nemen tegen zijn regime. De vorming van een regeringsvijandig vak¬ bondsfront diende voorkomen te worden, ook gelet op de wankele meer¬ derheid waarop zijn kabinet na de breuk met de

ktpi

rustte. Het was om

die reden dat Arron in januari 1979 opdracht gaf Abrahams vrij te laten en er vanaf zag tegen de muitende militairen op te treden. De steun die de vier vakcentrales hadden betuigd aan de stakende onderofficieren ontnam hem de mogelijkheid om gedecideerd orde op zaken te stellen.

349

De officieren hadden verontwaardigd gereageerd op de opdracht die Arron had gegeven om niet tot strafrechtelijke en tuchtrechtelijke ver¬ volging van de muitende militairen over te gaan. Juist een voortvarend optreden kon volgens de officieren een verdere escalatie van het conflict voorkomen. Schrobberingen en lichte gevangenisstraffen zouden naar verwachting al de gewenste disciplinerende uitwerking hebben. Nu de onderofficieren vrijuit gingen, werd naar hun mening de kiem gelegd voor ontwikkelingen die verder strekkende gevolgen zouden kunnen hebben. In de officiersmess, waar de premier zijn optreden nader toe¬ lichtte, ging het hard tegen hard. Arron liet weten ingrijpen niet verstan¬ dig te hebben gevonden. Suriname was een kleine samenleving waar de maatschappelijke cohesie van groot belang moest worden geacht. Het zou volgens hem niet juist zijn de acties van de onderofficieren alleen vanuit militair oogpunt te beoordelen. Arron slaagde er niet in de officie¬ ren te overtuigen. Het feit dat de acties van de militairen onbestraft ble¬ ven, zou door de Bond van Onderofficieren inderdaad worden opgevat als een aanmoediging om op de ingeslagen weg voort te gaan.91 Op 8 maart 1979 verstrekte de regering een commissie onder leiding van mr. O.W. Abendanon de opdracht een rapport te schrijven over de achtergronden en oorzaken van de onrust binnen de skm. Arron verlang¬ de de conclusies van de commissie binnen een maand te ontvangen, maar kwam hierop terug, nadat duidelijk was geworden dat het in kaart brengen en analyseren van de ontstane problemen een uitgebreid onder¬ zoek vereiste. Bij wijze van startpunt nam de commissie kennis van een rapport dat op 20 juni 1977 over de skm was uitgebracht door een com¬ missie van onderzoek en advies - bestaande uit drie leden die ook in de commissie-Abendanon zitting hadden. Tevens bestudeerde de commis¬ sie een brief van 30 juni 1977 van coördinerend minister voor Defensieaangelegenheden Hoost, waarin deze zijn reactie op dit rapport had ge¬ formuleerd. Met beide documenten, die vooral handelden over het binnen de skm gevoerde personeelsbeleid, was destijds niets gedaan.92 De commissie-Abendanon bood Arron op 17 september haar rapport aan. Dat was kort nadat een onderhoud van een delegatie van officieren met de minister-president op niets was uitgelopen. Arron had verklaard niets voor hen te kunnen doen. De wensen van de officieren waren naar zijn zeggen een zaak van de ministerraad en die werd te veel in beslag ge¬ nomen door andere aangelegenheden.93 Met dezelfde terughoudendheid reageerde hij op het rapport van de commissie-Abendanon. Hij bestu¬ deerde de bevindingen van de commissie, maar besloot de inhoud van het document niet openbaar te maken. Pas in 198094 zou naar buiten ko-

350

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

men commissie de kritiek van de officieren en onderofficieren grotendeels onderschreef. In haar rapport constateerde de commissie dat de voorbereidingsfase van de

skm

te kort was geweest. Er moest begonnen worden met onvol¬

doende gekwalificeerd personeel en verouderd materieel, waardoor ‘te vaak een wissel [werd] getrokken op het improvisatievermogen van de bij de defensie betrokken instanties en de vaak reeds overbelaste functiona¬ rissen’.95 Aan de in alle geledingen gevoelde behoefte aan communicatie en inspraak werd bovendien niet op een bevredigende wijze tegemoetge¬ komen.96 De commissie-Abendanon verweet de regering geen gericht beleid te hebben ontwikkeld om de doelstelling van de

skm

te realiseren. Mede

door het ontbreken van kader had de regering bovendien nagelaten op wetgevingsgebied de nodige (uitvoerings)regelingen tot stand te bren¬ gen. De legerleiding - onzeker door het ontbreken van een eenduidig be¬ leid - legde zich niet toe op het structureel aanpakken van problemen, maar volstond met het nemen van ad-hocbeslissingen. Naar het oordeel van de legerleiding reageerde de politieke leiding niet of onvoldoende op vragen en verzoeken van de legerleiding, kende de politieke leiding de legerleiding niet consequent in zaken de

skm

betreffende en ontbrak het

de legerleiding aan duidelijkheid waar het ging om de bevoegdheden van de onderminister van Algemene en Buitenlandse Zaken, belast met defensieaangelegenheden. De indruk bestond dat die bevoegdheden beperkt waren, waardoor stagnatie optrad in de uitvoering van het beleid. Het Coördinatiecentrum voor Defensie-aangelegenheden (ccd) func¬ tioneerde volgens de commissie door een tekort aan capaciteit gebrekkig en werkte slecht samen met de politieke leiding, die traag of niet reageerde op stukken van de c c d en beslissingen vaak lang voor zich uitschoof. Ook de krijgsraad kampte met een tekort aan menskracht, waardoor veel werk bleef liggen en militairen incalculeerden dat veel vergrijpen toch niet be¬ straft zouden worden, wat een verlaging van het normbesef met zich meebracht. De commissie stelde vast dat er geen sprake was van conti¬ nuïteit in het overleg tussen de politieke en de militaire leiding, onder andere als gevolg van minder goede persoonlijke verhoudingen tussen betrokkenen.97 De klachten van de officieren en onderofficieren waar het ging om het gevoerde personeelsbeleid, de kwaliteit van het materieel en het ge¬ brek aan middelen waren naar het oordeel van de commissie-Abendanon gerechtvaardigd.98 Over de overlegstructuren merkte de commissie het volgende op: ‘De bestaande overlegstructuren functioneren niet. Met na-

351

me door de onderofficieren wordt het ontbreken van een goede overleg¬ structuur genoemd als een van de oorzaken van de problemen. Het is na¬ melijk niet mogelijk om inzicht te krijgen in zaken die hen direct raken. Men weet ook niet waar men terecht kan voor het verkrijgen van infor¬ matie. Vaak zouden bij de legerleiding problemen naar voren zijn gebracht zonder dat er voldoende adequaat op werd gereageerd. Het gevolg is ge¬ weest dat de militairen hun problemen rechtstreeks gingen voorleggen aan de politieke leiding. De militaire leiding blijft zich evenwel op het standpunt stellen dat steeds de hiërarchieke weg moet worden gevolgd. Consequentie van een en ander is dat bij afwijking van dit standpunt maatregelen worden genomen (strafoplegging).’99 Volgens de onderoffi¬ cieren was de erkenning van hun vakbond - die naar hun mening de facto al had plaatsgevonden - noodzakelijk om de heersende problemen op te lossen en de politieke leiding tot actie te bewegen.100 Over de muiterij onder de militairen merkte de commissie op: ‘De militaire leiding heeft niet op voldoende tactvolle wijze getracht de demonstratie van de onder¬ officieren in januari 1979 te voorkomen.’101 Tot de aanbevelingen van de commissie behoorde de instelling van een commissie van deskundigen, die zich zou moeten bezinnen op de aard, omvang en vorm van de krijgsmacht, aan de hand waarvan een duidelijk en consistent meerjarenbeleid kon worden ontwikkeld. Als alternatief voor de

skm

vroeg de commissie vooral aandacht voor de mogelijkheid

om de defensiemacht om te vormen tot een leger met ontwikkelingsta¬ ken. Het verlenen van enige assistentie in het kader van het West-Surinameproject buiten beschouwing latend, stelde de commissie dat het leger nog niet structureel bij de sociaal-economische ontwikkeling van Suriname was ingeschakeld. Om de noodzakelijke discipline te laten te¬ rugkeren in het leger gaf de commissie te kennen dat ‘nagenoeg alle vor¬ men van uitoefening van vakbondsrechten door militairen niet toelaat¬ baar kunnen worden geacht’.102 De commissie achtte het wenselijk dat een bijzondere wet iedere onduidelijkheid hierover wegnam. Het was zaak daarbij goede overlegstructuren te creëren, waarbij de militairen zich desgewenst in belangenverenigingen konden organiseren. Ook een wet voor de militaire politie en een afzonderlijke Personeelswet voor mi¬ litairen dienden volgens de commissie ‘op zo kort mogelijke termijn’ tot stand te worden gebracht.103 Om verdere ondermijning van het gezag van de legerleiding door de onderofficieren tegen te gaan, adviseerde de commissie het volgende: ‘Als onveranderlijke gedragsregel ware te handhaven dat geen verzoek kan worden behandeld buiten de hiërarchieke weg om. ['...] De in Suriname

352

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

veelvuldig voorkomende neiging om bij alle problemen maar direct de hoogste gezagsdrager te benaderen verdraagt zich niet met de piramidale militaire structuur.’104 In het belang van de rechtszekerheid drong de commissie er ten slotte op aan dat de krijgstuchtelijke straffen die al waren opgelegd, maar waarvan de uitvoering als gevolg van de acties van de on¬ derofficieren was opgeschort, alsnog werden afgedaan.105 Hoewel de aanbevelingen van de commissie-Abendanon op het gebied van de disciplinering van de krijgsmacht en de mogelijke omvorming van de skm tot een ontwikkelingsleger Arron niet ongelegen kwamen, be¬ schouwde hij de kritische analyse van het optreden van zijn regering als hoogst onwelkom. Zeker met het oog op de komende verkiezingen achtte hij het niet raadzaam het rapport aan de openbaarheid prijs te geven. Met deze beslissing ontnam Arron zichzelf de mogelijkheid om orde op zaken te stellen en bagatelliseerde hij de noodzaak om maatregelen te nemen, bijvoorbeeld op het gebied van wetgeving. Een advies van procureur-generaal De Miranda om een commissie van drie wijze mannen concrete voorstellen te laten doen op basis van het rapport werd door de regering in de wind geslagen.106 De legerleiding - onkundig van het rapport van de commissie-Aben¬ danon - hield vast aan eerder ingenomen standpunten en weigerde in te stemmen met een vakbond. In de optiek van Elstak en Essed dienden mili¬ tairen de bestaande gezagsverhoudingen te respecteren en zich te ont¬ houden van activiteiten die uitgelegd konden worden als een bedreiging voor de staatsveiligheid.107 Op een concept voor een ontwikkelingsleger dat de Bond van Onderofficieren had gezonden aan de legerleiding, de regering en het parlement, volgde geen reactie.108 Om hun positie te ver¬ sterken, besloten de onderofficieren te fuseren met het Surinaams Kor¬ poraals Verbond (secretaris R.A. Braaf) en verder te gaan onder de naam Bond van Militair Kader (Bomika). Badrisein Sital werd voorzitter van Bomika. Desi Bouterse, voorzitter van de Bond van Onderofficieren, zag af van een bestuursfunctie in de nieuwe organisatie. Hij was het beu om de zijns inziens zinloze besprekingen met de legerleiding voort te zetten.109

OPZEGGING VERTROUWEN IN LEGERLEIDING

In november 1979 lieten Bomika-voorzitter Sital en Bomika-ondervoorzitter Neede in een telegram aan premier Arron weten dat de onderoffi¬ cieren onder protest een erewacht hadden gevormd bij het bezoek van premier Burnham aan Suriname. Gelet op het militair machtsvertoon van de Guyanezen in West-Suriname was naar hun zeggen de ontvangst van de Guyanese leider op Zanderij bij hen met sterke gevoelens van onbeha-

353

gen gepaard gegaan.110 Van Arron is geen reactie op het telegram bekend. Veelzeggend echter was de inhoud van een NPK-propagandakrant die kort daarvoor was verschenen. Daarin stond in vetgedrukte letters: ‘Wij maken het uit!’. Eronder de portretten van de voorzitters van de coalitie¬ partijen. Het openingsartikel - dat eveneens een halve pagina besloeg vroeg aandacht voor de aanhoudende problemen binnen de wezen werd op de instabiliteit en onbetrouwbaarheid van de

skm.

skm

Ge¬

en het

gevaar van anarchie en militaire staatsgrepen ingeval de noodzakelijke discipline binnen het leger wegviel en het wettig gezag niet langer werd geëerbiedigd. Volgens de krant vormde Bomika een gevaar voor het voortbestaan van de parlementaire democratie.111 In januari 1980 wees het Bomika-bestuur in een brief aan ondermi¬ nister Willemzorg nog eens op de toezegging van de regering om vrijwil¬ ligers van de marinebasis te laten overgaan in beroepsdienst. Doordat de regering haar belofte maar niet nakwam, ondervonden de vrijwilligers financieel nadeel, aangezien de vrijwilligersvergoeding gering was ver¬ geleken bij het beroepssalaris. De onderofficieren drongen er bij Willem¬ zorg op aan de gedane toezegging binnen twee weken gestand te doen. Deze actie viel in verkeerde aarde bij de legerleiding, die vaststelde dat de vergadering tijdens welke de inhoud van de brief was vastgesteld zonder toestemming in de kazerne had plaatsgevonden. Bovendien was de brief niet via de hiërarchieke weg naar de minister verzonden. De legerleiding legde de Bomika-bestuursleden Sital en Neede zes dagen licht arrest op. Er volgde een gesprek tussen de onderofficieren en de legerleiding, maar de laatste weigerde om de opgelegde straf ongedaan te maken. De beraadslagingen tussen Elstak - gefrustreerd over de behandeling die hij zich naar eigen zeggen van regeringswege moest laten welgevallen en gespitst op het uitdienen van zijn contract dat in 1980 zou aflopen en de onderofficieren - verontwaardigd over de onwrikbare houding van de legerleiding - werden zo goed en zo kwaad als het ging voortgezet. Tijdens een van deze overleggen zou de bevelhebber de onderofficieren hebben aangezet om tegen de regering te ageren. Voor de onderofficie¬ ren was daarmee een kritische grens bereikt. In hun ogen had Elstak het beetje krediet dat hij nog bezat verspeeld en was het onaanvaardbaar hem in zijn functie te handhaven.112 Zij stuurden premier Arron op 25 ja¬ nuari een telegram waarin zij de legerleiding verweten zich schuldig te maken aan uitlokking tot het plegen van handelingen tegen de regering. Naar eigen zeggen zou de opstelling van de legerleiding hen kunnen dwingen acties te ondernemen die de orde en rust in de samenleving zou¬ den kunnen verstoren en de regering in moeilijkheden zouden kunnen

354

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

brengen. Om die reden zegden zij het vertrouwen in de legerleiding op en eisten zij het ontslag van Elstak en Essed. De ministerraad, door Arron in spoedvergadering bijeengeroepen, stuurde dezelfde dag een reactie. De onderofficieren werd gesommeerd hun beschuldigingen aan het adres van de legerleiding nader toe te lichten. Waaruit bleek dat Elstak en Essed bezig waren de constitutionele orde te ondergraven? Maar verontwaar¬ digd omdat zij op persoonlijke titel en niet als bestuursleden van Bomika waren aangeschreven en vastbesloten het spel hoog te spelen, weigerde Bomika de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Zij volstonden met het uitgeven van een persbericht dat geen nieuw licht op hun telegram wierp.113 Anders dan in januari 1979 - toen de regering de zaken op hun beloop had gelaten - greep Arron nu wel in. Op 30 januari - vijf dagen na ont¬ vangst van het telegram en nadat een oproep van de regering aan de on¬ derofficieren om zich nader te verklaren tot drie keer toe onbeantwoord was gebleven - belegde hij een persconferentie. Arron liet weten dat hij gezien de ernst van de situatie overleg had gepleegd met Wijntuin, Nooitmeer en Lachmon. Hij verklaarde dat het voortbestaan van de democrati¬ sche rechtsstaat in gevaar was en dat de onderofficieren uit leken op het plegen van een staatsgreep.114 In opdracht van de regering werden vol¬ gend op de persconferentie Sital en Neede gearresteerd en de bestuursle¬ den van Bomika wegens ernstig plichtsverzuim uit hun militaire functies gezet. Daarnaast droeg de regering de politie op actievoerende militairen de toegang tot de kazerne te ontzeggen.115 In het bijzonder deze laatste instructie zette kwaad bloed bij de on¬ derofficieren. Er volgden schermutselingen voor de poort van het kazerneterrein tussen actievoerende onderofficieren, die naar binnen wilden, en leden van de mobiele eenheid, die hen de toegang trachtten te belet¬ ten. Hoewel de onderofficieren kans zagen het terrein op te gaan, werden zij diezelfde middag door de politie gelast uit de kazerne te vertrekken. De emoties liepen daarbij hoog op. De aftocht van de onderofficieren - die door de politie gedwongen werden om met de handen boven het hoofd het kampement te verlaten - ervoeren betrokkenen als een diepe verne¬ dering en zorgde voor een jarenlange verstoring van de relatie tussen de gewapende machten.116 De actievoerende militairen brachten op uitnodiging van André Kamperveen, behalve parlementariër ook voorzitter van de Surinaamse Voetbal Bond, de nacht door in het George Streepy Stadion. Bij het ver¬ nemen van geruchten over een inval door de politie weken zij de volgen¬ de dag uit naar het Vrouwencentrum en het gebouw van de Katholieke Onderwijzers Bond

(kob)

in de Burenstraat. Het zat de onderofficieren

355

niet mee. Op het moment dat Bomika-secretaris Ramon Abrahams op aandringen van zijn collega-bestuursleden zijn dienstwapen bij de briga¬ de van de militaire politie wilde afgeven, werd ook hij gearresteerd. Op 31 januari zaten hierdoor drie bestuursleden van Bomika gevangen.117 Op 1 februari namen de onderofficieren hun intrek in het gebouw van de Algemene Bond van Overheidspersoneel

(abo)

aan de Kernkamp-

weg. Dit ontmoetingscentrum van de clo doopten zij om tot Fort Bomika. Hier doodden zij de tijd met kaarten, krant lezen, sporten, exerceren, vergaderen en het ontvangen van journalisten en adviseurs. Op afstand hielden gewapende agenten de wacht. De klopjacht op de Bomika-bestuurders die nog op vrije voeten waren (Mijnals, Horb, Braaf en De Randamie) was in volle gang, maar de bewoners van Fort Bomika werden redelijk ongemoeid gelaten. Met enige regelmaat konden zij zich buiten het ABO-gebouw begeven en prikacties voeren in het centrum van Para¬ maribo. Zij eisten de vrijlating van Sital, Neede en Abrahams en ophef¬ fing van de buitenfunctiestelling van het Bomika-bestuur.118 Het Bomika-bestuur, geadviseerd door advocaat Frank Leeflang, zond verweerschriften naar premier Arron, maar deze negeerde de verklarin¬ gen. Voor Arron was de fase van overleggen en onderhandelen voorbij. Naar zijn overtuiging hadden de onderofficieren hun geloofwaardigheid verloren en was het vakbondsconflict uitgegroeid tot een strafzaak. Op last van auditeur-militair Fred Kruisland werden de gearresteerde Bomikabestuurders op 6 februari vanuit hun cellen in Fort Zeelandia overge¬ bracht naar de gevangenis in Santo Boma en als verdachten ter beschik¬ king gesteld van justitie. Op 11 februari werden zij voorgeleid voor de rechter-commissaris in militaire zaken, A.C. Veldema, en auditeur-mili¬ tair Kruisland. De advocaat van de onderofficieren, Eddy Bruma, vroeg de onmiddellijke invrijheidstelling van het drietal, maar dit verzoek werd afgewezen.119 De samenleving nam met groeiende bezorgdheid kennis van de drei¬ gende escalatie van het conflict. Een bemiddelingspoging door vh p-leider Lachmon mislukte. De vakcentrales

clo,

c’47,

pwo

en de Moederbond

pleitten voor spoedoverleg tussen de strijdende partijen.120 Ook het

cck,

de Volkspartij en de vrouwen van de actievoerende militairen oefenden druk uit op Arron om alsnog met de onderofficieren om de tafel te gaan zitten. Een arbeidsconflict kon naar hun mening niet met justitiële mid¬ delen worden opgelost.121 Maar Arron liet zich niet vermurwen. Het recht diende volgens hem zijn beloop te hebben. Het stoorde hem dat vertegenwoordigers van de oppositie zich in toenemende mate met de kwestie bemoeiden. Hoewel

356

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

Kamperveen, Herrenberg, Lachmon, Leeflang en Bruma lieten weten zich als verontruste burgers bij het conflict betrokken te voelen, kon men moeilijk voorbijgaan aan de politieke overtuiging die in hun activiteiten doorklonk. Dit gold in nog sterkere mate bij exponenten van de Volks¬ partij, die er überhaupt een afwijkende - en in NPK-ogen afkeurenswaar¬ dige — maatschappijvisie op na hield. Het was bekend dat deze linkse partij bij de onderofficieren op een zekere aanhang kon rekenen.122 In meer algemene zin weerspiegelde de onbuigzame opstelling van Arron een karaktertrek waarmee veel politici toegerust waren. Het toe¬ geven aan verlangens van de oppositie en het sluiten van compromissen was iets waar zij alleen bij uiterste noodzaak toe overgingen. Buigen voor een tegenstander betekende in hun ogen zagen aan de eigen stoelpoten en het op voorhand accepteren van gezichtsverlies. Daarvan kon geen sprake zijn. Wie de macht in handen had, liet zien dat hij niet van wijken wist en alles op alles zette om zijn positie te behouden. Standvastigheid getuigde van zelfbewustzijn en kracht en was onontbeerlijk om een land goed te kunnen besturen. Autoritair leiderschap, in Suriname niet minder sterk geworteld dan in andere delen van de Caraïben, was ook Arron niet vreemd.123 Inmiddels waren de Bomika-bestuurders gedagvaard op beschuldi¬ ging van militair oproer en dienstweigering. De Nederlandse journalist Henk Boom schrijft over de zitting van de Krijgsraad op 20 februari: Al vroeg in de ochtend hebben de actievoerende militairen [...] Fort Bomika verlaten en zich aan de Grote Combéweg opgesteld. Tegenover hen, met het gebouw van het kantongerecht in de rug, staan tientallen met karabij¬ nen, bullenpezen, helmen en schilden uitgeruste politiemannen. Op af¬ stand liggen de traangasgeweren gereed. Versterkingen staan in de start¬ blokken. De weg is voor openbaar vervoer afgezet. De arrestanten zijn al in alle vroegte van hun gevangeniscellen overgebracht naar het Kantongerechtsgebouw. Buiten de afzettingen op de Grote Combéweg en vooral op het Onafhankelijkheidsplein zijn honderden mensen op de been. Vooral veel ambtenaren, die het werk uit solidariteit met de actievoeren¬ de militairen hebben neergelegd. IJsschavers beleven gouden tijden. Met spanning wordt gewacht op hetgeen zich binnen gaat afspelen.’124 Onder het zingen van het Surinaamse volkslied door de militairen buiten werden Sital, Neede en Abrahams voor de president van de Krijgs¬ raad, H.C.U.J. Huber, geleid. De publieke tribune luisterde aandachtig naar de verklaringen van de Bomika-bestuursleden. Die kwamen erop neer dat zij tot hun daden waren gedreven doordat zij niet meer in staat waren hun werk naar behoren te doen en alle pogingen om tot construc-

357

tieve afspraken met de legerleiding te komen waren mislukt. De advoca¬ ten Bruma en Van Ritter eisten vrijspraak voor hun cliënten, maar auditeur-militair Kruisland achtte overtuigend bewezen dat de militairen hadden gehandeld in strijd met het wettelijk gezag en vroeg zich af waar¬ om de verdachten niet naar de ambtenarenrechter of de gewone rechter waren gestapt of een beroep hadden gedaan op de president. In plaats van zich van legale middelen te bedienen, hadden zij zich overgegeven aan militair oproer en samenspanning tot plichtsverzaking. Om die reden eiste hij tien maanden gevangenisstraf en ontslag uit militaire dienst. De president van de Krijgsraad het weten dat hij op 26 februari uitspraak zou doen in de zaak.125 De eis van de auditeur-militair botste met het eergevoel van de onder¬ officieren. Zij voelden zich gekrenkt door het vooruitzicht uit militaire dienst te worden ontslagen. Als de eis door de rechter zou worden over¬ genomen, zou de uitspraak in beginsel alleen gelden voor de bestuursle¬ den van Bomika. Maar het was niet uitgesloten dat dit besluit vervolgens zou leiden tot strafvervolging en ontslag uit de actieve dienst van alle on¬ derofficieren die voor Bomika actie hadden gevoerd. Om een uitspraak van de rechter voor te blijven en zichzelf te vrijwaren van straf, besloot een groep van zestien onderofficieren onder leiding van Desi Bouterse en Roy Horb om in te grijpen. Aanvankelijk was het hun bedoeling om op 22 februari de macht in het land over te nemen. Maar een overval op het munitiedepot aan de Doekhiweg mislukte. Een van de leden van de groep van zestien, John Hardjoprajitno, werd hierbij door de militaire politie gearresteerd. Arron liet zich er door Elstak van overtuigen dat de

skm-

leiding de situatie onder controle had. Drie dagen later was het echter wel raak. De groep van zestien slaagde er met succes in de staatsmacht in handen te krijgen.126 In de dagen vóór de coup gonsde het van de geruchten in Paramaribo. Hoewel een staatsgreep als theoretische mogelijkheid af en toe ter sprake was gekomen, hield slechts een enkeling in ernst rekening met een mili¬ taire machtsovername. Wijntuin: ‘Een partijgenoot die kapitein was en tot dezelfde compagnie behoorde als Bouterse had al een jaar vóór de coup een rapport geschreven over misstanden in het leger. Daarin stelde hij vast dat als er niets ten goede zou veranderen een staatsgreep onver¬ mijdelijk was. Op zijn initiatief zocht hij contact met de

psv

en gaf hij ons

het rapport ter inzage. Hij vond dat Arron te veel leunde op adviseurs als Hein Leeuwin en zich breder zou moeten oriënteren. Ik vertelde Arron over het rapport en vatte de bevindingen van de kapitein voor hem samen. Hij reageerde lauw en heeft nooit iets met de informatie willen doen. Het

358

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

tekenende de verhoudingen. Het leger viel rechtstreeks onder Arron. Het was zijn portefeuille. Hij vond dat anderen, inclusief de coalitiepartners, zich daar zo min mogelijk mee moesten bemoeien.’127 NPs’er Henny Getrouw: ‘Hardjoprajitno had mij vier dagen vóór de bewuste 25 februari al ingelicht over de coup. Ik besloot naar Arron te gaan om hem over de plannen van de onderofficieren in te lichten. Arron was die ochtend op het departement in overleg met Freddy Kruisland en Hein Leeuwin. Hij verliet de vergadering voor een ogenblik om te horen wat ik hem te vertellen had. Tot mijn teleurstelling wilde hij mij niet ge¬ loven: “Wat praat je nou man. Hier zitten mijn adviseurs. Die gaan over die zaken. Doe me een genoegen: laat dat ding.” ’s Middags heb ik hem gebeld en hem nog eens uitgelegd wat er aan de hand was. Zijn antwoord was hetzelfde: “Maak je niet druk. Er is geen reden voor ongerustheid. We beheersen de situatie.” Het was duidelijk dat Arron meer waarde hechtte aan het oordeel van zijn adviseurs dan aan dat van mij.’128 Wilfred Lionarons, hoofdredacteur van De Vrije Stem, herinnerde zich een onderhoud met Arron op 22 februari ten huize van diens adviseur Ewald Karamat Ali. Hij en Karamat Ali deden die avond een dringend be¬ roep op de premier om tot een akkoord te komen met de onderofficieren. Arron merkte op het vonnis van de krijgsraad te willen afwachten en liet weten strenge straffen te zullen opleggen aan onderofficieren die zich aan insubordinatie schuldig maakten. Lionarons: ‘Wij wijzen Arron op het gevaar van een coup, maar dat wimpelt hij weg met een gloedvolle tirade: “De Bomika-onderofficieren krijgen nooit genoeg militairen mee voor een succesvolle coup. Bovendien hebben we een goed georganiseerd en een goed getraind politiecorps, dat in staat is elke coup te weerstaan. En wie een coup probeert, is nog diezelfde dag uit het leger! Don’t worry, we heb¬ ben de zaak [...] in handen! We volgen ze van minuut tot minuut.’” Tot teleurstelling van zijn gesprekspartners liet Arron zich niet overhalen om met de onderofficieren in gesprek te gaan. Volgens Lionarons dreigde de koppigheid die hem ten tijde van de onafhankelijkheid had doen zege¬ vieren hem nu op te breken: Tk ben heel erg bezorgd [... ] na het gesprek met Arron, die ziende blind en horende doof bleef voor wat er in Surina¬ me gebeurde.’129 Evenals Wijntuin, Getrouw en Lionarons benadrukken ook anderen dat de adviseurs met wie Arron zich in militaire zaken verstond er tame¬ lijk rechtlijnige opvattingen op na hielden als het ging om de taken en be¬ voegdheden van de krijgsmacht. Zij stelden vooral discipline en gezagshandhaving als kernwaarden centraal. Dat Arron zich door deze waarden aangesproken voelde, had te maken met zijn opvoeding. Met een politie-

359

man als vader waren respect voor orde en gezag hem met de paplepel in¬ gegoten. Er bestond onder Arrons adviseurs minder een neiging om op¬ lossingen te overwegen die pasten bij de geest van de jaren zeventig. Het accent diende volgens hen niet te liggen op het communiceren met de onderofficieren en op het welwillend aanhoren van hun verlangens. Als gevolg hiervan voelde de regering zich niet aangemoedigd om de ontwik¬ kelingen binnen de

skm

voortvarend ter hand te nemen en overheerste

bij haar een zekere mate van achteloosheid en geringschatting.130 In dit verband werd niet zelden de beschuldigende vinger uitgestoken naar Arron. De minister-president zou de onderofficieren padvinders hebben genoemd en daarmee hebben aangegeven geen hoge dunk te hebben van hun capaciteiten, geen oog te hebben voor hun potentieel en hen te be¬ schouwen als een verwaarloosbare factor in het landsbestuur.131 Vooral na 25 februari 1980 hebben de nieuwe machthebbers Arron het gebruik van het woord ‘padvinder’ verweten. In hun kringen is het woord een symbool geworden voor de kleinerende wijze waarop hij de onderofficieren zou hebben bejegend. Met een zekere gretigheid en niet zonder succes hebben de coupplegers geprobeerd deze houding te pre¬ senteren als een rechtvaardiging voor hun machtsovername. Zelf heeft Arron altijd ontkend de term padvinder te hebben gebruikt. Naar zijn zeggen maakte het woord nooit deel uit van zijn vocabulaire. Deze uit¬ spraak staat haaks op beweringen van een groot aantal informanten - af¬ komstig uit het kamp van de coalitie en de oppositie132 - van wie overi¬ gens maar enkelen hun herinneringen wisten te preciseren.133 Het staat vast dat Arron zich in ieder geval in kleine kring, maar vermoedelijk ook in het openbaar, van het woord padvinder heeft bediend. Aangenomen moet worden dat getuigen dit, al dan niet met bijbedoelingen, hebben doorverteld aan actievoerende onderofficieren, die op hun beurt deze kennis na 25 februari publicitair hebben uitgebuit.134 Het is overigens goed te bedenken dat de term padvinder in de twee¬ de helft van de jaren zeventig een tamelijk courant begrip was om onder¬ officieren van de

skm

mee aan te duiden. Het verwees naar ‘jongens’ die

niet erg serieus behoefden te worden genomen, al was het maar omdat zij jong en lager opgeleid waren en op de loonlijst van lanti (de overheid) stonden. Veel burgers zetten vraagtekens bij hun arbeid en twijfelden überhaupt aan het nut van de

skm

voor de samenleving.135 Het kan Arron

worden aangerekend dat hij nooit ondubbelzinnig afstand heeft geno¬ men van het onder onderofficieren heersende beeld dat hij zijn neus op¬ haalde voor hun vaardigheden en verdiensten. Hun gevoel van afwijzing en miskenning werd versterkt door hun vertrouwdheid met Nederlandse

360

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

overlegstructuren, niveaus van inspraak en mate van rechtsbescher¬ ming. Aldus geconditioneerd tijdens hun opleiding in Nederland liepen zij in Suriname, sneller dan hun omgeving in de gaten had, aan tegen wat zij ervoeren als wanbeleid en willekeur. Hoewel Arron defensieaangelegenheden bij voorkeur buiten de agen¬ da van de ministerraad hield, al dan niet met een beroep op de staatsveilig¬ heid, werd de SKM-affaire wel degelijk in dit gremium besproken. Pannalal Parmessar: De ministerraad heeft zich een paar keer over de kwestie gebogen. We namen bezorgd kennis van de ontwikkelingen en betreur¬ den het dat de spanningen tussen de onderofficieren en de legerleiding almaar opliepen. Maar niemand van ons hield rekening met een staats¬ greep. Dat kwam gewoon niet bij ons op. We leefden in een samenleving met democratische tradities en hadden met de tris nooit negatieve erva¬ ringen opgedaan. Achteraf kan je stellen dat dit een naïef standpunt is ge¬ weest. We hebben de ernst van de problemen binnen de

skm

onvoldoen¬

de onderkend en nagelaten om tijdig de geëigende maatregelen te nemen. Tegelijk liet Arron zijn oren te veel hangen naar zijn adviseurs die een confrontatiekoers voorstonden. Hij had nadrukkelijker het algemeen maatschappelijk belang in het oog moeten houden en constructiever het gesprek met de onderofficieren moeten aangaan.’136 Johan Kasantaroeno: ‘De vrijdag vóór de coup heb ik in de minister¬ raad het voorstel gedaan om een commissie van goede diensten in te stel¬ len. Bisschop Zichem zou die in mijn ogen moeten leiden. De commissie zou het mandaat moeten krijgen om te bemiddelen tussen de onderoffi¬ cieren en de legerleiding. Het leek mij belangrijk dat het kabinet deze stap zette, maar vooral Elstak vond dit niet nodig. Hij beschouwde de onderof¬ ficieren als een groepje verwende belhamels dat al genoeg aandacht had gekregen en bezwoer dat de legertop alles onder controle had. Uiteinde¬ lijk besloot de ministerraad het voorstel voor de volgende vergadering opnieuw te agenderen. Helaas is het niet zover gekomen. Je kunt zeggen dat Arron het slachtoffer is geworden van zijn adviseurs en van de onder¬ maats presterende veiligheidsdiensten. Daarbij moet wel worden opge¬ merkt dat Arron onverzoenlijk stond tegenover de linkse jongens onder de onderofficieren. Dat bemoeilijkte het vinden van een oplossing. Ook speelde mee dat hij op defensiegebied niet ter zake kundig was. Maar de hoofdzaak was dat hij geen experts had die hem adequaat van advies kon¬ den dienen en die er een eer in stelden om conflicten op een vreedzame manier uit de wereld te helpen.’137 Arron: Na de verkiezingen van ïgyy hebben wij ervoor gekozen om voor defensie een onderminister te benoemen, mr. Willemzorg. Hij opereerde direct

361

onder de minister-president. Onze samenwerking was goed. Ik was als minis¬ terpresident eindverantwoordelijk, Willemzorg was belast met de uitvoering van het beleid. We hebben er bewust van afgezien een afzonderlijk ministerie in het leven te roepen. Onze verwachting was dat dit slecht zou vallen in de samenleving. Mensen zouden hieraan de verkeerde conclusie verbinden dat wij een enorm belang hechtten aan de skm. Voor de verdediging van de lands¬ grenzen was de skm essentieel. Maar ook weer niet zo essentieel dat wij in staat zouden zijn zelfstandig oorlog te voeren in het geval het grensconflict met Guyana uit de hand zou lopen. In dat geval zouden regionale grootmach¬ ten als Venezuela en Brazilië, al dan niet in OAS-verband, zich ongetwijfeld met de gang van zaken bemoeien. Wij wilden de skm omvormen tot een ontwikkelingsleger. Achteraf zeg ik: we hebben onvoldoende ondernomen om op dit punt beleid te ontwikkelen. Ik voeg hier onmiddellijk aan toe dat dit behalve een kwestie van prioriteitstel¬ ling ook een kwestie van onervarenheid was. We bevonden ons in een nieuwe situatie en waren bezig ons de problematiek verbonden met het opzetten van een ontwikkelingsleger eigen te maken. Te snel heeft men van ons verwacht dat we dit wel even onder de knie zouden krijgen en dat we met de middelen die we hadden een ontwikkelingsleger uit de grond zouden stampen. Zowel Willemzorg als ik persoonlijk hadden problemen met Elstak. Aan¬ vankelijk leek hij ons de aangewezen man om bevelhebber te worden. Hij had een goede opleiding in Nederland genoten, was de hoogste Surinaamse officier in rang en leek gemotiveerd om leiding te geven aan het Surinaamse leger. Voor zover ik weet, was hij geen lid van de nps. In ieder geval heeft dat bij zijn benoeming geen rol gespeeld. Eenmaal in functie bleek dat Elstak zo zijn eigen¬ aardigheden had. In de pers is daarvan gemaakt dat hij megalomaan was en een schertsfiguur. Laat ik er dit van zeggen: Elstak hield van ceremonieel, maar leefde beslist niet boven zijn stand, zoals wel is beweerd. Wel deed hij zijn best allerlei privileges te claimen. Zo waren wij eens op bezoek in Brazilië om over militaire aangelegenheden te onderhandelen. Elstak maakte als bevelhebber deel uit van de Surinaamse delegatie, wat gezien het doel van de reis voor de hand lag. Maar bij terugkeer eiste hij dat hij voortaan bij elk bezoek aan het buitenland mij zou vergezellen. Dat was natuurlijk onzin. Daar kon geen sprake van zijn en dat heb ik hem tot zijn grote ongenoegen ook meegedeeld. Het typeert de man dat hij dergelijke voorrechten voor zichzelf probeerde te regelen. Geleidelijk kwamen Willemzorg en ik erachter dat wij geen open relatie konden onderhouden met Elstak. Dit ging van kwaad tot erger. In zijn rappor¬ tages zorgde hij ervoor dat zijn eigen rol altijd goed uit de verf kwam, maar steeds vaker ontdekten wij dat zijn voorstelling van zaken geen accurate weer-

362

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

gave van de werkelijkheid was. Ook bereikten ons steeds meer klachten over Elstaks benoemingsbeleid. Wij waren nog niet zover dat we al bezig waren een vervanger voor Elstak te zoeken, maar we hebben wel meermalen onze ge¬ dachten over deze mogelijkheid laten gaan. Ook overEssed deden klachten de ronde. Hij zou van de manschappen een kadaver discipline eisen die on-Surinaams was. Ik heb nooit reden gehad om deze bezwaren erg serieus te nemen. Essed was een uitstekende officier, die zijn uiterste best heeft gedaan om het leger te professionaliseren. Dat hij van zijn manschappen discipline eiste, is de normaalste zaak van de wereld. Dat hij daarin doorsloeg of het onmogelijke vroeg van zijn ondergeschikten is mij nooit gebleken. Op een gegeven moment neemt de onrust in het leger dusdanige vormen aan dat onderofficieren een bond oprichten. De regering weigerde deze bond te erkennen. Hoe zal ik het zeggen? Een militaire vakbond was voor ons gewoon niet acceptabel. We hebben deze kwestie onderzocht aan de hand van litera¬ tuur die in Nederland hierover verschenen is. Immers, hun ideeën over een bond hadden de onderofficieren daar opgedaan. Maar de auteurs van Nederlandse vakpublicaties namen in deze kwestie duidelijk een afwijzend standpunt in. Ook hebben wij ons georiënteerd in Venezuela en Brazilië. In die verhoudingen is een militaire vakbond eveneens ondenkbaar. Ten slotte wil ik erop wijzen dat André Haakmat in ïgyg een lezing over dit onderwerp hield. Ook hij sprak zich uit tegen een militaire vakbond. Waar wij geen bezwaar tegen hadden, was een militaire belangenvereniging. Dit hebben we naar de onderofficieren toe duidelijk gecommuniceerd.138 Er is altijd gedaan alsof ik ieder gesprek met de militairen uit de weg ben gegaan. Dit is pertinent niet waar. Ik heb dit nog niet eerder in de openbaar¬ heid gebracht, maar er hebben in ïgyg drie persoonlijke gesprekken plaatsge¬ vonden met de militairen. Het eerste gesprek vond plaats in de kazerne. Ik ben daar op een avond in mijn eentje naartoe gegaan, op eigen initiatief. Let wel, ik waagde mij daarbij in het hol van de leeuw, maar de zaak was ernstig ge¬ noeg om de gok te wagen. De gesprekken met de onderofficieren leverden niets op. Zij wilden een bond, de regering wilde niet verder gaan dan een belangen¬ vereniging. Het tweede gesprek werd bij mij thuis gevoerd, buiten op mijn ter¬ ras. Ik herinner mij nog dat Mijnals erbij was. Hij was toen al bezig met zijn rechtenstudie en probeerde op de andere jongens indruk te maken met zijn juridische kennis. Neede draafde op en neer om drankjes en hapjes uit de koel¬ kast te halen. Een delegatie van de Moederbond, in de persoon van Daal en Grep, woonde de besprekingen bij. Ook deze gesprekken leverden niets op. Ten slotte heb ik in de studio van de

stvs

een onderhoud gehad met de officieren.

Zij hebben mij hun onvrede en hun bezorgdheid over de situatie kenbaar ge¬ maakt. Ik heb naar hun uiteenzetting geluisterd en het standpunt van de rege-

363

ring toegelicht. Men moet mij dus niet komen vertellen dat er met de regering niet te praten viel. Ik heb wel degelijk mijn nek uitgestoken, maar de menings¬ verschillen konden niet worden overbrugd. Dat ik de zaak ernstig nam, moge ook blijken uit het feit dat de regering de commissie-Abendanon instelde. Zoals bekend, heeft deze een rapport uitge¬ bracht en een aantal aanbevelingen gedaan. Ik heb dit rapport niet openbaar gemaakt. Later is het uitgelekt en alsnog gepubliceerd. Het klopt ook dat ik met het rapport niets heb gedaan. Formeel stond de regering in haar recht, want zij had de vrijheid het advies naar eigen goeddunken te gebruiken. Er waren ech¬ ter zwaarwegende redenen van politiek en staatsveiligheid die verhinderden dat ik uitvoering kon geven aan de aanbevelingen uit het rapport. Ik kan daar verder niet op ingaan. Misschien dat ik op een ander moment nog eens op deze zaken kan terugkomen. In januari ig8o besloten de onderofficieren in staking te gaan. Per tele¬ gram zegden ze het vertrouwen in de legerleiding op. Tegen deze ernstige vorm van gezagsondermijning moest de regering wel optreden. We besloten de be¬ stuursleden van Bomika uit hun militaire functie te zetten. De onderofficieren gingen echter door met hun acties. Sterker, ze deden een poging om de kazerne in te nemen, maar we hebben dit weten te verhinderen. In reactie hierop probeerden ze van Fort Bomika, zoals zij hun hoofdkwartier noemden, een alternatieve kazerne te maken. Stel je voor: als we dat hadden toegelaten, dan hadden we twee legers gehad, één onder het wettig gezag en één buiten elk wettig kader om. Dat was volstrekt onaanvaardbaar. Dat betekende niets minder dan het omverhalen van de rechtsstaat. Ik wenste daar niet aan mee te werken. Het was voor mij daarom een logische stap om Sital, Neede en Abrahams te laten arresteren. Dat gebeurde op 30 januari. Ze werden opgesloten in Santo Boma. Hun zaak werd voor de krijgsraad gebracht. Auditeur-militair Fred Kruisland eiste op 20 februari tien maanden gevangenisstraf en ontslag uit militaire dienst. De uitspraak in deze zaak zou op 26 februari volgen. De onderofficieren hebben het niet op een uitspraak laten aankomen. Dat was het advies dat ze hadden gekregen: laat het niet op een uitspraak aankomen. Ze hebben deze raad ter harte genomen en daags hiervoor hun coup gepleegd.139 Ik heb in die februarimaand onder zware druk gestaan. Van alle kanten heeft men geprobeerd mij zover te krijgen dat ik Sital, Neede en Abrahams zou vrijlaten. Niet alleen in de samenleving, maar ook in het parlement, zelfs in mijn eigen regering gingen stemmen op om de zaak niet te laten escaleren en het met de onderofficieren op een akkoordje te gooien. Ik heb dit consequent geweigerd. Dit lag voor mij heel principieel. Toegeven aan deze druk zou gelijk staan aan het vertrappen van de rechtsstaat. Iedereen heeft tot taak de rechts-

364

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

staat te eerbiedigen. Dat is de opdracht van burgers en militairen. Ik zag geen aanleiding daar een uitzondering op te maken. De gesprekken die Arron in 1979 op persoonlijke titel met militairen voerde, zijn nauwelijks of niet gedocumenteerd. Het onderhoud dat Arron op eigen initiatief had met onderofficieren in de Memre Boekoekazerne kan niet met andere getuigenissen worden ondersteund. Kennelijk heeft deze gedachtewisseling weinig sporen nagelaten in de herinnering van de aanwezigen. De uitkomst van het overleg liet de patstelling die er tus¬ sen de regering en de onderofficieren bestond hoe dan ook intact. Het gesprek met de onderofficieren bij Arron thuis vond plaats op 29 januari 1979. Er is een verslag van deze ontmoeting overgeleverd van de hand van Jan Haakmat.140 Hieruit blijkt dat tijdens de marathonzitting - die volgens Haakmat van 8 uur ’s avonds tot 4 uur ’s nachts duurde141 - een delegatie van de Bond van Onderofficieren (Bouterse, Horb, Abrahams, Neede en Mijnals) en een delegatie van de Moederbond (Daal, Kohinor, Grep, Van Russel, Jhawnie en Haakmat) alle gelegenheid kregen hun visie op de gerezen problemen uiteen te zetten. Arron was vergezeld van George Hindori, die zichzelf de rol van toehoorder had toebedeeld en niet actief aan de besprekingen deelnam. Geen van aanwezigen vermoedde op dat moment dat enkele jaren nadien Arron, Bouterse en Daal in een geheel andere verhouding tot elkaar zouden staan. Volgens Haakmat benadrukte Bouterse, als toenmalig bondsvoorzit¬ ter, de noodzaak om de krijgsmacht te professionaliseren en om te vormen tot een ontwikkelingsleger. Een gebrek aan beleid camoufleren met het opleggen van kadaverdiscipline beschouwde hij niet als het leveren van een opbouwende bijdrage aan dit proces. Daal pleitte voor het creëren van een overlegstructuur tussen de legerleiding en de Bond van Onder¬ officieren, zodat conflictsituaties vroegtijdig konden worden onderkend en opgelost. Arron merkte op moeite te hebben met de beschuldiging van André Haakmat dat de regering bezig was de grondwet te schenden door de onderofficieren geen vakbond toe te staan. Desondanks beloofde hij een commissie in het leven te zullen roepen die tot taak zou krijgen de krijgsmacht door te lichten. Haakmat: Arron, die bekend stond als een man aan wiens woorden men niet al te grote waarde moest hechten, hield zich deze keer wél aan zijn woord: spoedig werd de commissie geïnstal¬ leerd onder voorzitterschap van rechter mr. O. Abendanon.’142 Mijnals: ‘Ondanks alle onrust vond het overleg bij Arron plaats in een ontspannen sfeer. Er was maar één wanklank. Daar was ik zelf debet aan. Ik vond het nodig om de lezing die André Haakmat kort daarvoor had ge¬ houden door te prikken. Mijn analyse was dat de Moederbond met opzet

365

Haakmat naar Suriname had gehaald om onze vakbondsplannen onder¬ uit te halen. Haakmats opmerking dat een militaire vakbond in Suriname niet wenselijk was, speelde onmiskenbaar de regering in de kaart. Daal reageerde woedend op mijn aantijgingen. Arron zei niets. In de loop van de avond kwamen de standpunten dichter bij elkaar te liggen. We bereik¬ ten een gentlemen’s agreement waar we de volgende dag in het kampe¬ ment verder over zouden praten. Dat is ook gebeurd. Maar bij die gele¬ genheid ontkende Arron dat de avond ervoor afspraken waren gemaakt. Wij waren geschokt door deze uitspraak. Kennelijk had Arron voor zich¬ zelf geconcludeerd dat hij op 29 januari te veel had toegegeven, had hij hier spijt van gekregen en ontkende hij daarom dat het besprokene had plaatsgevonden. Alleen de onderzoekscommissie bleef overeind. Voor het overige moesten de onderhandelingen weer van voren af aan beginnen. Omdat hij woordbreuk pleegde, heb ik Arron later een platvloerse leuge¬ naar genoemd.’143 De documentatie over de bespreking in de STVs-studio is schaars. Volgens Wijntuin, die samen met een zwager van hem en een partijge¬ noot van Arron aanwezig was, hadden de besprekingen weinig om het lijf. Het ging om een informeel, bijna terloops overleg, tussen Arron en Reuben Essed. Er zou een halfuur zijn gepraat, waarbij de aandacht meer zou zijn uitgegaan naar een voetbalwedstrijd die werd vertoond dan naar de problemen binnen de

skm.

Arron zou naderhand geen mededelingen

over het onderhoud doen. Het heeft er veel van weg dat het gesprek het karakter van een beknopte update had.144 Arron had het coupscenario kunnen voorblijven door gevolg te geven aan de aanbeveling van de commissie-Abendanon om een wetsontwerp in te dienen bij het parlement, zodat de onderofficieren niet langer met een beroep op de grondwet een eigen vakbond hadden kunnen opeisen. Het bewandelen van deze parlementaire weg paste het beste bij de rechts¬ statelijke beginselen die de regering verklaarde hoog te willen houden. Om de aanvaarding van het wetsontwerp mogelijk te maken, was de medewerking van de oppositie vereist. Er mocht echter vanuit worden gegaan dat de vdp, als medeverdediger van de rechtsstaat, steun aan een dergelijk initiatief zou hebben gegeven. Daarnaast had Arron aanstalten kunnen maken het leger op een nieuwe leest te schoeien. Maatregelen die hij had kunnen nemen, waren het inroepen van buitenlandse expertise, het benoemen van een minister van Defensie, het vervangen van de be¬ velhebber, het garanderen van functionerende overlegstructuren en het verder uitwerken van het concept van een ontwikkelingsleger. Politieke twijfel, persoonlijke trots en een pertinente gezagsopvatting verhin-

366

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

derden Arron echter dergelijke plannen te maken en er uitvoering aan te geven. Door deze opstelling verwerden de beraadslagingen tussen de onder¬ officieren en het burgerlijk gezag tot een test wie over de langste adem beschikte en de ontwikkelingen in laatste instantie naar zijn hand zou weten te zetten. Bouterse had gelijk toen hij naderhand opmerkte dat er Kostbare tijd was verstreken met praten en dat het tijdstip was aangebro¬ ken voor actie.45 Maar een staatsgreep was niet het geëigende middel om het conflict op te lossen. Er waren nog te veel alternatieven voorhanden. Om te beginnen had het electoraat de kans moeten krijgen een oordeel over de SKM-kwestie te vellen tijdens de ophanden zijnde parlementsver¬ kiezingen. Zowel de

npk

als de vdp, maar ook de Volkspartij, die de sym¬

pathie van veel onderofficieren genoot en kans leek te hebben op het ver¬ werven van een parlementszetel, had na toetreding tot het college positief aan de beëindiging van de legerkwestie kunnen bijdragen. In de tussentijd hadden de onderofficieren hun grieven bij wettelijke instan¬ ties kunnen bepleiten en sympathiserende bonden kunnen verzoeken om bijstand. Ongeduld en een gekwetst eergevoel stimuleerden de on¬ derofficieren echter een oplossing voor het conflict te zoeken buiten de kaders van de democratische rechtsstaat.146

OP VERKIEZINGSCAMPAGNE

Terwijl de spanningen in de samenleving - waarvan het conflict tussen de regering en de onderofficieren een symptoom was - opliepen, gingen de voorbereidingen voor de geplande verkiezingen van 27 maart onver¬ minderd door. Als grootste coalitiepartij besloot de

nps

op haar partij¬

raadsvergadering van 23 december 1979 dat voorzetting van de samen¬ werking met de NPK-partners de voorkeur genoot.147 Daarmee kwam een einde aan speculaties dat de

nps

zelfstandig de verkiezingen in zou gaan

om daarna een nationaal kabinet te formeren met de

vhp.148

Hiervoor

hadden verschillende NPs’ers zich sterk gemaakt, overigens zonder de partijtop van de noodzaak hiervan te kunnen overtuigen.149 Op 6 januari 1980 maakten Arron en Van Genderen tijdens een partijraadsvergadering bekend dat de

nps

samen met de

Nationale Partij Kombinatie

(npk)

psv

en de

hpp

onder de vlag van de

de verkiezingen in zou gaan.150 Op de

partijraadsvergadering van 15 januari kondigden zij aan dat ook de

pprs

zich bij de combinatie had gevoegd.151 Arron werd op 24 januari aangewe¬ zen als lijsttrekker in Paramaribo op een vergadering van de NPS-kernen in dit kiesdistrict. De beslissing viel in de vergaderzaal van Sisa Lobi, de kern waar hij al op jonge leeftijd ‘beschermheer’ van was geworden.152

367

De opname van de uitmaken van de

npk.

pprs

verhinderde als vanzelf dat de

De opvatting van

kt pi-leider

ktpi

deel kon

Soemita dat hij in de

smeergeldenaffaire geen misstap had begaan, maar alleen een juridischtechnische fout had gemaakt die hij door het uitzitten van zijn gevange¬ nisstraf had gecorrigeerd, deed daar niets aan af.153 De mogelijkheid om het Javaanse element een prominentere plaats te geven in de combinatie door een alliantie aan te gaan met de Pendawa Lima bestond alleen op pa¬ pier. Somohardjo had er wel oren naar, maar de

nps

wilde zich hoeden

voor een herhaling van de onverkwikkelijke taferelen die, zoals in 1975, het voortbestaan van de

npk

in gevaar hadden gebracht. Voor Arron per¬

soonlijk gold dat hij zich gegriefd voelde door de campagne van Somo¬ hardjo tegen het grensverdrag met Frankrijk. Diens stijl van oppositie voeren verafschuwde hij.154 Volgens een prognose diende er rekening mee te worden gehouden dat de

npk

door het overlopen van de meerderheid van de Javaanse kie¬

zers naar de oppositie twee, mogelijk drie zetels zou verliezen. Hierdoor zou de

vdp

twee, mogelijk drie zetels winnen. Het gevolg zou zijn dat

geen van beide blokken over een werkbare meerderheid zou beschikken. Een regering bestaande uit de

nps

en de

vhp

zou uitkomst kunnen bie¬

den, maar deze combinatie werd niet als een reële optie beschouwd. Een substantieel deel van de aanhang van de

nps zou

er mogelijk voor te vin¬

den zijn, maar Arron zou zich onverminderd tegen een brede basis-regering verzetten. De houding van de vhp bij de toelating tot het parlement van de

NPs’er

Koorndijk en het verzet van de partij tegen het verdrag met

Frankrijk waren twee recente voorbeelden van oppositie die volgens Arron nog eens ten overvloede aantoonden dat het Lachmon niet ging om het gewetensvol behartigen van nationale aangelegenheden, maar uitsluitend om het bestrijden van politieke tegenstanders en het vereffenen van reke¬ ningen.155 In gesprek met de Nederlandse ambassadeur erkende Lachmon dat zijn samenwerking met Soemita een slechte indruk maakte. Maar hij kon eenvoudig niet om de KTPi-leider heen. Hij had de Javaanse kiezers no¬ dig om de verkiezingen te kunnen winnen en dus diende hij zijn kaarten te zetten op een samenwerking met Soemita én Somohardjo. Lachmon verklaarde zich bereid om desnoods met de duivel zelf in zee te gaan als dit het einde kon betekenen van het bewind van Arron. Na de verkiezin¬ gen had de formatie van een kabinet op brede basis zijn voorkeur. Hij was zich ervan bewust dat Arron hier tegen zou zijn. Maar hij achtte het niet onwaarschijnlijk dat partijgenoten hem bij een slecht verkiezingsresul¬ taat zouden wippen, waarna de weg alsnog vrij zou zijn voor een nps-vhp-

368

HET PRIMAAT VAN DE PARTIJPOLITIEK: IN HET DEFENSIEF

regering. Lachmon typeerde de verkiezingen als de mogelijk laatste kans voor een ordelijke opbouw van Suriname op democratische grondslag.156 Op zijn beurt liet Arron de Nederlandse ambassadeur weten dat de situatie in het land gespannen was, maar dat eventuele ongeregeldheden de wanordelijkheden van 1973 nooit zouden benaderen. De regering had passende maatregelen getroffen om ordeverstoringen tegen te gaan en kon rekenen op de loyaliteit van het politieapparaat. Na de uitspraak van de krijgsraad zou worden vastgesteld wat er met de 167 militairen diende te gebeuren die zich aan het wettig gezag hadden onttrokken en hoe de kwestie van de SKM-leiding diende te worden opgelost. Het was volgens Arron een probleem dat binnen de

skm

het gezag van de eigen officieren

in veel mindere mate werd geaccepteerd dan het gezag van de Neder¬ landse officieren ten tijde van de

tris.

Arron verklaarde met nadruk dat

hij zich niet door vakbonden of pressiegroepen zou laten chanteren. Maar evenmin wilde hij tijdens de verkiezingen politiek bedrijven met het conflict.157 Op 12 februari was de NPK-verkiezingscampagne van start gegaan met een massameeting op Grun Dyari.

‘npk

... toch de juiste keus’, luidde

de verkiezingsslogan.158 Voorzitter Arron beloofde dat de campagne van de coalitiepartijen waardig en gedisciplineerd zou verlopen en verklaar¬ de geen vrees te hebben voor het monsterverbond dat de oppositie had gesloten. ‘Wat niet bij elkaar hoort, zal niet bij elkaar blijven,’ citeerde hij zijn leermeester Pengel. ‘En wat niet bij de

npk

hoorde, is om bekende

redenen reeds van haar weggegaan,’ vervolgde hij. Hiermee verwees Arron naar het opstappen uit de coalitie van Soemita. Volgens Arron dienden de komende jaren te worden beschouwd als de tweede ontwikkelingspe¬ riode van Suriname, waarin de opbouw v